Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:8341

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-12-2016
Datum publicatie
29-12-2016
Zaaknummer
02-700123-16
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:679, Bekrachtiging/bevestiging
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:194, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval Noordgouwe. Voorwaardelijk opzet. Doodslag en poging doodslag. Strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/700123-16

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 december 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Middelburg, locatie Torentijd,

raadsman mr. J. Wouters, advocaat te Middelburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 december 2016, waarbij de officier van justitie mr. R.C.P. Rammeloo en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat

1.

hij op of omstreeks 23 juli 2016 te Noordgouwe, gemeente Schouwen-Duiveland,

[slachtoffer 1]

opzettelijk

van het leven heeft beroofd, door (met dat opzet) die [slachtoffer 1] , bestuurster van een

motorfiets, met een motorvoertuig (van achteren) met aanzienlijk snelheidsverschil aan te rijden, terwijl hij,

verdachte, een ((zeer) grote) hoeveelheid alcoholhoudende drank had genuttigd

en/of hij, verdachte, niet in het bezit was van een rijbewijs (categorie B)

en/of de rijbevoegdheid was ontzegd om een dergelijk motorrijtuig te

kunnen/mogen besturen;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 juli 2016 te Noordgouwe, gemeente Schouwen-Duiveland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(bestelbus), daarmede rijdende over de weg, de Kloosterweg, zich zodanig heeft

gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval in hoge, althans aanzienlijke

mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en of onnadenkend en/of ondeskundig als

volgt te handelen,

verdachte heeft, terwijl hij niet in het bezit was van een rijbewijs

(categorie B) om een dergelijk motorrijtuig te kunnen/mogen besturen en/of hem

tevens de rijbevoegdheid was ontzegd:

- na het nuttigen van een ((zeer) grote) hoeveelheid alcoholhoudende drank,

dit motorrijtuig bestuurd, en/of

- niet de nodige voorzichtigheid in acht genomen, en/of onvoldoende aandacht

gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, en/of

- [slachtoffer 1] , bestuurster van een motorfiets, niet opgemerkt en

vervolgens (van achteren) met aanzienlijk snelheidsverschil aangereden met zijn, verdachtes, motorrijtuig,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) werd gedood, terwijl hij

verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de

Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel

gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van

genoemde wet;

2.

hij op of omstreeks 23 juli 2016 te Noordgouwe, gemeente Schouwen-Duiveland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 2]

opzettelijk

van het leven te beroven, door (met dat opzet) die [slachtoffer 2] , mede-opzittende van een

motorfiets, met een motorvoertuig (van achteren) met aanzienlijk snelheidsverschil aan te rijden, terwijl hij,

verdachte, een ((zeer) grote) hoeveelheid alcoholhoudende drank had genuttigd

en/of hij, verdachte, niet in het bezit was van een rijbewijs (categorie B)

en/of de rijbevoegdheid was ontzegd om een dergelijk motorrijtuig te

kunnen/mogen besturen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 juli 2016 te Noordgouwe, gemeente Schouwen-Duiveland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede

rijdende over de weg, (de Kloosterweg), zich zodanig heeft gedragen dat een

aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos,

in elk geval in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam

en of onnadenkend en/of ondeskundig als volgt te handelen,

verdachte heeft, terwijl hij niet in het bezit was van een rijbewijs

(categorie B) om een dergelijk motorrijtuig te kunnen/mogen besturen en/of hem

tevens de rijbevoegdheid was ontzegd:

- na het nuttigen van een ((zeer) grote) hoeveelheid alcoholhoudende drank,

dit motorrijtuig bestuurd, en/of

- niet de nodige voorzichtigheid in acht genomen, en/of onvoldoende aandacht

gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, en/of

- [slachtoffer 2] , mede-opzittende van een motorfiets, niet opgemerkt en vervolgens

(van achteren) met aanzienlijk snelheidsverschil aangereden met zijn, verdachtes, motorrijtuig,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten

schedelbreuk en/of botbreuk aan een nekwervel en/of botbreuk aan een borstwervel en/of botbreuk aan de rechter enkel en/of gebroken rib, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden

is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8,

eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet

heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde,

achtste of negende lid van genoemde wet;

3.

hij op of omstreeks 23 juli 2016 te Noordgouwe, gemeente Schouwen-Duiveland,

als bestuurder van een motorrijtuig (een bedrijfsauto kenteken [kenteken] ) dit

motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat

het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in

artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 2,5

milligram, althans 1,84 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram

alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat

motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft

bestuurd zonder rijbewijs;

