Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:8220

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-12-2016
Datum publicatie
23-12-2016
Zaaknummer
C/02/323410 / HA RK 16-239
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2017/67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Breda

zaaknummer / rekestnummer: C/02/323410 / HA RK 16-239

Beschikking van 21 december 2016

in de zaak van

1 [verzoekster sub 1] ,

2. [verzoeker sub 2],

beiden wonende te [plaatsnaam] ,

verzoeksters, hierna te noemen: [verzoekers] ,

advocaat mr. M. Timmermans-Roelands te Roosendaal,

tegen

MR. BOGAERT,

in haar hoedanigheid van rechter bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, team Jeugdrecht, in de procedure waarin [verzoekers] als gedaagden zijn betrokken in het kort geding met zaak-/rolnummer C/02/321939 KG ZA 16-672,

verweerster, hierna te noemen: de rechter,

verschenen in persoon.

1 De procedure

1.1.

In het door eisers tegen de [verzoekers] aanhangig gemaakte kort geding met zaak-/rolnummer C/02/321939 KG ZA 16-672, heeft op 15 november 2016 een terechtzitting plaatsgevonden, waarbij mr. Bogaert als rechter zitting had;

1.2.

Bij gelegenheid van de behandeling ter terechtzitting hebben [verzoekers] een mondeling verzoek tot wraking van genoemde rechter gedaan, zoals blijkt uit het proces-verbaal van 15 november 2016.

1.3.

Bij faxbrief van 13 december 2016 heeft mr. Timmermans-Roelands (hierna: mr. Timmermans) het wrakingsverzoek (nader) toegelicht.

1.4.

Bij de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer ter terechtzitting van 14 december 2016 zijn [verzoekers] in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Timmermans.

1.5.

Rechter Bogaert is in persoon verschenen.

1.6.

Namens eisers in het kort geding is verschenen mr. C.G.A. Mattheussens.

2 De feiten

De volgende feiten staan in rechte vast:

a. Op 15 november 2016 heeft een terechtzitting plaatsgevonden in de door eisers tegen [verzoekers] aanhangig gemaakte kort geding procedure met zaak-/rolnummer C/02/321939 KG ZA 16-672.

b. Van voornoemde zitting is op 15 november 2016 proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal staat - voor zover thans relevant - vermeld:

“De voorzieningenrechter:

Aan de orde heden is een gevoelige zaak. De zoon van gedaagden is in januari 2016 in deze rechtbank veroordeeld voor seksueel misbruik van de kinderen van eisers. (…).

Nu [naam zoon gedaagden] civielrechtelijk is geplaatst, is de heer [naam A] van de gemeente Moerdijk niet meer betrokken bij de zaak.

Mr. Mattheussens:

Op grond van deze nieuwe gegevens wens ik mijn eis aan te passen zodat de eisers rechtstreeks op de hoogte worden gebracht van data en tijdstippen dat de zoon van gedaagden, [naam zoon gedaagden] , op bezoek komt bij zijn ouders, op straffe van een dwangsom en met een veroordeling in de kosten van de procedure. (…)

De grondslag van de eis is de onrechtmatige daad. Er is voldaan aan de voorwaarden van de onrechtmatige daad. (…).

Mr. Timmermans-Roelands wil bij haar pleidooi ingaan op de onrechtmatige daad, zij heeft dat in haar pleitnota verwoord.

De voorzieningenrechter vraagt de raadsvrouw haar standpunt ten aanzien van de onrechtmatige daad thans mede te delen, zij zal later in de gelegenheid worden gesteld haar pleitnota voor te dragen.

(…).

De voorzieningenrechter:

Is het voor gedaagden een probleem om door te geven wanneer [naam zoon gedaagden] op bezoek komt bij gedaagden. Waar ligt precies het pijnpunt voor gedaagden?

