Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:8092

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-12-2016
Datum publicatie
20-12-2016
Zaaknummer
02-821194-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Medeplegen mensenhandel, prostitutie minderjarig slachtoffer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/821194-15

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 december 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in de penitentiaire inrichting Middelburg, locatie Torentijd, te Middelburg,

raadsman mr. M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 november 2016, waarbij de officier van justitie mr. I.H.C.M. van Dorst en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek is formeel gesloten op 5 december 2016.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 09 november 2014 tot en met 01 december 2014

te Heinkenszand en/of Vlissingen en/of Middelburg althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A)

een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedag slachtoffer] 1997),

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het

oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer] (sub 2°), en/of

B)

een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedag slachtoffer] 1997),

(telkens) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten

van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling dan wel ten

aanzien van die [slachtoffer] (telkens) enige handeling(en) heeft ondernomen

waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en)

vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het

verrichten van die seksuele handelingen (sub 5°), en/of

C)

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer]

terwijl die [slachtoffer] nog niet de leeftijd van 18 jaar had bereikt,

(sub 8°)

bestaande die handeling(en) hieruit dat verdachte en/of zijn mededader(s)

(telkens)

- die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen (naakt)foto's van zichzelf te laten

nemen, waarbij haar polsen stevig werden vast gepakt en/of die [slachtoffer] naar

een slaapkamer werd getrokken/gesleurd en/of waarbij dreigende de woorden

werden toegevoegd: dat hij/zij "haar familie zou(den) weten te vinden" en/of

dat "het pistool al klaar lag" en/of "doe je kleren nu maar uit, anders sla

ik je" en/of

- ( vervolgens) (naakt)foto's van die [slachtoffer] heeft/hebben gemaakt en/of

- ( vervolgens) advertentie(s) heeft/hebben gemaakt/vervaardigd en/of geplaatst

op internetsite(s) (o.a.) website " [website 1] " en/of " [website 2] ") en/of

waarin die [slachtoffer] (onder de naam " [pseudoniem 1] " en/of " [pseudoniem 2] " en/of

" [pseudoniem 3] " en/of " [pseudoneim 4] " en/of " [pseudoniem 5] ") werd aangeboden als prostituee,

en/of

- die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen en/of overgehaald en/of in de

gelegenheid gesteld om (tegen betaling) seks te hebben met een of meer mannen,

en/of (vervolgens) heeft/hebben tewerkgesteld als prostituee en/of daartoe

afspraken heeft/hebben gemaakt en/of laten maken met een of meer (potentiële)

klanten en/of

- een (werk)telefoon en/of (werk)kamer en/of condooms voor die [slachtoffer]

heeft/hebben geregeld en/of ter beschikking gesteld en/of

- zorg heeft/hebben gedragen voor controle en/of begeleiding en/of toezicht op

prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer] en/of

- het door [slachtoffer] verdiende geld heeft/hebben ingenomen en/of beheerd

en/of (deels) aangewend voor zijn/hun eigen gebruik en/of

-de werktijden van die [slachtoffer] als prostituee heeft/hebben bepaald;

art 273f lid 1 ahf/sub 2° Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 5° Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 8° Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 3 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 3 ahf/sub 2° Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich, tezamen en in vereniging met de medeverdachten, schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van aangeefster. De verdachten hebben aangeefster geworven, vervoerd en gehuisvest en zij hebben haar ertoe gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen. Ook is bewezen dat verdachte voordeel heeft getrokken uit de uitbuitingen van aangeefster. De rol van verdachte is in de uitvoering ervan een andere dan die van de medeverdachten. Verdachte heeft een cruciale rol gespeeld. Door zijn toedoen is aangeefster in de prostitutie gebracht en is zij uitgebuit. Verdachte heeft aangeefster samen met medeverdachte [medeverdachte 2] op 9 november 2014 opgehaald van het station in Goes. Ze zijn naar zijn chalet op het vakantiepark Stelleplas in Heinkenszand gegaan, waar hij tegen aangeefster heeft gezegd dat zij in de prostitutie moest gaan om geld voor hen te verdienen. Er zijn er naaktfoto’s van aangeefster gemaakt en er werd een advertentie gemaakt en geplaatst. Na enkele dagen is aangeefster met [medeverdachte 2] en medeverdachte [medeverdachte 1] naar hun woning in Middelburg gegaan en moest zij verder werken in de prostitutie. De afspraken met de klanten werden gemaakt door [medeverdachte 2] . Aangeefster is naar de afspraken gebracht en gehaald door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . De opbrengsten gaf aangeefster aan [medeverdachte 2] , die het geld weer aan [medeverdachte 1] gaf.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster, nadat zij niet was teruggekeerd naar de instelling voor gesloten jeugdzorg waar zij verbleef, onderdak heeft verschaft in zijn chalet op camping Stelleplas te Heinkenszand. Hij ontkent dat hij iets te maken had met het prostitueren van aangeefster. De verdediging heeft aangevoerd dat reeds op grond van technisch bewijs vaststaat dat aangeefster in de prostitutie heeft gewerkt. Het gaat voor de beantwoording van de vraag of verdachte daarin een strafbare rol heeft gespeeld met name om de waardering van het getuigenbewijs en om de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster. Ten aanzien van dit laatste is naar voren gebracht dat aangeefster in haar aangifte van 7 september 2015 op diverse essentiële punten anders – tegenstrijdig – heeft verklaard dan in het intakegesprek dat zij op 2 december 2014 bij de politie had. Nu zij op zoveel essentiële punten tegenstrijdig heeft verklaard zijn haar verklaringen ongeloofwaardig.

Los van de betrouwbaarheid van haar verklaringen lijkt het zo te zijn dat aangeefster verdachte een rol heeft toegedicht, maar deze rol is niet gebaseerd op feiten. Ze heeft zijn gedragingen geplaatst in het licht van hetgeen is gebeurd toen zij samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] was. Haar aangifte wordt niet ondersteund door objectief en betrouwbaar bewijsmateriaal. Ook aan de belastende verklaringen van [medeverdachte 2] van mei en juni 2016 kan de rechtbank geen waarde hechten. [medeverdachte 2] kende op dat moment namelijk het hele dossier al en genoemde verklaringen staan haaks op de eerder door haar afgelegde verklaringen. Vanwege deze omstandigheden is door de verdediging vrijspraak bepleit.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en [medeverdachte 2]

Om tot een vaststelling van feiten te kunnen komen op grond waarvan een zaak beoordeeld dient te worden, moet uitgegaan kunnen worden van de betrouwbaarheid van de stukken in het dossier. De betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster is betwist.

Aangeefster heeft op 2 december 2014 een intakegesprek gevoerd met de politie. Vervolgens heeft zij op 7 september 2015 aangifte gedaan, en heeft zij op 3 december 2015 een aanvullende verklaring afgelegd. Op 26 oktober 2016 is zij gehoord in een verhoorstudio.

Ook de rechtbank heeft geconstateerd dat aangeefster in de verklaringen op sommige punten wisselend heeft verklaard. Een intakegesprek heeft een ander karakter dan een aangifte. Tijdens een intakegesprek wordt doorgaans op een meer globale manier gesproken over wat heeft plaatsgevonden. Als besloten wordt tot het doen van aangifte is het moment daar om (gedetailleerder) te verklaren over wat gebeurd is. Reeds het verschil in karakter van deze verklaringen kan tot gevolg hebben dat in de aangifte zaken aan de orde komen die in het intakegesprek niet zijn benoemd. Dat daarvan in dit geval ook sprake was acht de rechtbank aannemelijk. In dat verband verwijst zij naar de omstandigheden waaronder en het moment waarop dit intakegesprek heeft plaatsgevonden. Aangeefster was in de late avond voorafgaand aan het intakegesprek door de politie aangetroffen op straat. Zij bleek sinds enkele weken in de prostitutie te werken. Vervolgens is zij teruggebracht naar de jeugdinstelling waar zij eerder verbleef. Zij was volgens de verbalisanten tijdens het intakegesprek, dat op de locatie van de instelling plaatsvond, enigszins recalcitrant. Zij weet op dat moment nog niet wat zij wil dat de politie gaat doen en wil er nog over denken of zij aangifte gaat doen. Dat aangeefster later dingen verklaart die zij bij de intake niet heeft verklaard of andersom maakt niet dat de rechtbank haar verklaringen onbetrouwbaar acht. De rechtbank houdt er in dat verband eveneens rekening mee dat aangeefster een meisje is met een belaste jeugd en een beperkt IQ, dat daarbij, zo acht de rechtbank aannemelijk, de nodige psychische schade heeft opgelopen als gevolg van de gebeurtenissen tussen 9 november 2014 en 1 december 2014.

Ten aanzien van die latere verklaringen geldt dat sprake was van tijdsverloop tussen het intakegesprek en de aangifte, welk tijdsverloop tot gevolg kan hebben dat aangeefster zich bepaalde zaken niet meer goed of anders herinnerde dan ten tijde van het intakegesprek. Dit element van tijdsverloop, met de daarbij behorende gevolgen voor het geheugen van dien, speelt ook ten aanzien van het studioverhoor, dat heeft plaatsgevonden bijna twee jaar na het intakegesprek en ongeveer een jaar na de aangifte en de aanvullende verklaring.

Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de inconsistenties in de verklaringen van aangeefster niet dienen te leiden tot de conclusie dat deze verklaringen ongeloofwaardig en onbetrouwbaar zijn. Er is wel behoedzaamheid geboden en om die reden is vooral ook van belang of de verklaring van aangeefster steun vindt in ander bewijsmateriaal. Naar het oordeel van de rechtbank is de hoofdlijn in haar verklaringen wel duidelijk, namelijk dat verdachte had gezegd dat zij als prostituee moest gaan werken, dat zij de eerste dagen bij hem is geweest en dat zij toen is overgenomen door de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Daarbij komt dat haar verklaringen op cruciale punten worden ondersteund door de verklaringen van 27 mei 2016 en 6 juni 2016 van medeverdachte [medeverdachte 2] . De rechtbank acht die verklaringen van [medeverdachte 2] (grotendeels en op de essentiële onderdelen) betrouwbaar. [medeverdachte 2] heeft in eerste instantie verklaringen afgelegd waaruit volgde dat aangeefster de prostitutiewerkzaamheden vrijwillig verrichtte. [medeverdachte 2] heeft op 27 mei 2016 en 6 juni 2016 gedetailleerd uitgelegd waarom zij in die verklaringen de waarheid wilde vertellen. Zij verklaart dat zij zelf onder druk van medeverdachte [medeverdachte 1] in de prostitutie moest werken, dat zij zwanger van hem werd en het werk niet meer kon doen waardoor de inkomsten wegvielen. Om die reden moest een ander (aangeefster) haar plaats innemen. [medeverdachte 2] heeft meegewerkt aan het in de prostitutie brengen en houden van aangeefster. [medeverdachte 2] spaart zichzelf in genoemde verklaringen niet en dicht zichzelf een grote rol toe. Als verklaring waarom zij nu eerlijk wil zijn, voert zij aan dat zij al die tijd onder druk is gezet door [medeverdachte 1] die opnames had gemaakt van de seksuele ontmoetingen tussen [medeverdachte 2] en klanten en haar daarmee chanteerde. Tijdens de detentie van [medeverdachte 1] heeft zij de beschikking weten te krijgen over die opnames en deze verwijderd zodat daarmee de bron tot chantage wegviel. De verklaringen van [medeverdachte 2] dat zij zelf ook in de prostitutie werkte en dat [medeverdachte 1] daar een grote rol in speelde, vinden steun in de verklaringen van anderen die daarvan op de hoogte waren (onder meer de moeder van [medeverdachte 2] en de broer van [medeverdachte 1] ) maar ook door anderen die soortgelijke ervaringen met [medeverdachte 1] hadden (zoals [getuige] ).

De verklaringen van 27 mei 2016 en 6 juni 2016 worden bovendien op meerdere onderdelen ondersteund door andere objectief vast te stellen feiten en omstandigheden, zoals de bevindingen van de politie, telefoongegevens en geluidsopnames van telefoongesprekken.

De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, de verklaringen van aangeefster als uitgangspunt nemen, maar zal daarbij in verband met bepaalde inconsistenties wel de nodige behoedzaamheid betrachten.

4.3.2

Vaststelling van de feiten 1

Tot 9 november 2014 verbleef aangeefster, die geboren is op [geboortedag slachtoffer] 19972, met een machtiging gesloten jeugdzorg in een fasehuis van Almata in Tilburg. Haar moeder heeft haar op 9 november 2014 rond 19:30 uur in Roosendaal naar de trein gebracht. Aangeefster moest om 20:00 uur weer terug in Tilburg zijn.

Op 7 en 8 november 2014 heeft zij met verdachte contact gehad via telefoon en via facebook. Hij heeft toen op haar ingepraat om naar hem toe te komen, waarbij hij ook liet blijken dat hij geïnteresseerd was in haar.3 Aangeefster en verdachte kenden elkaar omdat zij medio 2012 gelijktijdig in de jeugdzorginstelling de Vliethoeve te Kortgene hebben verbleven.4

Op 9 november 2014 is aangeefster, in plaats van op de trein naar Tilburg, op de trein naar Goes gestapt. Zij is daar uitgestapt en is rond 23:00 uur opgehaald door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] .5 + 6 Daarna zijn ze samen naar camping Stelleplas in Heinkenszand gereden, waar verdachte een chalet huurde.7 Toen ze in het chalet aankwamen was daar ook medeverdachte [medeverdachte 1] aanwezig. Die nacht hebben verdachte en [medeverdachte 1] met elkaar gesproken over het prostitueren van aangeefster.8 + 9

Op basis van de verklaringen van aangeefster en van [medeverdachte 2] (van 27 mei 2016 en 6 juni 2016) is niet exact vast te stellen wat wanneer is gebeurd toen aangeefster die eerste dagen op camping Stelleplas verbleef. Wel kan worden vastgesteld dat aangeefster al als prostituee werkte op 11 november 2014 omstreeks 13.00 uur, gezien de hierna te noemen politiecontrole. Dit betekent dat binnen een periode van 36 uur nadat aangeefster van het station Goes was opgehaald, verdachte en de medeverdachten met haar hebben gepraat over het werk dat zij moest gaan doen10, er foto’s van haar zijn gemaakt en er in ieder geval één seksadvertentie op internet is geplaatst.

Op 11 november 2014, omstreeks 13:00 uur, vindt voornoemde politiecontrole plaats op het adres [adres 1] , waar [medeverdachte 2] staat ingeschreven. De verbalisanten hebben naar aanleiding van een advertentie op [website 1] op die dag en op dat tijdstip een afspraak gemaakt met de dame van de advertentie, genaamd [pseudoniem 6] . Deze [pseudoniem 6] vertelde aan de telefoon dat haar vriendin de deur open zou doen en aan deze vriendin betaald moest worden.

Nadat één van de verbalisanten had aangebeld werd de deur geopend door naar later bleek [medeverdachte 2] . In de kamer troffen zij [pseudoniem 6] aan. [pseudoniem 6] kwam redelijk simpel over en zij kon bepaalde vragen niet beantwoorden. Zij kon zich ook niet legitimeren. Ze wist niet op welk adres ze woonde. Evenmin wist ze wie de advertentie geplaatst had en zij moest dit aan [medeverdachte 2] vragen. [medeverdachte 2] vertelde dat zij de advertentie gemaakt en geplaatst had op internet. ‘ [pseudoniem 6] ’ gaf aan de verbalisanten haar personalia en adresgegevens op. Ze vertelde dat ze vrijwillig in de prostitutie werkte en dat [medeverdachte 2] haar woning daarvoor beschikbaar stelde. Tijdens het gesprek had [medeverdachte 2] de leiding. Omdat bij één van de verbalisanten bekend was dat [medeverdachte 2] samen met haar relatie [medeverdachte 1] oplichting gepleegd had met misbruik van DIGID en zorgtoeslag werd meteen de link gelegd dat [medeverdachte 2] mogelijk misbruik zou maken van [pseudoniem 6] .

Om geen argwaan te wekken hebben de verbalisanten de situatie zo gelaten met de gedachte de volgende dag naar het woonadres van [pseudoniem 6] te gaan en haar daar nader te vragen over haar relatie met [medeverdachte 2] . Ter plaatse werden de door [pseudoniem 6] opgegeven persoonsgegevens niet gecontroleerd. Dit werd later aan het politiebureau in Vlissingen gedaan. Toen bleek dat [pseudoniem 6] met de door haar opgegeven gegevens in geen enkel politiesysteem voor kwam. Er werd daarom geprobeerd om weer een seksafspraak te maken, voor de volgende dag. Deze afspraak werd niet gemaakt omdat de voicemail aan stond.11

Op 11 november 2014, om 12:49 uur, 13:19 uur en 15:43 uur heeft de gsm van aangeefster contact gemaakt met een zendmast aan de Schouwersweg te Heinkenszand. Deze zendmast staat in de omgeving van camping Stelleplas. Hetzelfde is gebeurd op

12 november 2014, om 10:35 uur en 18:02 uur, met dezelfde zendmast. Op 13 november 2014 heeft haar telefoon voor het laatst contact gemaakt met de zendmast aan de Schouwersweg in Heinkenszand, te weten om 13:00 uur en om 14:10 uur. Om 14:32 uur straalt de gsm aan om een zendmast in Middelburg. Die dag om 19:07 uur maakt haar gsm voor het laatst gebruik van haar eigen telefoonnummer. Om 15:34 uur wordt voor het eerst het telefoonnummer [telefoonnummer] in de gsm van aangeefster gebruikt.12 Dit telefoonnummer was op 25 juli 2014 in gebruik bij [medeverdachte 2] .13

Nadat het imei-nummer van de gsm van aangeefster op 1 december 2014 werd getapt is zij op die dag omstreeks 23.30 uur op straat in Vlissingen aangetroffen.14 Het imei-nummer was voorzien van een simkaart met het telefoonnummer [telefoonnummer] .15 Dit telefoonnummer werd als zoekterm ingevoerd op de website www.google.nl. Eén van de zoekresultaten betrof een hyperlink naar een advertentie voor seksafspraken op de website [website 1] In de advertentie werd door de adverteerder de naam “ [pseudoniem 2] ” gebruikt en werd als plaatsnaam Vlissingen genoemd.16

