Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:8342

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
AWB 16_2337
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:2298, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eerst na het onherroepelijk worden van het uitwerkingsplan kan worden beoordeeld of sprake is van een planologisch nadeliger situatie. Dat de onzekerheid over de toekomstige bestemming en de duur van de procedures om te komen tot vaststelling van het bestemmingsplan en het uitwerkingsplan schade met zich brengen en met zich hebben gebracht, maakt dat niet anders. Voor zover als gevolg hiervan schade is geleden, kan niet worden geoordeeld dat deze schade ook voortvloeit uit een in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro genoemde oorzaak, terwijl buiten de in deze bepaling limitatief opgesomde gevallen, geen plaats is voor een tegemoetkoming in schade op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro. Het college heeft het verzoek om een tegemoetkoming in de planschade dan ook terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/365
OGR-Updates.nl 2017-0026
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/2337 WET

uitspraak van 23 december 2016 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam bedrijf] , te [vestigingsplaats] , eiseres,

gemachtigde: [naam gemachtigde] ,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 3 maart 2016 (bestreden besluit) van het college inzake de afwijzing van haar verzoek om een tegemoetkoming in de schade op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 11 november 2016.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en drs. K.F.J.P. de Bont RT. Daarnaast is [naam directeur] , directeur van eiseres, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.N. van den Heykant-Berman en [naam vertegenwoordiger] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres, hierna te noemen [naam bedrijf] , is eigenaresse van de percelen plaatselijk bekend [adres1] en [adres2] te [vestigingsplaats2] .

Op 27 juni 2012 is het bestemmingsplan “Spoorhaven 1e fase” onherroepelijk geworden. Op grond van dat bestemmingsplan rust ter plaatse van de percelen de bestemming “Woongebied – uit te werken spoorhaven”, met daaraan gekoppeld een bouwverbod. Op grond van het direct daarvoor geldende bestemmingsplan “Stationswerf” rustte ter plaatse de bestemming “Bedrijfsdoeleinden”.

Op 15 maart 2014 heeft [naam bedrijf] bij het college een aanvraag gedaan voor een tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro ten gevolge van het bestemmingsplan “Spoorhaven 1e fase”. Er is volgens de aanvraag sprake van directe planschade als gevolg van de wijziging van de bestemming “Bedrijven” in de bestemming “Woongebied- uit te werken woonbestemming”. De schade is in de aanvraag begroot op

€ 2.400.000,-.

Het college heeft het verzoek van [naam bedrijf] ter advisering voorgelegd aan de [Naam adviesbureau] ). De [Naam adviesbureau] heeft in maart 2015 een conceptadvies uitgebracht strekkende tot afwijzing van de aanvraag. [naam bedrijf] heeft daarover haar zienswijze naar voren gebracht. De [Naam adviesbureau] heeft daarin geen aanleiding gezien om het advies te wijzigen en heeft het college in haar rapport van mei 2015 geadviseerd de aanvraag van [naam bedrijf] af te wijzen. De [Naam adviesbureau] heeft daaraan, voor zover thans nog van belang, ten grondslag gelegd dat pas na het vaststellen, inwerkingtreden en onherroepelijk worden van een uitwerkingsplan kan worden beoordeeld of dat uitwerkingsplan tot een voor [naam bedrijf] planologisch nadeliger situatie heeft geleid.

Bij besluit van 27 mei 2015 (primair besluit) heeft het college de aanvraag van [naam bedrijf] onder verwijzing naar en met overneming van het advies van de [Naam adviesbureau] afgewezen.

[naam bedrijf] heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Zij heeft haar bezwaar toegelicht tijdens de hoorzitting van de commissie voor de bezwaarschriften van 12 oktober 2015.

Bij het bestreden besluit heeft het college de afwijzing van het verzoek gehandhaafd.

2. [naam bedrijf] heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan “Spoorhaven 1e fase” op zichzelf al heeft geleid tot schade. Doordat in dat bestemmingsplan een uit te werken woonbestemming is opgenomen, maar de vaststelling van het uitwerkingsplan op zich laat wachten, zijn de oude bedrijfsgebouwen leeg komen te staan en is de opbrengst nihil. Realisatie van nieuwe bedrijfsunits was onder de oude bestemming mogelijk en rendabel geweest, maar is thans niet meer mogelijk. Als gevolg van de (woning)marktomstandigheden is verkoop van gronden met een niet-uitgewerkte woonbestemming onmogelijk. Gelet op deze omstandigheden had een tegemoetkoming in de schade moeten worden toegekend, aldus [naam bedrijf] .

3. Artikel 6.1, eerste lid, van de Wro bepaalt dat burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toekennen, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Het tweede lid, aanhef en onder a bepaalt dat een oorzaak als bedoeld in het eerste lid een bepaling van een bestemmingsplan, beheersverordening of inpassingsplan is, niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.3, artikel 3.6, eerste lid, of artikel 3.38, derde of vierde lid.

