Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:8100

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-12-2016
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
AWB 16_7063
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2018:1361, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BBZ

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/7063 BBZ

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 15 december 2016 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] en [naam eiser2] , te [woonplaats] , eisers,

gemachtigde: mr. J.C. Sneep,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 19 juli 2016 (bestreden besluit) van het college inzake de afwijzing van hun aanvraag voor bedrijfskapitaal en een uitkering voor de kosten van levensonderhoud.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 15 december 2016. Eiser [naam eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] . Daarnaast is verschenen ir. W.P.J. Hoeks, senior ondernemingsadviseur bij het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK).

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. De rechtbank moet beoordelen of het besluit van het college, waarin het college heeft vastgehouden aan de afwijzing van de aanvraag van eisers voor bedrijfskapitaal en een uitkering voor de kosten van levensonderhoud, stand kan houden.

2. Het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) maakt het mogelijk om bijstand in de vorm van een rentedragende lening te verlenen, aan iemand die een Werkloosheidsuitkering ontvangt en die een bedrijf begint dat levensvatbaar is.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of het autobedrijf dat eisers willen beginnen, levensvatbaar is. Dat betekent dat het inkomen toereikend dient te zijn om alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan.

3. Het college heeft het standpunt dat het bedrijf niet levensvatbaar is, gebaseerd op adviezen van het IMK. Dat mag het college in beginsel ook doen. Het college heeft in het bestreden besluit voldoende overwogen en in het verweerschrift nog eens nader toegelicht waarom het IMK deskundig is en waarom op het advies van IMK mocht worden afgegaan.

De rechtbank ziet geen concrete aanknopingspunten om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming of inhoud van het IMK-advies. Integendeel, er is meermalen contact geweest met eiser Manyanli en de opsteller van het ondernemingsplan. Ook is er een tweede IMK-rapportage opgesteld.

4. In beroep stellen eisers dat het college niet inhoudelijk heeft gereageerd op de door eisers aangevoerde bezwaren. De rechtbank constateert dat die bezwaren inhielden dat eisers betwisten dat het autobedrijf niet levensvatbaar zou zijn, eisers de adviezen van het IMK ter harte hebben genomen en het eerdere businessplan hebben aangevuld en zij hiermee voldoende inzichtelijk hebben gemaakt dat het autobedrijf wel levensvatbaar is.

De rechtbank constateert dat in reactie daarop een tweede advies is uitgebracht van een andere IMK-deskundige. Daarbij is concreet ingegaan op de bezwaren van eisers en komt de IMK-deskundige wederom tot de conclusie dat het autobedrijf niet levensvatbaar is. De rechtbank deelt dus niet de visie van eisers dat er niet is gereageerd op de bezwaren van eisers.

5. Eisers hebben in beroep slechts verwezen naar het ondernemingsplan. Zij hebben daarbij aangevoerd dat zij met de aanvullingen op dit plan voldoende inzichtelijk hebben gemaakt dat het autobedrijf wel levensvatbaar zal zijn, maar hebben dit niet onderbouwd met objectieve gegevens zoals bijvoorbeeld een contra-expertise.

Alleen de eigen verwachtingen van eisers over de te verwachten omzet en levensvatbaarheid vormen onvoldoende basis voor het toekennen van bedrijfskapitaal en periodieke bijstand als zelfstandige. De rechtbank verwijst daarbij naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, zoals bijvoorbeeld de uitspraak van 10 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:688.

6. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.M. van Bergen, rechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier, op 15 december 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.