Bij het uitlezen van de op 1 december 2014 bij aangeefster aangetroffen gsm werden 100 Whatsapp-berichten aangetroffen van klanten die vragen naar informatie met betrekking tot seksuele handelingen en de prijs daarvan.17

Tot 1 december 2014 heeft aangeefster verbleven en als prostituee gewerkt op in ieder geval drie adressen, namelijk [adres 1] , [adres 2] (de woning van de broer van [medeverdachte 1] ) en [adres 3] .18+ 19 + 20 Daarnaast was ook sprake van escortwerkzaamheden en cardates.21

4.3.3

Het oogmerk van uitbuiting, medeplegen en de pleegperiode

Op basis van de verklaringen van aangeefster en [medeverdachte 2] is de rechtbank van oordeel dat verdachte op de hoogte was en waarschijnlijk de initiatiefnemer was van de seksuele uitbuiting van aangeefster. Uit hun verklaringen komt naar voren dat al kort nadat aangeefster in het chalet was gearriveerd, verdachte en [medeverdachte 1] samen hebben gesproken over de seksuele uitbuiting (zie voetnoten 8 en 9) en dat het verdachte was die tegen aangeefster vertelde dat zij als prostituee moest gaan werken22+ 23. Ook heeft aangeefster verklaard dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat als zij goed haar best zou doen zij dan binnen een half jaar genoeg geld zouden hebben om hun leven te kunnen onderhouden.24 [medeverdachte 2] heeft verklaard dat verdachte, [medeverdachte 1] en zij in het chalet hebben besproken dat het de bedoeling was dat aangeefster voor verdachte zou werken en dat zij en [medeverdachte 1] de klanten zouden aanleveren. Het geld dat aangeefster verdiende zouden zij dan delen met elkaar, inclusief aangeefster. Toen dit werd besproken was aangeefster er nog niet van op de hoogte gebracht dat zij moest gaan werken als prostituee.25

De broer van [medeverdachte 1] , [naam 2] , heeft verklaard dat [medeverdachte 1] tegen hem heeft gezegd dat aangeefster voor hem, [medeverdachte 1] , in de prostitutie werkte en dat het geld verdeeld werd.26

Gelet op deze omstandigheden en op het korte tijdsbestek tussen het ophalen op het station van aangeefster en het uitvoeren van haar eerste prostitutiewerkzaamheden is het genoegzaam aannemelijk dat verdachte op het moment dat hij aangeefster ophaalde op het station reeds de bedoeling had om haar in de prostitutie te brengen. Al de door hem gepleegde handelingen hebben daarom plaatsgevonden met het oogmerk van uitbuiting.

De vraag is of tussen verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking zodat hun handelen als medeplegen kan worden gekwalificeerd. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. De kwalificatie medeplegen is volgens vaste rechtspraak slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. In dat verband komt betekenis toe aan onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De rechtbank is van oordeel dat sprake was van medeplegen van verdachte met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ten aan zien van het tenlastegelegde. De rechtbank wijst in dit kader in de eerste plaats naar hetgeen hiervoor reeds is overwogen over de geplande samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (voetnoot 23). Aangeefster heeft verklaard dat verdachte aan haar vroeg: hoe zou je het vinden om voor ons te werken. Met ‘ons’ bedoelde hij [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en hemzelf.27 Toen verdachte aan haar had uitgelegd wat het werk precies inhield en aangeefster zei dat ze dat niet wilde heeft hij op een dwingende wijze gezegd dat ze het toch moest gaan doen.28 [medeverdachte 2] heeft verklaard dat verdachte in het chalet foto’s van aangeefster heeft gemaakt voor de advertenties.29 De verklaring van aangeefster dat bij het nemen van de foto’s ook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in het chalet aanwezig waren wordt in het dossier niet ondersteund. Zij heeft verklaard dat het verdachte was die foto’s wilde nemen en dat de foto’s met zijn gsm zijn gemaakt.30 Verdachte heeft vervolgens met die foto’s de eerste advertentie geplaatst.31 + 32 [medeverdachte 2] heeft verklaard dat verdachte deze foto’s later heeft doorgestuurd naar [medeverdachte 2] , die deze foto’s heeft gebruikt om zelf advertenties van aangeefster te plaatsen.33 Aangeefster wilde niet meewerken aan het nemen van naaktfoto’s. Verdachte heeft haar toen bij haar polsen gepakt en bedreigd om haar te bewegen mee te werken aan het nemen van de foto’s.

Aangeefster heeft voorts verklaard dat, nadat de foto’s waren genomen, zij alle vier aan tafel zaten en dat zij haar naar haar cupmaat vroegen en wat ze wel en niet wilde.

[medeverdachte 2] heeft over de verdeling van het geld dat aangeefster verdiende verklaard dat verdachte op enig moment een deel van het geld heeft gekregen.34 Dit sluit aan bij de verklaring van aangeefster dat verdachte enkele dagen na de politiecontrole op 1 november 2014 ruzie had met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] omdat verdachte vond dat hij niet genoeg geld kreeg.35 Hieruit concludeert de rechtbank dat hij in ieder geval een deel van de opbrengsten van het werk van aangeefster ontving.

De hiervoor omschreven handelingen hebben verdachte en diens medeverdachten verricht vanuit hun gezamenlijk doel om aangeefster prostitutiewerkzaamheden te laten verrichten.

Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een nauwe en bewuste samenwerking bestond met betrekking tot het prostitueren van aangeefster.

Op maandag 10 november 2014 is aangeefster met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] naar hun woning aan de [adres 1] gegaan, maar zij overnachtte toen nog wel in het chalet op Stelleplas. Ze zag verdachte alleen daar.36 Aangeefster heeft verklaard dat er vóór en na de politiecontrole seksafspraken zijn geweest.37 Zij heeft voorts verklaard dat zij verdachte voor het laatst heeft gezien drie tot vier dagen na de politiecontrole op 11 november 201438 en dat verdachte er na een week niet meer was39. Verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kregen toen ruzie over het geld dat zij verdiende: verdachte was boos dat hij niet genoeg geld kreeg.40 Deze verklaring sluit voor wat betreft de periode aan bij de onderzoeksgegevens betreffende haar gsm, die op 11, 12 en 13 november 2014 nog contact maakte met een zendmast in Heinkenszand. In die periode was verdachte kennelijk nog betrokken bij het prostitueren van aangeefster. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] verdachte in de maling heeft genomen door te zeggen dat aangeefster weggelopen was.41 De rechtbank acht het niet uitgesloten dat hiermee werd beoogd verdachte uit het samenwerkingsverband te stoten, zodat hij niet meer meedeelde in de inkomsten.

Gezien deze bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet gedurende de gehele tenlastegelegde periode bij de uitbuiting van aangeefster betrokken was. Zij zal de tenlastegelegde periode op basis van deze bewijsmiddelen daarom beperken op de wijze zoals onder 4.4. is weergegeven.

4.3.4

De tenlastegelegde gedragingen ten aanzien van verdachte en/of de medeverdachte(n)

- Eerste gedachtestreepje in de tenlastelegging (aangeefster gedwongen om naaktfoto’s van zich te laten nemen)

Aangeefster heeft verklaard dat er voor het maken van een seksadvertentie van haar naaktfoto’s zijn genomen in het chalet in Heinkenszand42 en dat zij hevig tegenstribbelde omdat zij dat niet wilde. Verdachte heeft haar toen hard bij haar polsen gepakt en naar de andere slaapkamer getrokken. Daar heeft hij haar gedeeltelijk uitgekleed. Aangeefster heeft voorts verklaard dat verdachte haar daarna heeft bedreigd door te zeggen dat hij haar familie wist te vinden en dat het pistool al klaar lag. Ook heeft hij gezegd: doe je kleren nou maar uit anders sla ik je.43

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij en [medeverdachte 1] er niet bij aanwezig waren toen de foto’s werden genomen. De verklaring van aangeefster wordt voor wat betreft de bedreigingen derhalve niet ondersteund. Onder 4.3.1. heeft de rechtbank overwogen dat zij de verklaringen van aangeefster als uitgangspunt neemt, en dat er in geval van inconsistenties behoedzaamheid moet worden betracht. Ten aanzien van deze ten laste gelegde handelingen door verdachte heeft de rechtbank in haar verklaringen geen inconsistenties aangetroffen, zodat zij de verklaringen van aangeefster op dit punt, zoals weergegeven in de voetnoten, als uitgangspunt neemt, waarbij zij overweegt dat haar verklaring op diverse andere punten – zoals de locatie waar de foto’s werden genomen44, de reden waarom de foto’s werden genomen45 en de het feit dat de foto’s zijn gebruikt in de seksadvertentie op [website 1]46 – door andere bewijsmiddelen worden ondersteund.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder het eerste gedachtestreepje is opgenomen, op de wijze zoals weergegeven onder 4.4.

