Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:7457

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
29-11-2016
Zaaknummer
AWB 16_2453
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete € 7.200,- wegens overtreden Arbeidsbesluit. Vier matigingsgronden van artikel 11, elfde lid, Beleidsregels boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving. Rechtbank oordeelt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is voldaan aan de tweede, derde en vierde matigingsgrond (noodzakelijke randvoorwaarden voor toepassen veilige werkwijze, adequate instructies gegeven, adequaat toezicht gehouden). Rechtbank matigt de boete met 75%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/2453 BESLU

uitspraak van 11 oktober 2016 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[bedrijfsnaam eiseres] , te [vestigingsplaats eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. B. Smit,

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

Procesverloop

[bedrijfsnaam eiseres] ( [naam eiseres1] ) heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 10 maart 2016 (bestreden besluit) van de minister inzake het opleggen van een bestuurlijke boete van

€ 7.200,- wegens overtreding van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 2 september 2016.

[naam eiseres1] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Daarnaast is

[naam belanghebbende] verschenen, directeur van Ketelaars. J.A. Vervaart, inspecteur bij de inspectie SZW, is verschenen en op verzoek van Ketelaars als getuige gehoord. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Timmermans.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[naam eiseres1] is een landbouwmechanisatiebedrijf en houdt zich bezig met de handel in en reparatie van tractoren, landbouwwerktuigen en industriemachines. [naam eiseres1] exploiteert haar onderneming in de vorm van een eenmanszaak.

Op 16 januari 2015 verrichtte één van de werknemers van [naam eiseres1] , [naam werknemer] , in de werkplaats van [naam eiseres1] in [vestigingsplaats eiseres] werkzaamheden bestaande uit het repareren en testen van een versnellingsbak van een tractor. In verband daarmee waren de achterwielen van de tractor gedemonteerd en waren de achterassen van de tractor op bokken geplaatst. De tractor stond met de voorwielen nog wel op de grond. Onder de constructie van de trekhaak van de tractor stond een hydraulische krik opgesteld. De achterzijde van de tractor rustte alleen op de bokken en niet op de krik. Tijdens de testwerkzaamheden stond Van Tooren met zijn rechtervoet op de krik. Een collega had plaatsgenomen in de cabine van de tractor. [naam werknemer] heeft zijn collega onder meer gevraagd om de versnelling achteruit te proberen en om in de achteruit een versnelling hoger te schakelen. Op dat moment was het risico aanwezig dat de tractor in beweging kon komen en van de bokken kon afschieten waardoor [naam werknemer] bekneld kon raken tussen de krik en de tractor, met als gevolg ernstig letsel. Dit gevaar heeft zich verwezenlijkt. Nadat de collega de tractor in de achteruit een versnelling hoger schakelde, schoot de tractor van de bokken af en werd opgevangen door de krik waardoor [naam werknemer] met zijn rechtervoet tussen de krik en de constructie van de trekhaak bekneld raakte. [naam werknemer] is in verband met het opgelopen letsel in het ziekenhuis opgenomen. Het ongeval heeft ertoe geleid dat de grote teen van de rechter voet van [naam werknemer] en een stukje van zijn middenvoetsbot moesten worden geamputeerd.

De inspectie SZW heeft onderzoek gedaan naar het ongeval. De bevindingen zijn neergelegd in een boeterapport van 26 februari 2015.

De minister heeft [naam eiseres1] onder verwijzing naar het boeterapport in kennis gesteld van zijn voornemen om aan [naam eiseres1] een bestuurlijke boete op te leggen. [naam eiseres1] heeft haar zienswijze tegen dit voornemen naar voren gebracht.

Bij besluit van 29 oktober 2015 (primair besluit) heeft de minister [naam eiseres1] een boete opgelegd van € 7.200,-, wegens overtreding van artikel 3.17 van het Arbobesluit, gelezen in verbinding met artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet). De minister heeft het boetenormbedrag van € 9.000,- verviervoudigd omdat er een ziekenhuisopname was en blijvend letsel is. Omdat [naam eiseres1] ten tijde van de overtreding zes mensen in dienst had is de boete vervolgens bepaald op 20% van € 36.000,-.