Gedaagden:

In het begin hebben de gedaagden doorgegeven aan de eisers wanneer [naam zoon gedaagden] op bezoek kwam. Het werd toen iedere keer op social media gezet en dat bracht schade aan [naam zoon gedaagden] .

Mr. Timmermans-Roelands:

In overleg met BJZ is het bezoekmoment daarna niet meer doorgegeven. Het veroorzaakte veel onrust voor [naam zoon gedaagden] . Er waren iedere keer confrontaties in de buurt bij een bezoek.

(…)

Voorzieningenrechter:

Het gaat er om dat de kinderen rustig in hun huis kunnen zijn. Hoe kan dat vorm worden gegeven zodat er rust is aan beide kanten? Stel dat de gedaagden de bezoeken van [naam zoon gedaagden] melden en dat eisers afspreken dat zij dat niet op social media zullen zetten? Dat is in het belang van de kinderen van eisers en van dat van [naam zoon gedaagden] zelf. (…).

Mr. Timmermans-Roelands (…) verzoekt om een onderbreking van de behandeling ter zitting.

De voorzieningenrechter onderbreekt de behandeling teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich te beraden. Het onderzoek wordt daarna hervat.

Mr. Timmermans-Roelands:

Er is een dagvaarding waarop gereageerd mag worden. Thans wordt er al gesproken over een meldingsplicht waartegen de gedaagden geen verweer hebben mogen voeren. De gedaagden voelen zich gepasseerd. Eerst moeten de gedaagden gehoord worden. Dit is niet de gebruikelijke gang van zaken. Nu is al duidelijk hoe het vonnis komt te luiden.

Mr. Timmermans-Roelands wil een andere rechter.

De voorzieningenrechter deelt mede dat zij partijen in overweging heeft gegeven zich te beraden over hoe er eventueel vorm aan een melding van de bezoeken zou kunnen worden gegeven, zodat er rust komt aan beide kanten.

(…).

Mr. Timmermans-Roelands wraakt de voorzieningenrechter. Gedaagden willen nu geen vonnis.

Mr. Mattheussens merkt op dat hij het absoluut niet eens is met de wraking.

De voorzieningenrechter deelt mee dat de behandeling ter zitting wordt geschorst en dat het wrakingsverzoek zo spoedig mogelijk zal worden behandeld door een wrakingskamer.

(…).”

3 Het wrakingsverzoek

3.1.

Uit het proces-verbaal dat is opgemaakt van de terechtzitting op 15 november 2016 blijkt dat [verzoekers] van mening zijn dat de rechter vooringenomen is omdat de inhoud van het vonnis al duidelijk zou zijn, nog voordat zij genoegzaam hun verweer tegen de vordering naar voren hebben kunnen brengen. In de faxbrief van 13 december 2016 en tijdens het verhandelde ter wrakingszitting worden - samengevat - de volgende redenen voor het wrakingverzoek uiteengezet:

a. De rechter heeft de griffie van de rechtbank geïnstrueerd – voorafgaand aan de zitting en zonder overleg met partijen- om contact op te nemen met de gemeente waar de heer [naam A] - vermeld in het petitum van de dagvaarding - werkzaam is. Hieruit kwam naar voren dat de heer [naam A] daar niet meer werkzaam was. De vordering van eisers was reeds om die reden niet toewijsbaar, behoudens een eiswijziging. Deze eiswijziging heeft ter zitting plaatsgevonden nadat de rechter te berde had gebracht dat de heer [naam A] niet meer werkzaam was voor de betreffende gemeente, waarna het petitum werd gewijzigd, in die zin, dat nadien gevorderd werd dat de meldingen rechtstreeks aan eisers in plaats van aan de heer [naam A] moesten plaatsvinden. Deze handelwijze van de rechter heeft bij [verzoekers] ertoe geleid dat zij niet meer overtuigd waren van de onpartijdigheid van de rechter.