- Tweede gedachtestreepje in de tenlastelegging (het maken van (naakt)foto’s)

Onder 4.3.3. heeft de rechtbank met betrekking tot het nemen van de foto’s reeds overwogen dat de verklaring van aangeefster dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij het maken van de naaktfoto’s betrokken waren niet door andere stukken in het dossier wordt ondersteund. De rechtbank acht op grond van de daar genoemde omstandigheden en op grond van de verklaring van [medeverdachte 2]47 wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte was die de naaktfoto’s van aangeefster heeft genomen.

Door aangeefster is verklaard dat er ook foto’s van haar zijn genomen met haar kleding aan, door [medeverdachte 2] in haar woning in Middelburg. In de advertentie op pagina 337 van het dossier is inderdaad een foto te zien waarop aangeefster gekleed staat afgebeeld. [medeverdachte 2] heeft ontkend dat zij deze foto’s heeft gemaakt.

Omdat de verklaring van aangeefster wordt ondersteund door een ander bewijsmiddel, te weten de seksadvertentie van [website 1] op pagina 337 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat deze foto’s zijn gemaakt door [medeverdachte 2] .

- Derde gedachtestreepje in de tenlastelegging (advertenties maken en plaatsen op internetsites waarin aangeefster werd aangeboden als prostituee)

Nadat de naaktfoto’s en de gewone foto’s van aangeefster waren gemaakt zijn deze onder meer gebruikt in een advertentie op [website 1] , met als titel “ [pseudoniem 6] – Lekkere sex met mij”.48 In deze advertentie is de datum 12 november opgenomen, en ook rechts onderaan de pagina is de datum 12 november 2014 opgenomen, hetgeen erop duidt dat deze advertentie op die datum is geplaatst. Aangeefster heeft verklaard dat zij het meisje is met het witte shirtje op één van de foto’s.49

Ook zijn seksadvertenties geplaatst op [website 3] . In één advertentie met als titel ‘Lekkere sex’ wordt als nickname van het meisje de naam ‘ [pseudoniem 2] ’ genoemd.50 De andere advertentie op [website 3] had als titel ‘Lekkere geile pijpdate’, met de naam ‘ [pseudoniem 3] ’ als nickname. ‘ [pseudoniem 3] ’ is lid sinds 13 november 2014.51

Op [website 1] is eveneens een advertentie aangetroffen waarin de naam ‘ [pseudoniem 2] ’ voorkomt, te weten een advertentie met de titel “ [pseudoniem 2] – Heerlijk zin”.52

Deze advertenties zijn geplaatst in november 2014.

In februari 2015 zijn seksadvertenties geplaatst voor aangeefster, waarin werd geadverteerd met de namen [pseudoneim 4] en [pseudoniem 5] . Deze advertenties zijn geplaatst buiten de tenlastegelegde en de bewezenverklaarde periode, zodat verdachte van het plaatsen van deze advertenties vrijgesproken wordt.

Aangeefster heeft verteld dat verdachte de advertentie met de naam [pseudoniem 6] heeft geplaatst.53 Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 2] , die heeft verklaard dat verdachte de eerste advertentie heeft geplaatst.54

Aangeefster heeft echter ook verklaard dat het [medeverdachte 2] was die die eerste advertentie op internet heeft gezet. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij een nieuwe advertentie heeft gemaakt omdat zij – zij en [medeverdachte 1] – geen toegang hadden tot de eerste advertentie. Ten behoeve van het maken van een nieuwe advertentie heeft verdachte de naaktfoto’s van aangeefster naar [medeverdachte 2] gestuurd via WhatsApp.55 Bij het bepalen van de inhoud van de advertenties was ook [medeverdachte 1] betrokken.56+ 57

De rechtbank acht op grond van deze bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en [medeverdachte 2] seksadvertenties voor aangeefster op internetsites hebben geplaatst, en dat [medeverdachte 1] betrokken was bij het bepalen van de inhoud van de advertenties.

- Vierde gedachtestreepje in de tenlastelegging (onder meer dwingen/overhalen/in gelegenheid stellen om (tegen betaling) seks te hebben met mannen)

Onder 4.3.3 heeft de rechtbank overwogen dat het verdachte is geweest die aangeefster heeft gedwongen en overgehaald om in de prostitutie te gaan werken. Na het plaatsen van de advertenties heeft aangeefster klanten gehad. Uit het dossier blijkt niet goed hoe het maken van de afspraken met klanten die reageerden op de eerste advertentie precies ging. Na het plaatsen van de tweede advertentie, op 11 november 2014 door [medeverdachte 2] , werd het maken van de afspraken geregeld door [medeverdachte 2] .58+ 59 Uit onderzoek in de WhatsAppgesprekken in de gsm van aangeefster is gebleken dat aangeefster op 1460 en 1661 november 2014 – wat binnen de voor verdachte bewezenverklaarde periode valt - seksafspraken heeft gehad op het adres [adres 2] . Dit betreft de woning van de broer van [medeverdachte 1] , [naam 2] .62 [naam 2] heeft verklaard dat verdachte tegen hem had gezegd dat hij, verdachte, weg moest van de camping en dat [medeverdachte 1] aan [naam 2] had gevraagd of [pseudoniem 2] - aangeefster – in zijn kamer mocht verblijven en dat [naam 2] dan in de woning aan de [adres 1] mocht verblijven. Aangeefster heeft inderdaad in de woning van [naam 2] verbleven.63 [medeverdachte 2] heeft bevestigd dat [medeverdachte 1] een kamer had geregeld voor aangeefster, omdat zij niet meer in het chalet kon verblijven en omdat [medeverdachte 2] aangeefster na de politiecontrole niet meer in haar huis wilde hebben.64

Verder zijn er op 15 en 16 november 2014 – eveneens gelegen in de bewezenverklaarde periode – seksafspraken geweest bij een klant die verbleef in een hotel in Renesse.65 Aangeefster heeft verklaard dat zij naar seksafspraken werd gebracht door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .66 Deze verklaring wordt bevestigd door [medeverdachte 2] .67 Uit zendmastgegevens blijkt dat de gsm’s van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op het moment van de afspraak contact maakten met zendmasten in Renesse.68

Gezien deze bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster heeft gedwongen en/of overgehaald om prostitutiewerk te verrichten en dat de seksafspraken werden gemaakt en gefaciliteerd door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .

- Vijfde gedachtestreepje in de tenlastelegging (werktelefoon, -kamer en condooms verstrekken)

Aangeefster heeft verklaard dat nadat de laatste foto’s van haar waren genomen in de woning van [medeverdachte 2] in Middelburg, [medeverdachte 2] de simkaart met het telefoonnummer

[telefoonnummer] in de telefoon van aangeefster heeft gedaan.69 Dit betreft het telefoonnummer dat is genoemd in de advertentie van ‘ [pseudoniem 3] ’ op [website 3]70 en van ‘ [pseudoniem 2] ’ op [website 1]71. [medeverdachte 2] heeft bevestigd dat zij dit simkaartje heeft gegeven voor de klantencontacten.72 Zoals onder 4.3.2 is opgenomen gebruikt de gsm van aangeefster dit telefoonnummer voor het eerst op 13 november 2014, te weten in de bewezenverklaarde periode.

Zoals uit de overweging hier boven – onder ‘vierde gedachtestreepje in de tenlastelegging’ – al naar voren komt is in de bewezenverklaarde periode voor aangeefster een werkplek gezocht door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , die werd gevonden in de woning van de broer van [medeverdachte 1] . Gelet op de bevindingen betreffende de WhatsApgesprekken in de gsm van aangeefster met klanten lijkt het zo te zijn dat de kamer in het pand aan [adres 3] is geregeld ná de voor verdachte bewezenverklaarde periode.

Met betrekking tot het verstrekken van condooms aan aangeefster heeft de rechtbank onvoldoende wettig bewijs aangetroffen. De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wel wettig en overtuigend bewezen dat aan aangeefster een werktelefoonnummer is verschaft en dat werkruimte voor haar is geregeld.

- Zesde gedachtestreepje in de tenlastelegging (controle/begeleiding/toezicht op prostitutiewerkzaamheden aangeefster)

Aangeefster heeft verklaard dat tijdens afspraken in de woning van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 2] bij de voordeur bleef en dat [medeverdachte 1] in de tuin of achter de schutting stond.73 [medeverdachte 2] heeft verklaard dat tijdens seksafspraken van aangeefster met klanten op haar eigen adres aan de [adres 1] [medeverdachte 1] om de hoek of achter een deur stond. Volgens [medeverdachte 2] was dat de manier om de veiligheid van aangeefster te garanderen. Bij afspraken bij een klant thuis was afgesproken dat aangeefster [medeverdachte 2] zou bellen als ze weer buiten stond. Ook stuurde [medeverdachte 2] dan WhatApp-berichten om te vragen of het goed ging.74 Aangeefster heeft voor wat betreft dit laatste een gelijksoortige verklaring afgelegd.75

Toen aangeefster in het pand aan [adres 3] verbleef stond [medeverdachte 1] volgens [medeverdachte 2] op de uitkijk om te kijken of de klant er al was. Zoals hiervoor al overwogen bevat het dossier echter onvoldoende aanwijzingen dat aangeefster op dat adres verbleef in de voor verdachte bewezenverklaarde periode.

Voorts is hierboven reeds overwogen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aangeefster met de auto naar thuisafspraken brachten.

De rechtbank acht op grond van deze bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat er controle en toezicht werd uitgevoerd bij de afspraken en dat aangeefster werd begeleid naar afspraken.

- Zevende gedachtestreepje in de tenlastelegging (innemen/beheren/aanwenden voor eigen gebruik van het door aangeefster verdiende geld)

Aangeefster heeft verklaard dat zij al haar verdiende geld moest afgeven.76 Op de [adres 1] werd door klanten aan [medeverdachte 2] betaald, aldus aangeefster.77 In het studioverhoor heeft aangeefster verklaard dat er met haar niks was afgesproken over het geld en dat zij nooit geld heeft ontvangen van het geld dat zij met haar prostitutiewerkzaamheden had verdiend.78

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat er geld van de prostitutiewerkzaamheden naar verdachte is gegaan.79 Het geld dat aangeefster direct ontving ging via [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] .80 Ze denkt dat aangeefster niet veel van haar verdiende geld heeft gezien. De tatoeage die aangeefster op 1 december 2014 heeft laten zetten werd volgens [medeverdachte 2] betaald van het geld dat aangeefster zelf had verdiend.81

Deze bewijsmiddelen vormen het wettig en overtuigend bewijs dat aangeefster het door haar met prostitutiewerk verdiende geld moest afgeven aan de verdachten.

- Achtste gedachtestreepje in de tenlastelegging (bepaling werktijden)

Zoals hierboven reeds overwogen is de rechtbank van oordeel dat het verdachte was die de eerste seksadvertentie plaatste, op [website 1] Bij het plaatsen van deze advertentie moest worden aangegeven op welke dagen het meisje beschikbaar is. In die zin heeft verdachte de werktijden van aangeefster bepaald. Later werd dit ook gedaan door [medeverdachte 2] . Zij heeft verklaard dat [medeverdachte 1] zei dat ze alle dagen aan moest drukken, maar omdat [medeverdachte 2] zei dat aangeefster dat niet vol zou houden heeft ze maar een paar dagen ingevuld.82

Aangeefster heeft verklaard dat [medeverdachte 2] de afspraken maakte en dat zij, aangeefster, geen invloed had op deze afspraken.83 Ze werkte alle dagen, zelfs ’s nachts.84

De rechtbank acht, gelet op deze bewijsmiddelen, ook het laatste gedachtestreepje wettig en overtuigend bewezen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in de bewezenverklaarde periode ten aanzien van aangeefster sprake was van een uitbuitingssituatie, dat verdachte en de medeverdachten daar opzettelijk voordeel uit hebben getrokken en dat verdachte wist dat sprake was van een uitbuitingssituatie.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in of omstreeks de periode van 09 november 2014 tot en met 16 november 2016 01 december 2014

te Heinkenszand en/of Vlissingen en/of Middelburg althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A)

een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedag slachtoffer] 1997),

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het

oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer] (sub 2°), en/of

B)

een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedag slachtoffer] 1997),

(telkens) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten

van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling dan wel ten

aanzien van die [slachtoffer] (telkens) enige handeling(en) heeft ondernomen

waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en)

vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het

verrichten van die seksuele handelingen (sub 5°), en/of

C)

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer]

terwijl die [slachtoffer] nog niet de leeftijd van 18 jaar had bereikt,

(sub 8°)

bestaande die handeling(en) hieruit dat verdachte en/of zijn mededader(s)

(telkens)

- die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen (naakt)foto's van zichzelf te laten

nemen, waarbij haar polsen stevig werden vast gepakt en/of die [slachtoffer] naar

een slaapkamer werd getrokken/gesleurd en/of waarbij dreigende de woorden

werden toegevoegd: dat hij/zij "haar familie zou(den) weten te vinden" en/of

dat "het pistool al klaar lag" en/of "doe je kleren nu maar uit, anders sla

ik je" en/of

- ( vervolgens) (naakt)foto's van die [slachtoffer] heeft/hebben gemaakt en/of

- ( vervolgens) advertentie(s) heeft/hebben gemaakt/vervaardigd en/of geplaatst

op internetsite(s) (o.a.) website " [website 1] " en/of " [website 2] ") en/of

waarin die [slachtoffer] (onder de naam " [pseudoniem 1] " en/of "[pseudoniem 2]" en/of

" [pseudoniem 3] " en/of " [pseudoneim 4] " en/of " [pseudoniem 5] ") werd aangeboden als prostituee,

en/of

- die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen en/of overgehaald en/of in de

gelegenheid gesteld om (tegen betaling) seks te hebben met een of meer mannen,

en/of (vervolgens) heeft/hebben tewerkgesteld als prostituee en/of daartoe

afspraken heeft/hebben gemaakt en/of laten maken met een of meer (potentiële)

klanten en/of

- een (werk)telefoonnummer en/of (werk)kamer en/of condooms voor die [slachtoffer]

heeft/hebben geregeld en/of ter beschikking gesteld en/of

- zorg heeft/hebben gedragen voor controle en/of begeleiding en/of toezicht op

prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer] en/of

- het door [slachtoffer] verdiende geld heeft/hebben ingenomen en/of beheerd

en/of (deels) aangewend voor zijn/hun eigen gebruik en/of

-de werktijden van die [slachtoffer] als prostituee heeft/hebben bepaald.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd (cursief gedrukt). Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Voor het geval de rechtbank toch tot een strafoplegging zou komen heeft de verdediging in overweging gegeven om verdachte niet dusdanig te straffen dat er niet op korte termijn met begeleiding kan worden gestart. Verdachte heeft behoefte om de neergaande spiraal te doorbreken. Hij beschikt over onvoldoende vaardigheden om direct zelfstandig de draad weer te kunnen oppakken.

De verdediging heeft erop gewezen dat in de strafeis onvoldoende rekening is gehouden met de omstandigheden van het geval, die afwijken van een normale mensenhandelzaak. Zo is sprake van net meerderjarigen en bestaat er geen groot leeftijdsverschil tussen aangeefster en verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich samen met de twee medeverdachten schuldig gemaakt aan mensenhandel. Hij heeft contact opgenomen met aangeefster, een kwetsbaar minderjarig meisje dat verbleef in een instelling voor gesloten jeugdzorg. Hij heeft haar overgehaald om naar hem te komen door haar voor te spiegelen dat er iets tussen hem en aangeefster was. Zeer kort nadat aangeefster door verdachte en [medeverdachte 2] is opgehaald en naar zijn chalet op een camping is gebracht, is door verdachte met [medeverdachte 1] gesproken over het prostitueren van aangeefster. Er zijn foto’s van aangeefster gemaakt en er werden seksadvertenties op internet geplaatst. Er werden klanten ontvangen op diverse plaatsen, zoals de woning van [medeverdachte 2] , waar ook [medeverdachte 1] verbleef. Ook werd aangeefster voor seksafspraken naar woningen van klanten gebracht door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Het geld dat door aangeefster werd verdiend werd ingenomen door [medeverdachte 2] , die dat weer aan verdachte gaf. Een deel van de inkomsten is aan verdachte gegeven. Aangeefster heeft alleen een broek, een trui en een tatoeage gekregen.

In drie weken tijd heeft aangeefster seksuele handelingen tegen betaling moeten verrichten met tientallen mannen, waaronder handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. Aangeefster moest veel en lange dagen werken. In het begin werd rekening gehouden met haar wensen, maar later werd dit minder. Zo moest zij één keer anale seks hebben, waarvoor door de medeverdachten voor aangeefster middelen waren aangeschaft. Aangeefster moest voorts in toenemende mate seks zonder condoom hebben met klanten, omdat dit meer geld opleverde. Hierdoor werd zij blootgesteld aan grote gezondheidsrisico’s, die zich ook hebben verwezenlijkt: als gevolg van de vele seksuele contacten zonder condoom heeft aangeefster twee geslachtsziektes opgelopen, waardoor zij mogelijk onvruchtbaar is.

Verder werd moeite gedaan om de opsporing van aangeefster te bemoeilijken. Zo werd haar lange haar kortgeknipt. De politiecontrole op 11 november 2014 vormde voor de verdachten kennelijk geen aanleiding om de uitbuiting van aangeefster te stoppen. Sterker nog, het was de reden dat aangeefster vanuit de woning van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op een ander adres werd ondergebracht, zodat zij onvindbaar werd en de prostitutiewerkzaamheden door konden gaan. Bij dit alles speelde verdachte een cruciale rol. Hij heeft immers aangeefster geronseld, er zijn sterke aanwijzingen dat hij het initiatief heeft genomen om aangeefster als prostituee te laten werken en hij heeft haar in contact gebracht met de medeverdachten. Verdachte was gedurende de eerste week nadat aangeefster door hem was opgehaald samen met de medeverdachten nauw betrokken bij die prostitutiewerkzaamheden, onder meer door het verschaffen van onderdak, het nemen van naaktfoto’s en het vervaardigen en plaatsen van een advertentie op internet. Mede door zijn toedoen is aangeefster nadat zij bij hem was weggehaald nog weken uitgebuit door de medeverdachten omdat zij de prostitutiewerkzaamheden moest voortzetten. De rechtbank rekent dit hem zwaar aan.

