Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:6934

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-11-2016
Datum publicatie
07-11-2016
Zaaknummer
C/02/319138 / FA RK 16-4619
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindigende maatregel zonder voorafgaande OTS en machtiging UHP. Aanvaardbare termijn is gestart op het moment van uithuisplaatsing in het vrijwillig kader.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 266
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2017/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

zaakgegevens : C/02/319138 / FA RK 16-4619

datum uitspraak: 1 november 2016

beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag, ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NL, hierna te noemen de raad,

gevestigd te Breda.

betreffende

[minderjarige] , geboren op [datum en plaats], hierna te noemen [voornaam].

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder], hierna te noemen de moeder

wonende op een geheim adres in Nederland,

STICHTING BUREAU JEUGDZORG NOORD-BRABANT, hierna te noemen de GI,

gevestigd te Roosendaal.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de raad van 28 juli 2016, ingekomen bij de griffie op 29 juli 2016;

- het uittreksel uit het gezagsregister betreffende de minderjarige;

- de bereidverklaring van de GI;

- de op 27 september 2016 en op 3 oktober 2016 ontvangen brieven van mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren.

Op 3 oktober 2016 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren

- een vertegenwoordigster van de raad,

- een vertegenwoordigster van de GI.

De feiten


Het ouderlijk gezag over [voornaam] wordt uitgeoefend door de moeder.

[voornaam] woont in een perspectiefbiedend pleeggezin.

De GI heeft zich bij brief van 26 juli 2016 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

Het verzoek


De raad heeft primair verzocht het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogd over [voornaam] te benoemen. Subsidiair heeft de raad verzocht om [voornaam] onder toezicht te stellen voor de duur van 6 maanden en de GI te machtigen om [voornaam] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De standpunten

De raad verzoekt primair om het ouderlijk gezag van de moeder over [voornaam] te beëindigen aangezien hij zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de moeder niet in staat is haar verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en ontwikkeling van [voornaam] aanvaardbaar te achten termijn. Daartoe heeft de raad het volgende aangevoerd.

De ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van [voornaam] bestaat eruit dat de moeder onvol-doende in staat is om [voornaam] stabiliteit, veiligheid en voldoende ontwikkelingsmogelijkheden te bieden. Tevens zijn er ernstige zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [voornaam]. [voornaam] is op 18 september 2015 op initiatief van de hulpverlening vanwege een ontstane crisissituatie, waarbij de moeder niet aanwezig en onder invloed was, van het ene op het andere moment uit huis geplaatst. Omdat de moeder zich niet verzette tegen de uithuisplaat-sing was een kinderbeschermingsmaatregel niet noodzakelijk. [voornaam] is in de afgelopen maanden al viermaal overgeplaatst. Sinds begin mei 2016 verblijft hij in een perspectief-biedend pleeggezin. Er is sprake van een goede klik tussen [voornaam] en de pleegouders. In de maanden dat [voornaam] uit huis is geplaatst, is het de moeder met inzet van intensieve hulpverle-ning en duidelijke voorwaarden en afspraken niet gelukt de verantwoordelijkheid voor [voornaam] weer zelf te dragen en zijn opvoeding weer ter hand te nemen. Bij de moeder is sprake van alcohol- en softdrugsgebruik en van persoonlijke problematiek. Dit leidt tot onveilige, zorgelijke en onvoorspelbare situaties voor [voornaam]. De moeder is daarbij onvoldoende in staat om bij de keuzes die zij maakt de belangen van [voornaam] voorop te stellen en rekening te houden met zijn behoeftes. Daarnaast heeft de moeder onvoldoende inzicht in haar eigen problema-tiek en ontkent zij deze. Hierdoor zijn er weinig mogelijkheden voor de hulpverlening en is er geen zicht op een wezenlijke verbetering van de situatie van de moeder. Een afgenomen persoonlijkheidsonderzoek heeft daarbij geen duidelijk beeld van de moeder kunnen geven, omdat het de moeder niet lukte om zich in de afgesproken periode voorafgaand en tijdens de afname van dit onderzoek te onthouden van het gebruik van alcohol en softdrugs.