[naam eiseres1] heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Zij heeft het bezwaar toegelicht tijdens de hoorzitting van 16 december 2015.

Bij het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van [naam eiseres1] ongegrond verklaard.

2. Eiseres heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat zij heeft voldaan aan de in het door de minister geformuleerde beleid opgenomen factoren om over te gaan tot matiging van de boete. Daarnaast leidt verviervoudiging van de boete wegens blijvend letsel tot gevolgen die voor [naam eiseres1] onevenredig zijn. Verder is de minister bij het bepalen van de hoogte van de boete ten onrechte uitgegaan van het aantal werknemers van [naam eiseres1] ten tijde van het ongeval. Aangesloten had moeten worden bij het aantal werknemers ten tijde van de boeteoplegging. De minister heeft ten slotte onvoldoende oog gehad voor de financiële draagkracht van de onderneming.

3. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Arbowet worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld in verband met arbeidsomstandigheden van de werknemers.

Het tiende lid van dit artikel bepaalt dat de werkgever en de werknemers verplicht zijn tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van

-voor zover hier van belang- dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.

Op grond van artikel 33, tweede lid, van de Arbowet wordt tevens als overtreding aangemerkt het niet naleven van -voor zover hier van belang- artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als overtreding.

Op grond van artikel 34, eerste lid, van de Arbowet legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar de bestuurlijke boete op aan de overtreder op wie de verplichtingen rusten die voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.

De in voornoemde artikelen bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Arbobesluit.

Op grond van artikel 3.17 van het Arbobesluit wordt het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, voorkomen en indien dat niet mogelijk is zoveel mogelijk beperkt.

Op grond van artikel 9.1 van het Arbobesluit -voor zover hier van belang- is de werkgever verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld.

Op grond van artikel 9.9b, eerste lid, aanhef en onder c, van het Arbobesluit -voor zover hier van belang- wordt als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met het voorschrift dat is opgenomen in artikel 3.17.

Artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete oplegt voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.

Artikel 5:46, tweede lid, van de Awb bepaalt dat, tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, het bestuursorgaan de bestuurlijke boete afstemt op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

Artikel 3:4, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

4. [naam eiseres1] heeft niet weersproken dat zich op 16 januari 2015 een arbeidsongeval heeft voorgedaan, waarbij de tractor van de bokken is afgeschoten, terwijl [naam werknemer] met zijn rechtervoet op een onder de constructie van de trekhaak van de tractor geplaatste krik stond. [naam werknemer] is met zijn rechtervoet bekneld geraakt tussen de constructie van de trekhaak van de tractor en de krik. Ter gelegenheid van de zitting heeft [naam eiseres1] desgevraagd erkend dat sprake is geweest van een overtreding, zodat de minister in beginsel bevoegd was een boete op te leggen. Daarnaast is niet in geschil dat het normbedrag behorend bij deze overtreding € 9.000,- bedraagt.

De minister moet ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Awb bij de aanwending van zijn discretionaire bevoegdheid tot oplegging van een boete, de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

De minister kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen inzake het al dan niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. De minister heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid beleid vast te stellen en heeft dat beleid neergelegd in de “Beleidsregels boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving” (Beleidsregels).

De minister dient de Beleidsregels als uitgangspunt te nemen bij het bepalen van de hoogte van de bestuurlijke boete. Gelet op de aard van het te nemen besluit, dient de minister in het concrete geval echter ook het in artikel 3:4 van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel in acht te nemen. Dit betekent dat de minister zich bij het vaststellen van de hoogte van een boete moet afvragen of de uit de beleidsregels voortvloeiende boete, gelet op alle omstandigheden van het geval, evenredig is aan het door de wetgever beoogde doel. Tot de omstandigheden van het geval behoren in ieder geval de aard en de ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en de omstandigheden waaronder deze is gepleegd. Wanneer het uit de beleidsregels voortvloeiende boetebedrag niet evenredig is, is matiging van dit bedrag passend en geboden.

De rechtbank dient zonder terughoudendheid te toetsen of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en aldus leidt tot een evenredige sanctie.

5. Artikel 1, achtste lid, van de Beleidsregels bepaalt dat de in het derde lid genoemde normbedragen uitgangspunt zijn voor de berekening van op te leggen bestuurlijke boetes voor bedrijven of instellingen met 500 of meer werknemers. Voor bedrijven of instellingen van geringere omvang geldt het volgende:

a. bedrijven of instellingen met minder dan 5 werknemers betalen 10 procent;

b. bedrijven of instellingen met 5 tot en met 9 werknemers betalen 20 procent; (…)

De minister heeft de boete bepaald op 20%, omdat [naam eiseres1] naar eigen zeggen ten tijde van de overtreding zes mensen in dienst had. [naam eiseres1] heeft zich op het standpunt gesteld dat nu de evenredigheid van de boete ex nunc moet worden getoetst het aantal werknemers ten tijde van de boete oplegging als uitgangspunt moet worden genomen. Op dat moment had [naam eiseres1] drie mensen in dienst, zodat de boete op 10% moet worden gesteld.

De rechtbank volgt [naam eiseres1] niet in dit betoog. Zoals blijkt uit de toelichting bij artikel 1, achtste lid, van de Beleidsregels (Stcrt. 2012, 24962) geldt als uitgangspunt bij de bepaling van de grootte van de onderneming ten behoeve van de correctie van de normbedragen, dat wordt uitgegaan van hetgeen de werkgever ten overstaan van de inspecteur verklaart over het aantal werknemers. De heer [naam eiseres1] heeft verklaard dat hij zes mensen in dienst had. Dat [naam eiseres1] ten tijde van de boeteoplegging drie mensen in dienst had, doet niet af aan het uitgangspunt van artikel 1, achtste lid, van de Beleidsregels. De minister heeft, los van de vraag of dit leidt tot een onevenredige boete, het normbedrag op grond van de Beleidsregels terecht gecorrigeerd naar 20%.

6. Artikel 10, tiende lid, van de Beleidsregels bepaalt -samengevat- dat bij een arbeidsongeval dat leidt tot een blijvend letsel of een ziekenhuisopname de boetenormbedragen van de daaraan ten grondslag liggende overtredingen worden vermenigvuldigd met vier.

Vast staat dat [naam werknemer] als gevolg van het ongeval opgenomen is geweest in het ziekenhuis en dat het ongeval ertoe heeft geleid dat de grote teen van de rechter voet van [naam werknemer] en een stukje van zijn middenvoetsbot moesten worden geamputeerd. De minister heeft het normbedrag daarom verviervoudigd.

Anders dan de minister meent, heeft [naam eiseres1] niet weersproken dat het letsel van [naam werknemer] als blijvend letsel moet worden aangemerkt. [naam eiseres1] heeft evenmin weersproken dat het normbedrag op grond van de Beleidsregels daarom verviervoudigd moet worden.

[naam eiseres1] heeft wel aangevoerd dat verviervoudiging tot een onevenredige sanctie leidt. Dit argument zal de rechtbank betrekken bij de vraag of matiging passend en geboden is (rechtsoverweging 10).

7. Volgens artikel 11, elfde lid, zoals dat met ingang van 18 december 2015 luidt, kan, indien de werkgever aantoont dat hij inspanningen heeft verricht, gericht op het voorkomen van de overtreding in het concrete geval, dit leiden tot matiging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag. De volgende inspanningen kunnen leiden tot een matiging van 25% per onderdeel:

a. als de risico’s van de concrete werkzaamheden voldoende zijn geïnventariseerd en een veilige werkwijze is ontwikkeld die voldoet aan de vereisten van het bepaalde bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet;

b. als de noodzakelijke randvoorwaarden zijn gecreëerd voor het toepassen van een veilige werkwijze;

c. als er adequate instructies zijn gegeven;

d. als er adequaat toezicht is gehouden.

[naam eiseres1] heeft aangevoerd dat zij aan ieder van de vier matigingsgronden heeft voldaan, zodat de boete met 100% moet worden gematigd. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat [naam eiseres1] niet heeft aangetoond dat voldaan is aan de gronden om tot matiging over te gaan. De minister heeft de boete daarom niet gematigd.

7.1

Risico’s voldoende geïnventariseerd en veilige werkwijze ontwikkeld?

[naam eiseres1] heeft in beroep aangevoerd dat de tractor in beweging is geraakt doordat de collega in de cabine - [naam medewerker2] - de rem intrapte, terwijl dat niet tot de voorgeschreven werkwijze behoort. [naam eiseres1] hoefde deze handeling en de mogelijkheid van een ongeval niet te voorzien en behoefde dat dus ook niet te inventariseren. Bovendien heeft [naam eiseres1] het risico van deze concrete werkzaamheden voldoende geïnventariseerd. [naam eiseres1] heeft ter onderbouwing daarvan gewezen op de Risico Inventarisatie en Evaluatie (RIE, punt 11) en op de bedrijfseigen VGM-instructie (paragraaf 1.2 en 1.3 en de “Last minute risico analyse”). Daarnaast heeft [naam eiseres1] een veilige werkwijze ontwikkeld, te weten de in het werkplaatshandboek van de tractor voorgeschreven werkwijze.

Uit de van het boeterapport deel uitmakende verklaring van [naam medewerker2] blijkt dat de werkwijze waarbij de tractor met de achteras op bokken staat en met de voorwielen op de grond de gebruikelijke werkwijze was om de versnellingsbak van tractoren te testen op het goed functioneren daarvan. Ter beantwoording ligt dan ook voor of de risico’s van deze concrete werkzaamheden voldoende zijn geïnventariseerd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat [naam eiseres1] de risico’s van deze concrete werkzaamheden voldoende heeft geïnventariseerd. Los van de vraag of de tractor in dit concrete geval in beweging is gekomen door het opschakelen van de versnelling of door het gebruik van de rem, is niet gebleken dat [naam eiseres1] het risico heeft onderkend dat door de tractor met de achterassen op bokken te plaatsen, terwijl de tractor met de voorwielen op de grond stond, tractie zou kunnen ontstaan, als gevolg waarvan de tractor van de bokken af zou kunnen schieten en een werknemer bekneld zou kunnen raken. In de RIE en de VGM-instructie worden de risico’s van reparatiewerkzaamheden aan versnellingsbakken niet genoemd, zodat aan de RIE en de VGM-instructie niet die waarde kan worden gehecht die [naam eiseres1] daaraan hecht.

De minister heeft zich daarnaast naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat [naam eiseres1] een veilige werkwijze heeft ontwikkeld die voldoet aan de vereisten van het bepaalde bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet. Dat in het werkplaatshandboek van de tractor wordt voorgeschreven dat twee statieven onder de zijvertragingskasten moeten worden geplaatst, maakt dat niet anders, omdat het risico dat de tractor als gevolg van tractie van de statieven afschiet daarmee niet is ondervangen. Een veilige werkwijze had, zoals [naam medewerker2] en [naam werknemer] in hun verklaringen hebben opgemerkt, eruit kunnen bestaan de tractor ofwel rondom op bokken te plaatsen, ofwel de achterwielen terug te plaatsen alvorens de versnellingsbak te testen.

Gelet op het voorgaande heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om de boete op grond van deze eerste matigingsgrond te matigen.

Overigens ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de tractor als gevolg van foutief gebruik van de rem door [naam medewerker2] in beweging is gekomen. Blijkens de verklaringen van [naam medewerker2] en [naam werknemer] kwam de tractor in beweging op het moment dat [naam medewerker2] in de achteruit een versnelling hoger schakelde. [naam werknemer] heeft daarbij de mogelijkheid geopperd dat de versnellingsbak mogelijk nog niet was gekalibreerd en dat als gevolg daarvan bij het opschakelen schokken ontstonden waardoor de tractor van de bokken is geschoten. Zowel [naam medewerker2] , als [naam werknemer] maken geen melding van het feit dat [naam medewerker2] abusievelijk de rem zou hebben gebruikt. Het gebruik van de rem wordt ook overigens niet genoemd in het boeterapport. Pas bij de hoorzitting in bezwaar is door [naam eiseres1] gesteld dat de tractor in beweging is gekomen, doordat [naam medewerker2] de rem zou hebben gebruikt. Ter zitting heeft de heer [naam eiseres1] daarover desgevraagd verklaard dat hij niet eerder op het gebruik van de rem heeft gewezen, omdat hem pas later duidelijk werd dat dat in het kader van de vraag naar de verwijtbaarheid van belang kon zijn. Naar het oordeel van de rechtbank had het [naam eiseres1] eerder, bijvoorbeeld bij het voornemen om aan [naam eiseres1] een bestuurlijke boete op te leggen, duidelijk kunnen en moeten zijn dat (het ontbreken van) verwijtbaarheid een rol speelt bij het opleggen van een bestuurlijke boete. Dat [naam eiseres1] vervolgens heeft nagelaten meteen melding te maken van een door haar in het licht van de verwijtbaarheid relevant geacht feit, doet af aan de aannemelijkheid daarvan.

