Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:7412

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
24-11-2016
Zaaknummer
C/02/322803/JE RK 16-1971
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke gezagsbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

C/02/322803 JE RK 16-1971

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

zaakgegevens : C/02/322803 / JE RK 16-1971

datum uitspraak: 23 november 2016

beschikking gedeeltelijke gezagsbelasting


in de zaak van

STICHTING INTERVENCE, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),

gevestigd te Middelburg,

betreffende

DOCVARIABLE "jw.sys.1.voornamen_kind_1" \* CHARFORMAT [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te DOCVARIABLE "jw.sys.1.geboorteplaats_kind_1" \* MERGEFORMAT [geboorteplaats] , hierna te noemen DOCVARIABLE "roepnaam_1" \* MERGEFORMAT [minderjarige 1] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. C.L. de Koeijer te Terneuzen,

[naam pleegouders] , hierna te noemen de pleegouders,

wonende te [woonplaats] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 2 november 2016, ingekomen bij de griffie op 3 november 2016;

- het verweerschrift met productie, tevens inhoudende zelfstandig verzoekschrift, van mr. De Koeijer van 7 november 2016, ingekomen bij de griffie op 8 november 2016.

Op 17 november 2016 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. De Koeijer,
- de pleegmoeder,

- een vertegenwoordiger van de GI.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] wordt uitgeoefend door de moeder.

[minderjarige 1] verblijft in een pleeggezin.


Bij beschikking van de kinderrechter van 26 november 2015 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd met ingang van 9 december 2015 en tot 9 december 2016.

Bij beschikking van de kinderrechter van 8 maart 2016 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg laatstelijk verlengd met ingang van 9 maart 2016 en tot 9 december 2016.

Het verzoek

De GI heeft verzocht te bepalen dat het gezag over [minderjarige 1] gedeeltelijk, namelijk voor zover het betreft de aanmelding voor een onderwijsinstelling, te weten de Eben-Haëzerschool wordt uitgeoefend door de GI met ingang van de datum van behandeling van het verzoekschrift en tot 9 december 2016.

Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de moeder de GI te bevelen mee te werken aan de schoolgang van [minderjarige 1] bij basisschool De Regenboog te Tholen.

Het standpunt van verzoekster

Namens de GI is gesteld dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat hij onderwijs gaat volgen bij de Eben-Haëzerschool te Tholen. Sinds juni 2016 is er extra aandacht geweest voor de schoolgang van [minderjarige 1] omdat hij vier jaar zou worden. Getracht is te komen tot een schoolkeuze die gezamenlijk wordt gedragen door zowel de moeder als de pleegouders. Op 15 september 2016 heeft de moeder aangegeven dat haar voorkeur uitgaat naar een meer gematigde christelijke school dan de Eben-Haëzerschool. Op 4 oktober 2016 heeft de moeder kenbaar gemaakt dat zij de verschillende scholen heeft vergeleken en dat de Eben-Haëzerschool de beste optie zou zijn voor [minderjarige 1] . Op 11 oktober 2016 wordt in een gesprek met de moeder, pleegouders en de gezinsmanager besloten dat [minderjarige 1] naar de Eben-Haëzerschool zal gaan. In overleg met moeder wordt op 18 oktober 2016 een kennismaking gepland op de school waar de moeder, pleegmoeder en gezinsmanager bij zijn. De moeder geeft na dit bezoek aan dat zij enige zorgen heeft en dat een andere school mogelijk passender is. De gezinsmanager gaat daar op dat moment - naar eigen zeggen uit teleurstelling- niet op in. Vervolgens laat de moeder op 25 oktober 2016 via haar advocaat weten dat zij geen toestemming geeft voor aanmelding op de Eben-Haëzerschool en dat zij wel openstaat voor aanmelding op De Regenboogschool. Er is nog getracht om de moeder op andere gedachten te brengen maar dit is niet gelukt. De GI acht de Eben-Haëzerschool de beste school voor [minderjarige 1] omdat deze aansluit bij de woonomgeving van [minderjarige 1] , bekend is bij zijn pleegouders, zijn pleegbroertje naar die school gaat net als een aantal van zijn vriendjes van de peuterspeelzaal. Bovendien was [minderjarige 1] er al op voorbereid dat hij naar deze school zou gaan en had er al kennisgemaakt. Doordat moeder op het laatste moment haar toestemming heeft ingetrokken is het traject stil gelegd en gaat [minderjarige 1] nu niet naar school terwijl hij al 4 jaar is, hetgeen niet in zijn belang is. [minderjarige 1] had zich erg verheugd op school, hij zou na de herfstvakantie, op 31 oktober 2016 starten en het is een teleurstelling dat hij niet kan gaan. Voor pleegouders was het moeilijk om dit tegen [minderjarige 1] te zeggen. De GI betreurt dit, [minderjarige 1] had juist moeten profiteren van de gezamenlijke keuze die hierin was gemaakt en het heeft de samenwerking die op gang was gekomen tussen de moeder en de pleegouders en de hulpverlening verstoord.