In de visie van de raad is het noodzakelijk dat [voornaam] zo spoedig mogelijk duidelijkheid krijgt over zijn toekomstperspectief. Indien dit niet gebeurt, zal zijn ontwikkeling onherroepelijk (verder) stagneren. De raad acht een gezagsbeëindigende maatregel dan ook op zijn plaats. De raad heeft wel nog overwogen om te verzoeken om een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing in plaats van om een gezagsbeëindigende maatregel. Doel van deze maatregelen zou dan niet zijn het toewerken naar herstel van de opvoedrelatie, maar het begeleiden van de moeder en [voornaam] in het proces richting de beëindiging van het gezag. Uiteindelijk heeft de raad hier niet voor gekozen omdat dit voor [voornaam] en de moeder te veel onduidelijkheid zal creëren en door de moeder mogelijk kan worden gezien als een laatste kans. De raad acht het wel noodzakelijk dat er begeleiding en aandacht is voor de moeder en [voornaam] om te verwerken dat ze niet meer bij elkaar zullen wonen. Deze begeleiding kan ook nadat een gezagsbeëindigende maatregel is uitgesproken, plaatsvinden. Indien de rechtbank het verzoek om gezagsbeëindiging van de moeder afwijst, acht de raad een ondertoezichtstel-ling en een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden noodzakelijk. De raad ziet overigens geen meerwaarde in hulpverlening in het kader van deze maatregelen. Vanaf het begin van de uithuisplaatsing is immers naar de moeder helder gecommuniceerd welke criteria gelden ten aanzien van een veilige en verantwoorde thuissituatie voor [voornaam]. Feitelijk lijkt de geboden hulp al sinds de uithuisplaatsing sterk op hulpverlening in een gedwongen kader. De raad acht daarnaast voortzetting van de uithuisplaatsing in een vrijwillig kader een gepasseerd station. De moeder is immers niet in staat om een uithuisplaatsing van [voornaam] daadwerkelijk te ondersteunen, nu zij telkens aangeeft dat zij een uithuisplaatsing niet nodig vindt.

Namens de GI is ter zitting aangevoerd dat het doel van een ondertoezichtstelling het toewerken naar een thuisplaatsing moet zijn en niet om de betrokkenen voor te bereiden op een gezagsbeëindigende maatregel. Daarnaast vraagt de GI zich af of de moeder met behulp van een ondertoezichtstelling wel in staat zal zijn om de zorg en opvoeding van [voornaam] weer op zich te nemen. De moeder zal in dat geval met een duidelijke hulpvraag moeten komen om adequaat aan haar problemen te kunnen werken. Voorts zal zij mee dienen te werken aan een persoonlijkheidsonderzoek. Ook haar rugklachten zal zij op een andere manier dan middels blowen dienen aan te pakken. Er zal met andere woorden erg veel van de moeder gevraagd worden en zij heeft eerder laten zien hier onvoldoende voor open te staan.

Namens en door de moeder is ter zitting aangevoerd dat onvoldoende is gekeken naar haar algehele situatie. Er is alleen naar de negatieve punten gekeken terwijl er ook positieve punten zijn. Op het moment dat [voornaam] uit huis werd geplaatst, verkeerde de moeder in een kwetsbare situatie. Haar vader was terminaal ziek en ze gebruikte medicijnen die in combinatie met alcohol niet goed vielen. De moeder betwist dat zij verslaafd is aan alcohol en/of softdrugs. Wel komt zij uit een gezin, dat een café runde. Hierdoor is alcoholgebruik voor de moeder heel gewoon. Zij drinkt echter niet waar [voornaam] bij is. Zij blowt wel, maar zij doet dit om haar rugklachten, waar ze al 10 jaar last van heeft, te verlichten. De moeder is evenwel bereid om haar rugklachten voortaan met medicijnen aan te pakken en zal hiervoor opnieuw het medische circuit ingaan. Als gevolg van de rugklachten lukt het haar niet om haar huis voortdurend netjes te houden. Zij heeft daarom bij de gemeente een aanvraag ingediend voor een hulp in de huishouding. Daarnaast staat zij bij de GGZ op een wachtlijst voor een persoonlijkheidsonderzoek. De moeder meent overigens dat zij goed is zoals zij is. Zij zit nu beter in haar vel dan aan het begin van de uithuisplaatsing. Wel heeft zij rust nodig en niet te veel moeilijke gesprekken. De moeder wil graag een kans om te laten zien dat zij de zorg en opvoeding van [voornaam] weer op zich kan nemen. Zij verzoekt dan ook om het verzoek van de raad om een gezagsbeëindigende maatregel af te wijzen. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de raad refereert de moeder zich aan het oordeel van de rechtbank. Zij heeft geen bezwaar tegen een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing, mits er gewerkt zal worden aan een thuisplaatsing van [voornaam] bij haar.

De beoordeling


De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

Er is geen sprake van misbruik van het gezag. De vraag die aldus aan de rechtbank voorligt, is of [voornaam] zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [voornaam] aanvaardbaar te achten termijn. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Daarbij neemt zij het volgende in aanmerking.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is duidelijk geworden dat [voornaam] op 18 september 2015 met spoed uit huis is geplaatst, omdat de moeder in het café was toen [voornaam] thuis werd gebracht uit school en zij onder invloed van alcohol was. De moeder heeft zich niet tegen de uithuisplaatsing van [voornaam] verzet. Daarom is er door de raad niet om een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing verzocht. Wel is de moeder in de afgelopen periode in het vrijwillig kader intensieve hulpverlening geboden. Ook zijn aan haar duidelijke voorwaarden gesteld waaraan zij moest voldoen om weer zelf de zorg en opvoeding van [voornaam] te kunnen dragen. Het is de moeder echter niet gelukt om aan deze voorwaarden te voldoen. Bij de moeder is sprake van persoonlijke problematiek en veelvuldig en problematisch alcohol- en softdrugsgebruik. Dit leidt tot onveilige, zorgelijke en onvoorspelbare situaties voor [voornaam]. De moeder ontkent dat zij afhankelijk is van deze middelen. De rechtbank stelt echter vast dat het haar evenwel niet is gelukt om van deze middelen af te blijven voorafgaand aan en tijdens het persoonlijkheidsonderzoek. Ook het vooruitzicht om weer voor [voornaam] te mogen zorgen, is voor haar onvoldoende aanleiding geweest om deze middelen te laten staan. Dit maakt dat voor de rechtbank niet alleen vaststaat dat de moeder onvoldoende inzicht toont in haar (verslavings-)problematiek, maar ook dat zij onvoldoende in staat is om bij de keuzes die zij maakt de belangen van [voornaam] voorop te stellen en rekening te houden met zijn behoeftes. Nu de moeder onvoldoende inzicht toont in haar problematiek, zijn er voor de hulpverlening weinig mogelijkheden en is er geen zicht op een wezenlijke verbetering van haar situatie. Het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling zal dit niet anders maken, zeker nu de hulpverlening die in dit kader zal worden geboden, sterk zal lijken op de hulpverlening die de moeder al heeft gehad.

Nog afgezien hiervan is het voor [voornaam] noodzakelijk dat hij zo spoedig mogelijk duidelijkheid krijgt over zijn toekomstperspectief. Gebeurt dit niet, dan zal zijn ontwikkeling verder achteruitgaan. [voornaam] heeft vanaf 18 september 2015 op vier verschillende plaatsen gewoond. Sinds mei 2016 woont hij in het huidige pleeggezin. Hij heeft het daar naar zijn zin en er is een klik tussen [voornaam] en de pleegouders. [voornaam] kan hier tot aan zijn volwassenheid blijven wonen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de aanvaardbare termijn voor [voornaam] reeds verstreken. Weliswaar is bij de moeder enkel hulpverlening in het vrijwillig kader ingezet – en heeft dus geen gedwongen hulpverlening plaatsgevonden – maar dat maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de aanvaardbare termijn niet is gaan lopen. Reeds bij aanvang van de uithuisplaatsing van [voornaam] is de noodzaak tot het tijdig verkrijgen van duidelijkheid voor [voornaam] ontstaan. In het bovenstaande heeft de rechtbank geoordeeld dat zij niet aannemelijk acht dat hulpverlening, vrijwillig danwel gedwongen, voldoende effect gaat geven om thuisplaatsing (alsnog) mogelijk te maken. De moeder wist aan welke voorwaarden ze moest voldoen en zij heeft daaraan onvoldoende invulling heeft gegeven. De rechtbank neemt tevens in ogenschouw dat mogelijk voor de moeder niet steeds duidelijk is geweest in welke mate de aanvaardbare termijn aan het verstrijken was. Daar staat echter tegenover dat voor [voornaam] die duidelijkheid cruciaal is, in het bijzonder vanwege zijn jonge leeftijd. Hij kan niet langer wachten op het antwoord op de vraag of de moeder in de toekomst in staat zal zijn om de zorg en opvoeding van hem weer op zich te nemen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan. De rechtbank zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder dan ook toewijzen.

Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening over [voornaam] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over hem te benoemen. De GI heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. Nu [voornaam] nog maar kort in het huidige perspectiefbiedende pleeggezin verblijft, acht de rechtbank het noodzakelijk dat de voogdij bij een neutrale instantie, zoals de GI, terecht komt. De rechtbank zal de GI dan ook met de voogdij belasten.

De rechtbank gaat ervan uit dat de moeder en [voornaam] door de GI begeleid zullen worden om te verwerken dat ze niet meer bij elkaar zullen wonen. Tevens gaat de rechtbank ervan uit dat de moeder en [voornaam] elkaar op regelmatige basis blijven zien. Haar betrokkenheid bij [voornaam] blijft voor zijn verdere ontwikkeling immers van wezenlijk belang.

De beslissing


De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van [naam moeder], geboren op [datum] te Ossendrecht over [minderjarige], geboren op [datum en plaats];

benoemt tot voogdes over genoemde minderjarige Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, locatie Roosendaal;

bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording zal afleggen aan de hierbij benoemde voogdes ter zake van het gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Prenger, Tempel, Dondorp, kinderrechters, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2016.

WV

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch