Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:7679

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-12-2016
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
02-800229-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

jeugdrecht, medeplegen poging overval benzinestation en medeplegen overval op buschauffeur

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team jeugd

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800229-16

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 december 2016

in de strafzaak tegen de minderjarige

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats]

wonende aan de [adres]

raadsman mr. Mooren, advocaat te Goirle

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 21 november 2016, waarbij de officier van justitie, mr. Lanslots, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

1.

hij op of omstreeks 10 april 2016 te Tilburg

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] (werkzaam bij [benadeelde partij 1] )

te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen naar zijn/hun gading, in elk

geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 1] en/of

[benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededaders, die [benadeelde partij 1] is binnengegaan en heeft getracht die

[aangever 1] af te leiden en/of uit haar beschermde werkomgeving te lokken en/of

daarna/vervolgens met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp, in zijn broeksband opnieuw die [benadeelde partij 1] is binnen is gegaan en

vervolgens dat (op een vuurwapen gelijkend) voorwerp in de

richting van die [aangever 1] heeft gehouden/gericht,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 10 april 2016 te Tilburg,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door hen voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om

zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1]

heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van goederen en/of geld van zijn/hun

gading, in elk geval van enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] en/of [benadeelde partij 1] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of zijn

mededaders en/of aan verdachte,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat die [medeverdachte 1]

en/of [medeverdachte 2] de [benadeelde partij 1] is/zijn binnengegaan en heeft/hebben getracht die

[aangever 1] af te leiden en/of uit haar beschermde werkomgeving te lokken en/of

daarna/vervolgens met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp in zijn/hun broeksband opnieuw die [benadeelde partij 1] is/zijn binnen is gegaan en

vervolgens dat (op een vuurwapen gelijkend) voorwerp in de

richting van die [aangever 1] heeft/hebben gehouden/gericht,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 10 april 2016 te

Tilburg en/of elders in Nederland, behulpzaam is geweest door:

- samen met die [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s) plannen te maken en/of

- samen in de nabijheid van die [benadeelde partij 1] te wachten en/of

- bij die [benadeelde partij 1] op de uitkijk te blijven staan

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 10 maart 2016 te Tilburg

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 2] Oudheusden (buschauffeur van

[benadeelde partij 2] ) heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (ongeveer 295

euro) en/of een hoeveelheid buskaarten (waarde ongeveer 205,50 euro), in elk

geval van enig geld goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 2]

of [benadeelde partij 2] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij met een

mes de bus is binnengegaan en/of dat mes (steeds) in de richting van die [aangever 2]

heeft gehouden/gericht en/of (telkens) op dreigende wijze (daarbij)

om geld heeft gevraagd;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] op of omstreeks 10 maart 2016 te Tilburg,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 2]

heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (ongeveer 295 euro)

en/of een hoeveelheid buskaarten (ter waarde van ongeveer 205,50 euro),

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2] en/of die [aangever 2] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of zijn mededaders

en/of aan verdachte, welk geweld

en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat die [medeverdachte 1] met een

mes de bus is binnengegaan en/of dat mes (steeds) in de richting van die [aangever 2]

heeft gehouden/gericht en/of (telkens) op dreigende wijze (daarbij)

om geld heeft gevraagd bij het plegen van welk misdrijf verdachte opzettelijk

behulpzaam

is geweest door samen met die [medeverdachte 1] plannen te maken en/of samen met die

[medeverdachte 1] naar de bushalte te fietsen en/of (vervolgens) op de uitkijk te staan

en/of samen met die [medeverdachte 1] te vluchten en/of in de buit te delen;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide primair ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 baseert zij zich op de aangifte, de verklaring van de vader van medeverdachte [medeverdachte 1] , de camerabeelden en de bekennende verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Ten aanzien van feit 2 baseert de officier van justitie zich op de aangifte, de bekennende verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , de verklaring van getuige [getuige] , de camerabeelden, de whatsapp-gesprekken tussen verdachte en [medeverdachte 1] en het filmpje dat op de telefoon van [medeverdachte 1] is aangetroffen, waarop verdachte te zien is met de buit.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank bij beide feiten niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst er daarbij op dat uit het dossier blijkt dat verdachte feitelijk niet in het tankstation, noch in de bus is geweest. Verdachte wist in beide gevallen niet wat er ging gebeuren toen hij met [medeverdachte 1] meeging. Hij ontkent enige betrokkenheid.

Ten aanzien van feit 1 meent de raadsman dat de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet betrouwbaar zijn. Zij hebben beiden bij de politie anders verklaard dan bij de rechter-commissaris. Er zit geen technisch bewijs in het dossier dat de whatsapp-berichten, die zijn aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte 1] , afkomstig zijn van verdachte. Verdachte ontkent deze whatsapp-gesprekken te hebben gevoerd.

Ten aanzien van feit 2 blijkt uit de aangifte dat verdachte met zijn rug naar de bus gekeerd stond. Hij kon derhalve niet zien wat er gebeurde. Verdachte heeft niet mee gedeeld in de buit. Op de foto’s die op de telefoon van [medeverdachte 1] zijn aangetroffen, is te zien dat verdachte een afwerend gebaar maakt. Dit past bij zijn verklaring dat hij er niets mee te maken wilde hebben. De raadsman concludeert dat er voor beide feiten te weinig bewijs in het dossier zit en verzoekt verdachte integraal vrij te spreken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Op 10 april 2016 was [aangever 1] (hierna: aangeefster) aan het werk als caissière bij de [benadeelde partij 1] in Tilburg, toen er een jongen binnen stapte1. Hij liep naar de Lotto- en Totokaarten en vroeg meerdere malen aan aangeefster of zij hem wilde helpen, waardoor aangeefster het idee kreeg dat hij haar bewust uit haar beschermde werkomgeving wilde lokken. De jongen liep na een tijdje naar buiten naar twee andere jongens toe, die tegenover het tankstation stonden. De drie jongens bleven daar zeker een half uur rond hangen. Aangeefster vond dit vreemd en besloot veilig achter het kogelvrije glas te blijven. Rond 16.00 uur zag zij dat de jongens aan de overkant weg waren. Zij hoorde iemand binnenkomen en zag dat het een van de jongens was die eerder aan de overkant stonden. Zij zag dat hij een pistool/vuurwapen in zijn broeksband had zitten. Aangeefster vluchtte hierop naar achter naar het kantoortje om de alarmknop in te drukken. De jongen verliet vervolgens de shop. Toen aangeefster de beelden van de bewakingscamera terugkeek, zag zij dat de jongen het vuurwapen uit zijn broeksband haalde, de trekker overhaalde en het wapen in de richting hield waar zij even eerder had gezeten. Zij schrok hier erg van. Op genoemde camerabeelden is zichtbaar dat er om 15.59 uur iemand met een wapen in zijn rechterhand voor de ruit van de kantoorruimte ter hoogte van de kassa staat, waarbij hij het wapen op de ruit richt.2

[medeverdachte 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij bij de overval op de [benadeelde partij 1] betrokken was, samen met [medeverdachte 2] en [verdachte] .3 [medeverdachte 1] en verdachte hadden het plan bedacht om het tankstation te overvallen. [medeverdachte 2] raakte daarbij betrokken omdat zij nog iemand nodig hadden om de caissière weg te lokken. [medeverdachte 1] ging naar binnen met zijn wapen en verdachte stond op de uitkijk. Zij hadden een fiets meegenomen om mee te kunnen vluchten, waarvan verdachte het sleuteltje had.

[medeverdachte 2] heeft ook een verklaring bij de rechter-commisaris afgelegd.4 Hij heeft verklaard dat hij [medeverdachte 1] en verdachte tegenkwam en dat verdachte het idee had een overval op een tankstation te plegen. [medeverdachte 2] is met hen meegegaan en is als eerste naar binnen gegaan. Later ging [medeverdachte 1] naar binnen met een vuurwapen.