b. Mr. Timmermans is volgens [verzoekers] onvoldoende in de gelegenheid gesteld om op de uitgebreide dagvaarding te reageren omdat zij enkel de gestelde vragen mocht beantwoorden en niet haar pleitnota van 9 kantjes mocht voordragen. Er is om die reden geen hoor en wederhoor toegepast.

c. [verzoekers] ervaren vooringenomenheid bij de rechter omdat - nog voordat mr. Timmermans in de gelegenheid was gesteld om middels het voordragen van haar pleitnota te reageren op de dagvaarding en de verzochte meldplicht - de rechter reeds de conclusie had getrokken dat die meldplicht er moest komen. Dit is volgens [verzoekers] al de beslissing op het verzoek omdat de rechter volgens [verzoekers] letterlijk heeft gezegd: “er moet er een meldplicht komen en hoe gaan we dat inkleden”. Dit terwijl mr. Timmermans zich tegen een dergelijke meldplicht heeft verzet, aldus [verzoekers] . De nadien gegeven gelegenheid om alsnog de pleitnota voor te dragen, komt in de visie van [verzoekers] als mosterd na de maaltijd omdat toen de beslissing tot een meldplicht reeds was genomen.

Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek d.d. 14 december 2016 zijn de wrakingsgronden nader toegelicht en hebben [verzoekers] zich op het standpunt gesteld, dat er om voornoemde redenen sprake is van (schijn van) partijdigheid bij de rechter.

Het standpunt van de rechter

3.2.

De rechter berust niet in haar wraking. Zij betwist dat er sprake is van (schijn van) partijdigheid. De rechter geeft in haar verweerschrift aan - samengevat - dat zij tijdens de zitting aan mr. Mattheussens heeft verzocht de grondslag van de vordering nader toe te lichten en vervolgens mr. Timmermans in de gelegenheid heeft gesteld haar visie daarop te geven, hetgeen zij ook heeft gedaan. Voorts voert de rechter aan, dat zij partijen heeft gevraagd waar precies voor hen het pijnpunt lag en hoe dat pijnpunt kon worden weggenomen. Volgens de rechter heeft zij gedaagden ( [verzoekers] ) gevraagd of zij bereid zouden zijn eisers weer op de hoogte te stellen van verlof mits er daaromtrent niets geplaatst zou worden op sociale media. Naar de mening van de rechter leken partijen zich daarin te kunnen vinden. Vervolgens verzocht mr. Timmermans om een schorsing, welke is toegestaan en waarbij is aangegeven dat mr. Timmermans nog gelegenheid zou krijgen haar pleitnota voor te dragen, aldus de rechter. Volgens de rechter wilde mr. Timmermans bij terugkomst in de zittingzaal een andere rechter. De rechter geeft aan dat het haar intentie was om ter zitting tot een praktische oplossing te komen in deze delicate zaak in het belang van de betrokken kinderen.

Zij heeft via de griffie gebeld met de gemeente waar de heer [naam A] werkzaam is; partijen hadden haar daar niet om gevraagd en zij heeft eerst op de zitting partijen hiervan op de hoogte gesteld; tevens heeft zij toen de uitkomst van dat telefoongesprek medegedeeld. Haar drijfveer was van praktische aard: mogelijk zou de heer [naam A] een rol kunnen spelen als deskundige; mogelijk echter was deze [naam A] niet de geschikte persoon om de rol te vervullen, die de eisende partij van hem verlangde.

De zienswijze van eisers

3.3.

Mr. Mattheussens is van mening dat van (de schijn van) partijdigheid van de rechter geen sprake is. Hij geeft met betrekking tot het petitum van de dagvaarding aan, dat de rechtbank kennelijk contact had opgenomen met de gemeente waar de heer [naam A] werkzaam zou zijn, waarna bleek dat hij niet meer bij de betreffende gemeente werkzaam was. Volgens mr. Mattheussens heeft de rechter hem toen gevraagd of de eis moest worden aangepast. Mr. Mattheussens stelt daarop te kennen te hebben gegeven, dat waar in het petitum stond “de heer [naam A] ” nu “cliënten/eisers” gelezen moest worden. Volgens mr. Mattheussens heeft mr. Timmermans zich ter zitting niet verzet tegen de eiswijziging, evenmin heeft zij dit aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. In de visie van mr. Mattheussens mocht mr. Timmermans wel degelijk haar pleitnota voordragen, zij het wat later, te weten na beantwoording van de vragen van de rechter en het bespreken van de kwesties die daarbij aan de orde werden gesteld. De mogelijkheid tot het voordragen van de pleitnota is zowel vóór als na de schorsing door de rechter aan mr. Timmermans kenbaar gemaakt, aldus mr. Mattheussens. De rechter informeerde volgens hem voorts bij beide partijen waar de pijnpunten lagen. De rechter heeft wel gesproken over een meldingsplicht, maar dit was zijns inziens meer in de vorm van een vraag/oproep, om te bezien in hoeverre partijen dienaangaande een praktische oplossing konden bewerkstelligen in het belang van de kinderen. Voorafgaand aan de schorsing is volgens mr. Mattheussens aan de zijde van [verzoekers] ook niet duidelijk naar voren gebracht dat zij geen meldingsplicht wensten. Naar de opvatting van mr Mattheussens is er geen sprake van dat de rechter al een beslissing ten aanzien van de gevorderde meldingsplicht had genomen.

4 De beoordeling

4.1.

De wraking van een rechter kan succesvol worden verzocht op grond van feiten en omstandigheden waardoor diens onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het verzoek om wraking dient te worden gedaan zodra die feiten of omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden. Vast staat dat [verzoekers] aan het verzoek tot wraking feiten en omstandigheden ten grondslag hebben gelegd die zich hebben voorgedaan op de terechtzitting van 15 november 2016. Tijdens die terechtzitting is het verzoek tot wraking ingediend. Het verzoek tot wraking is derhalve tijdig gedaan en in zoverre ontvankelijk.

4.2.

Bij de beoordeling van het verzoek om wraking geldt als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken partij dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend. De vrees voor partijdigheid moet, op grond van feiten en omstandigheden, objectief gerechtvaardigd zijn.

4.3.

Voorop gesteld dient te worden, dat het in civiele zaken niet ongebruikelijk is dat de rechter ter terechtzitting partijen kritisch ondervraagt over de door hen ingenomen standpunten en de door partijen aangedragen bewijsmiddelen kritisch onderzoekt. Voorts geldt, dat een rechter mede tot taak heeft zorg te dragen voor een ordelijk debat tussen partijen. Vanuit dat oogpunt heeft de rechter onder meer de bevoegdheid om grenzen te stellen aan de spreektijd van de ter zitting aanwezige procespartijen en de volgorde van onderwerpen te bepalen die aan de orde dienen te worden gesteld, mede door zich middels vraagstelling eerst op bepaalde onderdelen van het geschil te concentreren en praktische oplossingen te verkennen. Hierbij dient de rechter ervoor te waken dat hij door zijn vraagstelling de indruk kan wekken zich reeds een definitief oordeel te hebben gevormd en dient het beginsel van hoor en wederhoor gerespecteerd te worden.

4.4.

Met inachtneming van het vorenstaande, wordt als volgt overwogen.

Vast staat dat de griffie van de rechtbank op verzoek van de rechter contact heeft opgenomen met (de werkgever van) de heer [naam A] , die is genoemd in het petitum van de dagvaarding als de persoon aan wie de verzochte meldingen moeten worden verricht. Uit dit telefonische contact is gebleken, dat de heer [naam A] niet meer werkzaam was bij (de instelling verbonden aan) de betreffende gemeente, hetgeen aan toewijzing van de vordering zoals vervat in het petitum in de weg stond. Het telefonisch inwinnen van informatie door of namens een rechter -zonder medeweten van partijen- voorafgaand aan de zitting, kan op gespannen voet staan met het beginsel van hoor en wederhoor, zeker indien partijen hierover niet op gelijke wijze worden geïnformeerd en hun tijdig de gelegenheid wordt geboden om op deze bevindingen te reageren. Dat kan een aanwijzing vormen die duidt op schijn van partijdigheid. In het onderhavige geval schendt de handelwijze van de rechter dit beginsel van hoor en wederhoor. De persoon namelijk met wie de rechter telefonisch contact heeft laten opnemen, wordt genoemd in het petitum van de dagvaarding van eisers en de melding aan deze betreffende persoon was de inzet van het geding. Door de eisende partij ter zitting te informeren over het resultaat van de telefonische inlichtingen en de eiswijziging die dit tot gevolg heeft gehad omdat het oorspronkelijke petitum niet (meer) kon worden toegewezen, zijn [verzoekers] op een processuele achterstand geraakt. De schending heeft hen dus in hun belang geraakt.

4.5.

Daarbij komt, dat de rechter het voordragen van de pleitnota door mr. Timmermans heeft uitgesteld tot na het verkennen van de mogelijkheden hoe een meldingsplicht kon worden vormgegeven als een praktische oplossing voor het geschil en na de beantwoording van vragen. Hoewel uit hetgeen onder punt 4.3. is overwogen volgt dat een rechter een vérgaande instructiebevoegdheid heeft, geldt dat in het onderhavige geval het inventariseren van de mogelijkheden om een meldingsplicht vorm te geven, heeft plaatsgevonden voordat de rechter genoegzaam kennis had genomen van de bezwaren bij [verzoekers] tegen een dergelijke meldplicht, welke bezwaren immers voornamelijk in de pleitnota stonden vermeld. Door het uitstellen van het voordragen van de pleitnota tot een later moment op de terechtzitting, had de rechter op het moment van voornoemde inventarisatie nog geen compleet beeld van de zaak en was onvoldoende helder dat het bij [verzoekers] vermoedelijk zou ontbreken aan draagvlak voor een dergelijke meldingsplicht.

4.6.

Niet in geschil is, dat de rechter over een meldingsplicht heeft gesproken met de intentie om middels een minnelijke regeling te komen tot een praktische oplossing van het geschil in het belang van de betrokken kinderen bij de kort gedingprocedure. Tijdens de wrakingszitting heeft de rechter ook te kennen gegeven over een meldingsplicht te hebben gesproken met de bedoeling partijen daarover te laten nadenken in kader van een minnelijke oplossing voor het geschil. Noch uit het proces-verbaal van de kort gedingzitting van 15 november 2016, noch uit de behandeling van het wrakingsincident volgt, dat de rechter met de stelligheid die door [verzoekers] wordt betoogd, heeft aangekondigd te beslissen dat er een meldingsplicht zou komen en dat bezien moest worden hoe die vormgegeven diende te worden. De wrakingskamer is echter van oordeel dat de rechter in haar streven om in het belang van de betrokken kinderen te komen tot een minnelijke regeling, door het spreken over een meldingsplicht te veel heeft aangekoerst op een oplossing en dat in een stadium van de behandeling waarin zij de omvang van het geschil ontoereikend had verkend.

4.7.

Het vorenstaande in onderling verband en cumulatieve samenhang bezien, leidt tot het oordeel dat bij [verzoekers] objectief gerechtvaardigd de indruk heeft kunnen ontstaan dat de rechter niet onpartijdig is. Het vorenstaande brengt met zich dat het wrakingsverzoek behoort te worden toegewezen.

5 Beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking toe.

Deze beschikking is gegeven door mr. Poerink, mr. De Roos en mr. Eijssen-Vruwink, en in tegenwoordigheid van mr. Harteveld, in het openbaar uitgesproken op 21 december 2016.