Het zesde lid bepaalt, sinds de inwerkingtreding op 25 april 2013, dat schade als gevolg van een bepaling als bedoeld in artikel 3.3 of artikel 3.6, eerste lid, onder c, of artikel 3.38, derde of vierde lid, eerst wordt vastgesteld op grond van een krachtens die bepalingen genomen besluit.

Artikel 3.6, eerste lid, van de Wro bepaalt dat bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels:

a. burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen;

b. burgemeester en wethouders het plan moeten uitwerken;

c. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels;

d. burgemeester en wethouders ten aanzien van in het plan omschreven onderwerpen of onderdelen nadere eisen kunnen stellen.

4. [naam bedrijf] heeft bij haar aanvraag van 15 maart 2014 verzocht om een tegemoetkoming in de schade op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro. [naam bedrijf] heeft in haar aanvraag het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan “Spoorhaven 1e fase” aangemerkt als oorzaak van de schade. Op grond van dat bestemmingsplan is op de percelen van [naam bedrijf] een uit te werken woonbestemming komen te rusten.

Het college heeft zich, in navolging van het advies van de [Naam adviesbureau] , op het standpunt gesteld dat pas na het onherroepelijk worden van een uitwerkingsplan voor de percelen kan worden beoordeeld of dat uitwerkingsplan tot een voor [naam bedrijf] planologisch nadeliger situatie heeft geleid. [naam bedrijf] heeft aangevoerd dat het college zich ten onrechte op dat standpunt heeft gesteld, aangezien het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan Spoorhaven 1e fase op zichzelf al heeft geleid tot schade.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat eerst na het onherroepelijk worden van het uitwerkingsplan kan worden beoordeeld of sprake is van een planologisch nadeliger situatie. Zoals ook in het advies van de [Naam adviesbureau] is opgemerkt, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) in de uitspraak van 24 september 2014 (“Veenendaal” ECLI:NL:RVS:2014:3485) overwogen dat op grond van artikel 6.1, zesde lid, van de Wro, zoals dat op 25 april 2013 in werking is getreden, schade onder meer als gevolg van een bepaling als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c, eerst wordt vastgesteld op grond van een krachtens die bepaling genomen besluit. Hoewel het vaststellen van een uitwerkingsplan (3.6, eerste lid, onder b) niet is genoemd in artikel 6.1, zesde lid, van de Wro, valt uit de geschiedenis van de totstandkoming daarvan (Kamerstukken II, 2011-2012, 33 135, nr. 3, blz. 13-14 en 44-45) af te leiden dat de wetgever heeft beoogd dat een uit te werken bestemming niet in de vergelijking tussen het oude en het nieuwe planologische regime mag worden betrokken en er geen grond voor een vergoeding van planschade is, zolang geen uitwerkingsplan is vastgesteld en in werking is getreden. Dat, zoals [naam bedrijf] heeft aangevoerd, in de uitspraak Veenendaal een situatie van indirecte planschade aan de orde was, terwijl het verzoek van [naam bedrijf] ziet op een tegemoetkoming in directe planschade, doet aan dit uitgangspunt niet af. De AbRS heeft het uitgangspunt, inhoudende dat een uit te werken bestemming niet in de vergelijking tussen het oude en het nieuwe planologische regime mag worden betrokken en er geen grond is voor vergoeding van planschade, zolang geen uitwerkingsplan is vastgesteld en in werking getreden, overigens herhaald in de uitspraak van 9 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:593).

Nu eerst na het onherroepelijk worden van het uitwerkingsplan kan worden beoordeeld of sprake is van een planologisch nadeliger situatie, heeft het college het verzoek van [naam bedrijf] om een tegemoetkoming in de planschade als gevolg van het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan “Spoorhaven 1e fase” terecht afgewezen.

Dat, zoals [naam bedrijf] heeft aangevoerd, de onzekerheid over de toekomstige bestemming en de duur van de procedures om te komen tot vaststelling van het bestemmingsplan en het uitwerkingsplan schade met zich brengen en met zich hebben gebracht, maakt het voorgaande niet anders. Voor zover [naam bedrijf] als gevolg hiervan schade heeft geleden, kan niet worden geoordeeld dat deze schade ook voortvloeit uit een in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro genoemde oorzaak, terwijl buiten de in deze bepaling limitatief opgesomde gevallen, geen plaats is voor een tegemoetkoming in schade op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro (AbRS, 2 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3111).

5. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond zal worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, voorzitter, en mr. C.A.F. van Ginneken en mr. P.J. de Putter, leden, in aanwezigheid van mr. W.J.C. Goorden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.