Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:6944

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-11-2016
Datum publicatie
16-11-2016
Zaaknummer
AWB 16_1832
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing subsidieaanvraag voor peuterspeelzaalwerk. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/1832 VEROR

uitspraak van 7 november 2016 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] [vestigingsplaats eiseres] , eiseres,

gemachtigde: [naam gemachtigde eiseres],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaatsnaam], verweerder.

Procesverloop

[naam eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van

8 februari 2016 (bestreden besluit) van het college inzake de afwijzing van haar subsidieverzoek voor 2016 voor peuterspeelzaalwerk en voorschoolse educatie in [vestigingsplaats basisschool] .

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 26 september 2016.

[naam eiseres] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, tevens voorzitter van [naam eiseres] . Daarnaast is [naam secretaris van eiseres], secretaris van [naam eiseres] , verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.J. Aerts en A.M.L. Rens.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In 2012 is [naam eiseres] opgericht met als doel het realiseren en in stand houden van een verantwoorde kinderopvang en begeleiding van kinderen van [naam basisschool] in [vestigingsplaats basisschool] .

Op 15 juni 2015 heeft het college een aanvraag ontvangen van [naam eiseres] voor subsidie met ingang van januari 2016 voor de peuterspeelzaalwerk. [naam eiseres] heeft de aanvraag aangevuld met de begroting 2016, waaruit blijkt van inkomsten tot een bedrag van € 40.500,- en uitgaven tot een bedrag van € 70.986,68. De subsidieaanvraag behelst blijkens de begroting

€ 30.486,68.

Bij besluit van 26 augustus 2015 (primair besluit) heeft het college de subsidieaanvraag afgewezen.

[naam eiseres] heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. [naam eiseres] heeft haar bezwaar toegelicht tijdens de hoorzitting van de commissie bezwaarschriften van 17 november 2015.

Bij het bestreden besluit heeft het college de weigering om [naam eiseres] subsidie te verlenen gehandhaafd.

2. [naam eiseres] heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat het college onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het advies van de commissie bezwaarschriften. Daarnaast heeft het college de weigering in het bestreden besluit ten onrechte gebaseerd op de bij de aanvraag overgelegde begroting, in plaats van de inmiddels aangepaste begroting. Het college heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel door [naam eiseres] niet in de gelegenheid te stellen een aangepaste begroting te overleggen. Verder is de handelwijze van het college in strijd met het verbod van vooringenomenheid, het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel. Ten slotte acht [naam eiseres] het bestreden besluit in strijd met artikel 87, eerste lid, van het EG-Verdrag.

3. Het wettelijk kader luidt, voor zover in beroep van belang, als volgt.

Artikel 4:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat onder subsidie wordt verstaan: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.

Artikel 4:23, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan slechts subsidie verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt.

Artikel 4:29 van de Awb bepaalt dat tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, voorafgaand aan een subsidievaststelling een beschikking omtrent subsidieverlening kan worden gegeven, indien een aanvraag daartoe is ingediend voor de afloop van de activiteit of het tijdvak waarvoor de subsidie wordt gevraagd.

In artikel 2, eerste lid, van de Algemene Subsidieverordening Gemeente [plaatsnaam] (Verordening) heeft de raad vastgesteld dat voor een aantal in deze bepaling opgesomde beleidsterreinen subsidie kan worden verstrekt.

Het tweede lid bepaalt dat het college nadere regels kan stellen waarin de te subsidiëren activiteiten, de doelgroepen en de verdeling van het subsidie per beleidsterrein zoals bedoeld in het eerste lid worden omschreven.

Artikel 3, eerste lid, van de Verordening, bepaalt dat het college bevoegd is te besluiten over het verstrekken van subsidies met in achtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen financiële middelen of het subsidieplafond en - indien de begroting nog niet is vastgesteld, dan wel goedgekeurd - onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

Artikel 8, tweede lid, van de Verordening bepaalt dat het college kan besluiten geen subsidie te verlenen indien:

4. d. de activiteit niet aansluit bij de relevante gemeentelijke visie; (…)

Daarnaast heeft de gemeenteraad de nota “Beleid peuterspeelzaalwerk / voor- en vroegschoolse educatie” (Nota) vastgesteld. De Nota vermeldt dat de insteek bij de nieuwe bekostigingssystematiek is dat het peuterspeelzaalwerk (inclusief voorschoolse educatie) door de aanbieder kostendekkend kan worden uitgevoerd en dat de gemeente bespaart op de kosten van peuterspeelzaalwerk.

