Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:8019

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-11-2016
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
BRE - 15 _ 5590
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BPM – taxatie m.i.v. 1 januari 2015

Vast staat dat sprake is van een schadeauto. Belanghebbende heeft bij het doen van aangifte BPM een taxatierapport ingebracht waarbij de handelsinkoopwaarde van de schadeauto is bepaald op basis van de koerslijstwaarde minus schade. Inspecteur stelt dat die methode niet overeenstemt met de bepalingen uit de uitvoeringsregeling BPM. De rechtbank acht die eisen niet goed uitvoerbaar. De argumentatie in de toelichting van de uitvoeringsregeling gaat uit van het systeem dat erkende taxateurs plegen te hanteren, maar geeft niet aan waarom een koerslijst niet zou voldoen. De rechtbank is van oordeel dat ook bij deze uitleg sprake is van een belemmering en ziet in de toelichting geen rechtvaardiging daarvoor.

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 10
Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/185
V-N 2017/12.20.2
FutD 2017-0274
NTFR 2017/452
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 15/5590

uitspraak van 15 november 2016

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden beschikkingen

De uitspraken van de inspecteur van:

- 18 augustus 2015 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag Bpm van € 1.739 (nummer [aanslagnummer] ) (de naheffingsaanslag) ter zake van een personenauto Opel Corsa 1.4-16V met VIN eindigend op [nummer] (hierna: de auto); en

- 25 augustus 2015 op het bezwaar van belanghebbende tegen de door hem ter zake van de registratie van de auto op aangifte voldane belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Bpm) van € 306.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2016 te Tilburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] , verbonden aan [kantoor gemachtigde] te [plaats] , en namens de inspecteur [inspecteur] .

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep inzake de voldoening op aangifte gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de voldoening op aangifte;

  • -

    verleent een teruggaaf van € 12;

  • -

    verklaart het beroep betreffende de naheffingsaanslag ongegrond;

  • -

    stelt vast dat de inspecteur een dwangsom heeft verbeurd van in totaal € 140;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 992;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 167 aan hem vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende heeft op 2 februari 2015 aangifte Bpm gedaan ter zake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister van de auto. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd waarin de handelsinkoopwaarde van de auto (€ 1.375) is bepaald aan de hand van de koerslijst Autotelex pro op€ 8.340 waarop een schadebedrag van (72% van € 9.673 is) € 6.965 in mindering is gebracht. Volgens de aangifte bedraagt de te betalen Bpm € 306. Belanghebbende heeft de auto gekocht voor een bedrag van € 5.500 (exclusief BTW en Bpm). De auto is geregistreerd op 23 april 2015.

2.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 9 februari 2015 de naheffingsaanslag Bpm van € 1.739 aan belanghebbende opgelegd.

2.3.

Belanghebbende heeft de verschuldigde Bpm op aangifte en het bedrag van de naheffingsaanslag, in totaal dus € 2.045, op 13 april 2015 voldaan.

2.4.

Belanghebbende heeft in één geschrift, gedagtekend op 16 maart 2015, bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte en tegen de naheffingsaanslag.

2.5.

Belanghebbende heeft bij brieven van 28 mei 2015 en 3 augustus 2015 de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar.

2.6.

Het bezwaarschrift is op 11 mei 2015 ontvangen.

2.7.

De inspecteur heeft het bezwaar tegen de naheffingsaanslag wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Tevens heeft de inspecteur de naheffingsaanslag ambtshalve verminderd met € 192. Het bezwaar tegen de voldoening op aangifte heeft de inspecteur kennelijk ongegrond verklaard.

2.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaar tegen de naheffingsaanslag terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding. In geschil is of de inspecteur een dwangsom heeft verbeurd en of belanghebbende teveel Bpm op aangifte heeft voldaan.

Ontvankelijkheid bezwaar, niet tijdig beslissen en dwangsom

2.9.

Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar.

2.9.1.

