Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:7362

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
23-11-2016
Zaaknummer
02-820130-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het openbaar ministerie wordt gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging, omdat verdachte reeds is veroordeeld voor gedragingen die deel uitmaken van de aan hem verweten deelneming aan een criminele organisatie. Verdachte wordt voor deelneming aan een criminele organisatie veroordeeld tot een taakstraf van 90 uur en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/820130-15

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 november 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1949 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. N. Tanoglu, advocaat te Arnhem

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 5, 10, 12 en 13 oktober 2016, waarbij de officieren van justitie, mr. Emmen en mr. Smale, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 mei 2014 tot en met 26

februari 2015 te Bergen op Zoom en/of Vlissingen en/of Amsterdam, (althans)

(op meerdere plekken) in Nederland en/of België, heeft deelgenomen aan een

organisatie, bestaande uit (onder meer) hem zelf, verdachte, en/of

- [medeverdachte 1] en/of

- [medeverdachte 2] en/of

- [medeverdachte 3] en/of

- [medeverdachte 4] en/of

- [medeverdachte 5] en/of

- [medeverdachte 6] en/of

- [medeverdachte 7] en/of

- [medeverdachte 8] en/of

- [medeverdachte 9] en/of

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrij(f)ven,

als bedoeld in artikel 11, derde, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet, te

weten het meermalen in de uitoefening van een beroep of bedrijf grote

hoeveelheden telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland

brengen van een middel als genoemd op lijst II (hennep);

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 januari 2015 te Delft, althans in Nederland,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig

heeft gehad een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 6,5 kilogram hennep, in

elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ten aanzien van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde feit. De politierechter in de rechtbank Den Haag heeft verdachte op 20 april 2015 reeds veroordeeld wegens het transport op 15 januari 2015 dat subsidiair ten laste is gelegd, zodat sprake is van schending van het ne bis in idem-beginsel. Het instellen of in elk geval voortzetten van de vervolging is onverenigbaar met de beginselen van een goede procesorde. Bij verdachte is het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat hij niet zou worden vervolgd, terwijl in vergelijkbare gevallen slechts eenmaal vervolgd wordt.

De officier van justitie is het eens met de verdediging dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit, omdat verdachte hiervoor reeds is veroordeeld. Voor het primair tenlastegelegde is het openbaar ministerie wel ontvankelijk. Van schending van het ne bis in idem-beginsel is geen sprake, omdat verdachte is betrokken bij meerdere transporten. Het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel zijn evenmin geschonden, aldus de officier van justitie.

De rechtbank is met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging ten aanzien van het subsidiaire feit, omdat verdachte hiervoor reeds is veroordeeld.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit als volgt.

Het beginsel van ne bis in idem houdt in dat niemand voor de tweede keer kan worden vervolgd voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds is veroordeeld. Om te beoordelen of sprake is van een schending van dit beginsel, dient te worden beoordeeld of het feit waarvoor verdachte wordt vervolgd, hetzelfde feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) oplevert als het feit waarvoor hij reeds is veroordeeld. Daarbij is van belang de verwantschap tussen de delictsomschrijvingen, waarvan de strekking niet teveel mag uiteenlopen, en de vraag of de verweten gedragingen zijn begaan onder omstandigheden waaruit blijkt van een verband met betrekking tot de gelijktijdigheid van die gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van verdachte. Vuistregel daarbij is dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr.

Verdachte wordt primair verweten dat hij in de periode van 1 mei 2014 tot en met 26 februari 2015 te Bergen op Zoom, Vlissingen en/of Amsterdam, althans in Nederland en/of België heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot doel heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet (strafbaar gesteld in artikel 11a (oud) van de Opiumwet). Het feit waarvoor verdachte reeds is veroordeeld betreft het – kort gezegd – vervoeren van 6,5 kilogram hennep op 15 januari 2015 in Delft, althans in Nederland (strafbaar gesteld in artikel 11 van de Opiumwet). Nu de strekking van artikel 11a van de Opiumwet en artikel 11 van de Opiumwet een andere is en gelet op het verschil in pleegperiode en pleegplaats(en) is op het eerste gezicht geen sprake van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr.

In het arrest van de Hoge Raad van 26 november 1996 (NJ 1997, 209) heeft de Hoge Raad echter overwogen dat de beginselen van een behoorlijke procesorde zich er toch tegen kunnen verzetten dat voor de tweede maal een vervolging wordt ingesteld, indien de eerste rechter het bewijs van deelneming aan een criminele organisatie klaarblijkelijk mede heeft aangenomen op grond van bepaalde concrete gedragingen van de verdachte en deze gedragingen vervolgens in een tweede tenlastelegging zijn opgenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit ook in de hier aan de orde zijnde spiegelbeeldige situatie, te weten eerst een vervolging voor het concrete delict en daarna een afzonderlijke vervolging voor deelneming aan een criminele organisatie. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het arrest van de Hoge Raad van 26 oktober 2010 en de conclusie van de Procureur-Generaal bij dit arrest (ECLI:NL:HR:2010:BL6663).

In het primair tenlastegelegde feit wordt geen melding gemaakt van het concrete delict dat heeft geleid tot de veroordeling van 20 april 2015, te weten het vervoeren van hennep op 15 januari 2015. De omstandigheid dat dit concrete delict subsidiair ten laste is gelegd duidt er echter op dat in de visie van het openbaar ministerie het bewijs voor deelneming aan de criminele organisatie (mede) kan worden gebaseerd op dit concrete delict en daarmee op gedragingen van verdachte waarvoor hij reeds is veroordeeld. De rechtbank is van oordeel dat de beginselen van een behoorlijke procesorde zich hiertegen verzetten. Het openbaar ministerie wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ten aanzien van het primair tenlastegelegde voor zover de deelneming aan de criminele organisatie bestaat uit het vervoeren van hennep op 15 januari 2015. Dit betekent in concreto dat de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie de levering van 15 januari 2015 buiten beschouwing laat.

Ten aanzien van het overige is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van een criminele organisatie en dat verdachte deelnemer aan die criminele organisatie is geweest - zoals primair ten laste is gelegd - doordat hij als chauffeur voor die organisatie heeft opgetreden. De officier van justitie baseert zich daarbij op de verklaring van [verdachte] zelf dat hij ongeveer negen maal heeft gereden voor [medeverdachte 2] en dat hij daar € 1.000,- voor kreeg. Hij heeft over [medeverdachte 2] verklaard: hij vraagt, wij draaien, waarmee hij ook aangeeft wetenschap te hebben van het bestaan van anderen.

Zonder chauffeurs zijn geen leveringen van softdrugs mogelijk en zodoende heeft [verdachte] bijgedragen aan de verwezenlijking van de drugsactiviteiten die het doel van de organisatie waren. Dat hij het grote plaatje, de omvang van de verrichtingen van de organisatie en het aantal transacties wellicht niet kende, doet daaraan niet af.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair tenlastegelegde. De verdediging laat het transport van 15 januari 2015 geheel buiten beschouwing, gelet op het niet-ontvankelijkheidsverweer.

Er bestaat onvoldoende bewijs om te kunnen spreken van een structurele en duurzame samenwerking en in die zin van een bijdrage van [verdachte] aan een organisatie. [verdachte] heeft slechts aantoonbaar sporadisch contact gehad met één enkele verdachte in dit onderzoek en heeft vijf maal voor die persoon gereden, zo heeft hij verklaard. De verklaring van [verdachte] wordt echter op geen enkele wijze ondersteund door de vele processen-verbaal in dit dossier. Hij komt niet voor in tapgesprekken, was niet in het bezit van een encrypted BlackBerry en de enige keer dat hij onder observatie kwam, werd hij aangehouden. Er kan niet worden vastgesteld wat [verdachte] vervoerde bij de door hem genoemde ritten en evenmin kan worden vastgesteld of deze ritten te maken hadden met het oogmerk dat de organisatie zoals bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet zou moeten hebben.

Als er al sprake zou zijn van het vervoeren van goederen ten behoeve van de organisatie met criminele doeleinden, dan maakt het sporadisch vervoeren van goederen nog niet dat sprake is van een duurzame of structurele samenwerking of bijdrage.

Verdachte dient te worden vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie, zoals primair ten laste is gelegd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Telefoonnummers in gebruik bij de verdachten

De rechtbank dient allereerst vast te stellen welke telefoonnummers in gebruik zijn geweest bij de verdachten. Gedurende het onderzoek is een aantal telefoonnummers getapt, zijn observaties uitgevoerd en is er een aantal telefoons inbeslaggenomen onder de verdachten.

[medeverdachte 1]

Op 16 april 2014 werd een IMSI-catcher ingezet op [medeverdachte 1] . Uit de resultaten van de metingen, is na onderzoek gebleken dat [medeverdachte 1] vermoedelijk gebruik maakte van onder meer de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2]1.

De gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] maakte zich in meerdere gesprekken bekend als ‘ [medeverdachte 1] ’ en werd in meerdere gesprekken ook door anderen [medeverdachte 1] genoemd23. Op zondag 4 mei 2014 kreeg de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 1] verschillende sms’jes voor zijn veertigste verjaardag. [medeverdachte 1] is op 4 mei 1974 geboren4.

Gelet op het voorgaande staat voor de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] .

Na het beluisteren door een verbalisant van de gesprekken van de gebruiker van telefoonaansluiting [telefoonnummer 2] is de betreffende verbalisant gebleken dat de persoon dezelfde persoon betrof als de gebruiker van telefoonaansluiting [telefoonnummer 1] . Dit bleek onder andere uit zijn stemgeluid dat in alle hoorbare communicatie overeenkwam5.

Gelet op het voorgaande staat voor de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] .

[medeverdachte 2]

In de periode van 10 september 2014 tot en met 4 november 2014 zijn er verschillende telefoongesprekken en sms-contacten tussen respectievelijk de telefoonnummers [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] en het telefoonnummer [telefoonnummer 5] . Dit laatste nummer staat op naam van [medeverdachte 10]67. Op 27 juli 2014 vindt er een telefoongesprek plaats via het telefoonnummer [telefoonnummer 3] , waarbij de gebruiker van dit telefoonnummer ‘ [bijnaam medeverdachte 2] ’ wordt genoemd. [medeverdachte 2] heeft als bijnaam [bijnaam medeverdachte 2]8. Op 13 oktober 2014 wordt er via het telefoonnummer [telefoonnummer 4] een pizza besteld voor [adres 1] . [adres 1] te Bergen op Zoom is het woonadres van [medeverdachte 2] . De stem van de gebruiker van beide telefoonnummers is bovendien dezelfde als de stem van de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 6], terwijl het laatstgenoemde telefoonnummer op naam staat van [medeverdachte 2]9. Gelet op het voorgaande staat voor de rechtbank vast dat [medeverdachte 2] de gebruiker is van de telefoonnummers [telefoonnummer 6] , [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] .

Op 11 en 12 februari 2015 heeft [medeverdachte 9] ( [telefoonnummer 7]10) meermalen contact met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 8]11. [medeverdachte 9] heeft verklaard dat hij op 12 februari 2015 een hoeveelheid hennep heeft afgeleverd in Zutphen in opdracht van [medeverdachte 2] en dat [medeverdachte 2] voor die rit een bus heeft gehuurd. Toen [medeverdachte 9] terug kwam uit Zutphen is hij naar het autoverhuurbedrijf gereden om de bus terug te brengen en is [medeverdachte 2] daar ook naartoe gekomen om de bus te betalen12.

Uit tapgesprekken volgt dat [medeverdachte 9] om 16.32 uur naar het nummer [telefoonnummer 8] smst: ’20 min ben ik terug’. Nummer [telefoonnummer 8] antwoordt hierop: ‘ok’13. Om 16.51 uur smst [medeverdachte 9] naar [telefoonnummer 8] : ‘ik ben terug’, waarop [telefoonnummer 8] antwoordt: ‘ik kom eraan’14. [medeverdachte 9] parkeerde om 16.49 uur de bus bij autobedrijf [naam autobedrijf] aan [straatnaam] te Bergen op Zoom en om 17.07 uur ziet het observatieteam dat [medeverdachte 2] in zijn Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] in de richting van [straatnaam] rijdt151617.

