Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:8065

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
AWB 16_2523
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdwet. Afwijzing aanvraag voor dyslexiebehandeling.

De uitsluiting van behandeling van jeugdigen tussen de 7 en 12 jaar ten aanzien van wie op andere wijze dan volgens het protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling (PDD&B 2.0) de diagnose Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED) is gesteld, acht de rechtbank in strijd met de (voorzieningenplicht van de) Jeugdwet.

De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat de dyslexiebehandelingen die de jeugdige heeft gehad door het college worden vergoed aan eisers. Hierbij overweegt de rechtbank dat gelet op het belang van de jeugdige thans wordt uitgegaan van een retrospectieve beoordeling van de situatie, waarbij de noodzakelijk geachte behandeling heeft plaatsgevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/2523 WET

uitspraak van 14 december 2016 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] en [naam eiser2] , te [woonplaats] , eisers,

gemachtigde: mr. M.H.G. van der Leest,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 3 maart 2016 (bestreden besluit) van het college inzake de weigering om een individuele voorziening voor de dylexiebehandeling van hun dochter [naam dochter] te verstrekken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 2 november 2016. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eisers hebben voor hun dochter [naam dochter] verzocht om dyslexiebehandeling (1 uur per week tot maximaal 60 uur).

Bij besluit van 20 oktober 2015 (primair besluit) heeft het college besloten om geen individuele voorziening voor dyslexiebehandeling toe te kennen. Hieraan ligt ten grondslag dat zowel uit het onderzoeksverslag als de verklaring van Praktijk [naam praktijk] blijkt dat er geen sprake is van Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED). Er is wel sprake van een “gewone” dyslexie volgens de criteria van SDN. Er is enkel recht op vergoede behandeling wanneer dyslexie vastgesteld kan worden volgens de criteria van het protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling (PDD&B 2.0).

Bij brief van 13 november 2016 hebben eisers bezwaar gemaakt. Eisers hebben kort gezegd aangevoerd dat er bij [naam dochter] wel degelijk sprake is van EED. Orthopedagoog [naam orthopedagoog] van de Praktijk [naam praktijk] heeft dit bevestigd.

Bij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

2. Met ingang van 1 januari 2015 is de (nieuwe) Jeugdwet in werking getreden. Gemeenten zijn met ingang van die datum op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk voor de uitvoering van alle jeugdzorg. Uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2012-2013, 33684 nr. 3, pag. 50) blijkt dat onder het palet van zorg zowel de diagnose als de behandeling van EED van jeugdigen tussen 7 en 12 jaar vallen.

In artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet is bepaald dat

indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen treft op het gebied van jeugdhulp en het college waarborgt een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:

a. gezond en veilig op te groeien;

b. te groeien naar zelfstandigheid, en

c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

Met ingang van eveneens 1 januari 2015 heeft de gemeenteraad de Verordening jeugdhulp Zeeuws-Vlaanderen 2015 (Verordening) vastgesteld.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Verordening zijn de volgende vormen van individuele voorzieningen of niet vrij toegankelijke voorzieningen beschikbaar: ambulante jeugdhulp, daghulp, pleegzorg, residentiële jeugdhulp, gesloten jeugdzorg, jeugdreclassering, jeugdbescherming, jeugd geestelijke gezondheidszorg en zorg voor jeugdigen met een (licht) verstandelijke beperking.

In artikel 2, derde lid, van de Verordening is bepaald dat het college bij nadere regeling vast stelt welke algemene en vrij toegankelijke voorzieningen en welke individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen op basis van het eerste en tweede lid beschikbaar zijn.

Het college heeft een Procedure Toegang tot Dyslexie in het kader van de Jeugdzorg vastgesteld. Ingevolge dit procedurebesluit kan een jeugdige enkel aanspraak maken op een individuele voorziening voor diagnose en behandeling van dyslexie als er sprake is van EED gebaseerd op het protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling (PDD&B 2.0).

3. Het college stelt zich op het standpunt dat uit de voorinformatie van de school volgt dat [naam dochter] niet voldeed aan de in het PDD&B 2.0 neergelegde criteria voor een diagnostisch onderzoek van EED. Volgens het college volgt uit het PDD&B 2.0 (automatisch) dat [naam dochter] dan evenmin in aanmerking kan komen voor behandeling van EED.