Seksuele uitbuiting is een zeer vergaande en ontluisterende manier van mensenhandel in de zin dat het financieel gewin alles bepalend is en de gevolgen voor het slachtoffer zeer ingrijpend zijn. Door aldus te handelen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit waarbij hij, met miskenning van de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer zijn eigen financieel gewin op de voorgrond heeft gesteld. De rechtbank neemt het verdachte en diens medeverdachten bijzonder kwalijk dat zij een reeds kwetsbaar meisje met de nodige persoonlijke problematiek verder hebben beschadigd om er zelf financieel beter van te worden.

De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten nog gedurende langere tijd de psychische en emotionele schade hiervan ondervinden. Ook bij aangeefster is hiervan sprake, zoals is gebleken uit haar slachtofferverklaring ter terechtzitting.

Gelet op de ernst van het feit en het gegeven dat deze vorm van mensenhandel nog steeds vaak voorkomt moet alleen al uit oogpunt van generale preventie een forse straf volgen. Met een verhoging van het strafmaximum van acht jaar naar twaalf jaar met ingang van 1 april 2013, en in aansluiting daarop een verhoging van de strafbedreigingen op de verschillende strafverzwarende omstandigheden in lid 3, 4 en 5, heeft de wetgever de ernst van het delict nog eens benadrukt. De rechtbank zal hiermee bij de strafoplegging nadrukkelijk rekening houden.

Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 november 2016 is verdachte in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het plegen van het onderhavige feit in aanraking geweest met justitie in verband met geweldsdelicten en vermogensdelicten. Hij is in verband met deze feiten door de kinderrechter veroordeeld tot voorwaardelijke en onvoorwaardelijke jeugddetenties en een werkstraf. Twee maal is daarbij als bijzondere voorwaarde jeugdreclasseringstoezicht opgelegd (2011 en 2012) en in het meest recente vonnis is een voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd (2013). Van deze sancties en interventies is kennelijk niet een zodanige preventieve werking uitgegaan dat het verdachte heeft weerhouden van het plegen van het bewezenverklaarde feit.

Daarbij komt dat het bevel tot voorlopige hechtenis in een tegen verdachte openstaande zaak in 2014 is geschorst, waarbij als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht is opgelegd. Ook dit heeft hem er niet van weerhouden om tijdens die schorsing nieuwe strafbare feiten te plegen.

Reclassering Nederland heeft over verdachte gerapporteerd op 13 november 2015, 10 maart 2016 en 24 november 2016. Verdachte staat geregistreerd als zeer actieve veelpleger met een uitgebreide hulpverleningsgeschiedenis, zowel binnen een vrijwillig als een gedwongen kader. Hoewel hij in de behandeling van zijn persoonlijkheidsstoornis eerder geen meerwaarde zag wordt in het laatste rapport gesproken over het willen meewerken aan reclasseringstoezicht en behandeling. Volgens de reclassering is deze gewijzigde houding vooral (of enkel) ingegeven door de wens om uit voorarrest (in een andere zaak) te worden vrijgelaten. Eerdere hulpverleningstrajecten hadden geen recidive-verminderend effect. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Zijn vriendin is voor verdachte de reden om niet meer met justitie in aanraking te willen komen.

Indien een voorwaardelijk strafdeel wordt opgelegd heeft de reclassering geadviseerd om als bijzondere voorwaarden hierbij te stellen een meldplicht, een ambulante behandeling bij Forensische Zorg Zeeland en andere voorwaarden het gedrag betreffende, te weten het zich controleerbaar opstellen en het doorlopen van de gedragsinterventie ‘werken aan werk’.

Er zijn drie rapporten uitgebracht na psychologisch onderzoek, te weten het rapport van

29 maart 2016 van drs. T. ’t Hoen, gezondheidszorgpsycholoog, en zijn aanvullend rapport van 26 augustus 2016, en het rapport van 21 november 2016 van drs. R.J.B. Metze, eveneens gezondheidszorgpsycholoog.

In alle rapporten wordt geconstateerd dat bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, ook ten tijde van het ten laste gelegde. Er is nauwelijks tot geen sprake van empathie. Omdat vanuit het onderzoek niet kan worden geconcludeerd dat de stoornis dermate van invloed was op zijn gedragskeuzemogelijkheden dat zijn gedragsregulatie erdoor belemmerd werd, wordt door Metze geconcludeerd dat sprake is van volledige toerekeningsvatbaarheid.

In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat sprake is van een verhoogde kans op herhaling van het plegen van strafbare feiten.

Gedurende het opmaken van de eerste twee rapporten was verdachte niet gemotiveerd voor hulpverlening. Die houding is ten tijde van het laatste rapport enigszins gewijzigd. Metze heeft naar voren gebracht dat voor het slagen van (gespreks)therapie enige mate van intrinsieke motivatie van belang is. Verdachte is echter nadrukkelijk van mening dat hulpverlening voor hem niet nodig is, maar hij heeft in het onderzoek wel aangegeven dat hij wil meewerken aan ondersteuning vanuit de reclassering, aldus Metze. Uit het rapport komt naar voren dat verdachte tegen reclasseerder mevrouw Kortsmit heeft gezegd dat hij wil meewerken aan begeleiding door te reclassering en dat hij openstaat voor een behandeling.

In alle rapporten wordt geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen en niet het jeugdstrafrecht.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij nog steeds een relatie heeft met zijn vriendin. Sinds hij een relatie met haar heeft, heeft hij geen strafbare feiten meer gepleegd. Als hij geen relatie zou hebben zou het wel weer de verkeerde kant op kunnen gaan volgens verdachte. Hij heeft geen diploma’s omdat hij door de vele detenties geen opleiding heeft afgerond. Hij vindt dat het nu anders moet, hij wil een normale baan, zonder problemen. Hij wil een diploma halen – hij volgt een opleiding om zijn ondernemersdiploma te behalen – en dan verhuizen uit Zeeland.

De rechtbank overweegt dat zij uit hetgeen verdachte tegenover de psycholoog en ter terechtzitting naar voren heeft gebracht over zijn bereidwilligheid om mee te werken aan een reclasseringstoezicht of behandeling onvoldoende overtuigd is van de intrinsieke motivatie hiervoor. De rechtbank zal daarom geen voorwaardelijk strafdeel opleggen om in het kader daarvan begeleiding en behandeling als bijzondere voorwaarden te kunnen stellen.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van verdachte.

7 De benadeelde partij

7.1

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 36.500,- voor het feit, waarvan een bedrag van € 12.000,- materiële schade (vergoeding voor afgedragen inkomsten uit prostitutie) en een bedrag van € 24.500,- wegens immateriële schade.

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij, mr. J.J.J. Jansen, advocaat te Kapelle, onder meer naar voren gebracht dat de benadeelde partij recent is aangemeld voor EMDR-therapie, maar dat de bevestiging daarvan nog niet is ontvangen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van een dubbeltelling waar het de post van de gederfde inkomsten betreft. Deze inkomsten worden ook al in het kader van de vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel opgevoerd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

7.3.1

Materiële schade

De rechtbank overweegt als volgt met betrekking tot de gevorderde materiële schade. Bewezenverklaard is dat de benadeelde partij voor verdachte en de medeverdachten prostitutiewerkzaamheden moest verrichten en dat zij het geld dat daarmee werd verdiend moest afgeven. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat zij financiële schade heeft geleden en dat dit een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Zij acht de verdachten aansprakelijk voor die schade.

De hoogte van deze schade is door de verdediging betwist. De rechtbank zal de schade begroten aan de hand van het dossier, waarbij zij rekening houdt met het aantal klanten, het aantal dagen dat de benadeelde partij gewerkt heeft, de gemiddelde opbrengst per afspraak en met het éénmalige bedrag van € 450,- dat zij ontving in verband met anale seks, maar dat zij heeft moeten afstaan. De rechtbank gaat er overigens vanuit dat de afspraak waarbij het bedrag van € 450,00 werd voldaan plaatsvond tegen het eind van de drie weken dat de benadeelde partij in de prostitutie moest werken. De benadeelde partij heeft namelijk verklaard dat zij geen anale seks wilde en dat er in het begin nog rekening werd gehouden met haar wensen, maar later minder.

-Aantal klanten

Over het aantal klanten per dag is door de benadeelde partij wisselend verklaard. Zij heeft verklaard dat zij gemiddeld twee à drie klanten per dag had (intakegesprek), maar ook dat dit vier à vijf klanten waren (aangifte en aanvullende verklaring). [medeverdachte 2] heeft verklaard dat er gemiddeld één tot twee klanten per dag kwamen. De rechtbank acht een gemiddeld aantal klanten van twee per dag aannemelijk op grond van deze verklaringen. Dit sluit eveneens aan bij de bevindingen van 1 december 2014, waaruit blijkt dat zij in de avond van die dag twee seksafspraken heeft gehad, alsmede bij de verklaringen van de benadeelde partij en [medeverdachte 2] dat er naast afspraken via WhatsApp ook afspraken werden gemaakt buitenom Whatsapp. Dit laatste duidt erop dat er buiten de veertien getraceerde klanten meer afspraken met klanten zijn geweest.

