Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:7993

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-12-2016
Datum publicatie
29-12-2016
Zaaknummer
BRE - 15 _ 4746
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:1136, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 33, lid 7 (tekst 2008, inmiddels art. 31, lid 8) Wet OB

De inspecteur heeft de brief van belanghebbende onterecht aangemerkt als een bezwaar tegen de aangifte OB over het tweede halfjaar 2008, nu er sprake was van een nihilaangifte. De brief had moeten worden aangemerkt als een verzoek om teruggaaf van OB. Belanghebbende stelt dat zij dit verzoek niet eerder kon doen, omdat zij niet eerder over een factuur beschikte. Het is echter aan belanghebbende zelf te wijten dat zij aan de leverancier heeft betaald zonder dat aan haar een factuur was uitgereikt. Daar komt bij dat niets haar belette om bij of vóór het doen van aangifte de aftrek van de onderhavige OB bij de inspecteur aan de orde te stellen. Het verzoek om teruggaaf is daarom te laat ingediend en terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/21
FutD 2017-0021
NTFR 2017/335 met annotatie van mr. J.P.W.H.T. Becks, drs. J. van der Laan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 15/4746

uitspraak van 15 december 2016

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft in maart 2009 een nihilaangifte omzetbelasting gedaan over het tijdvak 1 juli 2008 tot en met 31 december 2008. Bij brief van 19 april 2013, door de inspecteur ontvangen op 22 april 2013, heeft zij verzocht om teruggaaf van CHE 332.500 of € 203.737,75 omzetbelasting en daarbij een factuur gevoegd van [A BV] te [vestigingsplaats] (hierna: [A BV] ) gedateerd 2 augustus 2008.

1.2.

De inspecteur heeft de brief aangemerkt als een bezwaar tegen de aangifte over het tweede halfjaar 2008 en dit bezwaar, in die brief verzoek genoemd, bij brief van 14 juni 2013 niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft hij vermeld dat belanghebbende in beroep kon gaan tegen de niet-ontvankelijkverklaring bij de rechtbank.

1.3.

De inspecteur heeft bij brief van 3 september 2013 medegedeeld dat ook geen ambtshalve teruggaaf van de omzetbelasting zou worden verleend. In die brief heeft hij het verzoek om teruggaaf op grond van artikel 17 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB) niet-ontvankelijk verklaard en tevens vermeld dat tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek bezwaar kon worden gemaakt. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt bij brief van 7 oktober 2013, door de inspecteur ontvangen 8 oktober 2013. In die brief schrijft zij onder meer dat het verzoek ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De inspecteur heeft het bezwaar in de uitspraak op bezwaar van 15 juni 2015 niet-ontvankelijk verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 10 juli 2015, ontvangen bij de rechtbank op 14 juli 2015, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331.

1.5.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Op 28 januari 2016 heeft een onderzoek ter zitting voor een enkelvoudige kamer plaatsgevonden. Bij brief van 5 februari 2016 heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld dat de zaak door de enkelvoudige kamer is verwezen naar een meervoudige kamer. Het proces-verbaal van de zitting van 28 januari 2016 is op 15 maart 2016 aan partijen verzonden.

1.7.

Beide partijen hebben vóór de tweede zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn steeds in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.8.

Het onderzoek ter zitting voor de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 3 november 2016 te Breda. Voor de verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting waarvan het afschrift gelijktijdig met het afschrift van deze uitspraak aan partijen zal worden toegezonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Op 4 juni 2008 heeft [B BV] , gevestigd [vestigingsplaats] , een koopovereenkomst gesloten met [A BV] , gevestigd te [vestigingsplaats] , betreffende een LED-boardingsysteem dat tijdens voetbalwedstrijden van de Duitse eredivisie en de eerste divisie voor reclamedoeleinden langs het speelveld zou worden geplaatst. Er is daarbij een koopsom van CHF 1.750.000 overeengekomen. Op 9 juli 2008 is [B BV] met belanghebbende overeengekomen dat alle rechten en plichten van voornoemde koopovereenkomst zullen overgaan op belanghebbende.

2.2.

Omdat het LED-boardingsysteem volgens belanghebbende onvolledig was en in veel opzichten gebreken vertoonde, heeft belanghebbende op 5 augustus 2008 geweigerd om het systeem af te nemen. Belanghebbende heeft daarover een verklaring naar [A BV] verzonden. [A BV] heeft geweigerd deze verklaring mede te ondertekenen en in plaats daarvan een voorstel gedaan voor een aanvullende overeenkomst. In de aanvullende overeenkomst is overeengekomen dat de levertermijn van het systeem zou worden uitgesteld tot 11 augustus 2008, dat het systeem in de tussentijd zou worden ingezet en getest, dat de garantietermijn zou worden verlengd en dat een tweede systeem kosteloos door [A BV] ter beschikking zou worden gesteld. Op 11 augustus 2008 waren de gebreken nog niet verholpen en is de termijn verlengd tot 14 augustus 2008. Op 15 augustus 2008 heeft belanghebbende het systeem aanvaard onder de voorwaarde dat de gebreken zouden worden verholpen en de nog niet geleverde onderdelen nog zouden worden geleverd. Hierna zijn de gebreken niet verholpen en hebben technische deskundigen geadviseerd om het systeem buiten bedrijf te stellen.

2.3.

Bij beslissing van het Landesgericht Frankfurt am Main van 4 september 2012 is de vordering van [A BV] (vanaf 15 januari 2010 ‘ [A BV] ’ geheten, hierna ook wel: [A BV] ) tot nakoming van de overeenkomst van 4 juni 2008 afgewezen en is de vordering van belanghebbende tot ontbinding van die overeenkomst toegewezen. [A BV] diende het door belanghebbende betaalde bedrag, inclusief rente, terug te betalen aan belanghebbende. [A BV] is op 16 april 2013 failliet verklaard.

2.4.

Tot de gedingstukken behoren twee facturen van [A BV] met factuurnummer [factuurnummer] d.d. 2 augustus 2008 die zijn gericht aan belanghebbende met een factuurbedrag exclusief omzetbelasting van CHF 1.750.000 of € 1.072.303,92. Op beide facturen is een bedrag aan “Mehrwertsteuer” vermeld van 19% of € 203.737,75. Op één van de facturen staat daarbij: “(German VAT)”. Op beide facturen staat dat al CHF 525.000 is aanbetaald. Tot de stukken behoort ook een creditnota van [A BV] gericht aan belanghebbende voor een bedrag van CHF 1.072.303,92 plus “Mehrwertsteuer/German VAT CHF 203.737,74”. Belanghebbende heeft op 16 juni 2008 CHF 525.000 en op 12 augustus 2008 CHF 866.250 aan [A BV] betaald.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de vragen of het bezwaar en het beroep ontvankelijk zijn en of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van een bedrag van € 203.737,75 aan omzetbelasting. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend. De inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en het verhandelde ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en teruggaaf van omzetbelasting van € 203.737,75. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende heeft in 2009 een nihilaangifte omzetbelasting gedaan over het tijdvak 1 juli 2008 tot en met 31 december 2008. Bij brief van 19 april 2013 heeft zij verzocht om teruggaaf van € 203.737,75 omzetbelasting en daarbij een factuur gevoegd van [A BV] aan belanghebbende gedateerd 2 augustus 2008. De inspecteur heeft de brief aangemerkt als een bezwaar tegen de aangifte over het tweede halfjaar 2008. Naar het oordeel van de rechtbank is dat onjuist nu sprake was van een nihilaangifte en op die aangifte dus geen omzetbelasting was voldaan.

4.2.

Artikel 33, zevende lid (tekst 2008, inmiddels artikel 31, achtste lid) van de Wet OB bepaalt dat op een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting wordt beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking.

4.3.

De inspecteur heeft bij brief van 14 juni 2013 het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft hij vermeld dat belanghebbende in beroep kon gaan tegen de niet-ontvankelijkverklaring bij de rechtbank. Dat is (a) een onjuiste rechtsmiddelenverwijzing omdat vermeld had moeten worden dat bezwaar kon worden gemaakt en (b) een onvolledige rechtsmiddelenverwijzing omdat er niet stond vermeld bij welke rechtbank en binnen welke termijn het rechtsmiddel moest worden aangewend. De gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat hij niet tegen deze brief is opgekomen omdat hij door de verwijzing naar de rechtbank op het verkeerde been is gezet. Hoewel de gemachtigde werkt bij een gerenommeerd belastingadvieskantoor, acht de rechtbank die verklaring, gelet op de gecompliceerdheid van de formele bepalingen in de omzetbelasting, geloofwaardig.

4.4.1.

De inspecteur heeft bij brief van 3 september 2013 medegedeeld dat ook geen ambtshalve teruggaaf van de omzetbelasting zou worden verleend. In die brief heeft hij het verzoek om teruggaaf op grond van artikel 17 van de Wet OB afgewezen en tevens vermeld dat tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek bezwaar kon worden gemaakt.

4.4.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt bij brief van 7 oktober 2013. In die brief schrijft belanghebbende onder meer dat het verzoek ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank moet die brief (mede) worden beschouwd als een bezwaar tegen de niet-ontvankelijkverklaring van 14 juni 2013. Dat bezwaar is dan niet tijdig ingediend, maar de rechtbank acht die termijnoverschrijding verschoonbaar gelet op hetgeen hiervoor in 4.3 is overwogen over de onjuiste en onvolledige rechtsmiddelenverwijzing. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve teruggaaf in de uitspraak op bezwaar van 15 juni 2015 niet-ontvankelijk verklaard. Nu in die uitspraak tevens wordt verwezen naar de beschikking op het verzoek om teruggaaf, is dit tevens een uitspraak op het bezwaar tegen die beschikking. Het bezwaar is dan ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard voor zover het bezwaar betrekking had op de beschikking van 14 juni 2013. Het beroep is dan in zoverre gegrond.

