Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:7756

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-11-2016
Datum publicatie
20-12-2016
Zaaknummer
AWB 16_3540
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdwet. Artikel 2.3. Met ingang van 1 januari 2015 is de nieuwe Jeugdwet in werking getreden. Gemeenten zijn met ingang van die datum op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk voor de uitvoering van alle jeugdzorg. Het college erkent dat eiser jeugdhulp in de vorm van begeleiding individueel nodig heeft. Het college stelt zich echter op het standpunt dat de door moeder verstrekte hulp gebruikelijke hulp betreft waarvoor geen indicatie wordt verleend. De rechtbank stelt vast dat uit de Verordening noch uit de Regeling blijkt welke criteria het college hanteert in het kader van de vraag wanneer sprake is van boven gebruikelijke hulp binnen het gezin. In de Jeugdwet is in artikel 1.1 evenmin een definitie opgenomen van het begrip boven gebruikelijke hulp. Ter zitting heeft het college toegelicht dat bij de besluitvorming bijlage 3 bij de Beleidsregels indicatiestelling Awbz 2014 (Protocol gebruikelijke zorg) tot uitgangspunt is genomen en dat het Protocol kan worden beschouwd als vaste gedragslijn. Het college heeft echter nagelaten de concrete situatie van eiser te toetsen aan het

Protocol, zodat het bestreden besluit onvoldoende op eiser als individu is toegespitst. De rechtbank voorziet zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2017/43
FJR 2018/29.25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/3540 JEUGDWET

uitspraak van 28 november 2016 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: [naam vader] ,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woensdrecht, verweerder.

Procesverloop

Namens eiser, geboren 2 september 1998, is beroep ingesteld tegen het besluit van 19 april 2016 (bestreden besluit) van het college inzake de toekenning van een persoonsgebonden budget (pgb) voor begeleiding op grond van de Jeugdwet.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 17 oktober 2016. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde (vader).

Tevens zijn verschenen [naam moeder] (moeder) en [naam vertegenwoordiger] van stichting [naam stichting] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger2] en [naam vertegenwoordiger3] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser, geboren op 2 september 1998, is bekend met autisme spectrum stoornis en PDD-nos. Er dreigt een gameverslaving. Eiser ontving een pgb voor begeleiding individueel op grond van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (Awbz) voor 4 tot en met 6,9 uur per week in de vorm van een pgb.

Eisers ouders hebben namens hem bij het college een aanvraag ingediend voor een vervolgindicatie (herindicatie) betreffende een voorziening voor begeleiding individueel op grond van de Jeugdwet in de vorm van een pgb.

Bij besluit van 28 september 2015 (primair besluit I) heeft het college aan eiser een pgb voor jeugdhulp toegekend in de vorm van begeleiding individueel gedurende 4 uur per week. Het pgb wordt toegekend voor de periode van 1 januari 2016 tot en met

31 augustus 2016 op een bedrag van maximaal € 36,21 per uur.

Namens eiser is door zijn ouders tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 15 december 2016 (primair besluit II) heeft het college primair besluit I gewijzigd in die zin dat eiser naast de toegekende begeleiding individueel een behandeling moet ondergaan door Novadic Kentron.

Bij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eiser, onder verwijzing naar het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften van 11 april 2016, ongegrond verklaard.

2. Namens eiser is in beroep, samengevat, aangevoerd dat met het toegekende pgb niet de benodigde hulp kan worden ingekocht. Met het toegekende bedrag kan slechts de externe hulpverlener van eiser worden betaald. Daarmee wordt voorbij gegaan aan de grote hoeveelheid jeugdhulp die wordt geboden door eisers ouders, met name zijn moeder. Bestreden wordt dat de door de moeder verleende zorg gebruikelijke zorg is. Eiser heeft veel begeleiding en hulp nodig bij planning, sturing, persoonlijke verzorging en het leggen van sociale contacten en heeft veel toezicht nodig. Voorts is aangevoerd dat niet kan worden voldaan aan de gestelde voorwaarde van behandeling door Novadic Kentron omdat de huisarts eiser daarvoor geen verwijzing geeft. Tenslotte wordt erop gewezen dat in andere gemeentes ongewijzigd de eerder verleende jeugdhulp wordt toegekend.

3. Met ingang van 1 januari 2015 is de nieuwe Jeugdwet in werking getreden. Gemeenten zijn met ingang van die datum op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk voor de uitvoering van alle jeugdzorg.

In artikel 2.3 Jeugdwet is het volgende bepaald: “Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:

a. gezond en veilig op te groeien;

b. te groeien naar zelfstandigheid, en

c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,

rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.”

In artikel 8.1.1. derde lid, van de Jeugdwet is bepaald dat bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

Met ingang van eveneens 1 januari 2015 heeft de gemeenteraad de Verordening jeugdhulp Woensdrecht 2015 (Verordening) vastgesteld. Met ingang van 1 januari 2016 geldt de Nadere regeling niet vrij toegankelijke jeugdhulp 2016 (Regeling).

In artikel 4, eerste lid, onder c, van de Regeling is bepaald dat het college in een gesprek tussen de jeugdprofessional en de jeugdige of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig in een gesprek onderzoekt het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden.

4.1.

