Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:7783

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-12-2016
Datum publicatie
09-12-2016
Zaaknummer
C/02/286263 FA RK 14-5586
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Rechtbank spreekt echtscheiding uit maar wijst alle verzochte nevenvoorzieningen af in een procedure waarin de advocaten de rechtbank niet van de juiste stukken voorzien en op het allerlaatste moment aansturen op verdaging van de zitting en ook niet ter zitting verschijnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2017/29
PFR-Updates.nl 2016-0322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familierecht

Breda

Zaaknummer: C/02/286263 FA RK 14-5586

beschikking betreffende echtscheiding

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat [naam advocaat verzoeker] ,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat [naam advocaat verweerster] .

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 11 augustus 2014 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- het op 1 april 2016 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;

- het op 31 mei 2016 ontvangen verweer op zelfstandig verzoek met bijlagen;

- de beschikking voorlopige voorzieningen van 19 juli 2016;

- de brieven van [naam advocaat verzoeker] van 18 en 21 november 2016, met bijlagen;

- de brief van [naam advocaat verweerster] van 18 november 2016, met bijlagen;

- de brief van [naam advocaat verzoeker] van 30 november 2016;

- de brief van [naam advocaat verweerster] van 30 november 2016;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 december 2016.

2 De verzoeken

De man verzoekt thans, samengevat,

- echtscheiding;

- limitering dan wel nihilstelling op termijn van de door de vrouw verzochte onderhoudsbijdrage;

- vaststelling van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen, althans - naar de rechtbank begrijpt - het gelasten van de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen zoals door de man voorgesteld of door de rechtbank juist geacht, met veroordeling van de vrouw tot medewerking aan de levering van de aan de man toebedeelde activa.

De man verzoekt voorwaardelijk,

- indien een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw en ten laste van de man zal worden bepaald: vaststelling van een door de vrouw te betalen vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning door haar van € 400,= per maand, alsmede te bepalen dat de vrouw de gebruikerslasten van deze woning voldoet;

- indien de echtelijke woning dient te worden verkocht en de vrouw hieraan geen medewerking zal verlenen: de vrouw te veroordelen tot medewerking aan het tot stand komen van de verkoopopdracht, bezichtigingen, koopovereenkomst en akte van levering bij de notaris, alsmede veroordeling van de vrouw tot ontruiming van de woning.

De vrouw verzoekt, samengevat,

- echtscheiding;

- vaststelling van een door de man aan haar te betalen onderhoudsbijdrage van

€ 1.000,= per maand;

- te bevelen dat de man jaarstukken van zijn onderneming [naam onderneming] overlegt en de jaarstukken van de deelnemingen van de man alsmede een organogram, waaruit blijkt hoe de vennootschapsstructuur in elkaar zit, wat de inkomsten uit de B.V.’s zijn en wat de waarde is van de aandelen;

- vaststelling van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen, zoals zij nader zal aangeven althans zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

- veroordeling van de man tot afstorting bij een externe verzekeraar van het in eigen beheer ten behoeve van de vrouw opgebouwde pensioen.

3 De beoordeling

3.1

Tussen partijen staat blijkens de stellingen en overgelegde stukken vast

- dat zij op [huwelijksdatum en plaats] met elkaar zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen;

- dat zij de Nederlandse nationaliteit bezitten;

- dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht.

echtscheiding

3.2

De verzoeken tot echtscheiding zijn in overeenstemming met de wet en worden niet weersproken, zodat de rechtbank deze zal toewijzen.

nevenvoorzieningen

3.3

Het verzoekschrift is ontvangen op 11 augustus 2014. Sindsdien hebben partijen ruim anderhalf jaar overleg gevoerd met als doel het bereiken van een minnelijke regeling met betrekking tot hun geschillen. Nadat dit overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, werd op 1 april 2016 een verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, ingediend en op 31 mei 2016 een verweerschrift op deze zelfstandige verzoeken. Een en ander ten behoeve van een behandeling van de geschillen ter zitting.

De advocaten van partijen hebben nagelaten om de rechtbank van de juiste informatie te voorzien ten behoeve van een beslissing op de ingediende verzoeken tot het treffen van nevenvoorzieningen. Zo heeft de man slechts concept-jaarstukken overgelegd van zijn vennootschappen over 2012, 2013 en 2014 en ontbreken jaarstukken met betrekking tot 2015, terwijl evenmin een grootboekoverzicht over 2016 is overgelegd, noch een prognose van de bedrijfsvoering voor de komende jaren. Met betrekking tot de financiële positie van de vrouw is enkel een jaaropgaaf over 2015 overgelegd, zonder recente salarisstroken of een aangifte inkomstenbelasting. Tot slot hebben beide advocaten, ondanks een uitdrukkelijk verzoek van de rechtbank daartoe in de oproepbrieven voor de zitting, nagelaten om een verdeelstaat te overleggen.

3.4

Partijen zijn opgeroepen voor een behandeling ter terechtzitting op 1 december 2016 om 9.00 uur. De advocaten van de man en de vrouw hebben de rechtbank bij faxbericht van
30 november 2016 om 16.43 uur respectievelijk bij rolbericht van dezelfde datum om 16.47 uur medegedeeld dat zij niet ter terechtzitting zullen verschijnen. De rechtbank is daarbij verzocht om de behandeling aan te houden pro forma tot 4 april 2017. Een en ander omdat partijen opnieuw, en met inschakeling van een door hen aan te zoeken deskundige, willen proberen in onderling overleg het geschil op te lossen. Partijen en hun advocaten zijn vervolgens niet ter terechtzitting van 1 december 2016 verschenen.

3.5

Uit de aard van de echtscheidingsprocedure, bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 818 lid 3 Rv, vloeit voort dat deze niet langer moet duren dan strikt noodzakelijk is. Partijen hebben na een overlegperiode van anderhalf jaar, en een daaropvolgende periode van zes maanden tussen het indienen van het verweerschrift en de zittingsdatum, de rechtbank nog steeds niet voorzien van diverse relevante stukken die nodig zijn om de geschillen te kunnen beslechten. Daarnaast hebben de advocaten van partijen, in strijd met het bepaalde in 7.4 Procesreglement Scheiding, de rechtbank niet tijdig verzocht om uitstel van de zitting. Bovenal hebben zij, door pas op het allerlaatste moment aan te kondigen dat men niet ter zitting aanwezig zou zijn terwijl men een beslissing van de rechtbank daarover niet heeft afgewacht, de rechtbank niet in staat gesteld om regie te voeren in de procedure dan wel te beoordelen of uitstel van de zitting zou leiden tot een onredelijke vertraging van de procedure. Dit is niet alleen in strijd met de goede procesorde, maar doet evenmin recht aan de tijdsinvestering welke door alle betrokkenen binnen de rechtbank inmiddels met betrekking tot dit dossier is gedaan. Een investering die niet meer ten goede kan komen aan de geschillen van andere partijen.

Het geheel van omstandigheden zoals weergegeven onder 3.3. en 3.4. en bovenstaande overwegingen brengen de rechtbank tot het oordeel dat de door partijen verzochte nevenvoorzieningen moeten worden afgewezen.

3.6

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [huwelijksdatum en plaats] met elkaar gehuwd;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Pulskens, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

in tegenwoordigheid van Gruijters, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

verzonden op:

1

1 In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.