Op grond van artikel 4:17, zesde lid, onderdeel c, van de Awb is geen dwangsom verschuldigd indien de aanvraag, in dit geval het bezwaar, kennelijk niet-ontvankelijk is. Het bezwaar betreffende de naheffingsaanslag is niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft niets aangevoerd waaruit de rechtbank kan afleiden dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de naheffingsaanslag dan terecht (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard zodat belanghebbende geen aanspraak maakt op een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag.

2.9.2.

Het bezwaar tegen de voldoening op aangifte is wel tijdig ingediend.

2.10.

Ten aanzien het verzoek om toekenning van een dwangsom wegens het niet tijdig doen van uitspraak op het bezwaar tegen de voldoening op aangifte overweegt de rechtbank als volgt. De inspecteur moet beslissen binnen zes weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken (artikel 7:10, lid 1, van de Awb). De eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen (artikel 4:17, lid 3 Awb). De Bpm op aangifte is op 13 april 2015 voldaan. De termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is dan op 25 mei 2015 geëindigd. De inspecteur had, gelet op het voorgaande, uiterlijk op 6 juli 2015 uitspraak op bezwaar moeten doen. Belanghebbende heeft bij brieven van 28 mei 2015 en 3 augustus 2015 de inspecteur in gebreke gesteld. De ingebrekestelling van 28 mei 2015 is prematuur. De ingebrekestelling van 3 augustus 2015 heeft de inspecteur op 4 augustus 2015 ontvangen. Hij had dus binnen twee weken of uiterlijk 18 augustus 2015 uitspraak moeten doen. Nu de uitspraak op bezwaar pas op 25 augustus 2015 is verzonden, heeft de inspecteur een dwangsom verbeurd van € 140 (7 dagen maal € 20 per dag) .

2.11.

Nu de inspecteur inmiddels heeft beslist op de bezwaren geldt van rechtswege dat het beroep wegens niet tijdig beslissen mede betrekking heeft op de alsnog gedane uitspraken op bezwaar. Nu het bezwaar tegen de naheffingsaanslag terecht niet ontvankelijk is verklaard (zie 2.9.1.), kan de rechtbank alleen het beroep tegen de voldoening op aangifte inhoudelijk behandelen.

Voldoening op aangifte

2.12.

Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift wel geconcludeerd tot vermindering van de naheffingsaanslag maar niet tot teruggaaf van de op aangifte voldane Bpm. De inspecteur heeft daaruit terecht afgeleid dat belanghebbende toen geen inhoudelijke bezwaren had tegen die voldoening. Voor zover het bezwaarschrift betrekking had op de voldoening op aangifte (en dat staat wel in de aanhef ervan) heeft de inspecteur het bezwaar destijds terecht kennelijk ongegrond verklaard.

2.13.

In het beroepschrift heeft belanghebbende geconcludeerd tot een teruggaaf van € 12 (€ 306 min € 294). De rechtbank zal daarover oordelen.

2.14.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het door belanghebbende bij de aangifte overgelegde taxatierapport acceptabel is als basis voor de berekening van de Bpm. Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat hij met de schadeaftrek die belanghebbende heeft toegepast bij de aangifte akkoord gaat, indien de rechtbank tot het oordeel komt dat het genoemde taxatierapport aan de voorwaarden van artikel 8, lid 4, van de Uitvoeringsregeling Bpm (tekst 1-1-2015) voldoet.

2.15.

Met ingang van 1 januari 2015 zijn de regels voor het taxeren van gebruikte auto’s voor de Bpm aangepast.

2.15.1.

Artikel 10, lid 8, van de Wet Bpm bepaalt:

“Indien sprake is van:

  1. een voertuig met meer dan normale gebruiksschade, niet zijnde een schadevoertuig, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel u, van de Wegenverkeerswet 1994, of

  2. een motorvoertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, wordt de afschrijving, bedoeld in het tweede lid, mits daartoe een verzoek bij de aangifte wordt gedaan, gesteld op de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vierde lid, en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik wordt genomen, verminderd met de taxatiewaarde vermeld in een taxatierapport dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.”

2.15.2.

Art. 10, lid 9, van de Wet Bpm bepaalt, voor zover hier van belang:

“Bij de aangifte wordt een opgaaf gedaan van de gegevens die bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, bedoeld in het tweede lid, dan wel voor de toepassing van de tabel, bedoeld in het zesde lid. (…)”

2.15.3.