Bij [medeverdachte 1] is op 11 april 2016 een nepvuurwapen in beslag genomen.5 Uit onderzoek is gebleken dat dit een voorwerp is dat een sprekende gelijkenis vertoont met een bestaand vuurwapen, namelijk het pistool Walther, type PPQ.6

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 10 april 2016 bij de [benadeelde partij 1] was met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .7

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot afpersing. Verdachte is met de mededaders doelbewust naar de [benadeelde partij 1] gegaan om een overval te plegen. Er was sprake van een duidelijke rolverdeling, waarbij [medeverdachte 2] eerst naar binnen zou gaan om de caissière uit haar beveiligde omgeving te lokken. [medeverdachte 1] zou naar binnen gaan met een nepvuurwapen en verdachte zou op de uitkijk staan. Verdachten hadden een fiets meegenomen om te vluchten, waarvan verdachte het fietssleuteltje had. Uit de verklaring van de aangeefster blijkt dat er sprake was van drie jongens, die een hele tijd tegenover het tankstation stonden, waardoor aangeefster zich ongemakkelijk en niet veilig voelde. Zij durfde hierdoor niet uit haar beschermde werkomgeving te komen.

De verklaring van verdachte, dat hij bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bleef om [medeverdachte 1] over te halen geen overval te plegen, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. Uit de camerabeelden blijkt dat er ruim een half uur zat tussen het tijdstip waarop [medeverdachte 2] uit het tankstation kwam en het tijdstip waarop [medeverdachte 1] naar binnen ging met het nepvuurwapen in zijn broeksriem. Al die tijd bleven de drie jongens bij elkaar en maakten zij als groepje een bedreigende indruk op aangeefster. Verdachte heeft zich op geen enkel moment van de mededaders gedistantieerd. Zelfs toen [medeverdachte 1] het tankstation binnen ging, is verdachte buiten op hem blijven wachten, met het fietssleuteltje van diens fiets. Toen de overval niet gelukt bleek te zijn, zijn de verdachten alle drie gevlucht.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een intellectuele en materiële bijdrage van verdachte aan het handelen. Verdachte heeft bovendien door zijn aanwezigheid bij het tankstation bijgedragen aan de dreigende sfeer waarover de caissière spreekt. Gelet op het voorgaande is er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met de mededaders, zodat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot afpersing.

Feit 2

Op 10 maart 2016 was [aangever 2] (hierna: aangever) in Tilburg werkzaam als buschauffeur van [benadeelde partij 2] .8 Op enig moment kwam er een persoon de bus binnen die begon te roepen: “Geld, geld.”. De persoon trok een mes en bleef om geld roepen. Aangever gaf hem de geldbak, die de dader in zijn rugzak stopte. De dader bleef om geld vragen en hield het mes in de richting van aangever. Aangever heeft in totaal ongeveer € 295,-- afgegeven en ongeveer € 205,50 aan buskaarten.9 Toen de dader de bus verliet, rende hij in de richting van een andere persoon.10 De dader rende weg en de andere persoon ging op de fiets in dezelfde richting.11

Getuige [getuige] zat op 10 maart 2016 in de bus en zag dat bij de bushalte, net voorbij het bushokje een man stond met een fiets.12 Toen de bus stopte, zag hij dat er een man de bus instapte die enkele malen om geld riep. Hij zag ook dat de man een mes bij zich had. Vervolgens zag de getuige dat de chauffeur de man de geldlade en zijn portemonnee gaf.

De buschauffeur heeft na de overval aan de centrale doorgegeven dat hij door twee knapen is overvallen, waarbij de een de bus binnen is gekomen met een mes en de ander op een afstand stond met een fiets.13

[medeverdachte 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op 10 maart 2016 een bus heeft overvallen.14 Hij heeft hierbij de buschauffeur gedreigd met een mes, waarna de chauffeur geld heeft afgegeven. Verdachte was bij dit plan betrokken en overtuigde [medeverdachte 1] om de bus binnen te gaan, omdat deze groot en breed was. Na de overval zijn [medeverdachte 1] en verdachte met de fiets gevlucht naar de schuur van verdachte. Hier hebben zij het geld verdeeld. Op de telefoon van [medeverdachte 1] zijn foto’s aangetroffen van verdachte en het geld.15 Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 10 maart 2016 samen met [medeverdachte 1] naar de bushalte is gegaan.16 Hij is daarna met [medeverdachte 1] weggerend en naar zijn schuurtje gegaan. Hier maakte [medeverdachte 1] een filmpje van de buit, waar ook verdachte op stond. Dat hij bij het maken van het filmpje een afwerend gebaar maakt, kan ook aldus worden begrepen dat hij niet gefilmd wilde worden.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van afpersing. Verdachte heeft samen met [medeverdachte 1] het plan opgevat om een buschauffeur te overvallen, waarbij er sprake was van een duidelijke rolverdeling. Uit zowel de verklaring van de buschauffeur als uit die van getuige [getuige] blijkt dat er sprake was van twee jongens, waarbij de ene de bus binnenging en de ander met een fiets bij de bushalte op hem wachtte. Na de overval zijn de jongens dezelfde richting op gevlucht. De rechtbank volgt [medeverdachte 1] in zijn verklaring dat de buit tussen hem en verdachte is verdeeld. Dit vindt steun in de foto’s die zijn aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte 1] . De verklaring van verdachte dat hij weliswaar met de fiets op [medeverdachte 1] wachtte, maar niet wist waar [medeverdachte 1] mee bezig was, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Uit het feit dat [medeverdachte 1] na de overval naar het schuurtje van verdachte is gerend om de buit te verdelen en ook verdachte onmiddellijk na de overval naar het schuurtje is gekomen, blijkt volgens de rechtbank genoegzaam dat er sprake was van een vooropgezet plan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met de mededader, zodat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van afpersing.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

primair

hij op of omstreeks 10 april 2016 te Tilburg

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] (werkzaam bij [benadeelde partij 1] )

te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen naar zijn/hun gading, in elk

geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 1] en/of

[benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededaders, die [benadeelde partij 1] zijn binnengegaan en hebben getracht die

[aangever 1] af te leiden en/of uit haar beschermde werkomgeving te lokken en/of

daarna/vervolgens met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp, in de broeksband opnieuw die [benadeelde partij 1] is binnen zijn gegaan en

vervolgens dat (op een vuurwapen gelijkend) voorwerp in de

richting van die [aangever 1] hebben gehouden/gericht,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

primair

hij op of omstreeks 10 maart 2016 te Tilburg

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of een anderen wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 2] (buschauffeur

[benadeelde partij 2] ) heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (ongeveer 295

euro) en/of een hoeveelheid buskaarten (waarde ongeveer 205,50 euro), in elk

geval van enig goed/geld,

geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 2] en/of [benadeelde partij 2] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat

hij met een mes de bus is binnengegaan en/of

dat mes (steeds) in de richting van die [aangever 2] heeft gehouden/gericht

en/of

(telkens) op dreigende wijze (daarbij) om geld heeft gevraagd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen 180 dagen jeugddetentie met aftrek, waarvan 105 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast vordert zij een werkstraf van 100 uur, te vervangen door 50 dagen jeugddetentie.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan een poging tot een overval op een tankstation. Zij hebben hiervoor samen een plan bedacht. Een van de mededaders is eerst naar binnen gegaan en heeft geprobeerd de medewerkster van het tankstation af te leiden en uit haar beveiligde omgeving weg te lokken. Toen dit niet lukte, is hij naar buiten gegaan en hebben verdachte en zijn mededaders hun plannen aangepast. Een andere mededader is enige tijd later alleen naar binnen gegaan, met een sjaal voor zijn gezicht en een niet van echt te onderscheiden nepvuurwapen zichtbaar in zijn broeksband. Toen de medewerkster van het tankstation naar achteren vluchtte, heeft de mededader dit nepvuurwapen doorgeladen en gericht op de plaats waar de medewerkster kort daarvoor zat.