7.2

Noodzakelijke randvoorwaarden voor toepassen veilige werkwijze

Volgens de minister is niet aan deze matigingsgrond voldaan. De minister heeft daarbij gewezen op hetgeen in het primaire besluit onder “maatregelen” is opgemerkt. Hoewel deze matigingsgrond ten tijde van het nemen van het primaire besluit nog niet bestond als aparte matigingsgrond, werd de vraag of deugdelijke, voor de arbeid geschikte arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking werden gesteld destijds beantwoord bij de beoordeling van de eerste matigingsgrond.

In het primaire besluit is vermeld dat volgens het werkplaatshandboek twee geschikte statieven opgesteld dienden te worden onder de zijvertragingskasten. Ten tijde van het ongeval waren deze statieven niet opgesteld. In plaats daarvan stonden twee bokken opgesteld vlak naast de draaiende wielassen. De krik stond onder de tractor, maar droeg die niet. Aan de minister is dan ook niet gebleken dat [naam eiseres1] deugdelijke, voor de arbeid geschikte arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld.

In reactie daarop heeft [naam eiseres1] naar voren gebracht dat de minister bij de beoordeling van de aanwezigheid van de randvoorwaarden ten onrechte het concrete gebruik daarvan op het moment van het ongeval heeft betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [naam eiseres1] dit terecht aangevoerd. Blijkens de toelichting bij deze matigingsgrond (Stcrt. 2015, 46081)

wordt door het splitsen van de oorspronkelijke, veelomvattende, eerste matigingsgrond een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de inschatting van de risico’s en het ontwikkelen van een veilige werkwijze enerzijds en de feitelijk geleverde inspanningen, er op gericht de concrete overtreding in het specifieke geval te voorkomen, anderzijds. Bij die inspanningen gaat het om randvoorwaarden die de werkgever feitelijk heeft gecreëerd opdat het voor zijn werknemers mogelijkheid is een veilige werkwijze toe te passen. Deze matigingsgrond staat dan ook los van het al dan niet inventariseren van de risico’s en het ontwikkelen van een veilige werkwijze.

Tussen partijen is niet in geschil dat de bokken op zichzelf geschikt waren om daarop een tractor te plaatsen. [naam werknemer] heeft verklaard dat de bokken ieder een draagkracht van 12 ton per stuk hebben, terwijl de tractor circa 7,5 ton weegt. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook voldoende gebleken dat [naam eiseres1] feitelijke randvoorwaarden heeft gecreëerd opdat het voor zijn werknemers mogelijk was een veilige werkwijze toe te passen. De minister heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet aan deze matigingsgrond is voldaan.

7.3

Adequate instructies gegeven, adequaat toezicht gehouden

De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat aan deze matigingsgronden is voldaan. De minister acht van belang welke instructies [naam eiseres1] als werkgever heeft gegeven met betrekking tot het veilig uitvoeren van de concrete werkzaamheden. De interne toolbox-meetings en de werkplaatshandboeken zagen niet op deze concrete werkzaamheden. Bovendien heeft de heer [naam eiseres1] geen instructies gegeven aan [naam werknemer] . Ter zitting is daaraan toegevoegd dat het bij gebrek aan een voorgeschreven, veilige werkwijze ook niet mogelijk was om instructies te geven. Met betrekking tot het toezicht heeft de minister opgemerkt dat niet is gebleken van een veilige werkwijze en dat ook de heer [naam eiseres1] de gevaarlijke situatie niet heeft onderkend. Er is dan ook niet gebleken van een adequaat toezicht. Ter zitting is daaraan namens de minister toegevoegd dat in de praktijk zelden sprake kan zijn van een situatie van adequaat toezicht als er niet ook sprake is van een veilige werkwijze.

