Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:7214

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-11-2016
Datum publicatie
24-11-2016
Zaaknummer
C/02/275437 / HA ZA 14/30
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Artikel 350 Rv

Hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing in conventie tot afwijzing van de gevorderde verklaringen voor recht, terwijl uitvoerbaar bij voorraad verklaring niet aan de orde is. Dit brengt mee dat op grond van artikel 350 Rv de tenuitvoerlegging van het vonnis in conventie is geschorst. De vraag ligt voor of bij voortzetting van de procedure in reconventie sprake is van tenuitvoerlegging van het vonnis in conventie.

Tenuitvoerlegging van een vonnis betreft zowel de executie in enge zin ofwel de exécution forcée, de tenuitvoerlegging met behulp van dwangmiddelen, als de executie in ruime zin, de exécution par suite d’instance, het voeren of vervolgen van een procedure ter uitvoering van een - eerdere - gerechtelijke uitspraak.

De beslissing van de rechtbank luidt dat bij voortzetting van de procedure in reconventie geen sprake is van tenuitvoerlegging van het vonnis in conventie. Ook anderszins ziet de rechtbank geen aanleiding de procedure in reconventie niet voort te zetten. Artikel 6 EVRM prevaleert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

Extract uit het audiëntieblad van de rolbehandeling van 16 november 2016.

Tegenwoordig mrs. Van Geloven, Combee en

Van 't Nedereind, rechters

en Van den Broek als griffier.

Behandeld is de zaak:

C/02/275437 / HA ZA 14/30

EIS [eiser sub 1]

ADV mr. J.M.K.P. Cornegoor

EIS [eiser sub 2]

ADV mr. J.M.K.P. Cornegoor

GED E.C.M. WAGEMAKERS QQ NV EBCON HOLDING

ADV mr. E.C.M. Wagemakers

GED E.C.M. WAGEMAKERS QQ NV EBCON NETWORKS

ADV mr. E.C.M. Wagemakers

De rechtbank bepaalt dat op het audiëntieblad zal worden aangetekend:

I. De relevante processtukken

- het vonnis van de rechtbank van 14 september 2016 in het geding in conventie tussen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] tegen de curator

- de brief van de zijde van de curator van 21 oktober 2016

- de brief van de zijde van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] van 28 oktober 2016

- de brief van de rechtbank van 31 oktober 2016

- de brief van de rechtbank van 1 november 2016

II.De beoordeling

2.1.

Bij vonnis in incident van 22 juli 2015 heeft de rechtbank de vorderingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in incident afgewezen. De rechtbank heeft voorts in conventie beslist dat de zaak op de rol van 19 augustus 2015 zal komen voor conclusie van dupliek in conventie. In reconventie heeft de rechtbank, naar aanleiding van een verzoek van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , de procedure naar de parkeerrol van 6 april 2015 (lees: 2016) verwezen, een en ander in afwachting van een bindende beslissing van de rechtbank in de procedure tussen partijen in conventie.

2.2.

Bij vonnis van 14 september 2016 heeft de rechtbank in de procedure in conventie tussen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] en de curator de vorderingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , inhoudende diverse verklaringen voor recht, afgewezen. In de procedure in reconventie tussen de curator en [eiser sub 2] en [eiser sub 1] heeft de rechtbank verstaan dat de meest gerede partij zal verzoeken tot voortzetting van de procedure in reconventie.

2.3.

De curator heeft dit verzoek gedaan maar [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben zich hiertegen verzet. Aan dit verzet ligt het standpunt ten grondslag dat de procedure in reconventie van rechtswege is geschorst op grond van artikel 350 Rv omdat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hoger beroep tegen het vonnis in conventie van 14 september 2016 hebben ingesteld en bovendien hoger beroep tegen het vonnis in incident van 22 juli 2015 hebben ingesteld. Ter nadere motivering van dit standpunt is het volgende aangevoerd.