Gelet op de verklaring van [medeverdachte 9] dat hij in opdracht van [medeverdachte 2] de hennep heeft vervoerd, dat hij met [medeverdachte 2] telefonisch contact had en het feit dat die verklaring wordt ondersteund door tapgesprekken en observaties, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [medeverdachte 2] de gebruiker is van telefoonnummer [telefoonnummer 8] .

Op 15 december 2014 belt de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 9] naar de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 10] , zijnde [naam 2] .

[naam 2] zegt: ‘hallo’ waarna de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 9] zegt: ‘hoi’. [naam 2] zegt: ‘ [bijnaam medeverdachte 2] ’ en de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 9] antwoordt: ‘Ja’. [naam 2] vraagt waar dit nummer weer vandaan komt, waarop de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 9] antwoordt dat hij dit nummer al had18. [medeverdachte 2] heeft als bijnaam [bijnaam medeverdachte 2]19. De stem van de gebruiker van nummer [telefoonnummer 6] en de stem van gebruiker van het nummer [telefoonnummer 9] betrof één en dezelfde persoon20.

Gelet op het voorgaande staat voor de rechtbank vast dat [medeverdachte 2] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 9] .

Op 2 januari 2015 belt de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 11] naar gebruiker [telefoonnummer 12] . De stem van gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 6] en de stem van de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 11] betrof één en dezelfde persoon21. Hierboven heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat [medeverdachte 2] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 6] .

Gelet op het voorgaande staat voor de rechtbank vast dat [medeverdachte 2] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 11] .

Waar sprake is van sms-verkeer of telefoongesprekken afkomstig van de telefoonnummers [telefoonnummer 6] , [telefoonnummer 3] , [telefoonnummer 4] , [telefoonnummer 8] , [telefoonnummer 9] en [telefoonnummer 11] , zal in het hiernavolgende worden vermeld dat het gaat om sms-verkeer dan wel telefoongesprekken van [medeverdachte 2] .

[medeverdachte 9]

heeft op 9 april 2015 verklaard dat hij gebruik maakt van een telefoon van het merk Samsung met het telefoonnummer [telefoonnummer 7] en dat hij dit nummer van provider T-mobile al jaren gebruikt. [medeverdachte 9] is de enige die gebruik maakt van dat telefoonnummer22. Gelet op het vorenstaande neemt de rechtbank als vaststaand aan dat [medeverdachte 9] gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 7].

Waar sprake is van sms-verkeer of telefoongesprekken afkomstig van dit telefoonnummer, zal in het hiernavolgende worden vermeld dat het gaat om sms-verkeer dan wel telefoongesprekken van [medeverdachte 9] .

[verdachte]

Op 31 maart 2015 verklaarde [verdachte] dat hij een mobiele telefoon heeft van het merk Nokia met het telefoonnummer [telefoonnummer 13] . Voorts heeft [verdachte] in dat verhoor verklaard dat het telefoonnummer [telefoonnummer 14] zijn oude nummer is dat hij zes tot acht weken voor dat verhoor heeft weggedaan23. Op 16 januari 2015 verklaarde [verdachte] dat het nummer [telefoonnummer 14] zijn telefoonnummer is24.

Gelet op het vorenstaande neemt de rechtbank als vaststaand aan dat [verdachte] gebruik maakte van de telefoonnummers [telefoonnummer 13] en [telefoonnummer 14].

Op 15 januari 2015 is [verdachte] aangehouden door de politie met hennep in zijn auto2526. [verdachte] heeft verklaard dat hij op 15 januari 2015 [medeverdachte 2] en een onbekende man heeft gezien en dat er door hen twee of drie tassen in zijn kofferbak werden gezet27. Geconfronteerd met telefoongegevens en observaties van die dag heeft [verdachte] bevestigd dat hij gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer 15]28. Voornoemd nummer betreft een prepaid Lebara nummer29. [verdachte] heeft op 31 maart 2015 verklaard dat hij van [medeverdachte 2] een telefoon heeft gekregen met een Lebara kaart en nummer30. Door het vergelijken van de stem van de gebruikers van de telefoonnummers [telefoonnummer 15] en [telefoonnummer 14] werd vastgesteld dat de gebruiker van die nummers een en dezelfde persoon was31

Gelet op het vorenstaande neemt de rechtbank als vaststaand aan dat [verdachte] gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 15].

Waar sprake is van sms-verkeer of telefoongesprekken afkomstig van de telefoonnummers [telefoonnummer 15] , [telefoonnummer 13] en [telefoonnummer 14] , zal in het hiernavolgende worden vermeld dat het gaat om sms-verkeer dan wel telefoongesprekken van [verdachte] .

[medeverdachte 8]

Op 15 januari 2015 is [medeverdachte 8] gecontroleerd en bij die controle werden verdovende middelen, hennep, in zijn auto aangetroffen3233. [medeverdachte 8] werd aangehouden en de telefoons die hij bij zich had werden inbeslaggenomen. Deze telefoons werden uitgelezen en één van die telefoons had het imeinummer [imeinummer] en bevatte een simkaart met imsinummer [imsinummer] . Uit de verkeersgegevens van de tap op het nummer [telefoonnummer 16] is gebleken dat het nummer [telefoonnummer 16] wordt gebruikt in de telefoon met genoemd imeinummer en het meegezonden imsinummer is eveneens identiek aan het nummer van de inbeslaggenomen telefoon van [medeverdachte 8]34.

Op 1 maart 2015 heeft [medeverdachte 8] verklaard dat hij het nummer [telefoonnummer 16] bijna nooit gebruikt, maar wel wanneer hij erop wordt gebeld35.

Gelet op het vorenstaande neemt de rechtbank als vaststaand aan dat [medeverdachte 8] gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 16] .

Op 1 maart 2015 heeft [medeverdachte 8] verklaard dat hij het telefoonnummer [telefoonnummer 17] gebruikt36. Een telefoon met dit telefoonnummer werd bij zijn aanhouding op 15 januari 2015 in zijn auto aangetroffen37. Wanneer [bijnaam medeverdachte 2] contact opnam met [medeverdachte 8] belde hij ook op telefoonnummer [telefoonnummer 17]38.

Gelet op het vorenstaande neemt de rechtbank als vaststaand aan dat [medeverdachte 8] gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 17] .

Waar sprake is van sms-verkeer of telefoongesprekken afkomstig van de telefoonnummers [telefoonnummer 16] en [telefoonnummer 17] , zal in het hiernavolgende worden vermeld dat het gaat om sms-verkeer dan wel telefoongesprekken van [medeverdachte 8] .

Primair - deelname aan een criminele organisatie

Criminele organisatie?

Om te kunnen spreken van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht en daarmee ook van artikel 11a (oud) van de Opiumwet is blijkens de jurisprudentie een aantal aspecten van belang.

Vereist is dat sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband tussen twee of meer personen met een zekere duurzaamheid en structuur en een bepaalde organisatiegraad, dat tot doel heeft het plegen van misdrijven. De deelnemers aan zo’n organisatie dienen niet ieder voor zich, maar in het verband van deze organisatie te participeren en dus te behoren tot de organisatie, zonder dat vereist is dat zij met alle personen in de organisatie samenwerken of alle personen in de organisatie kennen.

Het oogmerk van de criminele organisatie dient gericht te zijn op het plegen van misdrijven. Een betrokkene moet weten - in de zin van onvoorwaardelijk opzet - dat de organisatie het plegen van misdrijven in zijn algemeenheid tot het oogmerk heeft. Betrokkene hoeft echter geen opzet te hebben gehad op concrete door de criminele organisatie beoogde misdrijven. Wetenschap van één of verscheidene concrete misdrijven is evenmin vereist.

Voor deelname aan de criminele organisatie is niet vereist dat een betrokkene deelneemt aan de misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van een misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten. Dit betekent dat het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn voldoende kan zijn, zolang deze handelingen ertoe bijdragen dat het doel van de organisatie gerealiseerd kan worden. Daarbij geldt dat niet iedere bijdrage kan leiden tot het oordeel dat iemand deel uitmaakt van de organisatie. De bijdrage moet een zekere duur en intensiteit hebben.

Was er sprake van een criminele organisatie?

De rechtbank zal in het navolgende de feiten en omstandigheden uiteen zetten die naar haar oordeel van belang zijn voor de bewezenverklaring van het bestaan van een criminele organisatie.

De levering van ongeveer 22 kilo hennep op 23 september 2014

Op 23 september 2014 te 23.13 uur werd op de E17 richting Kortrijk (België), ter hoogte van Nazareth een Renault Kangoo met Belgisch kenteken [kenteken 2] staande gehouden. In de laadruimte van het voertuig werd een hoeveelheid van 22638 gram hennep aangetroffen. De hennep was verpakt in twee grote reistassen.

De bestuurder van voornoemd voertuig werd aangehouden en bleek te zijn: [naam 3] , geboren op [geboortedag naam 2] 1967 te [geboorteplaats naam 2] (Frankrijk)39.

In de periode van 19 september tot en met 23 september 2016 zijn er verschillende telefoongesprekken en sms-contacten geweest tussen [medeverdachte 1] en een onbekend gebleven persoon (hierna te noemen: NN-man 0734) waarin NN-man 0734 onder meer vraagt ‘of er nog iets is’, waarop [medeverdachte 1] antwoordt ‘dat hij het net heeft gezien maar dat er teveel water in zit40 en waarin [medeverdachte 1] zegt dat er 20 is waarop NN-man 0734 antwoordt; ‘ik koop het, het is goed, ik breng het geld mee’41.

Op 21 september 2014 om 22.42 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door NN-man 0734.

[medeverdachte 1] zegt dat er 20 voor morgen is en er is 2 boeda. [medeverdachte 1] ziet het nu en het is top. NN- man gaat overleggen en belt [medeverdachte 1] over 1 uur. NN-man zegt dat de afspraak voor morgen zeker is42.

Op 22 september 2014 om 00.19 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door NN-man 0734.

NN-man vraagt of morgenmiddag goed is. NN-man vraagt is het 20? [medeverdachte 1] zegt: ja ik doe 10 en overmorgen 10, of niet? NN-man wil alles in een keer, 20 plus 2 boeda. [medeverdachte 1] zegt dat het goed is. NN-man vraagt naar de prijs. [medeverdachte 1] zegt zoals de anderen betalen. NN-man hoort het nog van [medeverdachte 1] en is bereid om het gelijk af te rekenen. [medeverdachte 1] vraagt NN-man om hem vanavond te bellen. NN-man wil top kwaliteit en origineel boeda43.

Om 20.16 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door NN-man 0734. NN-man zegt: Kijk s. Ik wacht eventjes op de vriend van mij, hij gaat mijn geld halen, ik wil je vandaag zien, ik wil een deel van het geld aan jou geven, als aanbetaling voor morgen. [medeverdachte 1] zegt: eeh..., hoe laat kom je? NN-man antwoordt ik kom naar de hoeren, ik geef je een deel van het geld, als garantie, oke? [medeverdachte 1] zegt dat de Turk zal komen, geef het aan hem. NN-man zegt: ik geef je de aanbetaling, oke44.

Om 23.45 uur belt [medeverdachte 1] naar NN-man 0734. NN-man zegt: Ik heb de aanbetaling gegeven. Morgen, is het mogelijk morgen om 12 u? Even later in het gesprek zegt [medeverdachte 1] ’s avonds rond acht uur, als het eerder kan, bel ik je op. NN-man zegt dat ’s avonds ook goed is45.

Op 23 september 2014 om 17.44 uur stuurt [medeverdachte 1] een sms-bericht naar NN-man 0734:

‘21h svp’46.

Om 18.57 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door NN-man 0734. [medeverdachte 1] zegt dat hij een sms heeft gestuurd. NN-man vraagt of het mogelijk eerder kan. [medeverdachte 1] antwoordt: Ja eerder, hij komt van ver, ik moet op hem wachten, hij is onderweg, snap je! NN-man zegt dat hij het begrijpt, 21 u op de plek. [medeverdachte 1] : Ja negen uur op de plek47.

Om 20.40 uur stuurt [medeverdachte 1] een sms-bericht naar NN-man0734: ‘Turk is onderweg broeder’48.

Om 20.43 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door NN-man 0734. [medeverdachte 1] zegt: hij is over 15 minuten bij jou. NN-man antwoordt: 15, oke. [medeverdachte 1] geeft aan dat het op de plek is, dezelfde, zoals altijd49.

Om 20.54 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door NN-man 0734. NN-man zegt dat hij op de plek is. [medeverdachte 1] antwoordt: oke is goed 15 eeh 5 minuten, 5 minuten50.

Op 23 september 2014 om 15.30 uur werd door het observatieteam waargenomen dat bij de loods [adres 2] te Oudenbosch onder andere de navolgende voertuigen geparkeerd stonden:

- de personenauto, merk Audi, type A4, kleur grijs, kenteken [kenteken 3] , hierna te noemen de Audi [kenteken 3] ;

- de personenauto, merk Volkswagen, type Golf, kleur lichtgrijs, kenteken [kenteken 1] , hierna te noemen de Golf [kenteken 1] .

Om 15.44 uur zag het observatieteam dat [medeverdachte 1] uit het pand [adres 2] te Oudenbosch kwam en als bestuurder in de Audi [kenteken 3] stapte. Hij vertrok met dit voertuig, maar stopte direct weer langs de rijbaan. Vervolgens ging hij dit pand weer binnen.

Om 17.09 uur zag het observatieteam dat [medeverdachte 1] bij het pand [adres 3] te Oude Molen uit de Audi [kenteken 3] stapte. Naast dit voertuig stond een witte bestelauto geparkeerd. NN1 stond bij dit voertuig.

Om 20.24 uur zag het observatieteam dat de Audi [kenteken 3] geparkeerd werd aan de Frederik Hendrikstraat te Bergen op Zoom. [medeverdachte 1] liep richting de woning [adres 4] te Bergen op Zoom.

Om 21.41 uur reed de Golf [kenteken 1] tegelijk met een donkerkleurige personenauto van het merk Volkswagen, type Jetta en voorzien van het Franse kenteken [kenteken 4] (hierna te noemen: Jetta [kenteken 4] ) en een witte bestelauto van het merk Renault, type Kangoo, voorzien van het Belgische kenteken [kenteken 2] (hierna te noemen Kangoo [kenteken 2] ) de Frederik Hendrikstraat te Bergen op Zoom in. De Golf werd aan de overzijde van de weg tegenover de woning [adres 4] geparkeerd en de twee andere voertuigen werden direct voor deze woning geparkeerd.

Vervolgens zag het observatieteam dat [medeverdachte 2] met een koffer richting de woning [adres 4] liep. In totaal liepen er minimaal drie personen, waaronder [medeverdachte 2] richting deze woning.

Om 22.07 uur vertrokken de Jetta [kenteken 4] , de Kangoo [kenteken 2] en de Golf [kenteken 1] bij de woning [adres 4] te Bergen op Zoom.

Om 22.09 uur zag het observatieteam dat [medeverdachte 1] als bestuurder met de Audi [kenteken 3] vertrok bij de woning [adres 4] te Bergen op Zoom.

Om 22.11 uur zag het observatieteam dat de Golf [kenteken 1] , die kennelijk de overige twee voertuigen tot aan de snelweg begeleidde, op de Huijbergseweg te Bergen op Zoom bij de op- en afritten van de rijksweg A58 keerde en terugreed. De Jetta [kenteken 4] en de Kangoo [kenteken 2] , die met deze Golf waren meegereden, reden vervolgens de A58 richting Antwerpen op.

Om 22.18 uur reed de Jetta [kenteken 4] op de A4 te Ossendrecht op enkele honderden meters voor de Kangoo [kenteken 2] uit en dat kort daarop passeerde deze Kangoo de grensovergang in de richting België.

Om 23.12 uur zag het observatieteam dat de Kangoo [kenteken 2] op de A14 te Nazareth in de rijrichting Kortrijk werd gecontroleerd door de Belgische politie51.

Uit de telefoongesprekken en sms-contacten tussen [medeverdachte 1] en NN-man 0734 volgt dat een afspraak wordt gemaakt voor de levering van ‘20 plus 2 boeda’. NN-man 0734 maakt op 22 september 2014 een afspraak met [medeverdachte 1] om een aanbetaling te doen en [medeverdachte 1] zegt dat hij de Turk zal sturen. In een gesprek van 23.45 uur diezelfde avond, zegt NN-man 0734 dat hij de aanbetaling heeft gegeven. Op 23 september 2014 belt [medeverdachte 2] met ene [naam 4] . [naam 4] vraagt ‘ja met wie spreek ik?’ waarop [medeverdachte 2] antwoordt: ‘ja met een vriend van Sjaak met onze hulk, die turk weet je wel’ (…) ‘die kende gij toch die turk die turk 182’52. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee vast dat [medeverdachte 2] degene is geweest die op 22 september 2014 de aanbetaling in ontvangst heeft genomen. [medeverdachte 1] heeft immers gezegd dat hij de Turk zal sturen en [medeverdachte 2] noemt zichzelf in een telefoongesprek van die dag ook de Turk. Daar komt nog bij dat [medeverdachte 2] op de dag van de levering tegelijk met de later in België staande gehouden Renault Kangoo bij de woning aan de [adres 4] arriveert, vervolgens de woning - waar ook [medeverdachte 1] zich op dat moment bevindt - binnengaat met een koffer en enige tijd later met zijn auto voornoemde Renault Kangoo begeleidt naar de snelweg. In die Kangoo wordt later in België een hoeveelheid van ruim 22 kilo hennep aangetroffen. Deze hoeveelheid komt overeen met de hoeveelheid ‘20 plus 2’ boeda die blijkens de gesprekken tussen [medeverdachte 1] en NN-man 0734 op 23 september 2014 zou worden geleverd.

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 23 september 2014 opzettelijk een hoeveelheid van ongeveer 22 kilo hennep hebben verkocht, afgeleverd, vervoerd en buiten het grondgebied van Nederland hebben gebracht.

De levering van 14,6 kilo hennep op 21 november 2014

Uit de afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat [medeverdachte 2] op 21 november 2014 om 11.31 uur door [medeverdachte 8] werd gebeld. [medeverdachte 2] vraagt in dat gesprek aan [medeverdachte 8] of hij tussen kwart over twee en half drie achter kan staan. [medeverdachte 8] zegt dan dat dat kan53. Om 14.22 uur werd [medeverdachte 2] weer gebeld door [medeverdachte 8] . [medeverdachte 2] zegt in dat gesprek dat hij er zo is54.

Op 21 november 2014 vond een observatie plaats van verdachte [medeverdachte 2] . Door het observatieteam werd onder meer waargenomen dat [medeverdachte 2] om 14.17 uur in een Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken 1] stapte die geparkeerd stond nabij de [adres 5] te Lepelstraat en hiermee wegreed. Om 14.21 uur reed een Audi A4 met het kenteken [kenteken 3] weg vanaf de oprit van de [adres 5] te Lepelstraat.

Om 14.29 uur stopte de Volkswagen Golf op de Parallelweg te Bergen op Zoom ter hoogte van het café "De Watertoren". De bestuurder bleef in de auto zitten.

Om 14.33 uur nam het observatieteam waar dat de eerdergenoemde Volkswagen Golf, eerdergenoemde Audi A4 en een Mercedes type C Combi voorzien van het kenteken [kenteken 5] op de Parallelweg te Bergen op Zoom geparkeerd stonden.

Er werd waargenomen dat [medeverdachte 2] uit de Volkswagen Golf stapte en dat de bestuurder van de Audi A4 naast de Audi stond en kennelijk iets vasthield. Tevens werd waargenomen dat [medeverdachte 8] bij de geopende achterklep van de Mercedes stond. De bestuurder van de Audi liep naar [medeverdachte 8] en maakte vervolgens een beweging alsof hij iets overgaf aan [medeverdachte 8] , terwijl [medeverdachte 8] een beweging maakte alsof hij iets van de bestuurder van de Audi aangegeven kreeg. Men zag dat [medeverdachte 8] zich omdraaide en hierop een beweging maakte alsof hij iets in de kofferruimte plaatste. Vervolgens sloot [medeverdachte 8] de achterklep van de Mercedes. [medeverdachte 8] voegde zich daarna bij de bestuurder van de Audi en [medeverdachte 2] , die in gesprek waren. Meteen daarop stapte de bestuurder van de Audi in de Audi en reed weg. [medeverdachte 8] en [medeverdachte 2] gingen het café "De Watertoren" binnen.

Om 15.05 uur kwam [medeverdachte 2] weer naar buiten, stapte in de Volkswagen Golf en reed weg.

Om 15.11 uur liep ook [medeverdachte 8] naar buiten, stapte als bestuurder in de Mercedes en reed weg.

Het observatieteam zag dat de Volkswagen om 15.15 uur via de A4 bij Zandvliet de grens van Nederland naar België overging en om 15.30 uur stopte op het parkeerterrein aan de Groenendaallaan te Antwerpen, België.

Om 15.17 uur werd waargenomen dat een Renault Megane, voorzien van het kenteken 23-RD-VV over de Olympialaan te Bergen op Zoom reed, komende vanaf de rotonde. De Renault was om 15.10 uur eveneens vertrokken vanaf de Riddertol te Lepelstraat. Om 15.17 uur werd gezien dat eerdergenoemde Mercedes over de Olympialaan te Bergen op Zoom reed in de richting van de rotonde. Men zag dat de bestuurder van de Renault aandachtig keek naar de Mercedes op het moment van passeren. De bestuurder van de Renault werd herkend als verdachte [medeverdachte 1] .

De Mercedes passeerde om 15.35 uur de grens van Nederland naar België bij Putte55.

Om 15.55 uur werd [medeverdachte 8] gebeld door [medeverdachte 2] . [medeverdachte 8] zegt in dat gesprek dat hij er bijna is. [medeverdachte 2] geeft aan dat hij er al is. Op de vraag van [medeverdachte 8] of ‘ze’ er dan ook al zijn, antwoordt [medeverdachte 2] dat ‘ze’ er nog niet zijn. [medeverdachte 8] zegt daarop dat hij dan op het gemakje doet. [medeverdachte 2] zegt vervolgens ‘doe maar rustig aan’56.

Om 16.17 uur werd [medeverdachte 8] weer gebeld door [medeverdachte 2] . [medeverdachte 8] zegt dan ‘nog honderd meter’57.

Om 16.41 uur nam het observatieteam waar dat de Mercedes ook geparkeerd stond aan de Groenendaallaan te Antwerpen.

Om 16.43 uur zag men de achterklep van de kofferbak van de Volkswagen openstaan. [medeverdachte 2] was doende in de kofferbak. Vervolgens deed [medeverdachte 2] de kofferbak dicht en stapte in de Volkswagen. Om 16.48 uur stapte [medeverdachte 8] uit de Mercedes en liep richting de Volkswagen. Om 17.04 stapte [medeverdachte 8] uit de Volkswagen en liep richting een Citroën die ook geparkeerd stond op het parkeerterrein van de Groenendaallaan te Antwerpen. Door het observatieteam werd later waargenomen dat de Citroën voorzien was van het Franse kenteken [kenteken 6] uit de regio 59.

[medeverdachte 8] maakte contact met de bestuurder van de genoemde Citroën en liep vervolgens richting de Mercedes. De Citroën reed achter [medeverdachte 8] aan. De Citroën parkeerde met de achterzijde bij de kofferbak van de Mercedes. De bestuurder van de Citroën stapte uit. De kofferbak van de Mercedes en de kofferbak van de Citroën werden geopend. Vervolgens werd waargenomen dat [medeverdachte 8] uit de Mercedes een grote zwarte gevulde tas pakte en dat die tas in de kofferbak van de Citroën werd gelegd. Daarop werden beide kofferbakken weer gesloten. [medeverdachte 8] stapte in de Mercedes en de bestuurder van de Citroën stapte in de Citroën. Beide auto’s vetrokken vanaf het parkeerterrein aan de Groenendaallaan te Antwerpen. Vervolgens vertrok ook de Volkswagen vanaf het parkeerterrein gelegen aan de Groenendaallaan te Antwerpen.

Om 17.23 uur werd de Citroën door Belgische politie staande gehouden op de rijksweg E19 te Antwerpen58.

In de kofferruimte van de auto troffen de Belgische verbalisanten een grote zwarte sporttas aan. In de tas zat een aantal grote zwarte vacuüm plastic zakken. De inhoud van die plastic zakken werd getest door middel van de M.M.C./cannabis test. De test gaf een positieve reactie, indicatief voor de aanwezigheid van THC. Na weging bleek het in totaal om 14,698 kilogram marihuana te gaan59.

[medeverdachte 8] heeft over dit feit verklaard dat hij door [bijnaam medeverdachte 2] werd gebeld of hij even ‘achter’ wilde komen. Dat is achter het station in Bergen op Zoom. [medeverdachte 8] bevestigt in zijn verhoor dat er toen drugs in zijn auto zijn gezet. Hij is vervolgens met [bijnaam medeverdachte 2] naar de bioscoop in Antwerpen gereden. [medeverdachte 8] heeft de tas aan die gasten gegeven. In de tas zat weed60.

Uit onderzoek door de politie is gebleken dat [medeverdachte 2] ook de naam [bijnaam medeverdachte 2] gebruikt61.

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 8] op 21 november 2014 opzettelijk een hoeveelheid van ongeveer 14,6 kilogram hennep hebben vervoerd, afgeleverd en buiten het grondgebied van Nederland hebben gebracht.

De levering van 13 kilo hennep op 13 februari 2015

Op 13 februari 2015 vond een observatie plaats van verdachte [medeverdachte 2] .

Door het observatieteam werd onder meer waargenomen dat om 13.20 uur een Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken 1] geparkeerd stond aan de [adressen] te Vlissingen.

Om 13.22 uur zag men dat verdachte [medeverdachte 2] uit de Golf stapte samen met een andere man, welke door een van de verbalisanten werd herkend als verdachte [medeverdachte 6] . Men zag [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] een portiek binnengaan welke toegang geeft tot de woningen aan de [adressen] te Vlissingen. Om 14.00 uur stopte er een witte personenauto voor de voornoemde woningen aan de [adressen] te Vlissingen. Men zag dat [medeverdachte 2] naar buiten kwam en contact maakte met de bestuurder van de personenauto, welke een aluminiumkleurige koffer overdroeg aan [medeverdachte 2] . Vervolgens werd waargenomen dat de bestuurder en [medeverdachte 2] weer hetzelfde portiek binnen gingen. De witte personenauto betrof een Seat Ibiza ST voorzien van het kenteken [kenteken 7] .

Om 15.00 uur werd er voor het betreffende portiek een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 8] geparkeerd. Uit de auto stapte een persoon die het portiek binnenging, om 15.11 uur twee grote plastic zakken uit een witte bestelauto tilde en het portiek binnendroeg.

Om 15.33 uur kwamen de bestuurder van de Seat Ibiza en de bestuurder van de Volkswagen met kenteken [kenteken 8] naar buiten en werd waargenomen dat zij twee grijs gemêleerde bigshoppers achterin de Seat Ibiza legden. De bestuurder van de Seat Ibiza stapte in de auto. Vervolgens kwamen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] ook bij het portiek naar buiten en stapten zij in de Golf met kenteken [kenteken 1] . Het observatieteam nam waar dat beide auto’s samen vertrokken. Onderweg naar Bergen op Zoom hebben zij continue bij elkaar gereden, waarbij de Golf met kenteken [kenteken 1] voorop reed62.

Om 16.10 uur zagen verbalisanten, die het verzoek hadden gekregen om uit te kijken naar de Seat Ibiza met kenteken [kenteken 7] , deze auto over de rijksweg A4 rijden komende uit de richting Vlissingen en rijdende in de richting van Roosendaal. Ter hoogte van de afslag Bergen op Zoom Zuid/Huijbergen ging het voertuig van de rijksweg af. De Seat Ibiza parkeerde uiteindelijk op de Prinses Beatrixlaan te Bergen op Zoom. Verbalisanten parkeerden naast het voertuig en troffen in de kofferbak van het voertuig drie zogenaamde big bags aan welke bij nader onderzoek gevuld bleken te zijn met de verbalisanten ambtshalve bekende hennep. De hennep werd inbeslaggenomen, gewogen en bemonsterd. Het bleek om 13 kilogram hennep te gaan63. De bestuurder van de Seat betrof [naam 5]64.

In de onder [medeverdachte 1] in beslaggenomen encrypted BlackBerry telefoon werd onder meer een contact met de naam [naam 6] en bijbehorend emailadres [emailadres] aangetroffen65.

Op basis van de inhoud van de gesprekken die met dat emailadres zijn gevoerd stelt de rechtbank vast dat de gebruiker daarvan verdachte [medeverdachte 5] betreft. In die gesprekken noemt hij onder andere de naam van zijn dochter, de naam van zijn vrouw en het feit dat hij in Vlissingen blijft tot de verbouwing klaar is terwijl [medeverdachte 5] ook daadwerkelijk van Vlissingen naar Amsterdam is verhuisd66.

Tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] vond op 19 februari 2015 een mailwisseling plaats waarin werd gesproken over een chauffeur in Vlissingen die [naam 5] wordt genoemd67. Door de politie is vastgesteld dat de persoon die in de encrypted BlackBerry van [medeverdachte 1] staat vermeld met de naam [naam 5] feitelijk [naam 5] betreft68, die op 13 februari 2015 als chauffeur van het henneptransport vanuit Vlissingen is aangehouden.

Daarnaast werd in de mailwisseling gesproken over een schade die is geleden door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] doordat de handel nooit in een woning is aangekomen maar daarvoor, bij het parkeren, is aangehouden en dat dit de schuld is van [bijnaam medeverdachte 2] /die kale69. Uit onderzoek door de politie is gebleken dat [medeverdachte 2] ook de naam [bijnaam medeverdachte 2] gebruikt70. Zoals hierboven is opgenomen, vond de aanhouding van [naam 5] ook daadwerkelijk plaats naar aanleiding van een observatie van [medeverdachte 2] .

Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat bovenstaande berichten die via de encrypted BlackBerry’s zijn uitgewisseld betrekking hebben op het henneptransport van 13 februari 2015 en dat [medeverdachte 1] als gevolg van het onderscheppen van dit transport schade heeft geleden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen worden dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] en [naam 5] zich op 13 februari 2015 schuldig hebben gemaakt aan het vervoeren van 13 kilogram hennep en dat [medeverdachte 1] hierbij betrokken is geweest.

* De levering van 1344 hennepstekken op 12 februari 2015

Op 11 februari 2015 heeft [medeverdachte 9] in opdracht van [medeverdachte 2] bij autobedrijf [naam autobedrijf] een bestelbus gehuurd7172. Met deze bus met kenteken [kenteken 9] is hij op 12 februari 2015 rond 10.47 uur vertrokken vanaf het adres [adres 6] te Wouw en naar [straatnaam] te Bergen op Zoom gereden73. Voordat [medeverdachte 9] wegreed heeft hij telefonisch contact gehad met [medeverdachte 2] waarbij hij per sms vroeg ‘half elf toch’? [medeverdachte 2] antwoordde hierop: ‘11’74.

Vervolgens is [medeverdachte 9] met die bus naar de Gibsonstraat te Bergen op Zoom gereden waarna de bus in de richting van de Van Andelstraat reed. Gezien werd dat de bus achteruit in een loods geparkeerd stond ter hoogte van de kruising Van Andelstraat / Renessestraat te Steenbergen75. Bij de loods zijn zes dozen in de bus gezet76. Vervolgens is [medeverdachte 9] weer terug naar de Gibsonstraat gereden en vanuit daar enige tijd later vertrokken richting Zutphen7778. Hij werd tijdens deze rit begeleid door [medeverdachte 1] die in een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 10] met [medeverdachte 9] meereed79808182.

In Zutphen stond bij garagebox 406 aan de Haydnstraat een man (hierna: NN3) klaar die de dozen later heeft uitgeladen83. Om 14.39 uur stuurde [medeverdachte 9] een sms-bericht naar [medeverdachte 2] met de inhoud: ‘we zijn er’84.

Gezien werd dat om 14.43 uur in totaal vijf bruin gekleurde kartonnen dozen werden uitgeladen die door NN3 vanuit de bus in de garagebox werden gezet. De bus is vervolgens vertrokken en NN3 stapte in een aldaar geparkeerde auto (Audi A6, [kenteken 11] ), reed een klein stukje en stopte ter hoogte van de Volkswagen Polo ( [kenteken 10] ). [medeverdachte 1] stapte uit voornoemde Audi en nam als bestuurder plaats in de Volkswagen Polo waarna de Audi en de Polo met hoge snelheid vertrokken in de richting van Doetinchem85.

[medeverdachte 9] smst [medeverdachte 2] om 16.32 uur: ’20 min ben ik terug’. [medeverdachte 2] antwoordt hierop: ‘ok’86. Om 16.51 uur smst [medeverdachte 9] naar [medeverdachte 2] : ‘ik ben terug’, waarop [medeverdachte 2] antwoordt: ‘ik kom eraan’87. [medeverdachte 9] parkeerde om 16.49 uur de bus bij autobedrijf [naam autobedrijf] aan [straatnaam] te Bergen op Zoom en om 17.07 uur reed [medeverdachte 2] in de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] in de richting van [straatnaam]888990.

Op 12 februari heeft de politie in een garagebox aan de [adres 7] te Zutphen vijf dozen met hennepstekken aangetroffen. In totaal betrof dit 1344 hennepstekken91.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] tezamen en in vereniging met [medeverdachte 9] en [medeverdachte 2] 1344 hennepstekjes heeft vervoerd, verkocht en afgeleverd. [medeverdachte 2] heeft ten behoeve van het transport [medeverdachte 9] ingeschakeld, die vervolgens de hennepstekken naar Zutphen heeft vervoerd, hierbij begeleid door [medeverdachte 1] .

* De hennepkwekerij aan de [adres 8] te Steenbergen

Op 6 november 2014 wordt door de politie in een schuur/garage in de tuin bij de woning gelegen aan de [adres 8] te Steenbergen een hennepkwekerij met in totaal 231 hennepplanten aangetroffen92. De woning op dit adres is eigendom van verdachte [medeverdachte 11]93. [medeverdachte 10] is de vriendin van verdachte [medeverdachte 11] . De roepnaam van [medeverdachte 11] is [medeverdachte 11] .94

In de periode van 10 september 2014 tot en met 4 november 2014 zijn er verschillende telefoongesprekken en sms-contacten tussen [medeverdachte 2] en het telefoonnummer [telefoonnummer 5] . Het telefoonnummer [telefoonnummer 5] staat op naam van medeverdachte [medeverdachte 10] , zodat de rechtbank als vaststaand aanneemt dat medeverdachte [medeverdachte 10] de gebruiker is van dit telefoonnummer95. Waar sprake is van sms-verkeer of telefoongesprekken afkomstig van dit telefoonnummer, zal in het hiernavolgende worden vermeld dat het gaat om sms-verkeer dan wel telefoongesprekken van [medeverdachte 10] .