De rechtbank volgt deze uitleg van het stelsel van artikel 11, elfde lid, van de beleidsregels niet, omdat deze uitleg impliceert dat eerst tot matiging op grond van de vierde matigingsgrond zou kunnen worden overgegaan, als aan de eerste matigingsgrond is voldaan. In artikel 11, elfde lid, van de beleidsregels, zoals dat met ingang van 18 december 2015 luidt, is juist nadrukkelijk afstand genomen van het systeem van cumulatieve matigingsgronden.

Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank de mate waarin instructie moet worden gegeven en toezicht moet worden gehouden, afhankelijk van de complexiteit en risico’s van de werkzaamheden en de ervaring en deskundigheid van het slachtoffer en diens positie in het bedrijf.

Vast staat dat [naam werknemer] is geschoold als landbouwtechnicus en dat hij het diploma “Veiligheid voor operationeel leidinggevenden VCA” bezit. Van Tooren heeft een aantal jaren werkervaring als landbouwtechnicus en hij werkte ten tijde van het ongeval ruim vijf jaar bij [naam eiseres1] . [naam werknemer] was op dat moment binnen [naam eiseres1] chef werkplaats. In die functie diende [naam werknemer] onder andere toezicht te houden op het veilig uitvoeren van werkzaamheden. De werkzaamheden aan de tractor behoorden tot zijn reguliere werkzaamheden.

In het licht van deze feiten en omstandigheden kan [naam eiseres1] naar het oordeel van de rechtbank geen verwijt worden gemaakt van het ontbreken van adequate instructies voor de concrete werkzaamheden. Daarnaast kan niet worden geoordeeld dat [naam eiseres1] onvoldoende adequaat toezicht heeft gehouden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat van een werkgever niet kan worden gevergd dat hij voortdurend een toezichthouder naast een ervaren werknemer plaatst. Nu [naam werknemer] , naar niet in geschil is, niet alleen als ervaren werknemer kon worden beschouwd, maar daarnaast ook de rol van toezichthouder vervulde, kon van [naam eiseres1] niet worden gevergd dat meer toezicht werd gehouden dan werd gedaan.

De minister heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet aan deze matigingsgronden is voldaan.

8. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

Artikel 8:72a van de Awb bepaalt dat, indien de rechtbank een beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete vernietigt, de rechtbank een beslissing neemt omtrent het opleggen van de boete en dat zij bepaalt dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde beschikking.

9. De correctie naar bedrijfsgrootte van 20% van het normbedrag van € 9.000,- en verviervoudiging wegens blijvend letsel leidt tot een bedrag van € 7.200,-. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient dit bedrag op grond van artikel 11, elfde lid, aanhef en onder b, c en d van de Beleidsregels te worden gematigd met 75%. Dit resulteert in een bedrag van € 1.800,-.

10. De rechtbank acht een boete van € 1.800,-, gelet op de ernst van de overtreding en de gevolgen daarvan, passend en geboden. De rechtbank ziet in de stelling van [naam eiseres1] dat, hoewel sprake is van blijvend letsel bij [naam werknemer] dat letsel relatief beperkt is, geen aanleiding voor een verdere matiging. Ook in [naam eiseres1] ’ stelling dat zij gelet op haar financiële situatie onevenredig wordt getroffen door een boete, ziet de rechtbank geen aanleiding voor verdere matiging, nu [naam eiseres1] haar stelling niet met financiële gegevens heeft onderbouwd.

11. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de rechtbank de boete op € 1.800,- zal bepalen.

12. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan [naam eiseres1] te worden vergoed.

13. De rechtbank zal de minister veroordelen in de door [naam eiseres1] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij een boete van € 7.200,- is opgelegd;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat een boete van € 1.800,- wordt opgelegd;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd;

  • -

    draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 334,- aan [naam eiseres1] te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van [naam eiseres1] tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.J.C. Goorden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.