De rechtbank zal eerst ambtshalve beoordelen of eiser nog een procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep nu het geding gaat om een afgesloten periode in het verleden, namelijk om een pgb over de periode van 1 januari 2016 tot en met

31 augustus 2016. Het college heeft het procesbelang van eiser niet bestreden. De rechtbank stelt op basis van hetgeen ter zitting is besproken vast dat er een financieel belang is nu in de in geding zijnde periode daadwerkelijk (extra) hulp aan eiser is verleend gedurende 1 uur per dag en eiser deze hulp in de vorm van een pgb alsnog wenst te ontvangen. Hieruit volgt dat er procesbelang aanwezig is. De rechtbank zal in het navolgende het geding tussen partijen verder inhoudelijk bespreken.

4.2.

Het college erkent dat eiser jeugdhulp in de vorm van begeleiding individueel nodig heeft. Het college stelt zich echter op het standpunt dat de door moeder verstrekte hulp gebruikelijke hulp betreft waarvoor geen indicatie wordt verleend.

4.3.

De rechtbank stelt vast dat uit de Verordening noch uit de Regeling blijkt welke criteria het college hanteert in het kader van de vraag wanneer sprake is van boven gebruikelijke hulp binnen het gezin. In de Jeugdwet is in artikel 1.1 evenmin een definitie opgenomen van het begrip boven gebruikelijke hulp.

Evenmin blijkt dit uit de rapportages, het primaire besluit en het bestreden besluit.

Het advies van de bezwaarcommissie vermeldt hieromtrent het volgende: “daar speelt in mee dat er naar mening van de commissie wel degelijk sprake is van gebruikelijke zorg van de zijde van de ouders van bezwaarmaker. Een standpunt dat de commissie nog bevestigd zag in de uitspraak van de ouders tijdens de hoorzitting dat zij deze zorg blijven verlenen ongeacht het al dan niet verkrijgen van een pgb”.

Ter zitting heeft het college toegelicht dat bij de besluitvorming bijlage 3 bij de Beleidsregels indicatiestelling Awbz 2014 (Protocol gebruikelijke zorg) tot uitgangspunt is genomen en dat het Protocol kan worden beschouwd als vaste gedragslijn. Gebruikelijke zorg wordt in het Protocol als volgt omschreven: "Het is de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden." Volgens het college is hiervan sprake.

Los van de vraag of het college niet reeds in het bestreden besluit kenbaar had moeten maken dat zij bij haar beoordeling gebruik maakt van het Protocol moet ook blijken dat het college de concrete situatie van eiser en zijn ouders daaraan getoetst heeft. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank niet, althans onvoldoende gebleken.

In het Protocol staat dat een kind is aangewezen op Awbz-zorg als het gaat om een chronische situatie, waarbij de gebruikelijke begeleiding in vergelijking tot een gezond kind danwel een kind zonder beperkingen van dezelfde leeftijdscategorie wordt overschreden volgens de in het Protocol opgenomen richtlijnen. Ter zitting is door de rechtbank voorgehouden dat in het Protocol ten aanzien van 12 tot 18-jarigen het volgende is opgenomen:

“Kinderen van 12 tot 18 jaar

• hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

• kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

• kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden;

• kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;

• hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

• hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;

• hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen).

• hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Desgevraagd heeft het college ter zitting niet nader kunnen motiveren hoe deze criteria zich verhouden tot de situatie van eiser.

4.5

De rechtbank is van oordeel dat van het college mag worden verwacht dat het in het bestreden besluit concreet en inzichtelijk motiveert waarom sprake is van gebruikelijke hulp door de ouders aan hun 17-jarige zoon, onder verwijzing naar de richtlijnen over gebruikelijke zorg voor kinderen in zijn leeftijdscategorie. Het college heeft dit nagelaten, zodat het bestreden besluit onvoldoende op eiser als individu is toegespitst. Dit betekent dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd.

Het beroep is op grond hiervan gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.6

De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank overweegt dat van de gevoerde gesprekken met eiser en zijn ouders over de te verlenen jeugdhulp geen verslagen zijn opgesteld. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken maakt de rechtbank evenwel op dat de door de ouders geboden begeleiding niet onder de in het Protocol opgenomen richtlijnen ten aanzien voor de gebruikelijke hulp voor een 17-jarige valt. De ouders van eiser hebben gesteld dat eiser hulp nodig heeft bij de persoonlijke verzorging – zo poetst hij niet uit zichzelf zijn tanden en gaat hij niet uit zichzelf douchen – en dat hij ook overigens veel toezicht nodig heeft. Eiser moet bij alle dagelijkse taken worden gestuurd. Eisers moeder verleent hierdoor thuis 1 uur per dag begeleiding tegen een tarief van € 20,- per uur, hetgeen door het college niet wordt betwist. De rechtbank beslist op grond hiervan dat eiser in de relevante periode recht heeft op extra begeleiding door zijn moeder gedurende 1 uur per dag tegen een tarief van € 20,- per uur in de vorm van een pgb.

4.7.

De overige beroepsgronden hoeven hiermee geen bespreking meer.

5. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

6. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit en bepaalt dat eiser van 1 januari 2016 tot en met

31 augustus 2016 (extra) jeugdhulp wordt toegekend gedurende 1 uur per dag tegen een tarief van € 20,- per uur in de vorm van een pgb;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. D.H. Hamburger en mr. N.E.M. de Coninck, leden, in aanwezigheid van mr. T.B. Both, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.