Bij de overval op de buschauffeur is de medeverdachte de bus binnengegaan en heeft de buschauffeur, die op dat moment in zijn chauffeursstoel zat en daarom geen kant op kon, een groot mes getoond. De medeverdachte heeft hierbij verschillende malen geroepen dat hij geld wilde hebben. Tevens heeft hij gedreigd de buschauffeur neer te steken als hij geen geld gaf, waarbij hij het mes heel dicht bij de chauffeur heeft gehouden, waardoor de chauffeur zich gedwongen voelde geld af te geven. Verdachte stond bij de bushalte op de uitkijk en met de fiets van de medeverdachte te wachten, zodat zij snel konden vluchten. De buit is onder hen verdeeld.

De rechtbank acht de feiten waaraan verdachte zich schuldig heeft gemaakt zeer ernstig. Het spreekt voor zich dat op deze manier uitgevoerde overvallen voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Uit de slachtofferverklaring van de heer [aangever 2] blijkt hoe groot de impact van de overval is geweest, niet alleen op hem maar ook op zijn gezin. Ook in de samenleving leiden dergelijke feiten tot veel commotie, met name bij collega buschauffeurs. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van een ander, op deze manier snel aan geld te komen. De feiten zijn kort na elkaar gepleegd. Verdachten zijn daarbij zeer berekenend te werk gegaan. Nadat uit een publicatie bleek dat buschauffeurs in Tilburg ten gevolge van diverse berovingen geen contanten meer in hun bus zouden hebben, hebben verdachte en zijn mededader hun ‘werkveld’ verlegd en zijn zij overgegaan tot het overvallen van een benzinestation. Het gemak waarmee dit alles is bedacht en heeft plaatsgevonden is naar het oordeel van de rechtbank schokkend.

Psycholoog Fiddelers heeft verdachte onderzocht en op 12 juli 2016 een rapportage uitgebracht. Zij concludeert dat er geen sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis in de geestvermogens. Verdachte is een gemiddeld intelligente en moeilijk peilbare jongen die leeftijdsadequaat functioneert. Op basis van het onderzoek blijkt hij niet beïnvloedbaar of impulsief, eerder bedachtzaam. De deskundige ziet in haar onderzoek een sterk rationeel ingestelde jongen met een zeer sociaal wenselijke attitude die vanuit de verhoogde neiging een positief beeld van zichzelf te schetsen, geen zwakheden of tekortkomingen zegt te kennen. Zowel de ouders als verdachte zijn afwerend om openheid van zaken te geven. De gedragsdeskundige acht de kans op recidive laag tot matig. De weerstand en afweer om openheid van zaken te geven of enige kwetsbaarheid te tonen en het ontbreken van lijdensdruk en psychopathologie, zijn volgens de gedragsdeskundige contra-indicaties voor behandeling. Zelfs begeleiding lijkt niet recidive-inperkend gezien de afwijzende en afwerende houding van zowel verdachte als diens ouders. Bij zo’n massale afweer en ontkenning van problemen dan wel kwetsbaarheid, zal begeleiding geen toegevoegde waarde hebben. Er zijn geen contra-indicaties voor een werkstraf of jeugddetentie, aldus de gedragsdeskundige.

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) heeft eveneens rapportages over verdachte uitgebracht. In de meest recente rapportage van 10 november 2016 concludeert de raad dat uit de rapportage van de gedragsdeskundige contra-indicaties voor behandeling en begeleiding naar voren komen, namelijk weerstand en afweer (van zowel verdachte als zijn ouders) om openheid van zaken te geven of enige kwetsbaarheid te tonen (en het ontbreken van lijdensdruk en psychopathologie). Bij zo’n massale afweer en ontkenning van problemen dan wel kwetsbaarheid zal begeleiding, dus ook jeugdreclasseringsbegeleiding, volgens de raad geen toegevoegde waarde hebben. De raad adviseert een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen en een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest, met een proeftijd van 2 jaar.

Ter zitting is de raad bij dit advies gebleven.

Namens de jeugdreclassering van Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant is ter zitting aangevoerd dat verdachte zich goed heeft gehouden aan de schorsingsvoorwaarden. Hij geeft echter weinig inzicht in wat hem bezig houdt of beweegt. De jeugdreclassering kan het door de gedragsdeskundige omschreven beeld van verdachte onderschrijven. Er is sprake van een gesloten systeem. Het feit dat verdachte zich niet begeleidbaar opstelt, door geen openheid van zaken te geven, maakt dat de jeugdreclassering geen meerwaarde ziet in het voortzetten van de begeleiding van verdachte.

De rechtbank heeft kennisgenomen van bovenstaande adviezen en zal deze bij haar strafoplegging betrekken. Tevens houdt zij rekening met het feit dat verdachte niet eerder veroordeeld is en met de ernst van de feiten. Er is sprake van twee zeer ernstige feiten die in een kort tijdsbestek zijn gepleegd. Mede gelet op de straffen die voor soortgelijke delicten worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat niet anders gereageerd kan worden dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie van aanzienlijke duur. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een jeugddetentie van 6 maanden, waarvan

2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, onder aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest. Het daarnaast opleggen van een werkstraf acht de rechtbank niet opportuun.

7 De benadeelde partijen

Feit 1, primair

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een schadevergoeding van € 911,75 voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat deze vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Feit 2, primair

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert een schadevergoeding van € 500,50 voor feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 500,50 een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit 2 ter zake van materiële schade. Zij acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht de rechtbank tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

10 maart 2016.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 27, 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77l, 77x, 77y, 77z, 77gg en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1, primair: Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of

meer verenigde personen;

feit 2, primair: Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer

verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 6 maanden;

- bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie groot 2 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie;

Benadeelde partijen

Feit 1, primair

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil; (BP.15)

Feit 2, primair

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] van € 500,50 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen; (BP.20)

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; (BP.22)

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]

€ 500,50 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 10 dagen jeugddetentie,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft; (BP04A)

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- heft het geschorste bevel voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bogaert, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. Meeuwisse en mr. Van Triest, rechters, in tegenwoordigheid van Van Beijsterveldt, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 december 2016.

De griffier is niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer 2016092003 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 341. Het proces-verbaal van aangifte, pagina 144 tot en met 147, van voornoemd eind-proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal camerabeelden, pagina 178/179 van voornoemd eind-proces-verbaal.

3 Het proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 1] door de rechter-commissaris.

4 Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 2] door de rechter-commissaris.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, pag. 63 van voornoemd eind-proces-verbaal.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, pag. 237 van voornoemd eind-proces-verbaal.

7 De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 21 november 2016.

8 Het proces-verbaal van aangifte, pag. 239/240 van voornoemd eind-proces-verbaal.

9 Het proces-verbaal van verhoor aangever, pag. 243 van voornoemd eind-proces-verbaal.

10 Het proces-verbaal van aangifte, pag. 240 van voornoemd eind-proces-verbaal.

11 Het proces-verbaal van verhoor aangever, pag. 242 van voornoemd eind-proces-verbaal.

12 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , pag. 245/246 van voornoemd eind-proces-verbaal.

13 Proces-verbaal camerabeelden, pag. 267 van voornoemd eind proces-verbaal.

14 Het proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 1] door de rechter-commissaris.

15 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 278.

16 De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 21 november 2016.