Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:7594

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-10-2016
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
C/02/314732 / HA RK 16-81
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Vraag of aannemer aansprakelijk is voor gevolgen van (gestelde) val van opdrachtgeefster van de trap in haar vakantiewoning daags voor de geplande oplevering, welke trap (nog) niet volledig was voorzien van leuningen. Waarschuwingsplicht. Kelderluik-criteria.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0461

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Middelburg

zaaknummer / rekestnummer: C/02/314732 / HA RK 16-81

Beschikking van 20 oktober 2016

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te Luxemburg, Luxemburg,

verzoekster,

advocaat mr. H.C. Struijk te Middelburg,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster] ,

gevestigd te Oostburg, gemeente Sluis,

verweerster,

advocaat mr. H.A. Kragt te Arnhem.

Partijen worden hierna [verzoekster] en [verweerster] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties 1 tot en met 10;

  • -

    het verweerschrift tevens houdende een voorwaardelijk tegenverzoek met producties 1 tot en met 5;

  • -

    de door mr. Struijk bij brief van 8 september 2016 aan de rechtbank toegezonden producties 11 tot en met 16;

  • -

    de bij brief van 14 september 2016 door mr. P. van Huizen namens [verweerster] aan de rechtbank toegezonden productie 6;

  • -

    de mondelinge behandeling en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitaantekeningen van mr. Struijk.

1.2.

Ter zitting is de uitspraak bepaald op heden.

2 Het verzoek

2.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat [verweerster] aansprakelijk is voor de door haar als gevolg van het ongeval van 1 februari 2014 geleden en nog te lijden schade en [verweerster] te veroordelen tot betaling van de kosten van de deelgeschilprocedure, te begroten op € 11.447,20, vermeerderd met de kosten wegens het verschuldigde griffierecht.

2.2.

[verweerster] voert verweer. In het geval de rechtbank het verzoek van [verzoekster] afwijst, verzoekt zij de rechtbank voor recht te verklaren dat [verweerster] niet aansprakelijk is voor het ontstaan en de gevolgen van het letsel dat [verzoekster] op 31 januari of 1 februari 2014 heeft opgelopen. In het geval de rechtbank het verzoek van [verzoekster] toewijst, verzoekt [verweerster] een verklaring voor recht dat sprake is van 100% eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW.

2.3.

De rechtbank zal de stellingen van partijen hierna bespreken.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:

  1. Op 3 september 2013 is tussen [verzoekster] als opdrachtgever en [verweerster] als aannemer een aannemingsovereenkomst gesloten ter verbouwing van de vakantiewoning van [verzoekster] in Schoondijke. Op de overeenkomst zijn van toepassing de Algemene voorwaarden voor aannemingen in het bouwbedrijf 1992 (AVA 1992) en de Consumentenvoorwaarden Verbouwingen van Stichting BouwGarant (COVO 2010).

  2. Tot de overeengekomen werkzaamheden behoorde het plaatsen door [verweerster] van een door haar geleverde open, hardhouten trap van de begane grond van de woonkamer naar de verdiepingsvloer, inclusief leuning en balustrade (punt 4 aannemingsovereenkomst). De te leveren trap kent – van beneden naar boven gezien – twee knikken van 90 graden naar links; de trap bestaat uit een zogenaamd ‘onderkwart’ (over een lengte van ongeveer vier treden), een lang deel (over een lengte van ongeveer 7 treden) en een ‘bovenkwart’ (over een lengte van enkele bovenste treden). Bij de twee kwarten en het lange deel behoorden drie afzonderlijke leuningdelen. Volgens de oorspronkelijke opdracht was de trap aan de rechterzijde van de twee kwarten en de lange zijde omgeven door (drie) binnenwanden, waartegen de leuningdelen geplaatst dienden te worden.

  3. [verzoekster] is gedurende de verbouwing door [verweerster] verschillende keren vanuit Luxemburg naar Schoondijke gereisd om naar de voortgang van het werk te kijken. Bij een van die gelegenheden heeft zij [verweerster] medegedeeld dat zij het mooier vond als er geen binnenwand zou worden geplaatst aan de rechterkant van het onderkwart van de trap en dat zij niet langer wenste dat die wand zou worden geplaatst.