“de vorderingen in conventie zijn het spiegelbeeld van de vorderingen in reconventie en strekken ertoe dat voor recht wordt verklaard dat de vorderingen in reconventie zijn verjaard en/of afstuiten op verzuim van de klachtplicht. Met de afwijzing van de vorderingen in conventie in bovengenoemd vonnis heeft de Rechtbank dus ook een oordeel geveld over een gedeelte van het dispuut in reconventie, namelijk over een gedeelte van het verweer dat met betrekking tot die vorderingen wordt gevoerd. Ik verwijs in dit verband ook naar de noot van [naam X] onder Gerechtshof Amsterdam 29 maart 2007 JBpr 2007/80: “Nu tijdens de comparitie in reconventie de mededeling was gedaan dat van de conventie was geappelleerd, mocht de advocaat er mijns inziens in beginsel op vertrouwen dat de zaak ook in reconventie in eerste aanleg zou stilliggen.”

2.4.

De curator stelt zich op het standpunt dat de procedure in reconventie dient te worden voortgezet. Hij voert daartoe onder meer het volgende aan.

“In dit geval speelt in het geheel geen situatie waarbij in conventie een eindvonnis is gewezen, terwijl in reconventie over min of meer dezelfde c.q. aanverwante kwestie een deelvonnis zou zijn gewezen. In reconventie is door de wederpartij nog geen enkel processtuk ingediend en is door de rechtbank tot op heden uitsluitend een tussenvonnis gegeven over de toelaatbaarheid van de wijziging van eis van de curator. Een inhoudelijk debat heeft nog niet plaatsgevonden. Er is weliswaar in het incident een vonnis gewezen waartegen de wederpartij eveneens appèl zou willen aantekenen, doch dat betreft de verjaringskwestie, waarover inmiddels een eindvonnis is gewezen in conventie. Relevant is voorts dat de conventie en reconventie in dit geval niet betreffen de rechtsvorderingen die in één geding moeten worden behandeld omdat zij inhoudelijk met elkaar verbonden zijn. Het betreft hier niet de situatie van twee verwante kwesties die ook op een samenhangende wijze aan de orde moeten worden gesteld en moeten worden beoordeeld. Het oordeel in conventie wordt niet beïnvloed door kwesties die in reconventie spelen, terwijl een oordeel over de vordering in reconventie, afgezien van de

verjaringskwestie, ook niet inhoudelijk wordt geraakt door datgene wat in conventie aan de orde is geweest.

Derhalve bestaat er thans alle aanleiding toe met voortvarendheid in reconventie door te procederen”.

2.5.

De rechtbank oordeelt als volgt.

2.5.1.

Artikel 350 Rv luidt als volgt.

1. Het hooger beroep schorst de ten uitvoerlegging van het vonnis, indien daarbij niet is bepaald, dat hetzelve bij voorraad zal worden ten uitvoer gelegd in de gevallen waarin dit is toegelaten.

2. Het hoger beroep, ingesteld tegen een tussenvonnis waartegen ingevolge artikel 337, tweede lid, geen hoger beroep openstaat voordat het eindvonnis is gewezen of ingesteld met gebruikmaking van de nieuwe termijn ingevolge artikel 340, schorst de tenuitvoerlegging niet.

2.5.2.

Nu hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing tot afwijzing van de gevorderde verklaringen voor recht, terwijl uitvoerbaar bij voorraad verklaring niet aan de orde is, geldt dat de tenuitvoerlegging van het vonnis in conventie is geschorst. De vraag ligt voor of bij voortzetting van de procedure in reconventie sprake is van tenuitvoerlegging van het vonnis in conventie.

2.5.3.

Tenuitvoerlegging van een vonnis betreft zowel de executie in enge zin ofwel de exécution forcée, de tenuitvoerlegging met behulp van dwangmiddelen, als de executie in ruime zin, de exécution par suite d’instance, het voeren of vervolgen van een procedure ter uitvoering van een - eerdere - gerechtelijke uitspraak.

2.5.4.

De beslissing tot afwijzing van verklaringen voor recht is niet vatbaar voor executie in enge zin. Deze beslissing kan niet leiden tot het afdwingen van enige incasso, noch tot het afdwingen van een doen, dulden of nalaten.

2.5.5.

De beslissing tot afwijzing van verklaringen voor recht is evenmin vatbaar voor executie in ruime zin. Van executie in ruime zin is sprake wanneer op een rechterlijke beslissing voortbouwende processuele handelingen worden verricht. Voorbeelden hiervan zijn de schadestaatprocedure, de procedure ter bepaling van het tot zekerheid te stellen bedrag, het doen van rekening en verantwoording, maar ook het uitvoeren van een bewijsopdracht of het houden van een descente. De beslissing tot afwijzing van de gevorderde verklaringen voor recht leidt niet tot een met voormelde voorbeelden vergelijkbare, op die beslissing voortbouwende processuele handeling. Een verklaring voor recht is een declaratoir vonnis dat zich niet leent voor tenuitvoerlegging en kan daarom niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Voor de afwijzing van de vorderingen om voor recht te verklaren en de in het lichaam van het vonnis opgenomen overwegingen en beslissingen over de stuitende werking van een aantal brieven, over dat geen sprake is van verjaring en evenmin van rechtsverwerking, is dat niet anders. Ook die in het lichaam van het vonnis opgenomen beslissingen lenen zich niet voor tenuitvoerlegging. De verwijzing van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] naar de niet met het hier voorliggende geval vergelijkbare casus bij het gerechtshof in Amsterdam doet aan dit oordeel niet af.

2.5.6.

Uit het vorenstaande volgt dat waar bij voortprocederen in reconventie geen sprake is van tenuitvoerlegging van het vonnis in conventie, schorsing op grond van artikel 350 lid 1 Rv niet aan de orde is. Het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 22 juli 2015 heeft gelet op artikel 350 lid 2 Rv geen schorsende werking.

2.5.7.

De omstandigheid dat hier geen sprake is van tenuitvoerlegging van een vonnis die wordt geschorst neemt niet weg dat tussen partijen in geschil is of brieven van de curator stuitende werking hebben, of vorderingen van de curator zijn verjaard en of de curator rechten heeft verwerkt. Niet onaannemelijk is - hoewel [eiser sub 1] en [eiser sub 2] nog geen conclusie van antwoord in reconventie hebben genomen - dat zij over die punten in het kader van hun verweer een vergelijkbaar standpunt zullen innemen als zij in conventie hebben gedaan, al dan niet met een wijziging of aanvulling van hun motivering. Voorop staat dat de beslissingen in het vonnis in conventie vanwege het ingestelde hoger beroep geen gezag van gewijsde hebben. De rechtbank is dan ook gehouden in reconventie op basis van het door partijen nog te voeren debat gemotiveerd te beslissen op verweren van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] . Hoewel de rechtbank niet tot aanhouding van de procedure in reconventie verplicht is, ligt wel de vraag voor of aanhouding aangewezen is. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Op grond van artikel 6 EVRM heeft de curator recht op vaststelling van burgerlijke verplichtingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] binnen een redelijke termijn. Onder termijn is de hele rechtsgang, die tot en met de Hoge Raad kan lopen, te verstaan. De curator zou in dit geval onevenredig in dat recht worden geschaad indien hij op een inhoudelijk oordeel over de vraag of [eiser sub 1] en [eiser sub 2] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid zijn gehouden schade te vergoeden zou moeten wachten totdat in hoger beroep en mogelijk in cassatie is beslist over de vorderingen in conventie hetgeen een ruim aantal jaren kan duren. De rechtbank betrekt hierbij dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zelf de keuze hebben gemaakt om hun formele verweren tegen de vorderingen van de curator in reconventie ten grondslag te leggen aan hun conventionele vorderingen. Ook hebben zij de rechtbank verzocht de procedures in conventie en in reconventie te splitsen. Om tegenstrijdige uitspraken door deze rechtbank en het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch over de onderwerpen verjaring, stuitende werking en rechtsverwerking te voorkomen zal de rechtbank een eventueel arrest van dat hof in de beoordeling betrekken.

III. De beslissing

De zaak wordt verwezen naar de rol van woensdag 28 december 2016 voor conclusie van antwoord in reconventie aan de zijde van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] .

Aldus gegeven door mrs. P.W.A. van Geloven, R. Combee en M.M. van ’t Nedereind op de rolbehandeling van woensdag 16 november 2016.