4.4.3.

Nu de inspecteur wel is ingegaan op de argumenten van belanghebbende voor teruggaaf, ziet de rechtbank geen reden de zaak terug te wijzen. Uit al hetgeen belanghebbende heeft gesteld begrijpt zij dat ook belanghebbende wil dat de rechtbank een beslissing neemt ten aanzien van het verzoek om teruggaaf.

4.5.

Artikel 33, eerste lid van de Wet OB (tekst 2008) bepaalt dat een verzoek om teruggaaf van belasting geschiedt bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. Nu het hier gaat om belasting die aan belanghebbende in rekening is gebracht, ontstaat het recht op aftrek van voorbelasting en dus van teruggaaf in het tijdvak dat de belasting aan belanghebbende in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur (artikel 15 wet OB). Artikel 35, vijfde lid van de Wet OB (tekst 2008) bepaalt dat bij vooruitbetaling, waarvan hier kennelijk sprake is, de factuur moet worden uitgereikt vóór het tijdstip van de opeisbaarheid daarvan. In de aanvullende koopovereenkomst van 5 augustus 2008 is in overeenstemming daarmee vermeld dat [A BV] vóór de betaling een factuur aan belanghebbende zou uitreiken.

4.6.

Belanghebbende heeft gesteld dat aan haar in 2008 geen factuur is uitgereikt. Eerst tijdens de procedure voor het Landesgericht Frankfurt am Main kreeg belanghebbende een afschrift van deze factuur in haar bezit. Belanghebbende vraagt om teruggaaf van omzetbelasting omdat zij wel bedragen inclusief (Nederlandse) omzetbelasting aan [A BV] heeft betaald. De rechtbank stelt voorop dat van belanghebbende, die in 2008 als ondernemer in Nederland was geregistreerd, verwacht kon worden dat zij zich op de hoogte zou stellen van de vereisten voor aftrek van voorbelasting en overige relevante bepalingen van de Wet OB, die overigens in overeenstemming zijn met de artikelen 178, 220, onderdeel 5 en 222 van de BTW-Richtlijn. Het is dan aan belanghebbende zelf te wijten dat zij heeft betaald zonder dat aan haar een factuur was uitgereikt. Daar komt bij dat niets belanghebbende belette om in 2008 of 2009 (bij of vóór het doen van aangifte over 2008) de aftrek van de onderhavige omzetbelasting bij de inspecteur aan de orde te stellen. Het verzoek om teruggaaf van 19 april 2013 is gezien al het vorenoverwogene te laat ingediend en terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar is in dat geval ongegrond.

4.7.

Het voorgaande geldt mutatis mutandis ook indien het verzoek van belanghebbende om teruggaaf zou moeten worden aangemerkt als bezwaar tegen de nihilaangifte, zoals de inspecteur heeft gesteld. In dat geval was de beslissing op het verzoek om teruggaaf immers niet anders geweest omdat ook dan geen sprake is van een op de door de wet voorgeschreven wijze uitgereikte factuur in bovenvermelde zin.

4.8.

Het beroep van belanghebbende op Mededeling nr. 38 van de staatssecretaris van Financiën (Besluit van 20 juni 1995, nr. VB 95/2120) kan haar niet baten. Dat besluit voorziet niet in een rechtsingang bij de belastingrechter in situaties als de onderhavige.

4.9.

De stelling van belanghebbende dat zij op grond van het Europees recht de mogelijkheid moet hebben om op te komen tegen ambtshalve gegeven beschikkingen, wordt door de rechtbank verworpen. Tegen een ambtshalve genomen besluit staat geen beroep open bij de belastingkamer van de rechtbank. Met betrekking tot een dergelijke beschikking kan slechts een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld. Het beroep van belanghebbende op het Unierecht maakt dat niet anders. In het kader van de teruggaafprocedure op grond van artikel 33 van de Wet OB bestaat de mogelijkheid van bezwaar en beroep. Het standpunt van belanghebbende, dat daarnaast ook tegen de ambtshalve genomen beslissing om geen teruggaaf te verlenen in bezwaar en in beroep zou moeten kunnen worden gegaan, vindt geen steun in het Unierecht. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve teruggaaf (zie 4.4.2) terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is in zoverre ongegrond.

4.10.

Gelet op het vorenstaande is beslist als hierna onder 6 vermeld.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.240 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). Voor vergoeding van de kosten van bezwaar ziet de rechtbank geen aanleiding nu het bezwaar ongegrond wordt verklaard.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voor zover het betrekking heeft op het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting;

- verklaart het bezwaar voor zover het betrekking had op de beschikking van 14 juni 2013 ongegrond;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.240;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 331 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 15 december 2016 door mr. drs. M.H. van Schaik, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. C.A.F.M. Stassen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.A. Riemens, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.