  4. [verweerster] heeft overeenkomstig de gewijzigde opdracht geen binnenwand geplaatst aan de rechterzijde van het onderkwart van de trap. In januari 2014 heeft zij een leuning bevestigd tegen de binnenwand aan de lange zijde van de trap. De leuningdelen behorende bij het onder- en bovenkwart van de trap heeft zij niet gemonteerd. De heer [verweerster] heeft hierover tijdens de hierna te noemen getuigenverhoren het volgende verklaard:
    “De leuning aan de lange kant van de trap is in de derde week van 2014 geplaatst. De leuning die bedoeld was te worden bevestigd aan het wandje bij de trap, kon niet meer gemonteerd worden in verband met de wens van mevrouw [verzoekster] om die wand niet te plaatsen en het ter plekke open te laten. Ik moest daar een andere oplossing voor bedenken. Ik wilde dat overleggen met mevrouw [verzoekster] . Ik wilde met haar overleggen of zij daar nog ergens een leuning wilde en hoe die leuning dan zou moeten worden gemonteerd. Wat ik bedoel te zeggen is eigenlijk dat daar een traphek zou kunnen worden geplaatst op het onderste deel van de trapboom. Het meegeleverde leuningdeel kon daar niet meer worden geplaatst. Ik was van plan om dit met mevrouw [verzoekster] te overleggen tijdens de voorgenomen oplevering op 1 februari 2014.
    (…)
    De reden waarom het bovenste stuk van de leuning van de trap nog niet was bevestigd op het moment van de voorgenomen oplevering op 1 februari 2014 was dat er te weinig ruimte was om dat stuk te plaatsen. Normaal gesproken bevestigt men de leuning ongeveer 60 cm boven de traptreden. Die ruimte was er ter plekke niet in verband met de schuine kap van de woning. Ik had met mevrouw [verzoekster] willen bespreken of zij wenste dat dit bovenste stuk van de leuning nog zou worden geplaatst en zo ja, hoe.
    (…)”

  5. Bij e-mail van 27 januari 2014 heeft [verweerster] [verzoekster] laten weten dat [verweerster] de resterende timmerwerkzaamheden had uitgevoerd en dat hij een afspraak met [verzoekster] wilde maken om de gerenoveerde woning op te leveren, waartoe hij 1 februari 2015 om 11.00 uur heeft voorgesteld. [verzoekster] is akkoord gegaan met het voorstel.

  6. [verzoekster] is op 31 januari 2015 vanuit Luxemburg naar de woning gegaan. Op 1 februari 2015 heeft [verweerster] haar in bewusteloze toestand in de woning aangetroffen, liggend op de vloer onderaan de trap met haar hoofd in een plas bloed. [verzoekster] is naar het ziekenhuis vervoerd waar bleek dat sprake was van hersenletsel.

  7. Op verzoek van [verzoekster] heeft een voorlopig getuigenverhoor plaatsgehad. Het proces-verbaal van dat verhoor is als productie 7 bij verzoekschrift overgelegd.

3.2.

[verzoekster] grondt haar verzoek op zowel onrechtmatige daad als wanprestatie. Zij legt aan haar verzoek ten grondslag dat [verweerster] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld doordat [verweerster] een trap heeft gerealiseerd die niet aan artikel 2.41 Bouwbesluit 2012 voldoet nu de trap niet over de gehele lengte daarvan voorzien was van een leuning. Verder stelt zij dat [verweerster] ook krachtens de aannemingsovereenkomst verplicht was om de trap volgens de voorschriften van het Bouwbesluit te bouwen en dat [verweerster] tekortgeschoten is in de nakoming van die verplichting. Nadat zij [verweerster] had laten weten dat zij niet langer wenste dat de wand aan de rechterzijde van het onderkwart van de trap geplaatst werd, had [verweerster] haar op grond van artikel 7:754 BW moeten waarschuwen dat de trap niet meer overeenkomstig de eisen van het Bouwbesluit kon worden uitgevoerd omdat de leuning die behoorde bij het onderkwart alsdan niet gemonteerd zou kunnen worden en had [verweerster] een alternatieve oplossing moeten aandragen. Door dit na te laten, heeft [verweerster] in strijd gehandeld met de op haar rustende waarschuwingsplicht, zo stelt [verzoekster] . Daarnaast stelt [verzoekster] dat [verweerster] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld doordat zij met het bouwen van de trap een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen, waartegen [verweerster] haar had moeten waarschuwen toen hij haar uitnodigde om voor de oplevering naar het vakantiehuis af te reizen, of in verband waarmee [verweerster] andere maatregelen had moeten nemen ter voorkoming of beperking van het gevaar. In dit verband voert [verzoekster] aan dat zij er gelet op de e-mail van 27 januari 2014 van [verweerster] van uit mocht gaan dat de leuningen van de trap waren aangebracht en dat [verweerster] er rekening mee diende te houden dat [verzoekster] de woning voorafgaand aan de formele oplevering zou betreden.