Op 10 september 2014 vraagt [medeverdachte 10] via een sms-bericht aan [medeverdachte 2] wanneer de nieuwe visjes komen. [medeverdachte 2] zegt vrijdag. [medeverdachte 10] vraagt of ze dan thuis kan slapen. [medeverdachte 2] zegt zeker, waarom niet. [medeverdachte 10] zegt misschien is het huis dan helemaal verhuurd96. Op 18 september 2014 stuurt [medeverdachte 10] een sms-bericht naar [medeverdachte 2] met de tekst: Is t gelukt nieuwe visjes in t aquarium te plaatsen?97

[medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] hebben op 24 september 2014 telefonisch contact, waarbij [medeverdachte 10] vraagt aan [medeverdachte 2] of onze vriend in de buurt is. [medeverdachte 2] zegt nee, die moest even naar zijn advocaat ofzo. [medeverdachte 10] vraagt of hij hem kan vragen om haar terug te bellen. [medeverdachte 2] moet het vragen, omdat zij niet weet of [medeverdachte 1] nog zin heeft om het door te huren. [medeverdachte 2] zegt dat zal geen probleem zijn, maar wij moeten toch even aan tafel zitten98.

Op 2 oktober 2014 stuurt [medeverdachte 10] een sms-bericht aan [medeverdachte 2] met de tekst: Hee luitjes, wij komen morgenavond/nacht thuis. Dan hoef je niet ongerust te zijn als je wat hoort als jer in stb bent. Liefs [medeverdachte 10] en [medeverdachte 11]99. [medeverdachte 2] stuurt een sms-bericht terug met de tekst: Welcome home! Op 4 oktober 2014 is er telefonisch contact tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 10] , waarbij [medeverdachte 10] aangeeft dat [medeverdachte 11] er ook bij is, omdat ze naar de boekhouder moeten. Er wordt afgesproken dat [medeverdachte 2] diezelfde dag met nog iemand langs komt, ze komen met z’n tweeën100. In de avond is er weer telefonisch contact tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 10] . [medeverdachte 10] zegt dat ze het zo laten. Ze hebben het bestudeerd en ze gokken het er gewoon op. [medeverdachte 2] vraagt voor? Voor die 320 zegt [medeverdachte 10] , waarop [medeverdachte 2] zegt 230 bedoel je? [medeverdachte 10] zegt 230 ja. We gaan het er gewoon op gokken. [medeverdachte 11] heeft ze net bestudeerd.

Op 9 oktober 2014 belt [medeverdachte 10] naar [medeverdachte 2] en vraagt of [medeverdachte 2] langs komt. [medeverdachte 11] heeft alles nagekeken en dan kan hij nog tips geven. Tijdens het gesprek vraagt [medeverdachte 10] aan [medeverdachte 11] of hij na de middag thuis is. [medeverdachte 11] zegt ja dat is goed101.

Op basis van de inhoud van voornoemde tapgesprekken en sms-contacten staat voor de rechtbank vast dat [medeverdachte 2] degene is geweest die samen met ( [medeverdachte 1] en met medeweten van [medeverdachte 10] , 230 hennepplanten heeft geteeld in de schuur/garage bij de woning van [medeverdachte 11] in Steenbergen. Door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 10] wordt immers in versluierde taal gesproken, onder meer over “visjes plaatsen” en over “230”, terwijl er een nagenoeg gelijk aantal (231) hennepplanten in de schuur/garage is aangetroffen. [medeverdachte 1] wordt in een tapgesprek genoemd als huurder.

* Tapgesprekken 10 september 2014 102

Om 11.30 uur komt op de telefoon van [medeverdachte 1] een sms-bericht binnen vanaf het Belgische telefoonnummer [telefoonnummer 18] met als inhoud:"?"

Dit bericht wordt door [medeverdachte 1] beantwoord met: "17 u als het goed is broeder".

Om 13.18 uur wordt er vanaf het hetzelfde telefoonnummer gebeld naar [medeverdachte 1] . NN-man zegt dat "roro" bij hem is en dat hij dringend vraagt. [medeverdachte 1] zegt “ik bel je op als er is”.

Om 16.13 uur belt [medeverdachte 1] naar genoemd telefoonnummer en zegt [medeverdachte 1] dat hij (een derde persoon) over een half uur gaat starten en dat er vier is. NN-man zegt dat het goed is, geen probleem. NN-man zegt dat dit voor "roro" is bedoeld en het moet goed zijn. [medeverdachte 1] zegt dat NN-man zich daarover zorgen hoeft te maken, het is nummer één. NN-man zegt “dan hoef ik niet te stressen” en zegt vervolgens dat hij (zelf) het geld morgen brengt. NN-man wil ook iets voor hemzelf en wil ook nummer één en geen half-half. “Goed goed” zegt [medeverdachte 1] .

Om 16.42 uur belt [medeverdachte 8] naar [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] zegt "ik zie jou zo" en [medeverdachte 8] zegt “Oké”.

Om 16.44 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 8] en vraagt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 8] waar hij is. [medeverdachte 8] zegt “hierzo” waarop [medeverdachte 2] zegt “rij maar even door kom maar hier”.

Om 16.45 uur wordt wederom vanaf het Belgische telefoonnummer een sms-bericht verzonden naar [medeverdachte 1] met de inhoud “6 posible”. [medeverdachte 1] antwoordt hierop "is er 4 broeder". Om 16.53 uur stuurt [medeverdachte 1] een sms-bericht naar het Belgische telefoonnummer met als inhoud "hij is onderweg broeder". Om 17.54 uur komt vanaf het Belgische telefoonnummer een sms-bericht bij [medeverdachte 1] binnen met als inhoud "!", waarop [medeverdachte 1] antwoordt "Wachten broer".

Om 17.59 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 8] . Het telefoonnummer van [medeverdachte 8] is echter niet te bereiken. Om 18.21 uur belt [medeverdachte 2] wederom naar [medeverdachte 8] . [medeverdachte 2] vraagt aan [medeverdachte 8] waarom hij niet opneemt. [medeverdachte 8] zegt dat hij in een file stond. [medeverdachte 2] vraagt “hoe lang nog”, waarop [medeverdachte 8] zegt “nog een kwartier, twintig minuten”.

Om 18.21 uur belt [medeverdachte 1] naar het Belgische telefoonnummer. [medeverdachte 1] vraagt aan NN-man of "hij" al aangekomen is. NN-man zegt dat hij hem nog niet gezien heeft. [medeverdachte 1] vraagt aan NN-man om nog even te wachten want "hij" is niet te bereiken.

Om 18.23 uur stuurt [medeverdachte 1] een sms-bericht naar het Belgische nummer met als inhoud “15 min broeder”.

Om 18.45 uur belt [medeverdachte 8] naar [medeverdachte 2] en zegt [medeverdachte 8] dat hij er is.

Om 18:46 uur stuurt [medeverdachte 1] een sms-bericht naar het Belgische telefoonnummer met de tekst "hij op de plek".

Om 18.48 uur belt [medeverdachte 8] naar [medeverdachte 2] en zegt [medeverdachte 8] dat hij onderweg is.

Uit de hierboven weergegeven tapgesprekken en sms-berichten leidt de rechtbank af dat er op 10 september 2014 hennep is geleverd aan een Belgische afnemer, waarbij [medeverdachte 1] de contacten met de afnemer voor zijn rekening nam, [medeverdachte 2] [medeverdachte 8] inschakelde en aanstuurde en [medeverdachte 8] de hennep heeft vervoerd.

* Tapgesprekken 20 september 2014 103

Om 11.23 uur wordt weer vanaf hetzelfde Belgische telefoonnummer [telefoonnummer 18] gebeld naar [medeverdachte 1] . NN-man vraagt of [medeverdachte 1] heeft gekeken. [medeverdachte 1] zegt dat er nog drie zijn. NN-man vraagt naar de kwaliteit en zegt dat het echt goed moet zijn. [medeverdachte 1] zegt “Ja zeker” en zegt dat de Nederlander tussen vijf en zes uur zal komen. Er is drie of vier. NN-man zegt dat vier goed is. [medeverdachte 1] zegt dat hij later belt.

Om 14.44 uur wordt er vanaf het Belgische telefoonnummer een sms-bericht naar [medeverdachte 1] gestuurd waarin onder meer staat “5h30 ok”. [medeverdachte 1] antwoordt daarop dat hij een sms stuurt.

Om 14.49 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 8] en zegt hij tegen [medeverdachte 8] “vijf uur achter”. [medeverdachte 8] vraagt dan “vijf uur?”, waarop [medeverdachte 2] “ja” zegt.

Om 16.18 uur wordt vanaf het Belgische telefoonnummer gebeld naar [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] zegt dat hij bij hem (derde persoon) is, het in de tas gaat doen en daarna de Nederlander gaat bellen. [medeverdachte 1] zegt dat hij NN-man belt als hij (derde persoon) in de stad is. [medeverdachte 1] zegt dat NN-man niet hoeft te stressen.

Om 16.42 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 8] . [medeverdachte 2] zegt dat het een beetje uitloopt. [medeverdachte 8] vraagt “hoe lang”, waarop [medeverdachte 2] antwoordt “een uur”. [medeverdachte 2] zegt tegen [medeverdachte 8] dat hij maar moet kijken wat hij kan doen.

Om 17.49 uur stuurt [medeverdachte 1] een sms-bericht naar het Belgische telefoonnummer met de inhoud: Hij gaat over 5 min vertrekken broeder.

Om 18.04 uur belt [medeverdachte 8] naar [medeverdachte 2] . [medeverdachte 8] zegt dat hij er is. [medeverdachte 2] zegt dat hij onderweg is

Tussen 19.00 uur en 19.03 uur worden over en weer sms-berichten verzonden tussen [medeverdachte 1] en de gebruiker van het Belgische telefoonnummer. Deze sms-berichten gaan erover hoe lang het nog duurt.

Om 19.46 uur belt [medeverdachte 8] naar [medeverdachte 2] . [medeverdachte 8] zegt “terugweg”. [medeverdachte 2] zegt “ja oké”.

Uit de hierboven weergegeven tapgesprekken en sms-berichten leidt de rechtbank af dat er ook op 20 september 2014 hennep is geleverd aan een Belgische afnemer, waarbij [medeverdachte 1] wederom als contactpersoon optrad, [medeverdachte 2] [medeverdachte 8] inschakelde en aanstuurde en [medeverdachte 8] de hennep vervoerde.

* De encrypted BlackBerry telefoons

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren bij hun aanhouding in het bezit van een BlackBerry. Deze werden in beslag genomen. De BlackBerry ‘s bleken zogenaamde Cryptophones te zijn. Dit zijn speciaal geprepareerde telefoons die versleutelde berichten versturen waardoor ze niet af te luisteren zijn. Door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) werden de bestanden van deze telefoons inzichtelijk gemaakt104.

[medeverdachte 8] heeft verklaard dat hij ook een dergelijke BlackBerry in zijn bezit had, maar dat hij deze nooit heeft gebruikt. Hij wilde niet verklaren van wie hij de BlackBerry heeft ontvangen105.

In de telefoon van [medeverdachte 1] werden berichten aangetroffen uit de periode 16 februari 2015 tot en met 26 februari 2015. In de telefoon van [medeverdachte 2] betrof het berichten uit de periode 26 en 27 februari 2015 en werd ook een aantal oudere berichten tussen hem en [medeverdachte 1] aangetroffen106.

Met de BlackBerry telefoons zijn onder meer de volgende berichten verstuurd.

Op 16 februari 2015 vraagt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] hoeveel hij ‘hoofdpijn’ moet geven en [medeverdachte 1] antwoordt dat hij zes kilo moet geven.