- Aantal werkdagen

De benadeelde partij heeft verklaard dat zij elke dag moest werken. Aangezien de benadeelde partij op 9 november 2014 laat in de avond in het chalet in Heinkenszand is gearriveerd heeft zij op die dag geen klanten meer ontvangen. Vóór 11 november 2014, 13:00 uur (datum en tijdstip van de politiecontrole) was zij reeds werkzaam als prostituee en had zij vóór deze controle al klanten ontvangen in de woning van [medeverdachte 2] . Uit het dossier blijkt onvoldoende of zij ook in het chalet in Heinkenszand al klanten had ontvangen. Op grond van de verklaringen van de benadeelde partij en [medeverdachte 2] gaat de rechtbank er daarom vanuit dat 11 november 2014 de eerste werkdag was. Op 1 december 2014 heeft zij voor het laatst contact gehad met klanten. In totaal heeft zij derhalve 21 dagen gewerkt.

- Gemiddelde opbrengst per afspraak

De rechtbank zal voor de berekening hiervan uitgaan van hetgeen met betrekking tot de veertien getraceerde klanten hierover uit het onderzoek naar voren is gekomen.

Klant [klant 3]: alleen de klant verklaart over de prijs. Hij heeft verklaard dat hij € 50,- tot € 60,- heeft betaald, of € 150,-. Gelet op deze verklaring gaat de rechtbank uit van een gemiddelde van € 100,-.

Klant [klant 4]: hij heeft verklaard dat € 100,- is betaald, wat overeenkomt met de vooraf gemaakte afspraak hierover.

Klant [klant 5]: de afspraak was pijpen voor € 70,-. De klant heeft verklaard dat de handelingen volgens afspraak zijn verricht en dat hij denkt dat hij € 120,- heeft betaald. Aangezien het op het moment van zijn verhoor al ongeveer een jaar geleden is dat de afspraak plaatsvond, waardoor het geheugen van de klant mogelijk is aangetast gaat de rechtbank uit van de prijs die was afgesproken, te weten € 70,-.

Klant [klant 1]: hij heeft niets verklaard bij de politie. Uit de WhatsApp gesprekken blijkt dat voor beide afspraken een prijs was bepaald van € 150,-, en voor de eerste afspraak kwam daar nog € 30,- bij in verband met reiskosten, zodat het totaal uitkomt op € 330,-.

Klant [klant 6]: deze klant heeft ontkend. Uit de WhatsApp gesprekken blijkt dat een prijsafspraak is gemaakt van € 150,-. De benadeelde partij heeft verklaard dat zij echter maar € 70,- betaald heeft gekregen. De rechtbank gaat voor wat betreft deze afspraak daarom uit van dit laatste bedrag.

Klant [klant 2]: deze klant heeft verklaard dat hij € 100,- heeft betaald, hetgeen overeenkomt met de gemaakte prijsafspraak via WhatsApp.

Klant [klant 7]: deze klant heeft verklaard dat hij de benadeelde partij voor hun afspraak misschien € 200 heeft betaald. De benadeelde partij heeft verklaard dat zij misschien maar € 100,- betaald heeft gekregen. De rechtbank gaat op grond van deze verklaringen uit van een gemiddelde van € 150,- voor deze afspraak.

Klant [klant 8]: deze klant heeft verklaard dat hij voor de afspraak € 120,- of € 150,- heeft betaald. Uit de WhatsApp gesprekken blijkt dat een prijs van € 150,- was gemaakt. De rechtbank gaat daarom uit van € 150,-.

Klant [klant 9]: uit de WhatsApp gesprekken blijkt dat een prijsafspraak is gemaakt van

€ 150,- voor een uur + € 20,- voor het hebben van seks zonder condoom. De klant heeft verklaard dat hij had afgesproken voor een uur en dat zij seks hebben gehad zonder condoom. Hij heeft verklaard dat hij € 120,- of € 130,- heeft betaald. Aangezien de duur van de afspraak en over het niet gebruiken van een condoom overeenkomt met hetgeen vooraf was afgesproken gaat de rechtbank uit van de gemaakte prijsafspraak, te weten € 170,-.

Klant [klant 10]: de in de WhatsApp gesprekken afgesproken prijs en de verklaring van de klant over de betaalde prijs komen overeen, te weten € 150,-.

Klant [klant 11]: [klant 11] heeft verklaard dat hij denkt dat hij € 100,- heeft betaald voor de afspraak die was gemaakt. In de WhatsApp gesprekken wordt een prijs van € 70,- afgesproken. Gelet op het tijdsverloop tussen de afspraak en het verhoor van [klant 11] gaat de rechtbank uit van laatstgenoemd bedrag.

Klant [klant 12]: uit de WhatsApp gesprekken blijkt dat een prijs is afgesproken van € 150,-.

De klant heeft verklaard dat hij € 100,- of € 150 heeft betaald. De rechtbank gaat op grond hiervan uit van € 150,-.

Klant [klant 13]: uit de WhatsApp gesprekken blijkt dat een prijs is afgesproken van

€ 150,-. In zijn verhoor heeft deze klant verklaard dat hij heeft betaald, maar niet welk bedrag. De rechtbank gaat gezien de prijsafspraak uit van € 150,-.

Klant [klant 14]: heeft verklaard wel een afspraak te hebben gemaakt, maar deze afspraak is uiteindelijk niet doorgegaan. Het dossier bevat geen aanwijzingen die op het tegendeel wijzen. Bij deze afspraak is geen betaling gevolgd.

De dertien betalende klanten hebben samen in totaal 14 afspraken gemaakt en deze hebben een totaalbedrag van € 1.760,-, hetgeen neerkomt op een gemiddelde opbrengst per afspraak van € 125,70.

- Berekening totaalopbrengst:

21 dagen x 2 klanten x € 125,70 per afspraak = € 5.279,40.

Daarbij telt de rechtbank op de afspraak waarvoor € 450,- werd betaald in verband met anale seks.

Het totaalbedrag – en daarmee de materiële schade – komt dan op:

€ 5.279,40 + € 450,- = € 5.729,40.

Verdachte was – samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] – tot en met 16 november 2014 bij de prostitutie van de benadeelde partij betrokken. Gelet op de hiervoor vastgestelde eerste werkdag van de benadeelde partij (11 november 2014) is aannemelijk dat door haar over die periode een bedrag van € 1.508,40 is verdiend (6 dagen x 2 klanten x € 125,70). De vordering ten aanzien van verdachte wordt daarom voor wat betreft de materiële schade tot dit bedrag toegewezen.

De rechtbank wijst de vordering met betrekking tot materiële schade toe tot dat bedrag en verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor het overige. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

7.3.2

Immateriële schade

Een benadeelde heeft recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding als hij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

De hoogte van het gevorderde bedrag is door de raadsvrouw mager onderbouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank is het echter op grond van het dossier helder dat de lichamelijke en geestelijke integriteit van de benadeelde partij vanwege het bewezenverklaarde feit is aangetast. Alleen al het feit dat zij buiten haar wil tegen betaling seks moest hebben met mannen vormt een enorme inbreuk op haar persoon, maar daarnaast werd ook haar lange haar afgeknipt en moest zij in sommige gevallen seks hebben zonder condoom. Dit laatste heeft ervoor gezorgd dat zij twee geslachtsziektes heeft opgelopen, waardoor zij mogelijk onvruchtbaar is. Een onderbouwing van het bestaan van psychische schade door deze gebeurtenissen door middel van een bevestiging van aanmelding voor een EMDR-behandeling is naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk.

De rechtbank stelt het bedrag voor geleden immateriële schade met inachtneming van de omstandigheden van dit geval naar billijkheid vast op € 12.500,-.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel van de vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank wijst de vordering derhalve toe tot een totaalbedrag van € 14.008,40

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen,

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 36f, 57 en 273f van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl degene ten aanzien van wie de in het eerste lid omschreven feiten worden gepleegd een persoon is die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, en terwijl één van die feiten is vergezeld van geweld, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij [slachtoffer]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 14.008,40 (veertienduizendhonderdenacht euro en veertig cent), waarvan € 1.508,40 (éénduizendvijfhonderdenacht euro en veertig cent) ter zake van materiële schade en

€ 12.500,- (twaalfduizendvijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 1 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] € 14.008,40 te betalen, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 1 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 105 (honderdvijf) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Borm, voorzitter, mr. K.M. de Jager en

mr. G.H. Nomes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P.M. Philipsen en

mr. A.J. Moggré-Hengst, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op

19 december 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt, tenzij anders vermeld, bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door één of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit de doorgenummerde pagina’s van het dossier van de Politie Zeeland – West-Brabant, team AVIM, dossiernummer 2014270439/2015276415, zaaksnaam 20VPM15001/Raguhn.

2 ‘Resultaat GBA-V Bevraging’ d.d. 28 augustus 2015, pagina 299, onder ‘persoon’.

3 Aangifte d.d. 7 september 2015 van [slachtoffer] (hierna: aangifte), pagina 313, zesde alinea, en het studioverhoor d.d. 26 oktober 2016 (hierna: het studioverhoor), pagina 11 van 48, onderaan: “V: geen relatie. En wat was….met [verdachte] had? G: Ja, hij zei gewoon tegen mij dat hij me leuk vond, dit en dat. (…) Toen ben ik gewoon gegaan.”

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 november 2015, pagina 420, tweede en vierde alinea.

5 Aangifte, pagina 313, zevende alinea, en het studioverhoor d.d. 26 oktober 2016, pagina 12 van 48, eerste twee zinnen.

6 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 november 2016.

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 november 2015, pagina 429, met bijlage op pagina 430.

8 Aangifte, pagina 314, derde tot en met laatste alinea.

9 Verklaring d.d. 27 mei 2016 van [medeverdachte 2] , zesde blad, laatste alinea.

10 Aangifte, pagina 314, laatste alinea, en pagina 315, vierde en zevende alinea.

11 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 139.

12 ‘Totaaloverzicht gebeurtenissen m.b.t. tabel – tijdlijn [slachtoffer] ’, pagina’s 497 – 499.

13 Proces-verbaal van bevindingen aantreffen [slachtoffer] , pagina 144, tweede alinea.

14 Proces-verbaal van bevindingen aantreffen [slachtoffer] , pagina 143, onder ‘resultaat TAP en opsporing [slachtoffer] :”, eerste alinea, pagina 147, laatste alinea, en pagina 148, eerste alinea.

15 Proces-verbaal van bevindingen aantreffen [slachtoffer] , pagina 143, onder ‘resultaat TAP en opsporing [slachtoffer] , derde alinea.

16 Proces-verbaal van bevindingen aantreffen [slachtoffer] , pagina 143, laatste alinea, en pagina 144, eerste alinea.

17 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 april 2015, pagina 306, eerste alinea van de bevindingen en laatste alinea.

18 Aangifte, pagina 317 zevende alinea, en pagina 320, de op één na laatste alinea, en de aanvullende verklaring van aangeefster d.d. 3 december 2015, pagina 353, achtste en negende alinea.

19 Verklaring d.d. 27 mei 2016 van [medeverdachte 2] , blad 8, eerste, tweede en zevende tot en met tiende alinea, en haar verklaring van 6 juni 2016, blad 10, derde alinea.

20 Verklaring d.d. 20 november 2015 van [naam 1] , pagina 481, laatste alinea, en pagina 482, eerste en laatste alinea.

21 Proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 3 december 2015, pagina 355, zevende alinea.

22 Aangifte, pagina 315, eerste, tweede, vierde en zevende alinea.

23 Verklaring d.d. 27 mei 2016 van [medeverdachte 2] , blad 6, laatste alinea, en pagina 7, eerste en tweede alinea.

24 Aangifte, pagina 314, derde alinea.

25 Verklaring d.d. 27 mei 2016 van [medeverdachte 2] , blad 7, eerste alinea.

26 Verklaring d.d. 26 november 2015 van [naam 2] , pagina 1012, tweede alinea.

27 Aangifte, pagina 314, laatste alinea.

28 Aangifte, pagina 315, zevende alinea.

29 Verklaring d.d. 6 juni 2016 van [medeverdachte 2] , blad 5, de op één na laatste alinea.

30 Aangifte, pagina 316, eerste en vijfde alinea.

31 Proces-verbaal van bevindingen (intakegesprek) d.d. 2 december 2014, pagina 296, zesde alinea.

32 Verklaring d.d. 27 mei 2016 van [medeverdachte 2] , blad 7, laatste alinea.

33 Verklaring d.d. 27 mei 2016 van [medeverdachte 2] , blad 8, eerste alinea, en haar verklaring d.d. 6 juni 2016, blad 5, laatste alinea.

34 Verklaring d.d. 27 mei 2016 van [medeverdachte 2] , blad 8, laatste alinea.

35 Aangifte, pagina 320, laatste alinea.

36 Aangifte, pagina 321, eerste en tweede alinea.

37 Proces-verbaal van bevindingen (intakegesprek) d.d. 2 december 2014, pagina 294, derde alinea.

38 Aangifte, pagina 320, laatste alinea.

39 Studioverhoor, pagina 13 van 48, onderaan, en aangifte, pagina 320, de op één na laatste alinea.

40 Aangifte, pagina 320, laatste alinea.

41 Verklaring d.d. 27 mei 2016 van [medeverdachte 2] , blad 8, laatste alinea.

42 Aangifte, pagina 316, eerste en vijfde alinea (“ik was op mijn sokken na helemaal naakt.”) en de op één na laatste alinea (“er werden foto’s van mijn hele lichaam gemaakt, met mijn hoofd erop. (…) het waren foto’s van de voorkant en achterkant van mijn lichaam.”)

43 Aangifte, pagina 316, eerste alinea (“hij kwam dus binnen met zijn iphone….te schelden en te schreeuwen.”), vierde alinea (“ [verdachte] was zo aan het dreigen. Ik.......dat het pistool al klaar lag.”) en vijfde alinea (“ [verdachte] pakte weer mij weer bij mijn pols en zei doe je kleren nou maar uit anders sla ik je”.)

44 Verklaring d.d. 6 juni 2016 van [medeverdachte 2] , blad 5, de op één na laatste alinea.

45 Verklaring d.d. 6 juni 2016 van [medeverdachte 2] , blad 5, laatste alinea.

46 Aangifte, pagina 319, de op twee na laatste alinea, en bijlage 4 bij de aangifte, te weten de seksadvertentie op [website 1] met als titel ‘ [pseudoniem 6] – Lekkere sex met mij”, bij welke advertentie twee foto’s te zien zijn, pagina 337.

47 Verklaring d.d. 6 juni 2016 van [medeverdachte 2] , blad 5, de op één na laatste alinea.

48 Seksadvertentie op [website 1] pagina 337.

49 Aangifte, pagina 332, tweede alinea.

50 Seksadvertentie op [website 3] , pagina’s 339 – 342.

51 Seksadvertentie op [website 3] , pagina’s 343 en 344.

52 Seksadvertentie op [website 1] , pagina 346.

53 Proces-verbaal van bevindingen (intakegesprek) d.d. 2 december 2014, pagina 293, negende en twaalfde alinea.

54 Verklaring d.d. 27 mei 2016 van [medeverdachte 2] , blad 7, laatste alinea.

55 Verklaring d.d. 6 juni 2016, van [medeverdachte 2] , blad 5, laatste alinea, en blad 6, eerste alinea.

56 Aangifte, pagina 317, derde en vierde alinea.

57 Verklaring d.d. 6 juni 2016 van [medeverdachte 2] , blad 6, derde, vijfde en zevende alinea.

58 Aangifte, pagina 318, derde alinea.

59 Verklaring d.d. 6 juni 2016 van [medeverdachte 2] , blad 7, derde alinea.

60 Onderzoek aan de gsm van aangeefster, pagina 1462 – 1467 en de verklaring van klant [klant 2] op pagina 1491, vierde alinea (vraag over bijlage 4), met foto’s van de woning van [naam 2] als bijlage 4 op pagina’s 1508 en 1509.

61 Onderzoek aan de gsm van aangeefster, pagina 1611 – 1613.

62 Verklaring van [naam 2] d.d. 26 november 2015, pagina 1010, achtste alinea.

63 Verklaring van [naam 2] d.d. 26 november 2015, pagina 1012, vierde alinea.

64 Verklaring d.d. 27 mei 2016 van [medeverdachte 2] , blad 8, zevende alinea.

65 Onderzoek aan de gsm van aangeefster, pagina 1292 – 1297.

66 Aangifte, pagina 321, zevende alinea.

67 Verklaring d.d. 6 juni 2016 van [medeverdachte 2] , blad 8, tweede alinea.

68 ‘Totaaloverzicht gebeurtenissen m.b.t. tabel’ – Analyse: tijdlijn verdachte 7 (klant 4), pagina’s 1362 en 1363.

69 Aangifte, pagina 318, tweede alinea.

70 Dossierpagina 343.

71 Dossierpagina 346.

72 Verklaring d.d. 6 juni 2016 van [medeverdachte 2] , blad 6, de op één na laatste alinea.

73 Aangifte, pagina 318, vierde alinea.

74 Verklaring d.d. 6 juni 2016 van [medeverdachte 2] , blad 7, de op één na laatste alinea en laatste alinea, en blad 8, eerste alinea.

75 Aangifte, pagina 327, derde alinea.

76 Aangifte, pagina 327, dertiende alinea.

77 Aangifte, pagina 318, vierde alinea, en studioverhoor, pagina 15, enkele regels boven het midden (“9 van de 10 keer stond [naam 3] …..Ja, aan [medeverdachte 2] . Logisch hè?”).

78 Studioverhoor, pagina 9 van 48, onderste helft van de pagina.

79 Verklaring d.d. 27 mei 2016 van [medeverdachte 2] , blad 7, laatste alinea, en blad 8, derde en laatste alinea.

80 Verklaring d.d. 6 juni 2016 van [medeverdachte 2] , blad 8, derde alinea.

81 Verklaring d.d. 6 juni 2016 van [medeverdachte 2] , blad 8, negende alinea.

82 Verklaring d.d. 6 juni 2016 van [medeverdachte 2] , blad 6, derde alinea.

83 Aangifte, pagina 321, zevende, achtste en laatste alinea.

84 Aangifte, pagina 324, achtste alinea.