4. Eisers hebben aangevoerd dat er wel aanleiding is om de vergoeding toe te kennen. Zij voelen zich gesteund door de verklaring van Praktijk [naam praktijk] waarin wordt bevestigd dat [naam dochter] alle kenmerken heeft passend bij een EED. De schoolscores in de periode voorafgaand aan het dyslexieonderzoek zijn echter net te goed. Dit komt omdat de school al fors meer begeleiding en aanpassing heeft ingezet én bovendien thuis extra huiswerk werd gemaakt en begeleiding geboden. Daarnaast is door mevrouw [naam] steeds de suggestie gewekt dat de gevraagde voorziening door het college zou worden toegekend. Eisers hebben in beroep het dossier voorgelegd aan het Regionaal Instituut Dyslexie (RID). Psycholoog [naam psycholoog 1] en GZ-psycholoog [naam psycholoog 2] van het RID hebben het volgende verklaard: “Wat betreft deze cliënt wordt er voldaan aan de criteria van PDD&B om in aanmerking te komen voor vergoeding van de behandeling en is er sprake van EED. Gezien de ernst van de achterstand wordt behandeling geadviseerd. Echter voldeed betreffende cliënt niet aan de criteria om in aanmerking te komen voor vergoeding van de diagnostiek. Aangezien het per gemeente verschillend is of een behandeling in dit geval wel vergoed wordt, ligt het uiteindelijke besluit hiervan bij de betreffende gemeente.

5. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat jeugdigen tussen de 7 en 12 jaar met EED op grond van de Jeugdwet in aanmerking komen voor een individuele voorziening. De rechtbank wijst hierbij op de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2012-2013, 33684 nr. 3, pag. 63). Hierin staat: “11. Met het overhevelen van de jeugd-ggz, dyslexiezorg, jeugd-vb, begeleiding, kortdurend verblijf en persoonlijke verzorging uit de AWBZ en de Zvw naar Jeugdwet vervalt weliswaar het recht op zorg zoals dat in die wetten is vorm gegeven, maar in onderhavig wetsvoorstel komen deze vormen van zorg, hulp en ondersteuning onder de voorzieningenplicht te vallen. De gemeente krijgt de verplichting om waar nodig voor de jeugdige of zijn ouders een individuele voorziening te treffen.”

6. In de wet noch in de wetgeschiedenis is het begrip EED gedefinieerd. De wetsgeschiedenis bevat geen aanknopingspunten voor het standpunt dat een jeugdige die lijdt aan EED geen recht heeft op behandeling omdat de diagnose niet volgens PDD&B 2.0 is gesteld. Daarbij komt dat de (juridische) waarde die het college aan het PDD&B 2.0 toekent, niet zover strekt dan met het protocol is beoogd. De rechtbank verwijst hierbij naar de tekst onder het kopje “Juridische status van het protocol” (pagina 4), waarin staat: “De protocol is geen wettelijk voorschrift, maar een samenvatting van op wetenschappelijke onderzoeksresultaten gebaseerde inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Aangezien de aanbevelingen hoofdzakelijk zijn gebaseerd op de “gemiddelde Cliënt”, moeten zorgverleners op basis van hun professionele autonomie afwijken van dit protocol als de situatie van de Cliënt dat vereist. Wanneer van het protocol wordt afgeweken dient dit te worden beargumenteerd en gedocumenteerd. De verantwoordelijkheid voor het handelen blijft daarmee bij de individuele behandelaar.” De uitsluiting van behandeling van jeugdigen tussen de 7 en 12 jaar ten aanzien van wie op andere wijze dan volgens het PDD&B 2.0 de diagnose EED is gesteld, acht de rechtbank in strijd met de (voorzieningenplicht van de) Jeugdwet. De stelling van het college dat het onder de Zorgverzekeringswet geldende systeem wordt voortgezet, daargelaten de onderbouwing van deze stelling, kan de rechtbank niet volgen nu voor deze uitsluiting van een groep dyslexiezorgbehoeftigen de wettelijke basis ontbreekt.

7. Zoals hierboven aangegeven is een gemeente verplicht om waar nodig voor de jeugdige een individuele voorziening te treffen. In onderhavige situatie hebben eisers middels een rapportage van Praktijk [naam praktijk] en informatie van RID aangetoond dat [naam dochter] lijdt aan EED. Het college heeft zelf geen onderzoek verricht dan wel laten verrichten naar de situatie van [naam dochter] . Gelet op het voorgaande was het college gehouden om de individuele voorziening voor dyslexiebehandeling te treffen.

8. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het college ten onrechte heeft geweigerd om ten behoeve van [naam dochter] de individuele voorziening voor dyslexiebehandeling te treffen. Het beroep zal gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat de dyslexiebehandelingen die [naam dochter] heeft gehad door het college worden vergoed aan eisers. Hierbij overweegt de rechtbank dat gelet op het belang van de jeugdige thans wordt uitgegaan van een retrospectieve beoordeling van de situatie, waarbij de noodzakelijk geachte behandeling heeft plaatsgevonden. Indien het college het juiste besluit had genomen zou eerder besloten zijn tot de toekenning van een individuele voorziening in de vorm van een vergelijkbare dyslexiebehandeling. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde bestreden besluit.

9. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eisers te worden vergoed. De rechtbank zal het college veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat de dyslexiebehandelingen die [naam dochter] heeft gehad door het college aan eisers worden vergoed;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.H.C.W. Vonk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

14 december 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.