Op 17 februari 2015 worden er meerdere berichten over en weer gestuurd tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] over de zes kilo die naar ‘hoofdpijn’ moet. Op enig moment stuurt [medeverdachte 2] een bericht naar [medeverdachte 1] met de tekst: ‘Kan je niet ff komen als je in de buurt ben. Met zulke partij moet je er bij zijn bro. Ik vind hem beetje spons maar hij zeg zit al van zaterdag im zakken’. [medeverdachte 1] antwoordt daarop: ‘Bro wat is er aan de hand is die niet goed? En je weet dat ik niet kan komen bro...’

[medeverdachte 1] zegt nog dat hoofpijn niet mag gaan zeiken en dat [medeverdachte 2] goed met zijn handen onderin de zakken moet voelen als Moesti komt.

Even later vraagt [medeverdachte 1] hoeveel hij bij heeft. [medeverdachte 2] zegt 49350. [medeverdachte 1] zegt dat [medeverdachte 2] het moet stachen bij [medeverdachte 10] en niet bij NL en dat [medeverdachte 2] met NL voor [naam 7] moet klaar maken en dat [medeverdachte 6] kan bewaken.

Op 18 februari 2015 worden er over en weer berichten verstuurd tussen [medeverdachte 1] en ‘ [naam 8] ’ en tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] vraagt ‘ [naam 8] ’ (door [medeverdachte 1] [naam 8] genoemd) of hij Amnesia nodig heeft en ‘ [naam 8] ’ zegt graag en zegt dat hij ‘cach’ heeft voor 20. [medeverdachte 1] zegt dat hij 1 kilo kan laten zien en dat ‘ [naam 8] ’ daarvoor straks naar hem toe kan komen.

[medeverdachte 1] stuurt naar ‘ [naam 8] ’ dat hij de kilo heeft liggen en dat ‘ [naam 8] ’ kan komen kijken en naar [adres 10] moet komen. ‘ [naam 8] ’ zegt ok en [medeverdachte 1] antwoordt dat hij op hem aan het wachten is.

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben tussen voornoemde berichten door contact over het inpakken van een kilo, over het feit dat [naam 8] 20 wil hebben en [naam 2] een kilo naar [naam 9] moet brengen.

Vervolgens heeft [medeverdachte 1] weer contact met ‘ [naam 8] ’ over het adres waar [medeverdachte 1] naartoe moet komen. Dit adres stuurt [medeverdachte 1] door naar [medeverdachte 2] die even later antwoordt dat hij de zakken op gaat halen en er over 30 minuten is. Vervolgens stuurt [medeverdachte 1] naar ‘ [naam 8] ’ dat hij er is en stuurt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] dat hij er is, maar dat de chauffeur nog onderweg is.

Op 17 februari 2015 stuurt [medeverdachte 1] een bericht naar [naam 10] . [medeverdachte 1] heeft 50 kilo amnesia gekocht en vraagt aan [naam 10] of hij 20 kilo wil hebben. [naam 10] zegt dat het kan, dat [medeverdachte 1] er eentje moet sturen en dat [naam 10] denkt dat die gast er 30 nodig heeft. [medeverdachte 1] zegt dat hij iemand zal sturen voor die kilo. Hierop stuurt [medeverdachte 1] een berichtje naar [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 2] een kilo naar broers moet brengen om te laten zien. [medeverdachte 1] zegt dat hij 20 kilo weg wil doen omdat hij niet met zo veel am liggen, dat is allemaal risico. [medeverdachte 2] zegt dat hij niet weet hoe hij het moet brengen want hij moet 20 klaar maken. [medeverdachte 1] vraagt waarom [medeverdachte 2] dan [naam 2] heeft aangenomen.

[medeverdachte 1] vraagt; 'Hoeveel is er nog buiten laat en [naam 7] ' en [medeverdachte 2] antwoordt: '30 kilo'. [medeverdachte 1] zegt dat [medeverdachte 2] het niet te lang in de zakken moet laten zitten, want dan wordt het bruin. [medeverdachte 1] zegt dat die zakken niet te lang bij [medeverdachte 6] moeten blijven, want dan wordt het bruin. Memet zegt dat hij het weekend niet wil werken, hij heeft ook nog kinderen. [medeverdachte 1] zegt dat [medeverdachte 6] het dan met NL kan klaar maken.

Op 18 feb 2015 stuurt [medeverdachte 1] een bericht naar [naam 11] waarin hij hem vraagt om naar [naam 12] in Steenbergen te gaan en een ‘bb’ te geven en hem meteen uit te leggen hoe het werkt. [naam 11] kan dan later bij [bijnaam medeverdachte 2] geld ophalen.

[naam 11] zegt ok en vraagt om het adres waarna [medeverdachte 1] ‘ [adres 9] ’ stuurt en zegt dat [naam 11] naar [bedrijfsnaam] moet gaan.

Uit de hierboven weergegeven berichten blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in een periode van slechts drie dagen meerdere leveringen van hennep hebben voorbereid en hiertoe intensief samenwerkten. De rechtbank overweegt dat naar haar oordeel met de in de berichten genoemde ‘ [medeverdachte 6] ’ Yassir [medeverdachte 6] bedoeld wordt. [medeverdachte 6] wordt gezien voornoemde berichten kennelijk ingeschakeld voor het bewaken, inpakken en klaarmaken van hennep.

* De verklaring van [medeverdachte 8]

heeft verklaard dat hij [medeverdachte 1] heeft leren kennen via [Naam 13] die een growshop had waar [medeverdachte 8] hem wel eens bij hielp. Hij hoorde van jongens die in de growshop kwamen dat [medeverdachte 1] [bijnaam medeverdachte 2] in dienst had genomen en dat zij in het begin altijd samen waren. [bijnaam medeverdachte 2] trad in het begin zelf op als chauffeur en toen [medeverdachte 1] op een gegeven moment naar Amsterdam is gegaan, heeft [bijnaam medeverdachte 2] een Indo in dienst genomen.

Het is een of twee keer voorgekomen dat [bijnaam medeverdachte 2] belde en vroeg of [medeverdachte 8] ‘achter’ kon komen, hiermee werd bedoeld achter het station in Bergen op Zoom. Er werden dan drugs in zijn auto gezet en [medeverdachte 8] bracht het weg. Het is ook wel eens voorgekomen dat hij met [bijnaam medeverdachte 2] meereed om geld op te halen. [medeverdachte 8] kreeg telkens 100 euro betaald.

Hij is ook wel eens in Nijmegen ‘boodschappen gaan doen’. Hij kreeg dan altijd 50 euro benzinegeld en 10 euro om iets te eten of te drinken. Hij bracht niet enkel weed weg, maar ook wel eens kweekspullen, zoals ventilators107.

[medeverdachte 8] heeft voorts verklaard dat hij wel eens bij de ouders van [medeverdachte 2] thuis is geweest. Hij moest daar zijn auto neerzetten en met de auto van [medeverdachte 2] ergens naartoe rijden. Op 30 december 2014 heeft hij zakken waarin ze weed verpakken naar Gent, België, gebracht.

[medeverdachte 8] heeft ook driemaal in de Audi met kenteken [kenteken 3] gereden. Hem werd toen gevraagd de auto mee te nemen en op een andere plaats neer te zetten. [bijnaam medeverdachte 2] reed ook wel eens in de Audi en [verdachte] ook. [medeverdachte 8] heeft ook een paar keer in de Volkswagen Golf van [medeverdachte 2] gereden.

Op 22 november 2014 had [bijnaam medeverdachte 2] aan [medeverdachte 8] gevraagd of hij achter [medeverdachte 1] aan wilde rijden. Ze zijn naar een kamp bij Eindhoven gereden. [medeverdachte 8] heeft daar staan wachten tot [medeverdachte 1] naar hem toekwam en zei dat hij weer kon gaan, omdat het niet doorging. [medeverdachte 8] ontving wel 150 euro108.

* De verklaring van [verdachte]

heeft verklaard dat hij in november 2014 is benaderd door een Turkse jongen, [bijnaam medeverdachte 2] , om postpakketjes te leveren. Hij kreeg een week daarna een sms' je van die Turkse jongen dat hij naar Rotterdam moest. Hij wist op een gegeven moment dat het weed was in plastic zakken. Hij zou per maand 750 tot 1000 euro verdienen als hij hooguit twee keer per week zou rijden109.

[verdachte] heeft voorts verklaard dat hij de Audi met kenteken [kenteken 3] voor 1250 euro van [medeverdachte 4] heeft gekocht110. 15 januari 2015 is hij aangehouden in Delft en een week later heeft hij de Audi verkocht aan [bijnaam medeverdachte 2] en een Hollandse jongen. Hij heeft verklaard dat hij drie keer naar Rotterdam moest rijden. Hij kreeg dan een sms'je van [bijnaam medeverdachte 2] en daarin stond een adres waarvan hij wist waar hij naartoe moest rijden. Hij moest soms spullen halen en brengen en ging dan naar een parking waar hij de sleutel moest afgeven aan jongeren die daar stonden te wachten of die later aan kwamen. Hij heeft twee keer iets in Amsterdam en drie keer iets in Rotterdam opgehaald en dat bracht hij dan naar de A17 naar verschillende parkeerplaatsen111.

[bijnaam medeverdachte 2] legde uit wat [verdachte] moest doen. [bijnaam medeverdachte 2] betaalde altijd de benzine voor de transporten. [verdachte] tankte en [bijnaam medeverdachte 2] ging de tankshop binnen om te betalen112. [verdachte] heeft voorts verklaar dat hij voor 1000 euro in de maand ongeveer drie keer in de week tassen kon vervoeren. De ene keer was het meer dan de andere keer. Hij werd gebeld en moest dan gaan rijden. De locaties waar hij de spullen haalde of bracht waren vaak anders. Wel waren het altijd parkeerplaatsen of garages113.

Conclusie ten aanzien van het bestaan van een criminele organisatie

De rechtbank overweegt dat uit alle bewezen verklaarde feiten en de voornoemde bewijsmiddelen tezamen volgt dat er op grote schaal is gehandeld in hennep door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , waarbij de andere verdachten uitvoerende taken op zich namen. Er was sprake van een duidelijke rolverdeling. [medeverdachte 1] maakte doorgaans de afspraken met de afnemers en onderhield het contact met hen, [medeverdachte 2] coördineerde de levering van de hennep en schakelde een chauffeur in en de overige verdachten verpakten de hennep en vervoerden en laadden de hennep. Het samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en de andere verdachten had naar het oordeel van de rechtbank een duurzaam karakter, gelet op de periode waarin is samengewerkt bij de handel in hennep en het grote aantal transacties dat heeft plaatsgevonden. De rechtbank is daarom van oordeel dat het samenwerkingsverband als een organisatie kan worden aangemerkt. Deze organisatie had als oogmerk het verkopen, afleveren, vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen van grote hoeveelheden hennep, hetgeen blijkt uit de door de rechtbank bewezenverklaarde leveringen van hennep zoals hierboven besproken, de betrokkenheid van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij de hennepkwekerij in Steenbergen, de tapgesprekken op 10 en 20 september 2014 en de gesprekken gevoerd met de encrypted BlackBerry telefoons. Gelet op het professionele karakter van de organisatie en de schaal waarop in hennep werd gehandeld, werden de feiten naar het oordeel van de rechtbank in de uitoefening van een beroep of bedrijf gepleegd.

De rollen van de betrokken personen in de organisatie

Zoals in het voorgaande reeds overwogen, was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een duidelijke rolverdeling binnen de organisatie.

De rol van [medeverdachte 1]

Uit de hierboven beschreven leveringen, tapgesprekken en gegevens uit de encrypted BlackBerry’s komt naar voren dat [medeverdachte 1] degene was die (financiële) afspraken maakte en contact onderhield met de afnemers. Voorts blijkt hieruit dat hij [medeverdachte 2] instructies gaf over het afleveren van de hennep, het opslaan van de hennep en de personen die hierbij moesten worden ingeschakeld. [medeverdachte 1] kan daarom als leider van de criminele organisatie worden beschouwd. De rechtbank neemt gelet op de hierboven weergegeven bewijsmiddelen aan dat de criminele organisatie waaraan [medeverdachte 1] leiding gaf, in de periode van 1 september 2014 tot en met 26 februari 2015 actief is geweest. Ten aanzien van de hieraan voorafgaande periode blijkt weliswaar dat sprake is geweest van hennepleveringen, maar niet dat deze leveringen plaatsvonden in een georganiseerd verband.

De rol van [medeverdachte 2]

Uit de hierboven beschreven leveringen, tapgesprekken, verklaringen van medeverdachten en gegevens uit de encrypted BlackBerry’s komt naar voren dat [medeverdachte 2] degene was die de leveringen van de hennep coördineerde en daarvoor chauffeurs inschakelde. Veelal was hij ook zelf actief betrokken bij het afleveren van de hennep. Voorts nam hij mensen aan en trad hij op als de verbindende schakel tussen [medeverdachte 1] en de overige leden van de criminele organisatie. Zijn rol was die van rechterhand van [medeverdachte 1] , de leider van de organisatie. Gelet op de coördinerende en sturende rol die [medeverdachte 2] vervulde, kan hij naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als bestuurder van de organisatie. Ook ten aanzien van [medeverdachte 2] neemt de rechtbank aan dat de organisatie waarvan hij bestuurder was, in de periode van 1 september 2014 tot en met 26 februari 2015 actief is geweest.

De rol van [medeverdachte 8]

Uit de hierboven beschreven leveringen, tapgesprekken en de verklaring van [medeverdachte 8] zelf komt naar voren dat [medeverdachte 8] door [medeverdachte 2] is ingehuurd als chauffeur en dat [medeverdachte 8] in die hoedanigheid ten behoeve van de organisatie verschillende hennepleveringen heeft verricht gedurende een periode van vier maanden. Hij verrichtte deze werkzaamheden primair vanuit een zekere duurzame onderlinge samenwerking met – (een van) de leden van – de criminele organisatie. De bijdrage die hij daarmee leverde was van voldoende intensiteit en duur, gelet op het aantal leveringen waarbij hij betrokken is geweest en de periode waarin deze leveringen hebben plaatsgevonden. Verder is de rol van vervoerder van de drugs in een organisatie als deze onmisbaar en van groot belang.

De rol van [verdachte]

Uit de hierboven beschreven leveringen, tapgesprekken en de verklaringen van [medeverdachte 8] en [verdachte] volgt dat [verdachte] door [medeverdachte 2] is ingehuurd als chauffeur en dat [verdachte] in die hoedanigheid ten behoeve van de organisatie verschillende hennepleveringen heeft verricht gedurende een periode van tweeënhalve maand. Hij verrichtte deze werkzaamheden primair vanuit een zekere duurzame onderlinge samenwerking met – (een van) de leden van – de criminele organisatie. De bijdrage die hij daarmee leverde was van voldoende intensiteit en duur gelet op het aantal leveringen waarbij hij betrokken is geweest en de periode waarin deze leveringen hebben plaatsgevonden. Verder is de rol van vervoerder van de drugs in een organisatie als deze onmisbaar en van groot belang.

De rechtbank acht ten aanzien van [verdachte] wettig en overtuigend bewezen dat hij in de periode van 1 november 2014 tot 15 januari 2015 heeft deelgenomen aan de criminele organisatie.

De rol van [medeverdachte 6]

Op grond van hetgeen bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat [medeverdachte 6] zich samen met [medeverdachte 2] en [naam 5] op 13 februari 2015 schuldig heeft gemaakt aan een transport van 13 kilogram hennep waarbij [medeverdachte 1] ook betrokken was. Voorts is vast komen te staan dat [medeverdachte 6] in de woning aan de [adres 8] te Steenbergen woonde114115, waarin een hennepkwekerij gevestigd was die daar door leden van de criminele organisatie was opgezet en waar blijkens de gesprekken uit de encrypted BlackBerry hennep werd opgeslagen en dat zijn naam voorkomt in de contactenlijst van de encrypted BlackBerry van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]116. Voorts werd in een gesprek tussen moeder [naam moeder medeverdachte 6] en [naam 1] gesproken over het feit dat [medeverdachte 6] zou gaan werken, dat hij nog niet bij [medeverdachte 1] begonnen is, maar 1 februari begint en dat Khadija blij is dat hij werkt en dat ‘hij’ een auto voor hem gaat kopen117. Voorts wordt zijn naam genoemd in gesprekken en berichten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als degene die hennep kan verpakken en bewaken en die hennep aan het drogen is118. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat [medeverdachte 6] werkzaam was voor de criminele organisatie waaraan [medeverdachte 1] leiding gaf. [medeverdachte 6] verrichtte deze werkzaamheden primair vanuit een zekere duurzame onderlinge samenwerking met – de leden van – de criminele organisatie. De bijdrage die hij daarmee leverde was van voldoende intensiteit en duur.

De rol van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9]

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat ook [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] hebben deelgenomen aan de criminele organisatie. Voor deze medeverdachten geldt dat er onvoldoende bewijs is dat zij hebben bijgedragen aan het doel van de criminele organisatie ( [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 7] ), dan wel dat sprake is geweest van een bijdrage aan de criminele organisatie van een zekere duur en intensiteit ( [medeverdachte 5] en [medeverdachte 9] ). Van dit onderdeel zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Conclusie

Op grond van vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er in de periode van 1 september 2014 tot en met 26 februari 2015 sprake was van een criminele organisatie die bestond uit [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , dat [medeverdachte 1] de oprichter en leider van die organisatie was en dat [medeverdachte 2] bestuurder daarvan was. [verdachte] heeft daaraan een wezenlijke bijdrage geleverd door gedurende een periode van ongeveer twee en halve maand als chauffeur voor de organisatie op te treden.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 november mei 2014 tot en met

15 januari 26 februari 2015 te Bergen op Zoom en/of Vlissingen en/of Amsterdam, (althans) (op meerdere plekken) in Nederland en/of België, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit (onder meer) hem zelf, verdachte, en/of

- [medeverdachte 1] en/of

- [medeverdachte 3] en/of

- [medeverdachte 4] en/of

- [medeverdachte 5] en/of

- [medeverdachte 6] en/of

- [medeverdachte 7] en/of

- [medeverdachte 8] en/of

- [medeverdachte 9] en/of

- [verdachte]

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrij(f)ven, als bedoeld in artikel 11, derde, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet, te weten het meermalen in de uitoefening van een beroep of bedrijf grote hoeveelheden telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een middel als genoemd op lijst II (hennep).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 240 uur met daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie. Deze organisatie was gericht op grootschalige, internationale handel in hennep. Gedurende een langere periode zijn grote hoeveelheden hennep vervoerd en verkocht in Nederland en uitgevoerd naar België en Frankrijk. De organisatie bestond uit een aantal personen die in wisselende samenstelling hebben geopereerd. Binnen deze organisatie had ieder van de verdachten zijn eigen essentiële rol.

De organisatie bestond uit een aantal personen. Dit waren in ieder geval [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 8] , [verdachte] en [medeverdachte 6] . Opvallend is te noemen dat bijna alle bij de organisatie betrokken personen, voordat zij een rol gingen spelen in de organisatie, afkomstig waren uit de kennissenkring van de leider van de organisatie, te weten [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] kende de deelnemers van vroeger, uit de buurt, via een van zijn vrienden of was voorafgaande aan en in de bewezen periode met hen bevriend. [medeverdachte 6] , eveneens een deelnemer aan de criminele organisatie, is zijn zwager.

Verdachte was vanaf begin november 2014 tot medio januari 2015 als chauffeur in dienst van de criminele organisatie. In deze hoedanigheid leverde hij partijen hennep af bij de afnemers. Verder vervoerde hij andere hennepgerelateerde spullen. Hij kreeg opdrachten van medeverdachte [medeverdachte 2] via de telefoon. Hij werd betaald per klus en kreeg bovendien de benzinekosten vergoed. Verder heeft verdachte speciaal voor het vervoer van de softdrugs een telefoon van medeverdachte [medeverdachte 2] gekregen. Als chauffeur was verdachte een onmisbare schakel in de criminele organisatie. Hij vervoerde immers de verkochte hennep en droeg daarmee de verantwoordelijkheid voor de levering van de kostbare waar.

Door deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben verdachte en zijn medeverdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in softdrugs met zich meebrengt. De in hennep aanwezige stof THC is immers bij (langdurig) gebruik schadelijk voor de gezondheid. Door als organisatie bezig te zijn met het in de samenleving brengen van softdrugs wordt bijgedragen aan dit schadelijke gevolg.

Het telen van en de handel in hennep zijn daarnaast direct en indirect oorzaak van vele vormen van overlast en criminaliteit. Deelnemers aan dit type criminele organisatie verkeren in een omgeving waarin veel geld omgaat en verdiend kan worden, en waar andere vormen van criminaliteit niet geschuwd worden. Dit geldt ook voor het gebruik van geweld. De liquidaties die de afgelopen jaren in Nederland hebben plaatsgevonden tegen de achtergrond van de grootschalige (soft)drugshandel en uitgebreid in het nieuws zijn geweest, zijn hiervan een schrijnend voorbeeld. Hoewel niet gebleken is dat deze criminele organisatie geweld heeft gebruikt, blijkt hieruit wel de noodzaak om dergelijke criminele organisaties te bestrijden.

Criminele organisaties als deze hebben een ontwrichtend effect op de rechtsorde, door de interne normen en omgangsvormen die worden gehanteerd, en door de winsten die dergelijke organisaties maken en die op enig moment weer in de bovenwereld geïnvesteerd worden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij.

Weliswaar kent Nederland ten aanzien van softdrugs een gedoogbeleid, maar ook dit beleid kent zijn grenzen. Het gedogen is vooral gericht op het gebruik van hennep en hasj. Hoewel de rechtbank beseft dat er door het gedoogbeleid sprake is van een schemergebied, neemt dit niet weg dat het op grote schaal handelen in en uitvoeren van softdrugs zoals in deze zaak heeft plaatsgevonden, nadrukkelijk niet gedoogd wordt en strafbaar is.

Verdachte was voor een periode van tweeënhalve maand chauffeur van de criminele organisatie en nam als zodanig een belangrijke, onmisbare rol binnen de criminele organisatie in. Verdachte is eenmaal eerder met justitie in aanraking gekomen voor een drugsgerelateerd delict. Hij is hiervoor op 20 april 2016 veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is dan ook van toepassing. Naar het oordeel van de rechtbank is in de eis van de officier van justitie met deze omstandigheid onvoldoende rekening gehouden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een taakstraf van 90 uur met daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden passend en geboden is. Indien de zaken wel tegelijkertijd waren berecht was er naar het oordeel van de rechtbank de maximale taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 47, 57, 63, 140 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11, 11a (oud), 13 en 14 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde en ten aanzien van het primair tenlastegelegde voor zover de deelneming aan de criminele organisatie bestaat uit het vervoeren van hennep op 15 januari 2015;

- verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Primair: deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 90 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 45 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. Janssen, voorzitter, mr. De Weert en mr. Ebben, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van de Vrede en mr. Jansen-van Rooijen griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 november 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld het eindproces-verbaal met onderzoeksnummer 20TGO14005 en dossiernummer 2014038067 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, team Grootschalige Opsporing, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 9574. Het proces-verbaal van bevindingen identificatie, pagina 9555 en 9556 van voornoemd eindproces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van bevindingen identificatie, pagina 9556 van voornoemd eindproces-verbaal.

3 De tapgesprekken, pagina 9558, 9559 en 9561 van voornoemd eindproces-verbaal.

4 Het proces-verbaal van bevindingen identificatie, pagina 9556 van voornoemd eindproces-verbaal.

5 Het proces-verbaal van bevindingen identificatie, pagina 9556 van voornoemd eindproces-verbaal.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 7270 van voornoemd eindproces-verbaal.

7 Het overzicht gesprekken, pagina 7274 en 7275 van voornoemd eindproces-verbaal.

8 Het proces-verbaal van verdenking, pagina 3609 van voornoemd eindproces-verbaal, en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , pagina 3756 van voornoemd eindproces-verbaal.

9 Het proces-verbaal van bevindingen identificatie [medeverdachte 2] , pagina 9516 tot en met 9518 en 9521 van voornoemd eindproces-verbaal.

10 Het proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 9] , pagina 4558 en 4559 van voornoemd eindproces-verbaal.

11 De tapgesprekken, pagina 7617-7619 van voornoemd eindproces-verbaal.

12 Het proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 9] , pagina 4561 en 4564 van voornoemd eindproces-verbaal.

13 De tapgesprekken, pagina 7647 van voornoemd eindproces-verbaal.

14 De tapgesprekken, pagina 7648 van voornoemd eindproces-verbaal.

15 Het proces-verbaal observatie, pagina 7651 van voornoemd eindproces-verbaal.

16 Het proces-verbaal van bevindingen 12 februari 2015, pagina 7621 van voornoemd eindproces-verbaal.

17 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 3776 van voornoemd eindproces-verbaal.

18 Het proces-verbaal van bevindingen identificatie [medeverdachte 2] , pagina 9519 van voornoemd eindproces-verbaal.

19 Het proces-verbaal van verdenking, pagina 3609 van voornoemd eindproces-verbaal, en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , pagina 3756 van voornoemd eindproces-verbaal.

20 Het proces-verbaal van bevindingen identificatie [medeverdachte 2] pagina 9519 van voornoemd eindproces-verbaal.

21 Het proces-verbaal van bevindingen identificatie [medeverdachte 2] , pagina 9520 van voornoemd eindproces-verbaal.

22 Het proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 9] , pagina 4558 en 4559 van voornoemd eindproces-verbaal.

23 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , pagina 4536 van voornoemd eindproces-verbaal.

24 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , pagina 7528 van voornoemd eindproces-verbaal.

25 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 7518 en 7519 van voornoemd eindproces-verbaal.

26 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 7526 en 7527 van voornoemd eindproces-verbaal.

27 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 4547 van voornoemd eindproces-verbaal.

28 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 4546 van voornoemd eindproces-verbaal.

29 De tapgesprekken, pagina 7492 van voornoemd eindproces-verbaal.

30 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , pagina 4536 van voornoemd eindproces-verbaal.

31 Het proces-verbaal identificatie gebruiker telefoonnummers [telefoonnummer 15] en 31646233221, pagina 4548 van voornoemd eindproces-verbaal.

32 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 7556 en 7557 van voornoemd eindproces-verbaal.

33 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 7575 en 7576 van voornoemd eindproces-verbaal.

34 Het proces-verbaal identificatie gebruiker telefoonnummer [telefoonnummer 16] , pagina 9549 van voornoemd eindproces-verbaal.

35 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 8] , pagina 3869 van voornoemd eindproces-verbaal.

36 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 8] , pagina 3869 en 3870 van voornoemd eindproces-verbaal.

37 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 8] , pagina 3869 van voornoemd eindproces-verbaal.

38 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 8] , pagina 3870 van voornoemd eindproces-verbaal.

39 Het navolgend proces-verbaal 000563/2014-23-09-2014 van DAC-Wegpolitie Oost-VL-Patrouille en Toezicht 5636, los opgenomen in het dossier ter aanvulling op het eindproces-verbaal;

40 Het tapgesprek, pagina 3693 van voornoemd eindproces-verbaal;

41 Het tapgesprek, pagina 3698 en 3699 van voornoemd eindproces-verbaal;

42 Het tapgesprek, pagina 3713 van voornoemd eindproces-verbaal;

43 Het tapgesprek, pagina 3714 en 3715 van voornoemd eindproces-verbaal;

44 Het tapgesprek, pagina 3718 en 3719 van voornoemd eindproces-verbaal;

45 Het tapgesprek, pagina 3727 en 3728 van voornoemd eindproces-verbaal;

46 Het tapgesprek, pagina 3729 van voornoemd eindproces-verbaal;

47 Het tapgesprek, pagina 3730 en 3731 van voornoemd eindproces-verbaal;

48 Het tapgesprek, pagina 3733 van voornoemd eindproces-verbaal;

49 Het tapgesprek, pagina 3734 van voornoemd eindproces-verbaal;

50 Het tapgesprek, pagina 3735 van voornoemd eindproces-verbaal;

51 Het proces-verbaal van observatie, pagina 7266-7268 van voornoemd eindproces-verbaal;

52 Het proces-verbaal van verdenking, pagina 3610 van voornoemd eindproces-verbaal;

53 Het tapgesprek, pagina 7451 van voornoemd eindproces-verbaal.

54 Het tapgesprek, pagina 7452 van voornoemd eindproces-verbaal.

55 Het proces-verbaal van observatie, pagina 7479 tot en met 7481 van voornoemd eindproces-verbaal.

56 Het tapgesprek, pagina 7454 van voornoemd eindproces-verbaal.

57 Het tapgesprek, pagina 7454 en 7455 van voornoemd eindproces-verbaal.

58 Het proces-verbaal van observatie, pagina 7481 en 7482 van voornoemd eindproces-verbaal.

59 Het proces-verbaal van vaststellingen en inlichtingen van de wegpolitie Antwerpen, pagina 7468 tot en met 7471.

60 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 8] , pagina 3859 en 3860 van voornoemd eindproces-verbaal.

61 Het proces-verbaal van verdenking, pagina 3609 van voornoemd eindproces-verbaal, en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , pagina 3756 van voornoemd eindproces-verbaal.

62 Het proces-verbaal van observatie, pagina 7680 tot en met 7682 van voornoemd eindproces-verbaal.

63 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 7698 en 7699 van voornoemd eindproces-verbaal.

64 Het proces-verbaal van aanhouding, pagina 7695 van voornoemd eindproces-verbaal.

65 Het proces-verbaal van bevindingen encrypted BlackBerry’s, pagina 8162 en 8163 van voornoemd eindproces-verbaal.

66 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 augustus 2015 met nummer 20150601.000857, los opgenomen in het dossier ter aanvulling op het eindproces-verbaal.

67 Het proces-verbaal van bevindingen encrypted BlackBerry ‘s, pagina 8184 en 8185 van voornoemd eindproces-verbaal.

68 Het proces-verbaal van bevindingen encrypted BlackBerry’s, pagina 8163 van voornoemd eindproces-verbaal.

69 Het proces-verbaal van bevindingen encrypted BlackBerry ‘s, pagina 8184 en 8185 van voornoemd eindproces-verbaal.

70 Het proces-verbaal van verdenking, pagina 3609 van voornoemd eindproces-verbaal, en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , pagina 3756 van voornoemd eindproces-verbaal.

71 Het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 9 april 2014, pagina 4561 en 4562 van voornoemd eind-proces-verbaal.

72 Het tapgesprek, pagina 7617 van voornoemd eindproces-verbaal.

73 Het proces-verbaal Observatie, pagina7649 van voornoemd eindproces-verbaal.

74 De tapgesprekken, pagina 7619 van voornoemd eindproces-verbaal.

75 Het proces-verbaal Observatie, pagina7649 van voornoemd eindproces-verbaal.

76 Het proces-verbaal verhoor [medeverdachte 9] , pagina 4563 van voornoemd eindproces-verbaal.

77 Het proces-verbaal verhoor [medeverdachte 9] , pagina 4563 van voornoemd eindproces-verbaal.

78 Het proces-verbaal Observatie, pagina 7650 en 7651 van voornoemd eindproces-verbaal.

79 Het proces-verbaal Observatie, pagina 7650 en 7651 van voornoemd eindproces-verbaal.

80 Het proces-verbaal verhoor [medeverdachte 9] , pagina 4563 en 4576 van voornoemd eindproces-verbaal.

81 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 7656 en 7657 van voornoemd eindproces-verbaal.

82 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 7663 en 7664 van voornoemd eindproces-verbaal.

83 Het proces-verbaal verhoor [medeverdachte 9] , pagina 4564 van voornoemd eindproces-verbaal.

84 Het tapgesprek, pagina 7620 van voornoemd eindproces-verbaal.

85 Het proces-verbaal Observatie, pagina 7651 van voornoemd eindproces-verbaal.

86 De tapgesprekken, pagina 7647 van voornoemd eindproces-verbaal.

87 De tapgesprekken, pagina 7648 van voornoemd eindproces-verbaal.

88 Het proces-verbaal observatie, pagina 7651 van voornoemd eindproces-verbaal.

89 Het proces-verbaal van bevindingen 12 februari 2015, pagina 7621 van voornoemd eindproces-verbaal.

90 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 3776 van voornoemd eindproces-verbaal.

91 Het proces-verbaal van bevindingen 20TGO14005-407644-120220151530 van politie eenheid oost-Nederland, los opgenomen in het dossier ter aanvulling op het eindproces-verbaal.

92 Het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, pagina 7315 tot en met 7317 van voornoemd eindproces-verbaal.

93 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 11] , pagina 7347 van voornoemd eindproces-verbaal.

94 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 10] , pagina 7344 van voornoemd eindproces-verbaal.

95 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 7270 van voornoemd eindproces-verbaal.

96 Het overzicht gesprekken, pagina 7274 en 7275 van voornoemd eindproces-verbaal.

97 Het overzicht gesprekken, pagina 7276 van voornoemd eindproces-verbaal.

98 Het overzicht gesprekken, pagina 7276 en 7277 van voornoemd eindproces-verbaal.

99 Het overzicht gesprekken, pagina 7279 van voornoemd eindproces-verbaal.

100 Het overzicht gesprekken, pagina 7279 en 7280 van voornoemd eindproces-verbaal.

101 Het overzicht gesprekken, pagina 7280 en 7281 van voornoemd eindproces-verbaal.

102 Het proces-verbaal van bevindingen drugsleveringen 10 tot en met 23 september 2014, pagina 7249 tot en met 7451 van voornoemd eindproces-verbaal.

103 Het proces-verbaal van bevindingen drugsleveringen 10 tot en met 23 september 2014, pagina 7459 en 7460 van voornoemd eindproces-verbaal.

104 Het proces-verbaal van bevindingen encrypted BlackBerry’s, pagina 8162 en 8163 van voornoemd eindproces-verbaal.

105 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 8] , pagina 3893 van voornoemd eindproces-verbaal.

106 Het proces-verbaal van bevindingen encrypted BlackBerry’s, pagina 8162 en 8163 van voornoemd eindproces-verbaal.

107 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 8] , pagina 3856-3861 van voornoemd eindproces-verbaal.

108 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 8] , pagina 3896, 3898.

109 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , pagina 4533 en 4544 van voornoemd eindproces-verbaal.

110 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , pagina 7530 van voornoemd eindproces-verbaal.

111 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , pagina 4544 van voornoemd eindproces-verbaal.

112 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , pagina 4549 van voornoemd eindproces-verbaal.

113 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , pagina 7531 van voornoemd eindproces-verbaal.

114 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 7272 en 7273 van voornoemd eindproces-verbaal.

115 Het proces-verbaal van bevindingen encrypted BlackBerry’s, pagina 8167 van voornoemd eindproces-verbaal.

116 Het proces-verbaal van bevindingen encrypted BlackBerry’s, pagina 8165 van voornoemd eindproces-verbaal.

117 Het proces-verbaal 11 A (oud) Opiumwet, pagina 6848 van voornoemd eindproces-verbaal;

118 Het proces-verbaal van bevindingen encrypted BlackBerry’s, pagina 8173 en 8178 van voornoemd eindproces-verbaal.