4. Ter beoordeling ligt voor of het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten de subsidieaanvraag van [naam eiseres] af te wijzen.

[naam eiseres] heeft in beroep aangevoerd dat het college in de beslissing op bezwaar onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het advies van de bezwaarschriftencommissie. In het advies is geconcludeerd dat de weigering subsidie te verlenen geen stand zou kunnen houden, omdat de weigering onvoldoende was gemotiveerd.

In het primaire besluit heeft het college aan de weigering ten grondslag gelegd dat er vanwege het kleine aantal peuters in [vestigingsplaats basisschool] aan maximaal één aanbieder van peuteropvang in [vestigingsplaats basisschool] subsidie wordt verleend. Daarnaast leidt toekenning van subsidie voor peuteropvang aan een tweede aanbieder in [vestigingsplaats basisschool] tot overschrijding van het subsidieplafond 2016.

In het bestreden besluit heeft het college aan de weigering subsidie te verlenen ten grondslag gelegd dat gelet op de begroting 2016 van [naam eiseres] , ook met het maximaal beschikbare subsidiebedrag van € 23.600,-, kostendekkende exploitatie niet mogelijk is. Volgens het college voldoet [naam eiseres] dan ook niet aan de bepalingen uit de Nota.

De rechtbank stelt vast dat het college de weigering in het bestreden besluit op een andere grondslag heeft gebaseerd dan het primaire besluit. Het karakter van de bezwaarprocedure verzet zich daar niet tegen. Daarnaast blijkt uit het feit dat het college in het bestreden besluit een andere weigeringsgrond heeft gehanteerd dat het college het advies van de commissie bezwaarschriften, zij het impliciet, in aanmerking heeft genomen en heeft gevolgd. De grond van [naam eiseres] dat het college onvoldoende gewicht zou hebben toegekend aan het advies slaagt dan ook niet. Los daarvan merkt de rechtbank nog op een bestuurs-orgaan in het algemeen niet gehouden is het advies van een bezwaarschriftencommissie te volgen.

Het college heeft aan de weigering subsidie te verlenen ten grondslag gelegd dat kosten-dekkende exploitatie door [naam eiseres] niet mogelijk is, zodat niet is voldaan aan de bepalingen uit de Nota. [naam eiseres] heeft niet betwist dat kostendekkende exploitatie vereist is om voor subsidieverlening in aanmerking te komen. [naam eiseres] heeft evenmin betwist dat de maximaal te verlenen subsidie € 23.600,- bedroeg. [naam eiseres] heeft ten slotte niet betwist dat uitgaande van de bij de aanvraag overgelegde begroting 2016 van kostendekkende exploitatie geen sprake is, omdat op basis van die begroting een bedrag van € 30.486,68 aan subsidie vereist is voor kostendekkende exploitatie.

[naam eiseres] heeft aangevoerd dat het college de weigering ten onrechte heeft gebaseerd op de door [naam eiseres] bij de aanvraag overgelegde begroting. In die begroting is uitgegaan van een worst case scenario en zijn de kosten begroot op € 70.987,-. [naam eiseres] had de kosten op een lager bedrag kunnen begroten door kostenposten door te schuiven naar 2017. Daarnaast is in de begroting een bedrag van € 10.000,- voor huur opgenomen, terwijl inmiddels is gebleken dat er voor 2016 geen huur hoeft te worden betaald. De inkomsten, die in de begroting op

€ 40.500,- zijn begroot, blijken in de praktijk juist hoger te zijn. [naam eiseres] heeft ter zitting bevestigd dat zij naast de bij de aanvraag overgelegde begroting geen andere, aangepaste begroting heeft overgelegd. Niet alleen is er geen aangepaste begroting ingediend omdat het jaar 2016 nog loopt, maar ook omdat [naam eiseres] daar niet toe in de gelegenheid is gesteld en het college nooit om een aangepaste begroting heeft gevraagd. Door dat na te laten heeft het college gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. [naam eiseres] heeft daarbij gewezen op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 4 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW0758).

In voormelde uitspraak heeft de AbRS overwogen dat het college gerechtigd, en in bepaalde gevallen zelfs verplicht is, om de indiener van een bouwaanvraag in de gelegenheid te stellen zijn aanvraag zodanig te wijzigen of aan te vullen dat geconstateerde beletselen voor het verlenen van een bouwvergunning worden weggenomen. Die uitspraak kan [naam eiseres] niet baten, omdat deze uitspraak specifiek ziet op het indienen van bouwaanvragen -en wijzigingen van ondergeschikte aard daarin- en niet op het indienen van aanvragen in het algemeen. Artikel 4:2, tweede lid, van de Awb bepaalt daarover dat de aanvrager die gegevens en bescheiden verschaft die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Het had dan ook op de weg van [naam eiseres] als aanvrager van de subsidie gelegen om een aangepaste begroting in te dienen. Daarvoor bestond te meer aanleiding nu [naam eiseres] , zoals zij ter zitting heeft bevestigd, ten tijde van de aanvraag wist dat sprake moest zijn van een kostendekkende exploitatie. Vast staat dat [naam eiseres] desondanks geen aangepaste begroting heeft ingediend, terwijl is gesteld, noch gebleken dat het college [naam eiseres] daartoe de mogelijkheid zou hebben ontnomen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college zou hebben gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

[naam eiseres] heeft ter zitting aangeboden om alsnog een aangepaste begroting in te dienen. De rechtbank gaat aan dat aanbod voorbij omdat dit aanbod, in het licht van het feit dat [naam eiseres] reeds ten tijde van de aanvraag wist dat sprake moest zijn van kostendekkende exploitatie, te laat is gedaan.

[naam eiseres] heeft verder aangevoerd dat het college heeft gehandeld in strijd met het verbod van vooringenomenheid en het verbod van willekeur. Ten slotte acht [naam eiseres] het bestreden besluit in strijd met artikel 87, eerste lid, van het EG-Verdrag. De rechtbank begrijpt dat [naam eiseres] heeft bedoeld een beroep te doen op artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU) over verboden staatssteun. [naam eiseres] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het college aan kinderopvangorganisatie [naam kinderopvangorganisatie] subsidie heeft verleend voor peuterspeelzaalwerk in [vestigingsplaats basisschool] en dat het college nooit de intentie heeft gehad subsidie te verlenen aan een tweede aanbieder van peuterspeelzaalwerk. Volgens [naam eiseres] blijkt dit ook uit de concept Beleidsregel peuteropvang/voorschoolse educatie 2017, waarin expliciet is bepaald dat er per kern aan maximaal één aanbieder subsidie wordt verleend. Volgens [naam eiseres] is sprake van verkapte staatssteun aan [naam kinderopvangorganisatie] en wordt iedere vorm van mededinging uitgesloten.

Vast staat dat het college aan [naam kinderopvangorganisatie] subsidie heeft verstrekt voor peuterspeelzaalwerk in [vestigingsplaats basisschool] . Dat enkele feit rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat het college door de aanvraag van [naam eiseres] af te wijzen heeft gehandeld in strijd met het verbod van willekeur en vooringenomenheid, te meer niet nu de weigering om aan [naam eiseres] subsidie te verstrekken niet is gebaseerd op het feit dat subsidie is verleend aan [naam kinderopvangorganisatie] , maar is gebaseerd op het feit dat [naam eiseres] niet aan de vereisten voor subsidieverlening voldoet. De grond dat mededinging onmogelijk wordt gemaakt en dat sprake is van verkapte staatssteun treft in deze procedure dan ook geen doel.

De rechtbank ziet ten slotte ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door de aanvraag van [naam eiseres] af te wijzen. Nu het college de aanvraag van [naam kinderopvangorganisatie] heeft toegewezen, moet het ervoor worden gehouden dat [naam kinderopvangorganisatie] wel aan vereisten heeft voldaan, zodat de situaties van [naam kinderopvangorganisatie] en [naam eiseres] niet gelijk zijn. Deze grond van [naam eiseres] slaagt dan ook niet.

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond zal worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, en mr. C.A.F. van Ginneken en

mr. P.J. de Putter, leden, in aanwezigheid van mr. W.J.C. Goorden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.