[verzoekster] – die stelt dat zij geen herinnering heeft aan haar verblijf in het vakantiehuis op 31 januari en 1 februari 2015 – stelt dat zij als gevolg van het ontbreken van een deel van de leuningen van de trap is gevallen, waardoor zij letsel heeft opgelopen en schade lijdt. Zij beroept zich in dit verband op de ‘omkeringsregel’ en stelt dat het Bouwbesluit in artikel 2.41 een expliciete veiligheidsnorm bevat die strekt ter bescherming van valgevaar dat inherent is aan het gebruik van een trap, alsmede dat dit gevaar zich heeft verwezenlijkt.

3.3.

Gelet op de woonplaats van [verzoekster] is sprake van een geschil met een internationaal aspect, zodat de rechtbank eerst zal beoordelen of zij bevoegd is. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval op grond van artikel 4 lid 1 Brussel I bis-Verordening. Op grond van artikel 3 Verordening ‘Rome I’ is het Nederlandse recht van toepassing op verbintenissen uit de aannemingsovereenkomst.

3.4.

[verweerster] heeft allereerst weersproken dat [verzoekster] van de trap gevallen is. Volgens haar kan zij ook op de begane grond ten val zijn gekomen en zijn andere dan de gestelde scenario’s denkbaar. [verweerster] noemt, tussen haakjes, “flauwte, misdrijf, hoofd gestoten tijdens oplopen verdiepingsvloer of ergens anders, betrokkenheid honden, alcohol”. [verweerster] wijst erop dat uit de door [verzoekster] overgelegde medische informatie blijkt dat [verzoekster] voor het incident bekend was met een hoge bloeddruk, waarvoor zij het medicijn ‘Amlor’ gebruikte. Zij stelt dat hoge bloeddruk onder meer kan leiden tot duizeligheid en hart- en herseninfarcten, waardoor men ten val kan komen. Verder kunnen bijwerkingen van medicijnen tegen een hoge bloeddruk bestaan uit duizeligheid en flauwtes, bijvoorbeeld doordat de bloeddruk snel daalt, aldus [verweerster] . [verweerster] wijst er verder op dat [verzoekster] voorafgaand aan het incident bekend was met hielspoor, welke aandoening “felle pijnklachten” kan veroorzaken. Mogelijk heeft [verzoekster] zich als gevolg van deze pijnklachten en het niet dragen van de voorgeschreven zolen verstapt op de vloer van de begane grond en is zij ten val gekomen op de vloer of tegen de trap, aldus steeds [verweerster] .

3.5.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Een trap die deels niet is voorzien van leuningen is bij gebruik valgevaarlijk. Tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft [verweerster] verklaard dat hij [verzoekster] liggend onderaan de trap heeft aangetroffen, waarbij haar linker- of rechterbeen klem zat tussen de trapboom en de houten steunpilaar die zich direct naast de trapboom bevindt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerster] verklaard dat [verzoekster] een onderbroek en een t-shirt aanhad toen hij haar aantrof, terwijl tussen partijen niet in geschil is dat de slaapkamer zich op de verdiepingsvloer bevindt en [verzoekster] heeft verklaard dat zij in de voornoemde kleding pleegde te slapen. Naar het oordeel van de rechtbank is uit deze feiten en omstandigheden met voldoende mate van waarschijnlijkheid af te leiden dat [verzoekster] van de trap is gevallen. Absolute zekerheid daarover is niet vereist. Dat [verzoekster] het letsel heeft opgelopen als gevolg van de door [verweerster] genoemde oorzaken heeft [verweerster] – voor zover deze al uitsluiten dat [verzoekster] van de trap is gevallen – tegenover de kans dat [verzoekster] van de trap is gevallen te weinig onderbouwd. Meer in het bijzonder blijkt uit de overgelegde medische informatie niet dat sprake is geweest van een hart- of herseninfarct.

3.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat [verweerster] de trap op grond van de aannemingsovereenkomst diende te bouwen volgens de voorschriften van het Bouwbesluit. Die verplichting volgt in beginsel ook uit artikel 1 lid 2 Woningwet, waarin bepaald is dat een ieder die een bouwwerk bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt, dan wel een open erf of terrein gebruikt of laat gebruiken, er voor zorg draagt, zover dat in zijn vermogen ligt, dat als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

3.7.

Partijen strijden allereerst over de vraag welke eisen het Bouwbesluit stelt ten aanzien van de door [verweerster] te bouwen trap. Volgens [verzoekster] is artikel 2.41 van het Bouwbesluit 2012 van toepassing, terwijl [verweerster] in het verweerschrift heeft aangevoerd dat artikel 2.35 Bouwbesluit moet worden toegepast. Voor zover [verweerster] daarnaast heeft betoogd dat het Bouwbesluit geen eisen stelt aan de te bouwen trap, beroept zij zich op een wijziging van het Bouwbesluit 2012 in 2015, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat.

3.8.

Op grond van artikel 12 lid 1 Bouwbesluit 2012 zijn op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk wat betreft de hoofdstukken 2 tot en met 5 de voorschriften van een te bouwen bouwwerk van toepassing, tenzij in de desbetreffende afdeling voor een voorschrift anders is aangegeven. Afdeling 2.5 (Trap) bepaalt in artikel 2.37 dat op ‘verbouw’ de artikelen 2.33 tot en met 2.36 (de artikelen voor nieuwbouw) van overeenkomstige toepassing zijn, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Hieruit volgt dat artikel 2.35 Bouwbesluit 2012 van toepassing is op het bouwen van de trap, zij het dat minimaal aan de voorschriften van artikel 2.41 (Bestaande Bouw) moet worden voldaan.

3.9.

Artikel 2.35 Bouwbesluit 2012 (Leuning) bepaalt dat een trap als bedoeld in artikel 2.27 voor het overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 1 meter en met een helling ter plaatse van de klimlijn groter dan 2:3 aan ten minste een zijkant een leuning heeft, waarbij de bovenkant van de leuning, gemeten vanaf de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,8 meter en ten hoogste 1 meter ligt. Anders dan [verweerster] heeft bepleit, dient voor de toepassing van dit artikel het hoogteverschil en de klimlijn van de hele trap te worden beoordeeld en niet slechts het onderste kwart van de trap. [verzoekster] heeft uiteengezet dat de trap in kwestie een hoogteverschil van meer dan een meter overbrugt en een klimlijn heeft die groter is dan 2:3 en [verweerster] heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist. Artikel 2.35 Bouwbesluit 2012 is mitsdien van toepassing en op grond daarvan diende de door [verweerster] te bouwen trap aan één zijde te zijn voorzien van een leuning. Op grond van artikel 2.41 Bouwbesluit geldt hetzelfde.

3.10.

Vaststaat dat de trap ten tijde van de val van [verzoekster] zowel aan de bovenzijde als aan de onderzijde niet voorzien was van een leuning, zodat deze toen in zoverre niet voldeed aan de eisen van artikel 2.35 Bouwbesluit. Anders dan [verzoekster] betoogt, brengt dit naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat [verweerster] tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichting uit de aannemingsovereenkomst om een trap tot stand te brengen overeenkomstig de eisen van het Bouwbesluit en evenmin dat zij jegens [verzoekster] onrechtmatig heeft gehandeld. Toen [verzoekster] van de trap is gevallen, had [verweerster] het werk nog niet opgeleverd. De verplichting van de aannemer om een werk op te leveren bestaat uit het overeenkomstig de inhoud en strekking van de overeenkomst ter beschikking stellen van het werk aan de opdrachtgever na voltooiing (MvT, Kamerstukken II 1992/1993, 23 095, nr. 3). Zoals [verweerster] terecht heeft aangevoerd, kon zij tot het moment van oplevering nog steeds aan haar verplichting op grond van de aannemingsovereenkomst voldoen om het overeengekomen werk tot stand te brengen. [verzoekster] heeft niets gesteld, waarom dat in dit geval anders is. Dat [verweerster] haar schriftelijk heeft bericht dat – kort gezegd – het werk klaar was om te worden opgeleverd, brengt niet mee dat [verweerster] haar verplichting niet meer kon nakomen.