Artikel 8, lid 4, van de Uitvoeringsregeling Bpm (Ureg) bepaalt, voor zover hier van belang:

“De opgaaf bedoeld in artikel 10, negende lid, van de wet, bestaat uit:

  1. een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de bij de aangifte toegepaste afschrijving, (…), is ontleend; of

  2. het bij de aangifte gebruikte taxatierapport:

- dat is opgemaakt met inachtneming van de voorwaarden opgenomen in bijlage I; en

- (…)

Bij het doen van de opgaaf wordt slechts gebruikgemaakt van de gegevens van niet meer dan één koerslijst als bedoeld onder a”

2.15.4

Bijlage I bij artikel 8, lid 4, van de Uitvoeringsregeling Bpm (de Bijlage) bepaalt, voor zover hier van belang:

“Het taxatierapport, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, dient in ieder geval te voldoen aan de volgende voorwaarden:

(…)

3. Waardebepaling voertuig

(…)

3.2.

De handelsinkoopwaarde van 3 tot 5 referentiemotorrijtuigen wordt vermeld. De handelsinkoopwaarde van het referentiemotorrijtuig is de door wederverkopers betaalde inkoopprijs voor een gebruikt motorrijtuig bij koop van een niet-wederverkoper (particulier of ondernemer).

3.3.

Een referentiemotorrijtuig is een motorrijtuig waarvan het model, de leeftijd, de kilometerstand, normale gebruikschade en andere algemene kenmerken vergelijkbaar zijn met het getaxeerde motorrijtuig. Onder andere kenmerken worden ook begrepen de rijwaardige staat van het motorrijtuig en het feit of voor de omzetbelasting sprake is van een marge-auto of BTW-auto, de mate van courantheid, al dan niet een ex-schade motorrijtuig, kleur, garantierisico, import van buiten de EU.

3.4.

Op basis van de handelsinkoopwaarden van de referentiemotorrijtuigen wordt gemotiveerd aangegeven welke waarde als uitgangspunt dient voor het te taxeren motorrijtuig. Indien geen van de referentiemotorrijtuigen 100% overeenkomt met het te taxeren motorrijtuig wordt een gemiddelde waarde van de 3 tot 5 referentiemotorrijtuigen aangemerkt als handelsinkoopwaarde die gebruikt wordt bij het te taxeren motorrijtuig.

3.5.

De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van de referentiemotorrijtuig wordt vastgesteld door het schadebedrag te vermenigvuldigen met 72%. Indien de taxateur van mening is dat de waardevermindering voor het te taxeren motorrijtuig hoger is dan de vastgestelde norm wordt dit gemotiveerd aangegeven gestaafd met deugdelijke schadecalculatie en beeldmateriaal.”

2.15.5.

In de toelichting van ‘Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 30 december 2014, nr. IZV 2014/715M, tot wijziging van enige uitvoeringsregelingen inzake de fiscaliteit en douane alsmede van de Wet op de accijns’, Stcrt. 2014, 36880, p. 36 en 37.

is de navolgende passage opgenomen:

Nadere eisen taxatierapport voor de BPM’

Tot en met 31 december 2014 heeft een belastingplichtige bij de import van een gebruikte personenauto, een gebruikt motorrijwiel of een gebruikte bestelauto voor de vaststelling van het te betalen bedrag aan BPM ter zake van de registratie van het betrokken motorrijtuig de keuze tussen het gebruik van een forfaitaire tabel, een algemeen toegepaste koerslijst of een taxatierapport. Met ingang van 1 januari 2015 wordt dit aangepast. Alleen bij motorrijtuigen met meer dan normale gebruiksschade en incourante voertuigen mag – naast de tabel of de koerslijst – de waarde voor de BPM bij eerste registratie in het kentekenregister worden vastgesteld op basis van een taxatierapport.

(…)

Daarbij worden aan dat taxatierapport nadere eisen gesteld. De voornaamste wijziging van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM 1992) houdt in dat de mogelijkheid tot gebruik van een taxatierapport voor de waardebepaling wordt beperkt tot de gevallen van:

motorrijtuigen met meer dan normale gebruiksschade, en

(…)

De eigenaar van een motorrijtuig met meer dan normale gebruiksschade (…) kan dus voor de waardebepaling, evenals onder de huidige regelgeving, kiezen tussen gebruik van de forfaitaire tabel, een koerslijst in het eerstgenoemde geval of een taxatierapport. (…)

Tevens is voor de toepassing van het taxatierapport in de Wet BPM 1992 een delegatiebevoegdheid gecreëerd die het mogelijk maakt om bij ministeriële regeling nadere voorwaarden te stellen aan taxatierapporten teneinde het geconstateerde misbruik bij het gebruik van taxatierapporten te beperken. Met de hier opgenomen wijzigingen wordt gebruikgemaakt van deze delegatiebevoegdheid. In de UR BPM 1992 worden voorwaarden opgenomen waaraan het taxatierapport moet voldoen om als basis te kunnen dienen voor de waardevaststelling die gebruikt wordt bij de berekening van de verschuldigde BPM. Deze nadere voorwaarden zijn het resultaat van een nauwe samenwerking met de Bovag, organisaties van gecertificeerde taxateurs en de Belastingdienst. De voorwaarden zijn gebaseerd op uitgangspunten die gecertificeerde taxateurs in de praktijk toepassen. Het stellen van voorwaarden aan het taxatierapport wordt wenselijk geacht om meer eenheid te creëren in de taxatierapporten en de in die rapporten gehanteerde berekeningsmethoden om de werkelijke waarde van een motorrijtuig te bepalen. Dit geeft meer duidelijkheid voor alle betrokkenen en draagt bij aan een transparante controlemethodiek. Taxatierapporten die niet voldoen aan de bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden kunnen niet als bewijs dienen voor de bepaling van het werkelijke afschrijvingspercentage dat wordt gebruikt voor de berekening van de verschuldigde BPM tenzij de inspecteur oordeelt dat de tekortkoming van het taxatierapport van zodanige aard is dat die zich leent voor herstel binnen een redelijke termijn en dit herstel ook binnen deze redelijke termijn plaatsvindt. Indien deze mogelijkheid tot herstel niet geboden of benut wordt, bepaalt de inspecteur overeenkomstig het geldende recht, dat wil zeggen met redelijke middelen, het bij het motorrijtuig behorende afschrijvingspercentage voor de berekening van de BPM.’

2.16.

Uitgangspunt van de rechtbank is de vaste jurisprudentie dat een uit een andere

EU-lidstaat overgebrachte auto niet mag worden onderworpen aan een hogere Bpm dan de Bpm die nog rust op de waarde van een gelijksoortige, reeds in Nederland geregistreerde gebruikte auto (vgl. HR 2 maart 2012, nr. 11/00785, ECLI:NL:HR:2012:BV7393, rechtsoverweging 3.5.1).

2.17.

Belanghebbende heeft in het taxatierapport bij de aangifte de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald met de koerslijst van Autotelex Pro op € 8.340 en de schade getaxeerd op € 9.673 waarvan 72% op de waarde in mindering is gebracht, zodat een inkoopwaarde resteert van € 1.375. De inspecteur heeft de aangifte niet aanvaard omdat volgens hem geen sprake is van een taxatie conform de Wet, Ureg en Bijlage, en is uitgegaan van de koerslijst zonder schade. Nu tussen partijen kennelijk niet in geschil is dat sprake is van een schade-auto (zie 2.14. en dat dat zo is blijkt ook wel uit de foto’s; zo hangen de airbags los en zit er flinke schade aan de rechterkant bij portieren en dorpels), leidt de door de inspecteur toegepaste methode tot een te hoog bedrag aan Bpm. Uitgegaan moet immers worden van een gelijksoortige auto in Nederland, en dat is een schadeauto, niet een auto zonder schade waar de inspecteur van uitgaat.

2.18.

De vraag is dan of belanghebbende in het taxatierapport de handelsinkoopwaarde van 3 tot 5 referentiemotorrijtuigen had moeten vermelden om de handelsinkoopwaarde van deze auto te onderbouwen, zoals de Bijlage vereist. Belanghebbende heeft gesteld dat de eis dat voor elke gebruikte ingevoerde auto met schade de handelsinkoopprijs bepaald moet worden in een taxatierapport met vermelding van referentie-inkopen, onredelijk is en de rechtbank begrijpt dat belanghebbende daarmee bedoelt dat deze eis een ongerechtvaardigde belemmering is bij de berekening van de juiste Bpm voor uit andere lidstaten van de EU ingevoerde auto’s.

2.18.1.

Als de Bijlage met de verplicht te vermelden referentieauto’s het oog heeft op referentieauto’s met dezelfde of vergelijkbare schade, is die regeling naar het oordeel van de rechtbank niet goed uitvoerbaar omdat dergelijke vergelijkbare auto’s in het algemeen niet te vinden zullen zijn. Bij elke schade-auto is immers in het algemeen sprake van andere schade. Aan de eis dat referentievoertuigen opgevoerd moeten worden, zal dan in veel gevallen niet kunnen worden voldaan. Als dat dan steeds leidt tot toepassing van de tabel zonder waardevermindering wegens schade, leidt dat in al die gevallen tot een te hoge Bpm en is sprake van een niet aanvaardbare belemmering omdat op ingevoerde schadeauto’s dan een hogere Bpm zal rusten dan op in Nederland aanwezige gelijksoortige auto’s.

2.18.2.

Als de Bijlage het oog heeft op de handelsinkoopwaarde van referentieauto’s zonder rekening te houden met de schade, valt niet in te zien waarom dan de handelsinkoopwaarde volgens de koerslijst niet acceptabel zou zijn. Dergelijke koerslijsten komen immers tot stand op basis van werkelijke referentie-inkopen; dat is tussen partijen ook niet in geschil. Als voor elke ingevoerde auto referentieauto’s opgespoord moeten worden, zal dat in het algemeen veel meer werk meebrengen dan het consulteren van een koerslijst en dus ook tot hogere kosten leiden dan indien volstaan kan worden met het consulteren van een koerslijst. De inspecteur heeft ook niet uit kunnen leggen waarom een koerslijst zoals die van Autotelex niet als basis voor de handelsinkoopwaarde zou kunnen dienen. De argumentatie in de toelichting van de Ureg (zie 2.15.5) gaat uit van het systeem dat erkende taxateurs plegen te hanteren, maar geeft niet aan waarom een koerslijst niet zou voldoen. De rechtbank is van oordeel dat ook bij deze uitleg sprake is van een belemmering en ziet in de toelichting geen rechtvaardiging daarvoor.

2.18.3.

Nu kennelijk niet in geschil is dat de in Autotelex vermelde referentieprijs de handelsinkoopwaarde weergeeft van een auto als deze zonder schade, en de hoogte van de aftrekpost wegens schade niet in geschil is (zie 2.14), ziet de rechtbank geen reden de berekening in de aangifte niet te volgen.

2.19.

De in beroep aangevoerde stelling van belanghebbende dat de Bpm niet meer kan bedragen dan € 294 is kennelijk gebaseerd op toepassing van een extra leeftijdskorting vanwege de tijd die is verlopen tussen de aangifte (2 februari 2015) en de registratie (23 april 2015). Belanghebbende verwijst naar de algemene regeling die daarvoor is gepubliceerd in onderdeel 6.1. van het Kaderbesluit Bpm (Stcrt 2014, 36890). De inspecteur heeft de juistheid van deze stelling niet bestreden. Het gelijk is aan belanghebbende.

Conclusie

2.20.

Het beroep betreffende de naheffingsaanslag is ongegrond verklaard en het beroep betreffende de voldoening op aangifte gegrond, wat leidt tot een teruggaaf van € 12.

Proceskosten

2.21.

Nu de beroepen ten aanzien van de dwangsom en ten aanzien van het bezwaar tegen de voldoening op aangifte gegrond zijn verklaard, vindt de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 992 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan op 15 november 2016 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van

mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.