Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:8350

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-12-2016
Datum publicatie
30-12-2016
Zaaknummer
C/02/315651 / HA ZA 16-360
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid bank voor fout in volmacht afgewezen; werking vervaltermijn in algemene voorwaarden; art.6:140 lid 3 BW.

Geen bijzondere omstandigheden aangenomen, die verzaking controleplicht van rekeninghouder rechtvaardigen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/315651 / HA ZA 16-360

Vonnis van 28 december 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres,

advocaat mr. L. Hennink te Rotterdam,

tegen

de coöperatie

COOPERATIEVE RABOBANK U.A .

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. N.T.M. Verhoeven te Eindhoven.

Partijen zullen hierna eiseres en Rabobank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 augustus 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 15 november 2016 alsmede de door eiseres bij gelegenheid van de comparitie in het geding gebrachte producties nummer 15 en 16.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Eiseres vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

  1. voor recht verklaart dat mevrouw [naam x] in de periode van 26 juli 2007 tot en met 2012 niet rechtsgeldig gevolmachtigde is geweest tot de effectenrekening van de heer [naam y] en dientengevolge de door haar opgegeven verkoopopdrachten in die periode onbevoegd zijn gegeven;

  2. Rabobank veroordeelt tot schadevergoeding wegens schending van haar zorgplicht zowel op grond van onrechtmatige daad als op grond van schending van contractuele verplichtingen;

  3. de schade bepaalt op een bedrag van € 130.987,18 vermeerderd met kosten en vermeerderd met de wettelijke handelsrente;

  4. Rabobank veroordeelt in de proceskosten waaronder begrepen buitengerechtelijke incassokosten.

2.2.

Rabobank voert verweer.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen kan in dit geding van de navolgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

3.1.1.

Eiseres is erfgename van [naam y] , die op 5 juli 2013 is overleden. Na het aanbrengen van de dagvaarding heeft haar zuster, die tezamen met eiseres erfgename is, de nalatenschap verworpen. Thans is eiseres enig erfgename.

3.1.2.

[naam y] hield vanaf 2002 tezamen met wijlen zijn echtgenote - die overleden is op 18 mei 2007 - een drietal bankrekeningen aan bij Rabobank, te weten een betaalrekening, een spaarrekening en een effectenrekening. Op 24 juli 2006 heeft het echtpaar [naam z] hun kleindochter [naam a] gemachtigd om over hun tegoeden op deze drie rekeningen te beschikken en deze te beheren. Toen de echtgenote overleed is de volmacht komen te vervallen en hebben [naam y] en [naam a] op het kantoor van Rabobank een nieuwe volmacht getekend. Dit was op 26 juli 2007. Anders dan op de vorige volmacht stond vermeld staat op dit volmachtformulier slechts een machtiging vermeld, kort gezegd, om te beschikken over de spaar- en betaalrekening; niet over de effectenrekening.

3.1.3.

Op de bankrelatie tussen het echtpaar [naam z] en Rabobank waren de Algemene Bankvoorwaarden 1995 van toepassing en wat betreft de effecten rekening de Algemene Bankvoorwaarden voor effecten dienstverlening. Wat betreft de beschikking over de effectenrekening hebben het echtpaar [naam z] en Rabobank gekozen voor een zogeheten “execution only” relatie via de “Rabo order lijn/internetbankieren”.

3.1.4.

Toen de echtgenote overleed op 18 mei 2007 vertoonden de rekeningen de navolgende tegoeden: € 13.602,23 op de betaalrekening, € 81.278,74 op de spaarrekening en € 130.489,00 op de effectenrekening.

3.1.5.

[naam y] heeft op 11 juli 2012 de effectenrekening opgeheven en het tegoed laten overboeken naar de betaalrekening. Op 21 februari 2013 heeft [naam y] aangifte bij de politie gedaan ter zake verduistering door [naam a] ; in die aangifte verklaarde [naam y] , dat hij op 18 februari 2013 van een medewerkster van Rabobank te horen kreeg dat er geen tegoed meer was op zijn bankrekeningen en zelfs een tekort van € 1.434,00.

3.1.6.

Bij vonnis van 15 juni 2016 is [naam a] door de rechtbank veroordeeld tot een vrijheidsstraf vanwege verduistering van € 132.229,37 door, kort gezegd, misbruik te maken van bankbescheiden van [naam y] .

3.1.7.

Ten tijde van het overlijden van [naam y] bedroeg het saldo van de betaalrekening € 779,48 en dat van de spaarrekening € 11,05.

3.1.8.

Verhaal op [naam a] van het aan [naam y] toegebrachte nadeel is niet mogelijk gebleken.

3.2.

Ter onderbouwing van haar vorderingen brengt eiseres, als enig erfgename van de nalatenschap van [naam y] , het navolgende, zakelijk weergegeven, naar voren.

Naar ten tijde van de aangifte aan [naam y] gebleken is heeft [naam a] in de jaren 2010 tot en met medio 2012 opdrachten gegeven aan Rabobank om effecten te verkopen en de opbrengsten via de spaarrekening van [naam y] door te geleiden naar rekeningen van haarzelf en derden. Dit tot een totaal van meer dan € 130.000,00. [naam y] heeft dit steeds niet geweten omdat hij slecht kon zien als gevolg van staar en de brieven van de bank ongeopend mee liet nemen door [naam a] , die de enveloppen periodiek mee naar haar woning elders nam.

[naam y] bemoeide zich niet met de bankzaken, werd niet op de hoogte gehouden van zijn financiële situatie en liet alle bankzaken geheel over aan [naam a] .

[naam a] echter was niet gevolmachtigd op de effectenrekening en toch heeft de bank al die jaren gehoor gegeven aan haar verkoopopdrachten van effecten. Eiseres kwalificeert dit als een fout van Rabobank, die Rabobank kan worden toegerekend; de uit deze fout voortgevloeide schade dient de bank daarom aan de nalatenschap te vergoeden, aldus eiseres.

3.2.1

Eiseres beklemtoont dat de beperking van de volmacht door [naam y] aan [naam a] tot het louter beschikken over de betaal- en spaarrekening een bewuste keuze van de volmachtgever was; geen van de betrokkenen heeft ooit beoogd om [naam a] gevolmachtigde tot de effectenrekening te maken. Die beperking betreft dus niet slechts een administratieve vergissing van Rabobank. Als dat anders was, zo stelt eiseres, dan heeft Rabobank in elk geval haar pre- contractuele zorgplicht geschonden door [naam a] niet te informeren over de risico’s van beleggen, een en ander zoals de betreffende regelgeving voorschrijft.

Volgens eiseres heeft [naam a] in de periode van 2010 tot halverwege 2012 diverse verkoopopdrachten gegeven, soms telefonisch, zonder dat Rabobank op zorgvuldige wijze de bevoegdheid van [naam a] heeft gecontroleerd; daar komt bij dat reeds twee maanden na de machtiging door [naam y] een eerste opdracht tot aankoop van certificaten is gegeven ter waarde van ongeveer € 40.000,00, hetgeen naar de mening van eiseres opmerkelijk te noemen is en de benodigde aandacht van de bank had moeten wekken, hetgeen niet gebeurd is. Verder kan gezegd worden dat vóór het jaar 2010 [naam y] nog nooit een verkoopopdracht had gegeven en zich in de daar op volgende jaren een opmerkelijke wijziging in het beleggingsgedrag voordeed.

Van een zorgvuldig handelende Rabobank had verwacht mogen worden dat zij op eigen initiatief contact met de rekeninghouder had gezocht om te verifiëren of al deze transacties overeenkomstig zijn wil zijn geweest; ook hierin schiet Rabobank tekort, aldus eiseres.

3.2.2.

Rabobank heeft een reeks van verweren ontwikkeld tegen toewijzing van de vorderingen. Deze verweren komen erop neer dat, anders dan eiseres stelt, [naam a] wèl gevolmachtigd was op de effectenrekening, dat rekeninghouder [naam y] geen schade heeft geleden omdat de opbrengst van de verkoop van de effecten gecrediteerd werd op de spaarrekening van hemzelf en aldus diens vermogen geen verandering onderging; dat bovendien sommige in het geding zijnde transacties uitgevoerd zijn zonder dat er een opdracht door [naam a] aan ten grondslag lag en dat er niet tijdig is geklaagd in de zin van artikel 6:89 BW.

3.2.3.

Rabobank heeft ook het hierna te bespreken verweer gevoerd. Anders dan de verweren vermeld in 3.2.2. bespreekt de rechtbank dit verweer uitvoerig omdat dit verweer reeds doel treft. Bespreking van de andere verweren is daarom niet nodig.

3.3.

Rabobank wijst erop dat op de bankrelatie tussen haar en [naam y] de Algemene Bankvoorwaarden 1995 golden.

In die voorwaarden komt onder meer de navolgende regeling voor:

12 controle bankbescheiden

(…)

De cliënt is verplicht de door de bank aan hem gezonden bevestigingen, rekeningafschriften, nota’s of andere opgaven terstond na ontvangst te controleren. Voorts dient de cliënt te controleren of door of namens hem gegeven opdrachten door de bank juist en volledig zijn uitgevoerd. Bij constatering van een onjuist feit of onvolledigheid is de cliënt verplicht de bank daarvan zo spoedig mogelijk in kennis te stellen. In de hiervoor bedoelde gevallen is de bank verplicht om de door haar gemaakte fouten en vergissingen te herstellen.

13 goedkeuring bankbescheiden

Indien de cliënt de inhoud van de bevestigingen, rekeningafschriften, nota’s of andere opgaven van de bank aan de cliënt niet heeft betwist binnen 12 maanden nadat die stukken redelijkerwijze geacht kunnen worden de cliënt te hebben bereikt, geldt de inhoud van die stukken als door de cliënt te zijn goedgekeurd. Indien in dergelijke stukken rekenfouten voorkomen is de bank bevoegd en verplicht die rekenfouten te herstellen, ook nadat genoemde termijn van 12 maanden is verstreken.

In de huidige algemene bankvoorwaarden van Rabobank, die gelden vanaf 2009, komen overeenkomstige bepalingen voor in de artikelen 19 en 20.

De zin van deze voorwaarden, aldus Rabobank, is hierin gelegen dat aldus wordt voorkómen dat er schade ontstaat; als inderdaad zal moeten worden aangenomen dat Rabobank transacties heeft uitgevoerd zonder een geldige opdracht van de rekeninghouder dan had deze dat door middel van tijdige controle van de toegezonden bescheiden moeten vaststellen en de bank moeten waarschuwen. Door dit na te laten heeft te gelden dat het saldo van de betreffende rekeningen na ommekomst van genoemde termijn de instemming heeft van de rekeninghouder.

De laatste betwiste verkoopopdracht dateert van 9 juli 2012 en eerst bij brief van de advocaat van 9 september 2014 - dus ruim na het verstrijken van die 13 maanden termijn- wordt er melding van gemaakt, dat er fouten zouden zijn gemaakt door Rabobank.

De beweerdelijk geleden schade in de nalatenschap van [naam y] kan daarom dus niet afgewenteld worden op Rabobank, zo luidt de conclusie van dit verweer.

3.4.

Eiseres betwist niet dat in de geldende bankrelatie de hiervoor weergegeven artikelen voorkomen en dat niet voldaan is aan het voorschrift van de 13 maanden termijn. Zij vindt evenwel - zo blijkt uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen - dat Rabobank geen beroep kan doen op de 13 maanden termijn van de Algemene Bank voorwaarden omdat dit beroep in strijd met de goede trouw is. Rabobank had namelijk wetenschap van de hulpbehoevendheid van [naam y] ; Rabobank moet dit hebben opgemerkt bij een huisbezoek.

3.5.

De rechtbank stelt vast dat Rabobank gelijk heeft wanneer zij stelt dat door de rekeninghouder niet tijdig in het geweer is gekomen ten aanzien van de toegezonden bankafschriften/ andere opgaven, die hebben geleid tot de vaststelling van de hoogte van de rekening-courantverhouding tussen partijen. Ook heeft Rabobank gelijk dat dit het gevolg heeft dat het ervoor gehouden moet worden dat mutaties de goedkeuring hadden van de rekeninghouder. Deze zelfde gedachtegang is niet alleen neergelegd in de betreffende Bank voorwaarden maar ook in de wet. Gedoeld wordt op artikel 6:140 lid 3 BW.

Dit heeft het gevolg - zoals Rabobank terecht concludeert - dat eventueel door [naam y] geleden schade niet afgewenteld kan worden op Rabobank. Een soortgelijke casus en redenering is te vinden in HR 23-02-2001,ECLI:NL:PHR:2001:AB0220.

3.6.

Denkbaar is dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die meebrengen dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het onaanvaardbaar is dat Rabobank een beroep doet op de betreffende artikelen.

Anders dan eiseres bepleit, doen zich evenwel zodanige, bijzondere omstandigheden hier niet voor. Zelfs wanneer de gestelde fout die Rabobank zou hebben gemaakt en die bepaald niet als onbeduidend kan worden gekwalificeerd in aanmerking zou worden genomen.

Immers, als al feitelijk juist zou zijn dat Rabobank ermee bekend was dat [naam y] als gevolg van een staaraandoening hulpbehoevend was - Rabobank betwist dit - dan valt nog niet in te zien waarom dit meebrengt dat hij zijn bovengenoemde verplichtingen niet na heeft kunnen komen. Blijkens de processtukken heeft [naam y] zich ettelijke jaren niet bekommerd om zijn financiële positie, zich niet op de hoogte laten stellen van zijn financiën en zich volledig heeft verlaten op kleindochter [naam a] . [naam a] nam steeds de in de woning van de rekeninghouder bezorgde brieven van de bank - ongeopend en dus ongelezen - mee naar elders; niet gesteld of gebleken is dat [naam y] aan [naam a] op enig moment gevraagd heeft om verantwoording te geven over het door haar gevoerde beheer over de spaarrekening (te weten de rekening waar de verkoopopbrengsten van de effecten op gecrediteerd zijn) dan wel zich er op een andere wijze er van verzekerd heeft, dat de bankafschriften van Rabobank op juistheid berusten.

Bij deze stand van zaken kan niet aanvaard worden dat zich bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan die beletten dat Rabobank een beroep toekomt op de werking van de betreffende artikelen uit de algemene voorwaarden.

3.7.

De conclusie van bovenstaande is dat de gevorderde schadevergoeding dient te worden afgewezen . Dit betekent dat eiseres geen belang meer heeft bij de door haar gevorderde verklaring voor recht, zodat de hierop betrekking hebbende vordering eveneens wordt afgewezen.

Als de in het ongelijk te stellen partij wordt eiseres verwezen in de proceskosten, die bestaan uit het door Rabobank betaalde griffierecht ad € 3.903,00 en de advocaatkosten van Rabobank ad 2 punten à € 1.421,00 = € 2.842,00

In totaal dus: € 6.745,00.

3.8.

De veroordeling in de proceskosten wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat Rabobank daarom verzocht heeft en toewijzing van dit verzoek niet is tegengesproken.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

veroordeelt eiseres in de kosten van het geding deze voor zover gerezen aan de zijde van Rabobank begroot op € 6.745,00,

4.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink, mr. Combee en mr. Van 't Nedereind en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2016.