3.11.

Artikel 7:754 BW bepaalt – voor zover hier van belang – dat de aannemer bij het aangaan of uitvoeren van de overeenkomst verplicht is de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht voor zover hij deze kende of redelijkerwijs behoorde te kennen. Schendt de aannemer zijn waarschuwingsplicht dan komen de gevolgen daarvan voor zijn rekening (vgl. artikel 7:760 BW).

3.12.

De stellingen van partijen over deze waarschuwingsplicht concentreren zich op het onderste deel van de leuning, zodat de rechtbank in dit kader alleen dit deel van de leuning zal bespreken. Zoals hiervoor is vastgesteld heeft [verzoekster] [verweerster] op enig moment tijdens de verbouwing meegedeeld dat zij geen binnenwand meer wenste aan de rechterzijde van het onderkwart van de trap. Als gevolg daarvan kon het onderste deel van de leuning niet meer tegen die binnenwand gemonteerd worden, zoals voorzien was in het oorspronkelijke ontwerp en kon [verweerster] die trap dus op de overeengekomen manier niet meer bouwen volgens de voorschriften in het Bouwbesluit, waartoe hij zich jegens [verzoekster] had verbonden. Op grond van artikel 5 lid 5 AVA wordt de aannemer geacht bekend te zijn met de bepalingen van het Bouwbesluit. Naar het oordeel van de rechtbank was [verweerster] daarom verplicht om [verzoekster] erop te wijzen dat de oorspronkelijke opdracht niet langer kon worden uitgevoerd zoals overeengekomen.

3.13.

[verweerster] heeft met verwijzing naar een als productie 3 bij het verweerschrift overgelegde verklaring gesteld dat [verweerster] [verzoekster] voorafgaande aan haar val van de trap heeft meegedeeld dat er nog geen leuningen waren aangebracht omdat op haar verzoek een wand was komen te vervallen, maar de rechtbank passeert deze, door [verzoekster] weersproken, stelling. Tijdens het getuigenverhoor heeft [verweerster] immers verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij daarover contact heeft gehad met [verzoekster] .

3.14.

De vraag die thans beantwoord dient te worden is of [verweerster] tekortgeschoten is in de nakoming van haar waarschuwingsplicht. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Hiervoor is geoordeeld dat [verweerster] haar verplichting tot het bouwen van een trap overeenkomstig de eisen van het Bouwbesluit nog kon nakomen. De waarschuwingsplicht is een afgeleide van deze primaire verplichting. Door de opdrachtgever te waarschuwen en het werk met hem af te stemmen, kan de aannemer alsnog bewerkstelligen dat hij aan zijn primaire verplichting kan voldoen. Mede gelet op het feit dat [verzoekster] in Luxemburg woonde, behoefde [verweerster] [verzoekster] er naar het oordeel van de rechtbank niet eerder dan bij de oplevering op 1 februari 2014 op te wijzen wat de consequentie was van haar wens om de binnenwand aan de rechterzijde van de trap te laten vervallen en mocht [verweerster] eventuele alternatieven pas op dat moment met [verzoekster] bespreken (zodat [verweerster] alsnog zou kunnen voldoen aan zijn primaire verplichting).

3.15.

[verzoekster] heeft aangevoerd dat [verweerster] haar niettemin, voor haar komst naar Nederland voor de oplevering van het werk, had moeten waarschuwen voor de gevaarzettende situatie die zij in het leven heeft geroepen. De rechtbank overweegt dat of en in hoever aan iemand die een situatie in het leven roept die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Daarbij dient onder meer te worden gelet op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de grootte van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen. Zie HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079 (Kelderluik).

3.16.

Zoals [verzoekster] naar voren heeft gebracht, is het gebruik van een trap waarvan een deel van de leuningen ontbreekt gevaarlijk. Een trap waarvan een deel van de leuningen ontbreekt, vergroot het gevaar dat de gebruiker van die trap valt. Als gevolg van zo’n val kan ernstig letsel worden opgelopen. Anderzijds is het voor iedere gebruiker van zo’n trap aanstonds duidelijk dat een deel van de leuningen ontbreekt en is mitsdien het valgevaar eenvoudig kenbaar. Nu bovendien het werk nog niet was opgeleverd, mocht van [verzoekster] worden verwacht dat zij de nodige oplettendheid en voorzichtigheid zou betrachten indien zij de trap zou gebruiken. De rechtbank is gelet op de van [verzoekster] te verwachten oplettendheid en voorzichtigheid van oordeel dat [verweerster] [verzoekster] niet behoefde mee te delen dat de leuningen van de trap nog slechts deels waren aangebracht en dat het om die reden gevaarlijk was om de trap te gebruiken. Daaraan doet niet af dat een waarschuwing – [verzoekster] noemt in dit verband een waarschuwing per e-mail, op een stukje papier bij de trap of het spannen van een lintje bij de trap – op zichzelf weinig bezwaarlijk zou zijn geweest. Evenmin doet daaraan af dat [verweerster] , zoals [verzoekster] heeft gesteld, verzekerd is voor aansprakelijkheid. Overigens heeft [verzoekster] niet (gemotiveerd) gesteld dat haar het ongeval niet zou zijn overkomen, als zij door [verweerster] zou zijn gewaarschuwd en zij zich bewust zou zijn geweest van het gevaar.

3.17.

De conclusie luidt dat [verweerster] niet onrechtmatig jegens [verzoekster] heeft gehandeld en dat [verweerster] niet tekortgeschoten is in de nakoming van haar verbintenissen uit hoofde van de aannemingsovereenkomst. De door [verzoekster] verzochte verklaring voor recht en de verzochte veroordeling dienen daarom te worden afgewezen. Het primaire tegenverzoek van [verweerster] dient te worden toegewezen, terwijl het verzoek van [verweerster] dat ziet op eigen schuld van [verzoekster] geen beoordeling behoeft.

3.18.

Artikel 1019aa lid 1 Rv bepaalt dat de rechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt in de beschikking begroot. Daarbij dient hij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen.

3.19.

[verzoekster] stelt dat de kosten voor juridische hulp en bijstand € 11.447,20 bedragen. Zij stelt met verwijzing naar een overgelegde specificatie dat haar raadsman voorafgaande aan de zitting tot en met 7 september 2016 29,2 uur aan de deelgeschilprocedure heeft besteed en dat met de verdere voorbereiding en de mondelinge behandeling naar verwachting nog 5 á 6 uur gemoeid zal zijn. Zij stelt verder dat haar raadsman een gespecialiseerd letselschadeadvocaat is (lid LSA) en dat hij een uurtarief hanteert van € 255,00, vermeerderd met een opslag van 6% wegens kantoorkosten en 21% BTW.

3.20.

Volgens [verweerster] zijn de kosten niet redelijk. Een deel van de kosten ziet op werkzaamheden die ten behoeve van het voorlopig getuigenverhoor zijn verricht. Een uurtarief van € 235,00 inclusief kantoorkosten en exclusief BTW is in de jurisprudentie, ook voor specialisten op het gebied van letselschade, als redelijk aanvaard. Ook als naar het totaal aan gestelde kosten wordt gekeken wordt daarmee de in de jurisprudentie gangbare kostenbegroting van in totaal ongeveer € 5.000,00 ruimschoots overschreden, aldus steeds [verweerster] .

3.21.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling dat een deel van de kosten betrekking heeft op het voorlopig getuigenverhoor nu uit de overgelegde specificatie blijkt dat [verzoekster] met dat deel (alsnog) rekening heeft gehouden. De rechtbank oordeelt de gevorderde kosten, ook voor zover deze het uurtarief van de raadsman van [verzoekster] betreffen, in dit geval als redelijk en in overeenstemming met de omvang en de complexiteit van deze zaak. Dat de werkzaamheden tevens hebben bestaan uit jurisprudentie- en literatuuronderzoek, maakt de kosten niet onredelijk. Dat de kosten in andere zaken doorgaans minder hoog zijn, doet – wat daar verder ook van zij – aan de redelijkheid in dit concrete geval niet af. De rechtbank begroot de kosten op € 11.447,20 en het griffierecht van € 288,00.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

verklaart voor recht dat [verweerster] niet aansprakelijk is voor het ontstaan en de gevolgen van het letsel van [verzoekster] , opgelopen op 31 januari of 1 februari 2014 in haar vakantiewoning in Schoondijke;

4.2.

begroot de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoekster] op € 11.447,20, vermeerderd met € 288,00 aan griffierecht;

4.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.W. Louwerse en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2016.1

1 type: coll: