Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:7782

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-12-2016
Datum publicatie
13-12-2016
Zaaknummer
AWB 16_347
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:1699, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering een omgevingsvergunning te verlenen voor het permanent geplaatst houden van 18 vlonders met een totale oppervlakte van 1.062 m2 op het adres Mariekerke 24 te Meliskerke. Op deze vlonders staan 18 luxe safaritenten. Eisers hebben een kampeervergunning voor kleinschalig kamperen in de periode 15 maart t/m 31 oktober. Buiten dit kampeerseizoen moeten de kampeermiddelen, waaronder de vlonders, verwijderd zijn. De vlonders zijn niet vergunningvrij en ze zijn in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Verweerder wil niet afwijken van dit bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3° van de Wabo, maar daartoe diende hij eerste een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo te vragen aan de gemeenteraad. Dit verzuim wordt door de rechtbank gepasseerd omdat de gemeenteraad van Veere één week voordat eisers hun aanvraag hebben ingediend, een motie om toe te staan dat de vlonders ook buiten het kampeerseizoen mogen blijven liggen, heeft verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/347 WABO

uitspraak van 6 december 2016 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres 1] en [naam eiser 2] , te [plaatsnaam eisers] , eisers,

gemachtigde: [gemachtigde eisers]

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van verweerder van 12 januari 2016, verzonden op 14 januari 2016 (bestreden besluit) inzake de weigering een omgevings-vergunning te verlenen voor het plaatsen van 18 vlonders met een totale oppervlakte van 1.062 m2 op het adres Mariekerke 24 te Meliskerke.

Verweerder heeft dit bezwaarschrift op 15 januari 2016 doorgezonden naar de rechtbank ter behandeling als beroepschrift. Daarbij is aangegeven dat de uitgebreide voorbereidings-procedure als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing was op de aanvraag van eisers.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 25 oktober 2016.

Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde eisers] en [naam eiser 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Pommer.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 19 november 2015 heeft [naam eiser 2] namens [naam eiseres 1] verzocht om omgevingsvergunning ter legalisering van 18 vlonders met een totale oppervlakte van 1.062 m2 op het adres Mariekerke 24 te Meliskerke. Op deze vlonders staan 18 luxe safaritenten. Eisers hebben een kampeervergunning voor kleinschalig kamperen in de periode 15 maart t/m 31 oktober. Buiten dit kampeerseizoen moeten de kampeermiddelen, waaronder de vlonders, verwijderd zijn. Met de gevraagde vergunning beogen eisers te bewerkstelligen dat de vlonders het hele jaar mogen blijven liggen. De 18 vlonders zijn ongeveer 20 cm hoog en hebben elk een oppervlakte van ongeveer 59 m2.

Omdat het permanent geplaatst houden van de vlonders niet in het ter plaatse geldende bestemmingplan past hebben eisers een ruimtelijke onderbouwing van de aanvraag aangeleverd met het oog op toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3°, van de Wabo.

Op 6 januari 2016 heeft verweerder in het Gemeenteblad gepubliceerd dat hij voornemens is om de omgevingsvergunning te weigeren en dat belanghebbenden t/m 11 januari 2016 hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

Binnen deze termijn, te weten op 31 december 2015, is een zienswijze ontvangen van [Naam Buro] namens eisers.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder weerlegging van de ingebrachte zienswijze, de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd.

2. Eisers hebben op 13 januari 2016 een bezwaarschrift tegen het bestreden besluit ingediend. Dit besluit is echter pas op 14 januari 2016 toegezonden naar eisers. Daarmee is het bezwaarschrift van eisers prematuur ingediend. Maar aangezien eisers door middel van de besluitenlijst van verweerder d.d. 12 januari 2016 kennis hebben kunnen nemen van het weigeringsbesluit, blijft op grond van artikel 6:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift achterwege.

3. De rechtbank kan eisers niet volgen in hun primaire standpunt dat voor het plaatsen van de 18 vlonders geen omgevingsvergunning vereist is. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (AbRS) kan voor de uitleg van het begrip ‘bouwen’ aansluiting worden gezocht bij de in de gemeentelijke bouwverordening gegeven definitie. Deze luidt: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. Gelet op deze definitie, en in aanmerking genomen dat eisers de vlonders jaarrond geplaatst willen houden, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van 18 bouwwerken met een omvang van elk 59 m2. Voorts overweegt de rechtbank dat de plaatsing van de vlonders niet vergunningvrij kan geschieden omdat deze activiteit niet is genoemd in artikel 2 of 3 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). De stelling van eisers dat de vlonders (ook) zijn aan te merken als vergunningvrije speeltoestellen in de zin van artikel 3, vierde lid, van Bijlage II bij het Bor, snijdt geen hout reeds omdat de vlonders zijn geplaatst ten behoeve van de opbouw van de safaritenten en de aanvraag van eisers is gericht op legalisering van dit gebruik.

4.1

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied Veere” rust op het onderhavige perceel de bestemming “Agrarisch met waarden - Landschapswaarden”.

Artikel 4.2.1 van het bestemmingsplan bepaalt, voor zover hier van belang, dat gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd in het bouwvlak.

Artikel 4.2.3, sub h, van de planregels bepaalt dat ter plaatse van kleinschalige kampeerterreinen en landschapscampings overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan tot een hoogte van maximaal 3 meter.

4.2

De rechtbank overweegt dat blijkens de hiervoor weergegeven planregels als uitgangspunt heeft te gelden dat buiten het bouwvlak geen bouwwerken mogen worden opgericht. Eisers hebben aangevoerd dat artikel 4.2.3, sub h, van de planregels hierop een uitzondering maakt. De rechtbank volgt eisers daarin niet. In artikel 4.2.3., sub a. tot en met f., van de planregels zijn maximale bouwhoogtes opgenomen van verschillende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Onder sub g. is bepaald dat de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde ten hoogste 2 meter bedraagt. Onder sub h. is bepaald dat in afwijking van het bepaalde onder sub g. ter plaatse van kleinschalige kampeerterreinen en landschapscampings overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan zijn tot een hoogte van maximaal 3 meter. Deze bepaling levert naar het oordeel van de rechtbank geen uitzondering op van het bepaalde dat uitsluitend gebouwd mag worden binnen het bouwvlak.

4.3

Voorts overweegt de rechtbank dat er geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid is en dat de vereiste omgevingsvergunning ook niet verleend kan worden met toepassing van de kruimelregeling als bedoeld in artikel 4 van de Bijlage II bij het Bor. De door eisers gevraagde omgevingsvergunning kan slechts verleend worden met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3°, van de Wabo. Gemachtigde [Naam Buro] heeft dan ook terecht de aanvraag ingekleed als een verzoek om toepassing van deze afwijkings-mogelijkheid.

5.1

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3° van de Wabo kan, indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo bepaalt, voor zover hier van belang, dat afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning indien slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3°, van de Wabo.

Op grond van artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb, dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen, bezwaar te maken tenzij het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4.

5.2

Uit deze bepalingen vloeit voort dat verweerder gehouden was de uitgebreide voorbereidingsprocedure te volgen. Het standpunt van eisers dat de reguliere voorbereidingsprocedure gevolgd had moeten worden is onjuist. Verweerder heeft het bezwaarschrift terecht doorgezonden naar de rechtbank ter behandeling als beroepschrift.

5.3

Krachtens artikel 3:16 Awb moet het ontwerp van het te nemen besluit ten minste gedurende 6 weken ter inzage gelegen hebben. Eisers hebben terecht geklaagd dat de termijn van terinzagelegging te kort was, maar de rechtbank zal deze tekortkoming passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Daarbij is in aanmerking genomen dat eisers daardoor niet in hun belangen worden geschaad omdat zij binnen de gegunde termijn hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

6. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen heeft aangevraagd bij de gemeenteraad.

6.1

Ingevolge artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo wordt in bij wet aangewezen categorieën van gevallen een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten.

Ingevolge artikel 3.11, eerste lid, van de Wabo, zendt het bevoegd gezag het bestuursorgaan dat bevoegd is een verklaring te geven als bedoeld in artikel 2.27, onverwijld een exemplaar van de aanvraag en de daarbij gevoegde stukken.

Ingevolge artikel 2.20a, van de Wabo, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvoor voor het verlenen van de omgevingsvergunning een verklaring vereist is als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd indien de verklaring is geweigerd.

Ingevolge artikel 6.5, eerste lid, van het Bor, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft.

6.2

Blijkens de uitspraak van de AbRS van 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:921, kan in een situatie als de onderhavige de omgevingsvergunning alleen worden geweigerd vanwege strijd met het bestemmingsplan, wanneer de verklaring van geen bedenkingen is geweigerd. Het artikel laat geen ruimte voor een uitleg dat een omgevingsvergunning ook op die grond kan worden geweigerd in het geval dat er geen verklaring van geen bedenkingen aan de gemeenteraad is gevraagd. Het samenstel van de artikelen 2.27, eerste lid, van de Wabo, 2.20a van de Wabo en 3.11, eerste lid, van de Wabo en artikel 6.5, eerste lid, van het Bor brengt naar het oordeel van de AbRS met zich dat het college van burgemeester en wethouders gehouden was de gemeenteraad onverwijld de aanvraag en de daarbij gevoegde stukken te sturen en een verklaring van geen bedenkingen te vragen.

6.3

In navolging van deze uitspraak van de AbRS komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de omgevingsvergunning niet kon weigeren zonder een verklaring van geen bedenkingen te vragen aan de gemeenteraad.

6.4

De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de schending van de hiervoor genoemde bepalingen met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren en overweegt daartoe als volgt. Op 12 november 2015 heeft de gemeenteraad van Veere een motie om toe te staan dat de vlonders die gebruikt worden voor de opbouw van kampeertenten, ook buiten het kampeerseizoen mogen blijven liggen, verworpen. Dit is precies één week voordat eisers hun aanvraag voor het verkrijgen van een dergelijke toestemming bij verweerder hebben ingediend. De rechtbank acht aannemelijk dat eisers daarom niet zijn benadeeld door het niet onverwijld toezenden van de aanvraag en de daarbij gevoegde stukken aan de gemeenteraad en het niet vragen van een verklaring van geen bedenkingen. Het standpunt van de raad was bekend en komt overeen met het besluit van verweerder om de omgevingsvergunning voor legalisering van de vlonders te weigeren.

7.1

Eisers hebben betoogd dat verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld omdat uit een brief van verweerder van 25 februari 2009 zou blijken dat geen bezwaar bestaat tegen de plaatsing van vlonders.

7.2

Uit de rechtsoverwegingen 6.2 en 6.3 vloeit voort dat verweerder de gevraagde omgevingsvergunning alleen kan weigeren wegens strijd met het bestemmingsplan, wanneer de verklaring van geen bedenkingen is geweigerd. Aangezien ook voor het verlenen van een omgevingsvergunning een dergelijke verklaring van de gemeenteraad vereist is, kunnen aan een toezegging van verweerder hieromtrent, wat daar verder ook van zij, geen rechtens te honoreren verwachtingen worden ontleend.

7.3

Ten slotte overweegt de rechtbank dat eisers ter zitting hebben gesteld dat verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Daargelaten dat eisers deze stelling niet onderbouwd hebben, valt ook niet in te zien dat zij deze stelling niet eerder naar voren hadden kunnen brengen. De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten.

8. Het beroep van eisers is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 december 2016.

P.H.M. Verdonschot, griffier V.E.H.G. Visser, rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.