De Regenboogschool te Tholen is ook een christelijke school en staat vlak naast de Eben-Haëzerschool. Deze school is eerder niet onderzocht door de GI omdat hier geen aanleiding toe was gelet op de instemming van de moeder ten aanzien van de Eben-Haëzerschool. Ook na het intrekken van die instemming is deze school niet onderzocht gelet op het moment waarop dit werd gedaan, te weten zeer laat in het gehele traject en tijdens de herfstvakantie. Als eerder duidelijk was geweest dat de moeder niet zou instemmen met de Eben-Haëzerschool was dat anders geweest maar dan nog zou er steeds zijn aangegeven dat de Eben-Haëzerschool de voorkeur had omdat die past bij het pleeggezin en de woonomgeving van [minderjarige 1] en volgens pleegouders beter staat aangeschreven. Op dit moment wordt er een onderzoek verricht door Formaat naar het perspectief van [minderjarige 1] . Het huidige pleeggezin is (indien aan de orde) perspectiefbiedend. Gelet op al het voorgaande acht de GI het dan ook noodzakelijk dat het gezag over [minderjarige 1] gedeeltelijk, namelijk voor zover het betreft de aanmelding voor een onderwijsinstelling, te weten de Eben-Haëzerschool, wordt overgedragen aan de GI.

Het standpunt van belanghebbenden

Door en namens de moeder is aangevoerd dat er al langere tijd een patroon is waarbij de moeder zich buiten spel voelt staan en de keuze eigenlijk al gemaakt lijkt te zijn dat [minderjarige 1] in het pleeggezin zal blijven. Zo ook ten aanzien van de keuze voor de school, hoewel de moeder daarbij betrokken is, was de keuze al gemaakt. De GI had de moeder als gezaghebbende ouder in beginsel de keuze voor de school moeten laten maken. De moeder heeft ingestemd met de intake op de Eben-Haëzerschool, niet met de inschrijving van [minderjarige 1] op deze school. Zij is er tijdens de rondleiding achter gekomen dat deze school niet passend is voor [minderjarige 1] , nu deze een strikt reformatorisch karakter heeft en [minderjarige 1] op deze school enkel in aanraking zal komen met kinderen met dezelfde religieuze achtergrond als de pleegouders. Hoewel de moeder gelovig is, heeft zij een vrijere opvoeding voor ogen en zij staat ook als zodanig in het leven. De indruk bestaat dat de school het meest aansluit bij de wensen van de pleegouders en niet bij de behoeften van [minderjarige 1] . Hoewel het pleeggezin perspectiefbiedend is, staat het perspectief van [minderjarige 1] nog niet vast: op dit moment wordt daar onderzoek naar gedaan en de resultaten daarvan worden in januari 2017 verwacht. De Regenboogschool, die de moeder voor ogen heeft, ligt in hetzelfde gebouw als de Eben-Haëzerschool zodat er geen praktische belemmeringen zijn. Daarnaast heeft De Regenboogschool eveneens een christelijke grondslag, dus hierin zijn geen onoverkomelijke bezwaren aanwezig. De verschillen voor [minderjarige 1] tussen de situatie op school en de situatie bij de pleegouders thuis zal dus relatief beperkt zijn en zou voor [minderjarige 1] zelf geen problemen moeten opleveren. Met artikel 1:265e van het Burgerlijk Wetboek (BW) dient terughoudend te worden omgegaan: een dergelijke beslissing moet in het belang van de uitvoering van de ondertoezichtstelling noodzakelijk zijn. Dit artikel is juist in de wet gekomen om de rechtspositie van belanghebbenden te versterken. In de specifieke toelichting op voornoemd artikel wordt als voorbeeld voor toepassing van dit artikel genoemd de situatie waarin ouders toestemming voor de inschrijving op een school weigeren. Hiervan is echter geen sprake, de moeder wil heel graag dat [minderjarige 1] naar school gaat. Zij wil echter dat hij naar een andere school gaat dan de GI en de pleegouders voor ogen hebben. Voor wat betreft de gronden waaraan een verzoek op basis van artikel 1:265e BW moet voldoen staat vast dat duidelijk en specifiek moet worden gemotiveerd waarom het noodzakelijk is dat het gezag in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling tijdelijk wordt overgeheveld. De GI heeft geen argumenten aangevoerd die aan het wettelijk criterium voldoen: de argumenten gaan meer over wenselijkheid voor de pleegouders dan dat het gaat over de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De ondertoezichtstelling kan op goede wijze worden uitgevoerd wanneer [minderjarige 1] naar De Regenboogschool gaat en dat is een school die beter past bij [minderjarige 1] en beter is voor zijn identiteitsontwikkeling. Hij komt van deze moeder en zij staat anders in het leven dan de pleegouders. Als hij alleen in contact komt met mensen uit de kring van pleegouders, wordt het contrast met de moeder alleen maar groter. Dit geldt ook als het perspectief uiteindelijk bij de pleegouders zou liggen. Het is jammer dat het nu zo gelopen is en dat [minderjarige 1] al kennis heeft gemaakt op de Eben-Haëzerschool, hetgeen overigens niet in overleg met de moeder is gegaan, maar dat maakt niet noodzakelijk dat hij naar deze school gaat. Het verzoek van de GI dient dan ook te worden afgewezen. Daarnaast is het in het belang van [minderjarige 1] dat de kinderrechter, in het kader van de geschillenregeling, vast stelt dat de GI dient mee te werken aan de schoolgang van [minderjarige 1] bij De Regenboogschool.