4.

hij op of omstreeks 23 juli 2016 te Noordgouwe, gemeente Schouwen-Duiveland,

terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke

uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van

motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was

ontzegd, op de weg, de Kloosterweg, een motorrijtuig, (bedrijfsauto kenteken

[kenteken] ), heeft bestuurd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen aan hem is tenlastegelegd onder 1 primair, 2 primair en 3. Hij baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. De officier van justitie concludeert tot vrijspraak ten aanzien van hetgeen onder 4 is tenlastegelegd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde doodslag en poging tot doodslag en voert daartoe aan dat geen sprake is, ook niet in voorwaardelijke zin, van opzet. Ten aanzien van het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde dient verdachte te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde roekeloosheid. Het handelen van verdachte dient te worden gekwalificeerd als zeer onoplettend, onachtzaam en onvoorzichtig rijgedrag ex artikel 6 WVW. De verdediging refereert zich met betrekking tot de feiten 3 en 4 aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op zaterdag 23 juli 2016 vond omstreeks 03.30 uur ’s nachts een ongeval plaats op de Kloosterweg te Noordgouwe, waarbij een bedrijfsauto met kenteken [kenteken] en een motor betrokken waren. De bestuurster van de motor, [slachtoffer 1] , kwam bij dit ongeval om het leven. De passagier die achterop de motor zat, [slachtoffer 2] , raakte ernstig gewond.1

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij degene was die ten tijde van het ongeval als bestuurder in de bedrijfsauto met voornoemd kenteken reed. Ook heeft hij verklaard bekend te zijn met de Kloosterweg en daar met enige regelmaat te rijden. Van het ongeval kan hij zich niets meer herinneren.2 Ook bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij zich niets van het ongeval kon herinneren. Verder verklaarde hij zijn rijbewijs voor categorie B nooit te hebben aangevraagd en opgehaald.3 Uit de informatiesystemen van de politie kwam naar voren dat het rijbewijs van verdachte slechts was voorzien van de categorie AM.4

Verdachte is na het ongeval naar de spoedeisende hulp gebracht. Bij opname in het ziekenhuis werd er in het bloed van verdachte een alcoholpromillage van 2,5 vastgesteld.5 Volgens de uitbater van café [naam 1] in Zonnemaire heeft verdachte die avond daar aan de bar een paar biertjes gedronken. Hij is tussen 19.30 en 20.00 uur weggegaan, omdat hij naar een feest moest.6 Getuige [getuige 1] verklaarde dat verdachte vervolgens in café [naam 2] in Zierikzee een stuk of vier flesjes pils heeft gedronken en ongeveer zes Bacardi Cola. Zij merkte dat verdachte dronken was aan zijn taal en het feit dat hij agressiever reageerde. Daarop heeft zij tegen hem gezegd dat hij niet naar huis moest rijden maar bij haar kon blijven slapen, omdat het niet verantwoord was om naar huis te rijden. Verdachte reed vervolgens zelf weg.7 Ook getuige [getuige 2] verklaarde dat verdachte in café [naam 2] al gewaarschuwd was om niet te gaan rijden, omdat hij te veel gedronken had. Hij had verdachte rond 20.30 uur die avond bij café [naam 2] zien binnenkomen en die avond een stuk of zeven flessen bier zien drinken en later een stuk of zes Bacardi Cola, met een ruim bemeten aandeel Bacardi daarin. Verdachte zei dat hij in de auto zou blijven slapen. Gezien de hoeveelheid alcohol die verdachte had gedronken, was het volgens [getuige 2] niet verantwoord dat verdachte zou gaan rijden.8

Naar aanleiding van het ongeval werd een onderzoek op de plaats van het ongeval uitgevoerd. Hieruit kwam naar voren dat de Kloosterweg op de plaats van het ongeval een recht wegverloop had. De weg verkeerde in normale staat van onderhoud en was niet beschadigd. Het weer was ter plaatse helder en droog. Ten aanzien van de toedracht van het ongeval is geconcludeerd dat de auto voorbij het kruispunt van de Kloosterweg met de

St. Jooststraat met de voorzijde op de achterzijde van de motor is gebotst. Gelet op de aanzienlijke schade aan de achterzijde van de motor is er sprake geweest van een aanzienlijk snelheidsverschil tussen de beide voertuigen.9

Tijdens het voertuigonderzoek bleek dat de achterlamp van de motor volledig was vernield. Bij onderzoek bleek wel dat de contactpunten van deze lamp bij het onder spanning zetten van het systeem met een externe stroombron direct stroomspanning leverden. Hieruit bleek dat de verlichting op het moment van de botsing was ingeschakeld.10 Of de betreffende lamp daadwerkelijk licht uitstraalde op het moment van het ongeval is niet vast te stellen. Getuige [getuige 3] heeft in dit kader verklaard dat het achterlicht van de motor van [slachtoffer 1] niet bleek te werken toen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wilden vertrekken vanuit het verenigingsgebouw van de motorclub waar zij die avond waren. Ze zijn daarom samen op de motor van [slachtoffer 2] naar huis gereden. Hij heeft ze zien wegrijden en weet zeker dat het achterlicht van deze motor normaal functioneerde.11 Gelet op de verklaring van getuige [getuige 3] gaat de rechtbank er dan ook vanuit dat het achterlicht van de motor brandde op het moment dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vertrokken van de club en dat dit op het moment van het ongeval nog steeds zo was.

Door een forensisch arts is vastgesteld dat [slachtoffer 1] niet op natuurlijke wijze is overleden als gevolg van een verkeersongeval. De waarnemingen zijn passend bij een schedelbasisfractuur.12 Bij [slachtoffer 2] bleek sprake te zijn van meerdere ernstige en uitgebreide letsels, verspreid over het lichaam, waarvoor een spoedopname en operatief ingrijpen noodzakelijk was. De letsels betroffen een botbreuk aan de schedel (schedelbasisfractuur) met daarbij bloedingen in en om de hersenen met een forse hersenkneuzing, botbreuken aan een nekwervel, een borstwervel en de rechterenkel, een gebroken rib en een forse kneuzing van de linkerelleboog. Geconcludeerd werd dat sprake was van hersenletsel en meerdere botbreuken, die een operatie en een uitgebreide behandeling en revalidatie nodig maakten en waarbij de uiteindelijke genezing nog onbekend is.13

De rechtbank stelt, gelet op het voorgaande, vast dat verdachte die nacht in de bij het ongeval betrokken auto heeft gereden onder invloed van een zeer grote hoeveelheid alcohol en zonder rijbewijs voor categorie B en daarbij met een aanzienlijk snelheidsverschil achterop de motor is gereden. Het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen met welke snelheid verdachte heeft gereden, anders dan dat deze snelheid aanzienlijk hoger was dan die van de motor. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er, bij gebreke van een verklaring van verdachte hieromtrent, vanuit dat verdachte de motor niet heeft gezien en dus ook zijn snelheid niet daarop heeft aangepast.

Is er sprake van doodslag en poging tot doodslag?

Aan de rechtbank ligt de vraag voor of er wettig en overtuigend bewijs is voor doodslag en poging tot doodslag, zoals primair onder 1 en 2 is tenlastegelegd. Daartoe is vereist dat er bij verdachte sprake is geweest van opzet op de dood van de slachtoffers.

De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat verdachte de intentie heeft gehad om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Van opzet op de dood kan echter ook sprake zijn als men zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de slachtoffers komen te overlijden (voorwaardelijk opzet). Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Voor de vaststelling dat een verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan die aanmerkelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.

Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.

Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet op doodslag zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.(Vgl. o.a. Hoge Raad 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003, 552)

Voor wat betreft zeer gevaarlijke gedragingen in het verkeer heeft de Hoge Raad in een eerder arrest overwogen dat deze onder omstandigheden doodslag kunnen opleveren, met dien verstande dat in een geval waarin de gebezigde bewijsmiddelen nopen tot de gevolgtrekking dat de verdachte door zijn handelwijze ook zelf aanmerkelijk levensgevaar heeft gelopen, de rechter in zijn oordeel dient te betrekken dat - behoudens aanwijzingen voor het tegendeel - naar ervaringsregels niet waarschijnlijk is dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat (bijvoorbeeld) een frontale botsing met een auto zal plaatsvinden, en hij als gevolg van zijn gedraging zelf het leven zal verliezen, eveneens op de koop toe neemt. (Vgl. Hoge Raad 15 oktober 1996, NJ 1997, 199; Hoge Raad 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1668, NJ 2006, 663)

Uit voormelde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 23 juli 2016 ‘s nachts onder invloed van een zeer grote hoeveelheid alcohol en zonder over een rijbewijs voor categorie B te beschikken, is gaan rijden en daarbij met aanzienlijk snelheidsverschil achterop een motor is gereden.

Het is een feit van algemene bekendheid dat door een overmatig gebruik van alcohol het reactievermogen afneemt, de waarneming slechter wordt en het moeilijker wordt om recht te blijven rijden. Het risico op een ongeval neemt aanzienlijk toe. Gelet op de soort weg waarop verdachte reed (een 80 kilometer weg), in aanmerking genomen dat verdachte ’s nachts reed en ook uitgaande van een situatie waarin verdachte zich aan de maximumsnelheid heeft gehouden, neemt voorts het risico toe dat een dergelijk ongeval een dodelijke afloop kent. Daarbij is een eenzijdig ongeval waarbij de bestuurder zelf gewond raakt of komt te overlijden ook zeer wel mogelijk. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het rijgedrag van verdachte een aanmerkelijke kans op het overlijden van zichzelf en medeweggebruikers oplevert.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of door verdachte deze kans ten tijde van de gedraging bewust is aanvaard (op de koop toe is genomen).

De rechtbank heeft uit de verklaringen van verdachte, zowel bij de politie als ter terechtzitting, slechts een zeer beperkt beeld kunnen krijgen van hetgeen in verdachte is omgegaan ten tijde van de hem verweten gedraging. De rechtbank zal zich dan ook voornamelijk moeten verlaten op de uiterlijke verschijningsvormen van die gedraging en de omstandigheden waaronder die heeft plaatsgevonden. In dat verband kent de rechtbank betekenis toe aan hetgeen zich heeft afgespeeld voordat verdachte na het verlaten van café [naam 2] in Zierikzee in de auto stapte en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] hieromtrent. Hieruit blijkt dat verdachte is gewaarschuwd om niet te gaan rijden en erop is gewezen dat het niet verantwoord was om naar huis te rijden, gelet op de door hem genuttigde hoeveelheden alcohol. De waarschuwing werd gegeven in combinatie met het aanbod om bij [getuige 1] te blijven slapen. In dat kader merkt de rechtbank ook op dat verdachte, zoals blijkt uit de justitiële documentatie, al drie keer door de politierechter is veroordeeld voor het rijden onder invloed. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard bij al deze zittingen, waarvan het de rechtbank ambtshalve bekend is dat bij die gelegenheid de gevaren van het rijden onder invloed en de mogelijke onomkeerbare gevolgen daarvan steeds indringend aan een verdachte worden voorgehouden, aanwezig te zijn geweest. Door de politierechter zijn onder andere langdurige onvoorwaardelijke rijontzeggingen opgelegd. Ondanks al deze waarschuwingen, waaronder heel gericht en concreet die van getuige [getuige 1] vlak voorafgaand aan het vertrek van verdachte uit café [naam 2] , is verdachte toch weer met een zeer grote hoeveelheid alcohol op in de auto gestapt, terwijl het donker was en verdachte nog een aanzienlijke afstand moest rijden over onder andere een provinciale weg waar de maximumsnelheid 80 kilometer per uur is.

Uit het handelen van verdachte kan niet anders volgen dan dat hij zich niet heeft bekommerd om de mogelijke gevolgen daarvan voor zichzelf en andere verkeersdeelnemers. Verdachte had, voordat hij ging rijden, dermate veel alcohol gedronken dat hij niet meer in staat moest worden geacht zijn auto naar behoren te besturen en hij heeft zich aldus willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zijn handelen de dood van een andere verkeersdeelnemer tot gevolg zou kunnen hebben. Een dergelijk gevolg heeft verdachte op de koop toe genomen.

De conclusie van het voorgaande is dat verdachte met zijn handelen opzet in de hiervoor vermelde zin heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De rechtbank acht de aan verdachte onder 1 primair tenlastegelegde doodslag en onder 2 primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen. Voorts acht de rechtbank ook hetgeen onder 3 is tenlastegelegd - te weten rijden onder invloed van alcohol - wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van hetgeen onder 4 is tenlastegelegd, merkt de rechtbank het volgende op.

Uit de informatiesystemen van de politie is gebleken dat aan verdachte een rijbewijs is afgegeven, dat is voorzien van de categorie AM (brom-/snorfietsen). Aan verdachte is een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van 270 dagen. Deze termijn is aangevangen op 15 oktober 2015 en liep tot en met 11 juli 2016. Er was dus op 23 juli 2016 geen sprake meer van een ontzegging van de rijbevoegdheid. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen aan hem onder 4 is tenlastegelegd en zal hem daarvan vrijspreken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op of omstreeks 23 juli 2016 te Noordgouwe, gemeente Schouwen-Duiveland,

[slachtoffer 1]

opzettelijk

van het leven heeft beroofd, door (met dat opzet) die [slachtoffer 1] , bestuurster van een

motorfiets, met een motorvoertuig (van achteren) met aanzienlijk snelheidsverschil aan te rijden, terwijl hij,

verdachte, een ((zeer) grote) hoeveelheid alcoholhoudende drank had genuttigd

en/of hij, verdachte, niet in het bezit was van een rijbewijs (categorie B)

en/of de rijbevoegdheid was ontzegd om een dergelijk motorrijtuig te

kunnen/mogen besturen;

2.

hij op of omstreeks 23 juli 2016 te Noordgouwe, gemeente Schouwen-Duiveland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 2]

opzettelijk

van het leven te beroven, door (met dat opzet) die [slachtoffer 2] , mede-opzittende van een

motorfiets, met een motorvoertuig (van achteren) met aanzienlijk snelheidsverschil aan te rijden, terwijl hij,

verdachte, een ((zeer) grote) hoeveelheid alcoholhoudende drank had genuttigd

en/of hij, verdachte, niet in het bezit was van een rijbewijs (categorie B)

en/of de rijbevoegdheid was ontzegd om een dergelijk motorrijtuig te

kunnen/mogen besturen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 23 juli 2016 te Noordgouwe, gemeente Schouwen-Duiveland,

als bestuurder van een motorrijtuig (een bedrijfsauto kenteken [kenteken] ) dit

motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat

het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in

artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 2,5

milligram, althans 1,84 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram

alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat

motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft

bestuurd zonder rijbewijs.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie ten aanzien van de feiten 1 en 2 een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van tien jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt bij de strafoplegging rekening te houden met de problematiek van verdachte en zijn belang om zo spoedig mogelijk met een behandeling te kunnen aanvangen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich op 23 juli 2016 schuldig gemaakt aan de doodslag op [slachtoffer 1] en de poging tot doodslag op [slachtoffer 2] .

Hij heeft na het gebruik van een zeer grote hoeveelheid alcohol en zonder over een rijbewijs voor de juiste categorie te beschikken aan het verkeer deelgenomen en zich in het geheel niet bekommerd om de mogelijke gevolgen daarvan voor andere verkeersdeelnemers.

Als gevolg van dit handelen van verdachte is de 29-jarige [slachtoffer 1] overleden. Het leed dat hierdoor is toegebracht aan de nabestaanden, in het bijzonder haar partner [slachtoffer 2] , haar ouders en broer, is groot en onherstelbaar. De door hen ter zitting afgelegde verklaringen hebben pijnlijk duidelijk gemaakt op welke wijze zij lijden onder dit verlies. Daarnaast heeft verdachte ook het leven van [slachtoffer 2] en de verkeersveiligheid en de veiligheid van andere weggebruikers in gevaar gebracht. Door [slachtoffer 2] is ter zitting verwoord welke lichamelijke en psychische gevolgen het ongeval voor hem heeft gehad en nog steeds heeft. Door het handelen van verdachte zijn levens verwoest. De rechtbank rekent hem dit zeer zwaar aan.

De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf het leed van familie en vrienden ongedaan kan maken en dat uit het oogpunt van genoegdoening voor hen geen enkele straf hoog genoeg zal zijn.

Uit het Uittreksel justitiële documentatie komt naar voren dat verdachte zich in het verleden veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan rijden onder invloed en rijden zonder rijbewijs. Verdachte heeft ter zitting aangegeven acht jaar aan het verkeer te hebben deelgenomen zonder over een rijbewijs voor de juiste categorie te beschikken. Verdachte heeft ook meerdere (langdurige) rijontzeggingen opgelegd gekregen. Deze veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden zijn levensgevaarlijk rijgedrag voort te zetten, met alle gevolgen van dien. De rechtbank weegt dit zwaar mee in het nadeel van verdachte.

Voorts slaat de rechtbank acht op het reclasseringsrapport dat op 13 september 2016 over verdachte is opgemaakt. Hieruit blijkt dat bij verdachte sprake is van psychische problemen en problemen met alcohol (in het verkeer), die zijn veroorzaakt door echtscheidingsproblemen, de suïcide van zijn partner en het overlijden van beide ouders. Verdachte heeft eind 2015 hulp gezocht bij de GGZ waar onder andere kenmerken van een vermijdende persoonlijkheid en verschijnselen van PTSS worden gediagnosticeerd met secundair alcoholproblematiek. Er is bij verdachte sprake van een vermijdende houding, een inadequaat probleemoplossend vermogen en problemen met/door alcohol. Deze op elkaar inwerkende elementen kunnen ertoe leiden dat een behandeling voor zijn problematiek niet wordt doorgezet. Hierdoor zal een verhoogd risico blijven bestaan op excessief alcoholgebruik, recidive van verkeersdelicten of andere uitbarstingen. Geadviseerd wordt aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en een drugs- en alcoholverbod.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten, de wijze waarop de feiten zijn gepleegd en de verwoestende gevolgen van het handelen van verdachte bij de bepaling van de strafmaat zwaarder wegen dan het belang van verdachte om binnen afzienbare termijn met de noodzakelijk geachte behandeling te kunnen beginnen. Dit betekent dat alleen een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de orde kan zijn. De rechtbank zal verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van zes jaar, met aftrek van het voorarrest.

Het opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen is daarnaast geboden om enerzijds recht te doen aan de ernst van de feiten en om anderzijds de veiligheid van overige verkeersdeelnemers voor een lange periode te beschermen tegen verdachte. Derhalve zal de rechtbank aan verdachte opleggen de maximale ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, te weten een ontzegging voor de duur van tien jaar.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 45, 57, 91 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176, 178, 179 en 188 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 4 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: doodslag;

feit 2 primair: poging tot doodslag;

feit 3: overtreding van artikel 8, derde lid, aanhef en onderdeel b, en vierde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 10 (tien) jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. M.E.H. Janssen en

mr. I.M. Josten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.E.A.M. van de Riet, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 december 2016.

Mr. Janssen en mr. Josten zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met proces-verbaalnummer PL2000-2016190176 van de politie eenheid Zeeland - West-Brabant, dienst regionale operationele samenwerking, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 173. Het proces-verbaal van aanrijding misdrijf, pagina 2, tweede en derde alinea, en pagina 4, van voornoemd eindproces-verbaal.

2 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 15 december 2016.

3 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 28 juli 2016, pagina 66, zevende alinea, en pagina 69, zesde alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

4 Het proces-verbaal van bevindingen van 24 juli 2016, pagina 142, eerste en tweede alinea, en pagina 143, van voornoemd eindproces-verbaal.

5 Het schriftelijk stuk inhoudende een letselbeschrijving van verdachte d.d. 29 juli 2016, pagina 45, tweede alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

6 Het proces-verbaal van bevindingen van 24 juli 2016, pagina 56, eerste en tweede alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

7 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 28 juli 2016, pagina 80, laatste alinea, en pagina 81, tweede en vijfde alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

8 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 27 juli 2016, pagina 106, laatste alinea, en pagina 107, vierde alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

9 Het proces-verbaal van Forensisch Onderzoek d.d. 28 oktober 2016, pagina 7, laatste alinea, pagina 8, vierde en tiende alinea, pagina 30, zevende alinea, van dit betreffende proces-verbaal.

10 Het proces-verbaal van Forensisch Onderzoek d.d. 28 oktober 2016, pagina 31, laatste alinea, van dit betreffende proces-verbaal.

11 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] d.d. 25 juli 2016, pagina 76, laatste alinea, van voornoemd eindproces-verbaal.

12 Het proces-verbaal van overlijdensonderzoek en lijkschouw d.d. 24 juli 2016, opgenomen als bijlage 6 bij het proces-verbaal van Forensisch Onderzoek d.d. 28 oktober 2016, tweede pagina, vierde, elfde en twaalfde alinea, van deze bijlage.

13 Het schriftelijk stuk inhoudende een letselbeschrijving van de GGD van [slachtoffer 2] d.d. 23 september 2016, eerste pagina, eerste en tweede alinea, en tweede pagina, eerste alinea, van dit betreffende stuk.