De pleegmoeder heeft meegedeeld dat met de moeder afspraken zijn gemaakt over de basisschool voor [minderjarige 1] . De moeder heeft ingestemd met de keuze voor de Eben-Haëzerschool. [minderjarige 1] is erop voorbereid dat hij naar deze school zal gaan en heeft samen met andere kinderen die vier jaar zouden worden kennis gemaakt op deze school. Tijdens de intake zijn met de moeder ook afspraken gemaakt over ouderbezoeken en het informeren van de moeder over de voortgang van [minderjarige 1] op school. [minderjarige 1] gaat nu niet naar school en hij moet deze tegenslag verwerken en is erg verdrietig, hij vraagt elke dag wanneer hij naar school mag. Hij begrijpt het niet, want hij mag ook niet meer naar de peuterspeelzaal. De Eben-Haëzerschool is een kwalitatief goede school en de andere kinderen van de peuterspeelzaal gaan ook naar deze school toe. De pleegmoeder betreurt het dat [minderjarige 1] in deze situatie zit door de keuze van de moeder. Hier komt bij dat het praktisch gezien ook lastig is nu de schooltijden enigszins verschillen en ook de vakanties en vrije middagen van beide scholen niet overeenkomen en het andere pleegkind van de pleegouders reeds naar de Eben-Haëzerschool gaat. De pleegmoeder begrijpt dat dit een probleem is van de pleegouders en niet van [minderjarige 1] , maar zij vindt het wel belangrijk dit aan te geven. In het geval [minderjarige 1] naar De Regenboogschool zou gaan, zou er ook qua verschil in aanpak en opvatting, wel een mouw aan te passen zijn maar de Eben-Haëzerschool heeft de voorkeur. Ook voor [minderjarige 1] zelf, hij kent er kindjes en heeft het al zo moeilijk. Bij de voetbalvereniging waar het gezin lid van is komt [minderjarige 1] ook in contact met mensen van andere achtergronden. Het vertrouwen van de pleegouders in de moeder is flink beschadigd door het feit dat zij de afspraken die in onderling overleg zijn gemaakt niet na komt.

De beoordeling

Uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat tussen de moeder en de GI verschil van mening bestaat over welke school het meest aansluit bij hetgeen [minderjarige 1] nodig heeft, alsmede over of de moeder toestemming heeft gegeven voor inschrijving van [minderjarige 1] bij de Eben-Haëzerschool. Vast staat echter dat de moeder na het intakegesprek en de rondleiding bij de Eben-Haëzerschool (inhoudelijke) bezwaren met betrekking tot deze school heeft geuit en geen toestemming (meer) heeft gegeven tot inschrijving en aanmelding op deze school.

Op grond van artikel 1:265e BW kan de kinderrechter bij de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en ook nadat deze machtiging is verleend op verzoek bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de GI die het toezicht uitoefent, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter kan zulks onder andere beslissen met betrekking tot de aanmelding van de minderjarige bij een onderwijsinstelling. De wetgever heeft deze mogelijkheid geschapen om bepaalde essentiële belemmeringen voor de ontwikkeling van minderjarigen weg te nemen. Met de mogelijkheid van deze gedeeltelijke overdracht van de gezagsuitoefening moet volgens de wetgever terughoudend worden omgegaan.

Voorop gesteld dient te worden dat de moeder als gezaghebbende ouder in beginsel de zeggenschap heeft bij de keuze van en inschrijving op een bepaalde school.

Alhoewel door de GI gesteld is dat de Eben-Haëzerschool de voorkeur heeft van en beter aansluit bij de achtergrond van het pleeggezin, is er niet gebleken van (specifieke) inhoudelijke bezwaren tegen de door de moeder aangedragen Regenboogschool. Deze school heeft net als de Eben-Haëzerschool een christelijke achtergrond en niet is gebleken dat de Regenboogschool uitgangspunten hanteert die in strijd zijn met de levenswijze zoals [minderjarige 1] meemaakt in het pleeggezin. De Regenboogschool heeft (enigszins) andere schooltijden en -vakanties dan de Eben-Haëzerschool waar het andere pleegkind van het pleeggezin naar toe gaat, maar dat is, zoals de pleegmoeder ter zitting heeft aangegeven, niet onoverkomelijk nu de scholen vlak naast elkaar zijn gevestigd.

Gezien het voorgaande heeft de Regenboogschool weliswaar niet de voorkeur van het pleeggezin maar sluit de school voldoende aan bij de situatie van [minderjarige 1] in het pleeggezin en vormt dan ook een alternatief voor de Eben-Haëzerschool. Dat [minderjarige 1] reeds kinderen kent op de Eben-Haëzerschool maakt dat niet anders nu de kinderrechter ervan uit gaat dat hij in staat zal zijn nieuwe vriendschappen aan te gaan.

Nu er met de Regenboogschool een alternatief beschikbaar is waar de moeder wel mee instemt, is naar het oordeel van de kinderrechter een gezagsoverdracht om [minderjarige 1] in te schrijven op de Eben-Haëzerschool in het kader van de ondertoezichtstelling niet noodzakelijk. Het verzoek van de GI zal derhalve worden afgewezen.

Namens de moeder is bij wijze van zelfstandig verzoek verzocht de GI te bevelen mee te werken aan de schoolgang van [minderjarige 1] bij De Regenboogschool. Ingevolge artikel 1:262b BW kunnen geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen aan de kinderrechter worden voorgelegd. De kinderrechter neemt op verzoek een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. De kinderrechter acht het in het belang van [minderjarige 1] dat hij zo snel mogelijk naar school gaat nu hij op dit moment geen onderwijs volgt. Teneinde verdere discussie over naar welke school [minderjarige 1] moet gaan te voorkomen en hem zo snel mogelijk te kunnen laten starten, zal het zelfstandig verzoek van de moeder worden toegewezen. De kinderrechter realiseert zich dat het feit dat [minderjarige 1] naar De Regenboogschool zal gaan meer zal vragen van de pleegouders. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat de pleegouders zich ook in dit geval volledig zullen inzetten om de schoolgang van [minderjarige 1] bij De Regenboogschool zo goed mogelijk te laten verlopen. Daarnaast moet worden benadrukt dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat alle betrokkenen de samenwerking weer oppakken en zich er voor inzetten om deze samenwerking op een goede wijze te laten verlopen.

De beslissing


De kinderrechter:

wijst het verzoek van de GI, strekkende tot gedeeltelijke gezagsuitoefening voor zover het betreft de aanmelding voor een onderwijsinstelling, te weten Eben-Haëzerschool, af;

beveelt de GI mee te werken aan de schoolgang van [minderjarige 1] op de basisschool De Regenboog te Tholen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. N.C.W. Haesen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van Y.W. van Seters-Bogaard als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2016.

(YS)

De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch