Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:6867

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
03-11-2016
Zaaknummer
C/02/315869 / HA ZA 16-375
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid van een juridisch dienstverlener/adviseur

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3194

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/315869 / HA ZA 16-375

Vonnis van 26 oktober 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PREVITECH BV,

gevestigd te Roosendaal,

eiseres,

advocaat: mr. A.R. Vis te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ABAB BELASTINGADVISEURS EN JURISTEN BV,

gevestigd te Tilburg,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ABAB ACCOUNTANTS BV,

gevestigd te Tilburg,

gedaagden,

advocaat: mr. A.M. Rottier te 's-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna enerzijds Previtech en anderzijds individueel ABAB (gedaagde sub 1) en ABAB Accountants (gedaagde sub 2) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 3 augustus 2016 met de daarin vermelde stukken,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie gehouden op 4 oktober 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Previtech vordert samengevat - hoofdelijke veroordeling van ABAB en ABAB Accountants tot betaling van € 60.564,18, vermeerderd met rente en kosten.

2.2.

ABAB en ABAB Accountants voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling

3.1.

De volgende feiten staan in rechte vast:

- Previtech drijft een onderneming die zich bezig houdt met de in- en verkoop

van grafische machines, alsmede met het onderhoud en repareren van die

machines. Enig bestuurder van Previtech is [naam bestuurder] (hierna: [naam bestuurder]

).

- Tussen Previtech en ABAB Accountants is op 12 juni 2013 een overeenkomst van opdracht gesloten uit hoofde waarvan ABAB Accountants administratieve en financiële diensten aan Previtech verleende.

- Tussen Previtech en ABAB is een mondelinge overeenkomst van opdracht gesloten ter zake het door ABAB verlenen van diensten op juridisch vlak aan Previtech. De contactpersoon en aanspreekpunt van Previtech bij ABAB was [naam jurist] (hierna: mr. [naam jurist] ), senior jurist bij ABAB.

- Op 26 januari 2012 heeft Previtech een geldlening van € 200.000,-- aan

de vennootschap Flex Multimedia Service B.V. (hierna: FMS) verstrekt. Ter zake hiervan heeft ABAB Previtech geadviseerd en de overeenkomst van geldlening opgesteld, welke op 25 september 2013 is ondertekend. Op advies van de vaste contactpersoon van Previtech bij ABAB Accountants
(de heer [naam contactpersoon] ) heeft Previtech ter zekerheid van haar vordering uit hoofde van de overeenkomst van geldlening een stil pandrecht bedongen op alle zaken en vorderingen toebehorend aan FMS. De pandakte is door mr. [naam jurist] opgesteld.

- ABAB heeft zorggedragen voor de eerste registratie van de bewuste pandakte bij de belastingdienst. Voor de volgende registraties diende Previtech zelf zorg te dragen.

- In 2014 zijn op 6 januari, 3 en 27 februari, 10 april, 6 mei, 29 juli,
15 september, 15 oktober en 6 november debiteurenlijsten van FMS bij de belastingdienst geregistreerd. Vervolgens is de namens FMS ondertekende debiteurenlijst van 5 januari 2015 op 6 januari 2015 geregistreerd. De namens FMS ondertekende debiteurenlijst van 16 januari 2015 is op 19 januari 2015 bij de belastingdienst geregistreerd.

- Bij e-mailbericht van 16 januari 2015 zendt mr. [naam jurist] aan [naam directeur FMS]

(hierna: [naam directeur FMS] - algemeen directeur van FMS)

de bewuste pandovereenkomst. [naam jurist] vermeldt hierbij dat overgegaan is tot executie van het pandrecht van Previtech door het aanschrijven van de debiteuren. Verder wijst zij hem erop dat FMS gehouden is hetgeen op haar rekening wordt gestort over te maken naar het bankrekeningnummer van Previtech.

- Bij e-mailbericht van 21 januari 2015 bericht mr. [naam jurist] aan [naam directeur FMS] dat FMS de belangen van Previtech schaadt door de bedragen die de aangeschreven debiteuren op de rekening van FMS hebben gestort niet over te maken aan Previtech. Tevens benadrukt mr. [naam jurist] dat de debiteuren nogmaals per aangetekende post dienen te worden aangeschreven.

- Op 23 januari 2015 heeft de Rechtbank Den Haag aan FMS voorlopige

surséance van betaling verleend met aanstelling van mr. K.C. Mensink (hierna: mr. Mensink) als bewindvoerder.

- Bij e-mailbericht van 26 januari 2015 bericht mr. Mensink aan mr. [naam jurist] (productie 31 bij dagvaarding) dat, aangezien hij geen andere geregistreerde pandakten in zijn bezit heeft dan die van 27 september 2013, Previtech op de vorderingen ontstaan na september 2013 geen pandrecht heeft verkregen. Mr. Mensink verzoekt mr. [naam jurist] alle debiteuren te berichten dat de bewuste aanschrijving op een misverstand berust en dat de debiteuren van FMS uitsluitend bevrijdend kunnen betalen aan FMS zelf. Tevens vermeldt mr. Mensink dat in het geval er nog latere pandaktes (d.w.z. een door FMS ondertekend geschrift met het doel debiteuren te verpanden) zijn, hij daar graag zo snel mogelijk een kopie van ontvangt.

- Bij e-mailbericht van 27 januari 2015 (productie 31 bij dagvaarding) verzoekt
mr. [naam jurist] [naam bestuurder] om haar alle geregistreerde pandakten toe te zenden.

- Bij e-mailbericht van 28 januari 2015 (productie 33 bij dagvaarding) machtigt [naam bestuurder] mr. [naam jurist] als vertegenwoordiger van Previtech.

- In een e-mailbericht van mr. Mensink aan mr. [naam jurist] van 28 januari 2015 staat, voor zover hier van belang, onder meer het navolgende:

“(...)

Graag omvang ik de meest recente pandakte. Bij gebreke daarvan moet ik er van uitgaan dat er geen geldig pandecht is.

Ik merk verder op dat uitsluitend een - bij de fiscus geregistreerde - uitdraai van de

debiteuren voorzien van een handtekening van Flex Multimedia Service niet voldoende is. Voor verpanding is immers vereist dat in de akte / op de pandlijst zelf ook is verklaard dat de betreffende vorderingen worden verpand. Zonder een dergelijke mededeling is het slechts een debiteurenoverzicht, niet een pandlijst /pandakte. (…)”

- Bij e-mailbericht van 28 januari 2015 (productie 34) bericht mr. [naam jurist] aan mr. Mensink dat er recentelijk wekelijks door FMS ondertekende debiteurenlijsten zijn aangeleverd die ook ter registratie zijn aangeboden.

- Op 29 januari 2015 heeft de Rechtbank Den Haag het faillissement van

FMS uitgesproken met aanstelling van mr. Mensink als curator.

- Op 2 februari 2015 (productie 35 bij dagvaarding) zendt mr. [naam jurist] de met mr. Mensink gewisselde e-mailcorrespondentie door aan [naam bestuurder] . Ze vermeldt hierbij dat zij van [naam bestuurder] ondertekende en geregistreerde debiteurenlijsten heeft ontvangen maar niet de daarbij behorende pandakten, zijnde de losse akten naast de hoofdakten. mr. [naam jurist] sluit af met de mededeling dat een model hiervoor destijds met de aanbiedingsbrief aan [naam bestuurder] is toegezonden.

- Bij e-mailbericht van 3 februari 2015 (productie 36 bij dagvaarding) beklaagt [naam bestuurder] zich bij de heer [naam contactpersoon] over de gang van zaken “over het registreren van de debiteuren”. [naam bestuurder] meldt verder dat door ABAB altijd is aangegeven dat de stukken en de registratie in orde waren.

- Bij e-mailbericht van 3 februari 2015 (productie 37 bij dagvaarding) bericht mr. [naam jurist] [naam bestuurder] dat de uitstaande vorderingen (debiteuren) niet op de juiste wijze

zijn verpand middels de daartoe bestemde pandakte met debiteurenlijst.

- Bij e-mailbericht van 3 februari 2015 (productie 38 bij dagvaarding) bericht
mr. Mensink mr. [naam jurist] onder meer het volgende.
“(…) Op mijn e-mail aan u van woensdag jl. heb ik geen reactie gekregen. Ik ga er daarom van uit dat er geen recentere pandakte is dan die van september 2013. Dit betekent dat er geen pandrecht rust op debiteurenvorderingen van oktober 2013 en jonger. Ik zal die als curator incasseren(…).”

- Bij e-mailbericht van 3 februari 2015 (productie 38 bij dagvaarding) bericht
mr. [naam jurist] aan [naam bestuurder] het een en ander over het pandrecht op de inventariszaken.

Hierbij zendt zij tevens de e-mail van mr. Mensink aan haar van 3 februari 2015.

- Bij e-mailbericht van 3 februari 2015 (productie 39 bij dagvaarding) bericht [naam bestuurder] aan mr. [naam jurist] dat hij geen keuze heeft dan akkoord te gaan met de onderhandse verkoop van de inventariszaken. [naam bestuurder] vermeldt hierbij dat hij zich

de grote verliezer voelt.

- Bij e-mailbericht van 6 februari 2015 (productie 40 bij dagvaarding) bericht
mr. Mensink aan mr. [naam jurist] dat hij de gehele debiteurenportefeuille zal verkopen en overdragen. In deze e-mail staat onder meer:

“(…)

Gelet op het arrest ING/Verdonk q.q. heeft de Hoge Raad bepaald dat

een curator debiteurenvorderingen mag incasseren, als de partij die aan

spraak maakt op een pandrecht dat pandrecht niet binnen veertien dagen

na de faillissementsdatum heeft aangetoond en/of de incasso niet ter hand

heeft genomen. Die veertien dagen zijn intussen verstreken, terwijl ik u

wel om aanvullen bewijs heb verzocht maar niets heb gekregen, zodat ik

de vorderingen op deze manier te gelde kan maken.

Mocht uw cliënte alsnog zijn pandrecht op de debiteuren kunnen aantonen,

dan behoudt zij voorrang op het door mij geïnde bedrag voor deze

vorderingen, en zal zij deze bij afwikkelingen van het faillissement ontvangen.

De verkoop van debiteuren gaat voor 85% voor de meest recente,
en 60% voor de facturen tussen 5 november en 5 december 2014. Dit

zal in totaal ongeveer € 120.000,- opleveren.

Alhoewel formeel niet vereist, lijkt het mij juist om de instemming van uw

cliënte hiermee te vragen. Die instemming zou ertoe leiden dat uw cliënte

afziet van verdere incasso van de debiteurenvorderingen van Flex

Multimedia Service. Echter, mocht zij haar pandrecht kunnen aantonen,

dan maakt zij (na omslag van de faillissementskosten) aanspraak op een

preferente uitkering van maximaal die € 120.000,-. Het is voor alle par-

tijen eenvoudig, efficiënt en een goedkope manier om dit op te lossen.

Mag ik van u vernemen, zo mogelijk heden?(…)”

- Bij e-mailbericht van 9 februari 2015 (tevens productie 40 bij dagvaarding) heeft mr. [naam jurist] voormeld e-mailbericht van mr. Mensink aan [naam bestuurder] doorgestuurd, met daarbij de vermelding:
“(…)

Zie onderstaand bericht van curator. Kan ik hem berichten voor akkoord?(…)”.

- Bij de doorstartovereenkomst tussen mr. Mensink en [naam directeur FMS] van
6 februari 2015 (productie 41 bij dagvaarding) heeft mr. Mensink de vorderingen op de debiteuren tegen verschillende percentages van de factuurwaarde inclusief btw verkocht.

- Bij brief van 25 februari 2015 (productie 42 bij dagvaarding) bericht mr. Mensink [naam bestuurder] onder meer dat hij, volgend op de e-mailwisseling met mr. [naam jurist] , niet meer van haar of hem heeft vernomen en dat hij er daarom van uitgaat dat Previtech geen geldig pandrecht heeft verkregen op debiteurenvorderingen van FMS van na september 2013. Tevens verzoekt mr. Mensink [naam bestuurder] om alle debiteuren van FMS die [naam bestuurder] heeft aangeschreven, te berichten dat het betalingsverzoek van Previtech onterecht is en dat uitsluitend aan FMS zelf betaald kan worden.

- Bij brief van 2 maart 2015 bericht [naam manager juristen 1] (hierna: [naam manager juristen 1] )
- manager juristen van ABAB - aan Previtech dat ABAB voor de door [naam bestuurder] gestelde schade op geen enkele wijze en onder geen enkele voorwaarde aansprakelijkheid aanvaardt.

- Bij e-mailbericht van 2 maart 2015 dient [naam bestuurder] een drietal vorderingen van Previtech op FMS in bij mr. Mensink, waaronder de vorderingen uit hoofde van de overeenkomst van geldlening van in totaal € 286.153,76.

- Bij e-mailbericht van 3 maart 2015 (productie 45 bij dagvaarding) bericht
mr. Mensink aan [naam bestuurder] dat hij de vordering uit hoofde van de overeenkomst van geldlening en de daarover verschuldigde rente voorlopig erkent.

- Bij e-mailbericht van 19 mei 2015 bericht [naam manager juristen 1] aan [naam bestuurder] dat hij zijn standpunt handhaaft alsmede dat het pandrecht van Previtech niet erkend is omdat [naam bestuurder] de maandelijkse pandakten nooit heeft geregistreerd.

- Bij brief van 22 mei 2015 (productie 50 bij dagvaarding) bericht mr. [naam advocaat] als advocaat van Previtech aan mr. Mensink dat het pandrecht van Previtech op de vorderingen van FMS op haar debiteuren wel rechtsgeldig gevestigd is. Hierbij heeft zij gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2001, NJ 2001/662 (Meijs q.q./Bank of Tokyo Mitsubishi). Aan mr. Mensink wordt verzocht om het ontvangen bedrag voor de verkochte vorderingen van FMS aan Previtech te betalen.

- Bij e-mailbericht van 2 juni 2015 bevestigt mr. Mensink aan mr. [naam advocaat] haar gelijk ter zake de bewuste kwestie, waarna hij haar op 10 juni 2015 bericht dat hij het pandrecht van Previtech erkent. Vervolgens is onderhandeld over de hoogte van het omslagpercentage en de hoogte van het aan Previtech toekomende bedrag.

- Bij e-mailbericht van 9 juli 2015 (productie 53 bij dagvaarding) bericht mr. [naam manager juristen 1] aan [naam bestuurder] dat [naam jurist] de geregistreerde debiteurenlijsten niet aan mr. Mensink heeft gezonden toen hij bij e-mailbericht van 2 februari 2015 aan haar heeft verzocht om de rechtsgeldigheid van het pandrecht van Previtech aan te tonen.

- Bij brief van 22 juli 2015 zijn ABAB en ABAB Accountants aansprakelijk gesteld voor de geleden en te lijden schade van Previtech als gevolg van de onjuiste beoordeling en stellingname van ABAB van de juridische positie van Previtech.

- Bij e-mailbericht van 27 juli 2015 bericht [naam manager juristen 1] aan mr. [naam advocaat] dat hij niet kan ontkennen dat [naam jurist] een misvatting heeft gemaakt ten aanzien van de vestigingsvereisten van het bewuste pandecht. Hierbij geeft [naam manager juristen 1] aan dat het causaal verband tussen de aansprakelijkheid van ABAB en de door Previtech gestelde c.q. te stellen schade ontbreekt.

- Tussen mr. Mensink en Previtech is overeenstemming bereikt over het aan Previtech uit te keren bedrag uit de boedel van FMS, te weten een bedrag van
€ 107.505,23. Dit bedrag is op 16 november 2015 aan Previtech uitgekeerd. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

* een bedrag van € 44.174,80; dit is het bedrag waarvoor mr. Mensink de verpande vorderingen aan [naam directeur FMS] heeft verkocht, verminderd met een bedrag van € 5.3345,15 als 10% boedelbijdrage incl. 21% btw;

* een bedrag van € 1.147,37; dit is het bedrag dat Previtech na aanschrijving van de debiteuren van FMS op haar rekening heeft ontvangen en vanwege het niet erkennen van het pandrecht terug heeft moeten storten naar de boedel; en

* een bedrag van € 76.823,90; dit is het totaalbedrag dat de boedel heeft ontvangen van verpande debiteuren verminderd met € 9.295,69 als
10% boedelbijdrage inclusief 21% btw.

- De relatie tussen Previtech en ABAB en ABAB Accountants is inmiddels beëindigd.

3.2.

Van de zijde van Previtech is ter comparitiezitting verzocht om in punt 50 van de dagvaarding achter het woord “debiteurenlijsten” het woord “niet” te lezen, hetgeen dienovereenkomstig zal worden gelezen. Daarnaast merkt de rechtbank op dat in het proces verbaal van comparitie abusievelijk de naam “mr. Mentink” staat vermeld en dat deze gelezen dient te worden als “mr. Mensink”.

3.3.

Previtech legt aan haar vordering ten grondslag dat ABAB en ABAB Accountants toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomsten van opdracht. Previtech verwijt ABAB en ABAB Accountants dat zij tekort zijn geschoten in hun verplichting tot het deugdelijk adviseren van Previtech over de wijze van registratie van het pandrecht. Previtech stelt voorts dat ABAB en ABAB Accountants een foutieve juridische beoordeling van het pandrecht van Previtech hebben gemaakt. In het bijzonder beklaagt Previtech zich over de handelwijze van ABAB ná 26 januari tot 25 februari 2015omdat ABAB in voormelde periode inactief is gebleven terwijl de curator herhaaldelijk om informatie vroeg ter zake de rechtsgeldigheid van het pandrecht van Previtech. In de visie van Previtech heeft ABAB daarmee nagelaten te waken voor de belangen van Previtech. Ten gevolge van de verweten toerekenbare tekortkoming heeft Previtech schade geleden die door ABAB en ABAB Accountants vergoed zal dienen te worden, aldus steeds Previtech.

3.4.

ABAB en ABAB Accountants hebben de stellingen van Previtech weersproken. De rechtbank oordeelt, hierbij de verweren van ABAB en ABAB Accountants betrekkend, als volgt.

Vordering jegens ABAB Accountants

3.5.

De vorderingen van Previtech jegens ABAB Accountants wordt afgewezen nu vast is komen te staan dat de verweten gedragingen niet de door Previtech aan ABAB Accountants opgedragen werkzaamheden betreffen, maar die van ABAB in het kader van haar juridische dienstverlening uit hoofde van de separate met Previtech gesloten overeenkomst van opdracht. Dit betekent dat de gevorderde hoofdelijke veroordeling eveneens wordt afgewezen. Gezien het vorenstaande zal de rechtbank hierna beoordelen of ABAB jegens Previtech toerekenbaar tekort is geschoten in de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht.

Tekortkoming ABAB

3.6.

Uit de stellingname van partijen volgt dat zij van mening verschillen over de vraag (i) of ABAB in haar dienstverlening richting Previtech toerekenbaar is tekortgeschoten, (ii) of de gevorderde schade een gevolg is van de wanprestatie van ABAB en (iii) of de gevorderde schade daadwerkelijk is geleden.

3.7.

Bij de beantwoording van de eerste vraag geldt dat ABAB Previtech juridisch heeft geadviseerd en conform haar eigen advies heeft bijgestaan ter zake het vestigen van het bewuste pandrecht, het opstellen van de pandakte en tevens zorg heeft gedragen voor de eerste registratie hiervan. Gelijk de door de Hoge Raad ontwikkelde maatstaf voor advocaten geldt voor ABAB als juridisch dienstverlener/adviseur en beroepsbeoefenaar dat zij de zorgvuldigheid dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Hoewel een juridisch dienstverlener/adviseur niet zonder meer gelijk te stellen is aan een advocaat mag ook van hem als deskundige partij op het juridisch vlak worden verwacht dat hij zelfstandig beoordeelt wat voor de zaak van nut kan zijn en daarnaar handelt. Deze beoordeling houdt vanzelfsprekend wel verband met datgene waarvoor de opdrachtgever zich tot de juridisch dienstverlener wendt. Deze zorgvuldigheidsplicht brengt mee dat een juridisch dienstverlener/adviseur zijn cliënt niet onnodig blootstelt aan voorzienbare en vermijdbare risico’s. Dit betekent dat wanneer een juridisch dienstverlener zijn opdrachtgever adviseert in het kader van een door de opdrachtgever te nemen beslissing over een bepaalde kwestie deze zorgvuldigheidsplicht meebrengt dat de juridisch dienstverlener de opdrachtgever in staat stelt goed geïnformeerd te beslissen. Of en in welke mate een juridisch dienstverlener/adviseur zijn cliënt daarbij behoort te informeren over en te waarschuwen voor een bepaald risico, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dat kader kan onder meer betekenis toekomen aan de ernst en omvang van het desbetreffende risico, de mate van waarschijnlijkheid dat dit zich zal realiseren en de mate waarin de cliënt ervan heeft blijk gegeven zich reeds van dat risico bewust te zijn (vgl.: HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR: 2015:1406: ECLI: NL:PHR:2015:161)

De rechtbank merkt hierbij op dat indien komt vast te staan dat ABAB onjuist heeft gehandeld of een onjuist advies heeft gegeven, zulks op zichzelf nog geen aansprakelijkheid van ABAB schept. Immers, aansprakelijkheid, in de zin van normschending, ontstaat pas wanneer een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in de gegeven omstandigheden anders gehandeld zou hebben, respectievelijk het betreffende advies niet zou hebben gegeven.

3.8.

Allereerst dient de reikwijdte van de verplichtingen van ABAB te worden vastgesteld. Hierbij is onder meer van belang hetgeen ABAB als juridisch dienstverlener en adviseur van Previtech bekend was met de aard en het doel van de in het geding zijnde pandrecht, de ernst van de daarmee samenhangende risico’s en de hoedanigheid van de betrokken partijen.

3.8.1.

Met betrekking tot de hoedanigheid van partijen geldt dat Previtech een professionele partij is op het gebied van in- en verkoop van grafische machines, alsmede met het onderhoud en repareren van die machines, doch niet deskundig is op het juridische vlak waarop het pandrecht betrekking heeft en waarvoor zij zich juist tot ABAB heeft gewend, zodat mr. [naam jurist] van ABAB op dat gebied als de deskundige partij moet worden aangemerkt.

3.8.2.

Ten aanzien van de aard en doel van de in het geding zijnde rechten en plichten ter zake het pandrecht in kwestie geldt dat onweersproken vast staat dat de contractuele relatie tussen partijen is begonnen met de door ABAB Accountants in opdracht van Previtech uitvoeren van administratieve en financiële diensten. In dit verband is bij gelegenheid van één van de financiële jaarbesprekingen de door Previtech verstrekte geldlening aan FMS ter sprake is gekomen. Ter comparitiezitting is door Previtech onweersproken verklaard dat bij die gelegenheid door ABAB Accountants geadviseerd is om ter zekerheid van terugbetaling van voormelde geldlening een pandrecht te vestigen. Voorts staat vast dat ABAB Accountants Previtech vervolgens in contact heeft gebracht met mr. [naam jurist] van ABAB die Previtech heeft geadviseerd en voorgelicht omtrent het pandrecht en die vervolgens in opdracht van Previtech de bewuste pandakte heeft opgesteld en zorg heeft gedragen voor de eerste registratie van het pandrecht. Hiermee staat vast dat mr. [naam jurist] bekend was met de aard en doel van het pandrecht en aldus wist dat Previtech toereikende zekerheid wenste te verkrijgen van FMS in verband met de door Previtech ten behoeve van FMS verstrekte geldlening. Vast staat dat mr. [naam jurist] bij e-mailbericht van 16 januari 2015 (prod.
26 bij dagvaarding) aan de directeur van FMS, de heer [naam directeur FMS] , heeft medegedeeld dat overgegaan is tot executie van het pandrecht door het aanschrijven van debiteuren en dat ingeval van rechtstreekse betalingen door debiteuren aan FMS sprake is van onverschuldigde betaling, alsmede dat FMS in zo’n geval gehouden is het geld over te maken op het bankrekeningnummer van Previtech. Hierbij wordt door mr. [naam jurist] gemeld dat bij gebreke hiervan FMS aansprakelijk zal worden gesteld voor alle schade en kosten die dit bij de pandhouder veroorzaakt. In gelijke zin is FMS door ABAB bericht bij e-mailberichten van 19 januari en 21 januari 2015 (prod. 29 en 30 bij dagvaarding). Uit de inhoud van deze berichten volgt aldus dat ABAB wist welke belangen voor Previtech op het spel stonden en heeft zij op voormelde momenten als juridisch professional gewaakt voor de belangen van Previtech en daarmee jegens de pandgever FMS gehandeld zoals van een zorgvuldig handelend juridisch dienstverlener in gelijke omstandigheden mag worden verwacht.

3.8.3.

Dit kan niet worden gezegd van de handelwijze van mr. [naam jurist] vanaf het moment dat de bewindvoerder/curator van FMS, mr. Mensink, in contact met haar is getreden met het verzoek om de rechtsgeldigheid van het pandrecht van Previtech aan te tonen. Vast staat immers dat mr. Mensink bij e-mailbericht van 26 januari 2015 (prod. 31 bij dagvaarding) onder meer het volgende aan mr. [naam jurist] heeft bericht:

“(…)

Ik werd als bewindvoerder aangesteld. Ik vernam dat u de adviseur bent van [naam bestuurder] en Previtech B.V., die aandeelhouder en schuldeiser van FMS is. FMS gaf mij een kopie van de pandakte d.d. 27 september 2013, waarmee ten gunste van Previtech een pandrecht gevestigd wordt op inventaris en debiteuren. Nog afgezien van de vraag of deze verpanding rechtsgeldig is (mogelijk is die paulianeus, nu er op het eerste gezicht op lijkt dat het een onverplichte verpanding om niet betrof voor een oude schuld), geldt dat met die akte slechts debiteurenvordering van FMS die reeds bestonden in september 2013 zijn verpand. Toekomstige vorderingen kunnen immers niet verpand worden art. 3:94 lid 3 BW. Het gros van de thans uitstaande debiteurenvordering van FMW, zijn ontstaan na september 2013. Dit betekent dat op die vorderingen geen pandrecht van Previtech rust.

Desondanks heeft Previtech wel debiteuren (die niet aan haar zijn verpand) aangeschreven met het verzoek om aan haar te betalen. Die aanschrijving is gelet op het voorgaande niet correct. Ik verzoek u/uw cliënte daarom om alle debiteuren te berichten dat de aanschrijving op een misverstand berust, en dat zij (debiteuren) uitsluitende bevrijdend kunnen betalen aan FMS zelf.

Mochten er nog later pandaktes zijn (d.w.z. een door FMS ondertekend geschrift met het doel debiteuren te verpanden), ontvang ik graag zo snel mogelijk daarvan een kopie.

Ik verneem graag uw reactie. Ook als u vragen of opmerkingen hebt, kunt u natuurlijk altijd contact met mij opnemen.

Naar aanleiding hiervan bericht mr. [naam jurist] op 27 januari 2015 aan de heer [naam bestuurder] van Previtech, het navolgende:

“(…)

Kunt u mij alle geregistreerde pandakten toezenden alsmede die reeds de afgelopen weken ter registratie zijn aangeboden doch nog niet retour zijn ontvangen?

Zie onderstaand bericht. De bewindvoerder heeft zich gemeld.(…)”

Hierop antwoordt [naam bestuurder] op dezelfde dag onder meer dat het gebeuren stress bij hem veroorzaakt en dat hij het gevoel heeft dat hij geen echte medewerking meer krijgt. De dag na voormeld bericht machtigt [naam bestuurder] bij e-mailbericht van 28 januari 2015 mr. [naam jurist] als zijn vertegenwoordiger. Vervolgens bericht mr. [naam jurist] op dezelfde dag aan mr. Mensink dat [naam bestuurder] wegens verblijf in het buitenland op dat moment niet bereikbaar is en dat zij begrepen heeft dat er recentelijk wekelijks door FMS ondertekende debiteurenlijsten zijn aangeleverd die ook ter registratie zijn aangeboden. Ook vermeldt zij dat de aanschrijvingen van de debiteuren door de bestuurders van FMS zelf op de post zijn gedaan. Ze sluit af met de mededeling dat zij mr. Mensink nader zal berichten zodra zij contact heeft met haar cliënt Previtech. Daags na voormelde e-mailwisseling verzoekt
mr. Mensink aan de mr. [naam jurist] wederom om toezending van de meest recente pandakte. Hierbij meldt hij dat voor een geldig pandrecht de bij de fiscus geregistreerde debiteurenlijsten voorzien van een handtekening niet voldoende is, maar dat vereist is dat in de pandakte/op de pandlijst zelf ook is verklaard dat de betreffende vorderingen worden verpand. Volgens mr. Mensink is bij gebrek van een dergelijke mededeling sprake van slechts een debiteurenoverzicht doch niet van een pandlijst/pandakte. Hierop heeft mr. [naam jurist] geen inhoudelijk standpunt jegens mr. Mensink ingenomen, terwijl bij uitstek van haar als juridisch deskundige en adviseur van Previtech mocht worden verwacht dat zij alles in het werk zou stellen ter verdediging van de rechtsgeldigheid en behoud van het pandrecht van Previtech; kortom de belangen van haar opdrachtgeefster.

3.8.4.

In het licht van het vorenstaande en met in achtneming van hetgeen hiervoor is overwogen aangaande de geldende maatstaf mocht van mr. [naam jurist] worden verwacht dat zij zou nagaan of het door mr. Mensink verkondigde standpunt ter zake het pandrecht in overeenstemming was met de geldende wet- en regelgeving ter zake de rechtsgeldigheid van pandrechten. Bij de uitvoering van haar taak en opdracht was mr. [naam jurist] gehouden zich te vergewissen van jurisprudentie op het betreffende rechtsgebied, waarmee zij beroepshalve bekend behoort te zijn. De op mr. [naam jurist] rustende zorgplicht veronderstelt immers specifieke kennis van het rechtsgebied - zijnde in het onderhavige geval het pandrecht als goederenrechtelijke zekerheidsrecht - waarvoor ABAB tenslotte door Previtech is aangezocht en ter zake waarvan partijen hebben gecontracteerd. Het behoorde aldus bij uitstek tot de taak van mr. [naam jurist] als juridisch dienstverlener en adviseur om hieromtrent duidelijkheid te verkrijgen en te verschaffen. Indien zij dit had gedaan had zij onder verwijzing naar het op dat moment ruim 13 jaar ervoor gewezen arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2001, NJ 2001/662 (Meijs q.q./Bank of Tokyo Mitsubishi) mr. Mensink moeten wijzen op zijn onjuiste stellingname op dit punt. Vast staat dat mr. [naam jurist] dit niet heeft gedaan, noch heeft zij andere acties ondernomen ter verdediging van het pandrecht én de positie van Previtech. De handelwijze van mr. [naam jurist] is des te meer verwijtbaar nu het onderzoeken van de legitimiteit van de door mr. Mensink ingenomen standpunt aangaande de rechtsgeldigheid van het pandrecht voor mr. [naam jurist] als juridisch deskundige partij een relatief geringe inspanning vergt, terwijl zij met een dergelijk onderzoek een voor Previtech wezenlijk belang zou hebben gediend.

Hierbij acht de rechtbank tevens van belang dat door [naam bestuurder] jegens mr. [naam jurist] angst en stressgevoelens was geuit omtrent de kwestie terwijl mr. [naam jurist] in de genoemde periode naast juridisch dienstverlener en adviseur tevens de vertegenwoordiger en daarmee belangenbehartiger was van Previtech.

3.8.5.

Gezien de op mr. [naam jurist] rustende zorgplicht geldt dat zij op dit punt voorzichtigheid ter zake de op het spel zijnde belangen van Previtech behoorde te betrachten en diende zij met de nodige alertheid en voortvarendheid te handelen. In het licht van het vorenstaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat voormelde handelwijze van
mr. [naam jurist] geenszins strookt met de zorgplicht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend juridisch dienstverlener mag worden verwacht. De rechtbank verwerpt het verweer van ABAB dat het niet expliciet presenteren van de rechtsgeldigheid van het stil pandrecht van Previtech door mr. [naam jurist] jegens mr. Mensink niet ingegeven was door een onjuiste juridische beoordeling van mr. [naam jurist] . Vast staat immers dat mr. [naam jurist] geen enkel standpunt ter verdediging van het pandrecht van Previtech heeft ingenomen, noch enig andere actie op dit punt heeft ondernomen. Naar het oordeel van de rechtbank wordt met deze stellingname de rol van mr. [naam jurist] als juridisch dienstverlener en adviseur handelend in opdracht van Previtech miskend. Die rol vergt immers een actieve en niet een passieve opstelling bij de invulling van de op mr. [naam jurist] rustende zorgplicht.

3.9.

Tot hetzelfde oordeel komt de rechtbank ter zake de handelwijze van mr. [naam jurist] nádat mr. Mensink bij e-mailbericht van 6 februari 2015 (productie 40 bij dagvaarding) aan mr. [naam jurist] onder meer bericht dat hij de gehele debiteuren-portefeuille in kwestie zal verkopen en overdragen omdat de rechtsgeldigheid van het pandrecht van Previtech niet is aangetoond hoewel meermaals daartoe is verzocht. Vast staat dat mr. [naam jurist] hierop geen enkele reactie heeft gegeven, terwijl dit wel tot haar taak behoorde. Ter comparitiezitting is hierover door ABAB verklaard dat op de aankondiging van mr. Mensink dat hij over zou gaan tot verzilvering van de debiteurenportefeuille mr. [naam jurist] gereageerd noch geprotesteerd heeft. Dit is geen handelwijze die past bij een juridisch professional. Gezien de voorzienbare verstrekkende nadelige gevolgen van de door mr. Mensink aangekondigde actie voor Previtech diende
mr. [naam jurist] bij het naleven van de op haar rustende zorgplicht ernstig rekening te houden met de omstandigheid dat hiermee de zekerheidsrechten van Previtech onherstelbaar zouden worden aangetast en diende zij hiertegen in verzet te komen door bijvoorbeeld
mr. Mensink te waarschuwen en hem op voorhand expliciet aansprakelijk te stellen. De rechtbank passeert het verweer van ABAB dat mr. [naam jurist] er geen rekening mee hoefde te houden dat mr. Mensink binnen twee à drie dagen over zou gaan tot verkoop en dat het niet aannemelijk is dat de mr. Mensink op zijn schreden zou zijn teruggekomen indien mr. [naam jurist] vóór 6 februari 2015 het standpunt van mr. Mensink over de rechtsgeldigheid van het pandrecht zou hebben betwist. Voormeld verweer is geenszins onderbouwd. Daar komt bij dat mr. [naam jurist] - wetende welke belangen voor Previtech op het spel stonden alsmede dat juiste informatie over de rechtsgeldigheid van het pandrecht van Previtech van cruciaal belang was om mr. Mensink te weerhouden van zijn voornemen - niet heeft kunnen volstaan met het uitsluitend doorsturen van het e-mailbericht van
mr. Mensink aan [naam bestuurder] met daarbij de vraag aan laatstgenoemde of zij mr. Mensink kon berichten voor akkoord, zonder daarbij enig juridisch inhoudelijk standpunt in te nemen. Met deze handelwijze heeft mr. [naam jurist] haar rol miskend en nagelaten hieraan invulling te geven. Anders dan ABAB stelt, acht de rechtbank het niet uitgesloten dat mr. Mensink niet tot verkoop van de debiteurenportefeuille zou zijn overgegaan indien hij indringend en met de nodige verwijzingen naar wet- en regelgeving op de rechtsgeldigheid van het pandrecht van Previtech zou zijn gewezen en op voorhand aansprakelijk zou zijn gesteld indien hij niettemin tot verkoop zou zijn overgegaan. Dit mede gelet op het feit dat
mr. Mensink naar aanleiding van de brief van mr. [naam advocaat] van 22 mei 2015 (productie 50 bij dagvaarding) onder verwijzing van meergenoemd arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2001, NJ 2001/662, heeft erkend dat zijn ingenomen standpunt ter zake de rechtsgeldigheid van het pandrecht van Previtech onjuist was. Verwacht mocht worden dat mr. [naam jurist] vóór 6 februari 2015 een soortgelijk verweer zou hebben gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank mocht van mr. [naam jurist] aldus in de gegeven situatie aldus een actievere houding worden verwacht. De handelwijze van mr. [naam jurist] duidt naar het oordeel van de rechtbank op het continueren van het kritiekloos volgen en overnemen van het door
mr. Mensink (achteraf gebleken onjuist) ingenomen standpunt. Geenszins kan worden geconcludeerd tot handelen van mr. [naam jurist] op basis van de vereiste professionele deskundigheid en zorgvuldigheid.

3.10.

In het licht van de gemotiveerde stellingen van Previtech had het ten minste op de weg van ABAB gelegen om gemotiveerd aan te geven welke handelingen mr. [naam jurist] heeft verricht om te voldoen aan de hiervoor genoemde eisen die aan een redelijk handelend en redelijk bekwaam juridisch dienstverlener worden gesteld. Zij heeft hieromtrent echter onvoldoende aangevoerd, zodat de stellingen op dit punt van Previtech als onvoldoende gemotiveerd betwist tot uitgangspunt worden genomen. In ieder geval is onvoldoende dat ABAB verwijst en zich daarmee verschuilt achter de fout die mr. Mensink heeft gemaakt. Gelijk hiervoor is overwogen diende mr. [naam jurist] als juridisch professional zelfstandig de juistheid en legitimiteit van het door mr. Mensink ingenomen standpunt te onderzoeken en te weerleggen. In dit verband merkt de rechtbank op dat de in deze procedure ingenomen standpunt van ABAB dat mr. [naam jurist] geen verwijt treft en dat zij geen fout heeft gemaakt zich niet verhoudt met het eerder door ABAB buiten onderhavige procedure op dit punt ingenomen stelling. Immers, in het e-mailbericht van 27 juli 2015 van de heer [naam manager juristen 1] van ABAB aan mr. [naam advocaat] staat hierover onder meer het navolgende:

“(…)

Daarnaast is daar het emailbericht van mijn collega [naam jurist] waarin zij in beginsel dezelfde (beoordelings)fout maakt.

Met betrekking tot uw aansprakelijkstelling van ABAB kan ik niet ontkennen dat ABAB (in de persoon van mr. [naam jurist] ) een misvatting heeft gemaakt ten aanzien van de vestigingsvereisten van het betreffende pandrecht; het ingevoegde emailbericht laat immers niets aan duidelijkheid te wensen over. Het antwoord op de vraag of ABAB daarmee (eventueel) aansprakelijk is voor de door uw cliënt gestelde c.q. te stellen schade is een andere zaak. Naar mijn mening ontbreekt he daarvoor noodzakelijke causale verband. Als de curator in eerste aanleg had gehandeld zoals een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot onder de gegeven omstandigheden had gehandeld was de onderhavige beoordeling van de situatie door ABAB niet meer aan de orde gekomen c.q. niet relevant geweest.(…)”

Hieruit volgt onmiskenbaar dat ABAB zelf van mening is dat zij een fout hebben gemaakt. Los hiervan is de rechtbank van oordeel dat het vorenstaande in onderling verband en samenhang beschouwd, tot de slotsom leidt dat mr. [naam jurist] in de gegeven omstandigheden niet de zorgvuldigheid van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot heeft betracht, zodat ABAB derhalve tekort is geschoten in de nakoming van de door Previtech aan haar verstrekte opdracht. Daarmee wordt geconcludeerd dat ABAB tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht. De hieruit voor Previtech ontstane schade kan ABAB worden toegerekend in de zin van artikel 6:75 BW. ABAB immers heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die doen inzien dat toerekenbaarheid ontbreekt, zodat de rechtbank de hoofdregel van artikel 6:74 BW toepast.

Condicio sine qua non-verband

3.11.

Gelet op het bepaalde in artikel 6:74 BW geldt dat de tekortkoming van ABAB condicio sine qua non voor de schade van Previtech dient te zijn. Previtech heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat mr. Mensink bij gebreke van enige onderbouwing en reactie van mr. [naam jurist] ter zake de rechtsgeldigheid van het pandrecht van Previtech de verpande vorderingen voor verschillende percentages van de waarde daarvan aan een derde heeft verkocht, alsmede dat Previtech daarnaast een boedelbijdrage van 10% aan de boedel heeft moeten afdragen als vergoeding voor de werkzaamheden van mr. Mensink. Volgens Previtech zijn deze schadeposten veroorzaakt door de tekortkoming van ABAB in de uitvoering van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht.

3.11.1.

ABAB heeft ter zake het causaal verband onder meer ten verwere aangevoerd dat de schade van Previtech veroorzaakt is door het onrechtmatig optreden van mr. Mensink. Hierbij voert ABAB aan dat ook ingeval mr. [naam jurist] uiterlijk op 5 februari 2015 het standpunt van mr. Mensink gemotiveerd zou hebben weerlegd, laatstgenoemde door zou zijn gegaan met de uitvoering van de voorgenomen verkoop van de debiteurenportefeuille. ABAB betoogt hierbij dat mr. Mensink ook na de onderbouwde weerlegging van mr. [naam advocaat] van oordeel is gebleven dat hij met de verkoop van de debiteurenportefeuille correct heeft gehandeld. ABAB heeft voorts aangevoerd dat een bedrag van € 27.350,-- aan debiteurenbedragen is ontvangen op de rekening van FMS in de periode vóór de surseance van FMS (tussen 16 januari en 23 januari 2015) en dat het pandrecht op deze debiteuren daardoor teniet is gegaan. Dit betreft aldus geen schade ter zake waarvan ABAB een verwijt kan worden gemaakt, zo betoogt ABAB.

De rechtbank volgt ABAB in dit verweer, welke overigens niet gemotiveerd is betwist door Previtech. Voor zover Previtech schade heeft geleden omdat een deel van de debiteuren - vermeld op de debiteurenlijst van 16 januari 2015 - in de genoemde periode op de rekening van FMS hebben betaald, geldt dat dit niet veroorzaakt is door toedoen van ABAB, maar het gevolg is van het feit dat door de bewuste betalingen de vorderingen en daarmee dus het corresponderende pandrecht van Previtech teniet is gegaan. Dit betekent dat ABAB tot voormeld bedrag niet aansprakelijk is voor de beweerde schade van Previtech.

3.11.2.

Voor het overige verwerpt de rechtbank de stellingname van ABAB. De verwijzing door ABAB naar de e-mailwisseling tussen mr. Mensink en mr. [naam advocaat] wordt verworpen nu dit ziet op het debat over de door mr. Mensink gehanteerde termijn van 14 dagen alvorens hij tot verkoop van de debiteurenportefeuille is overgegaan. Gelijk hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het geenszins uitgesloten dat mr. Mensink zijn standpunt zou hebben herzien ingeval hij van meet af aan zou zijn geconfronteerd met een deugdelijk inhoudelijk verweer met daarbij een in het vooruitzicht gestelde aansprakelijkstelling ingeval hij niettemin zou overgaan tot acties waarmee mogelijk het pandrecht van Previtech zou worden aangetast. Gezien de in het geding gebrachte stukken moet het ervoor gehouden worden dat mr. Mensink, nadat hij meermaals tevergeefs aan mr. [naam jurist] gevraagd had om de rechtsgeldigheid van het pandrecht van Previtech aan te tonen, bij gebreke van enig handelen of standpunt in dit opzicht van mr. [naam jurist] , het op dat moment door hem verkondigde standpunt voor juist heeft gehouden en in het belang van de faillissementsboedel vervolgacties heeft ondernomen. Dit zegt op zich zelf niets over de gevolgen van het verzaken van de op ABAB rustende verplichtingen. Gezien het vorenstaande luidt de conclusie dan ook dat in beginsel sprake is van een condicio sine qua non verband tussen de tekortkoming van ABAB en de beweerdelijk door Previtech geleden schade; zulks inachtneming van het overwogene in rechtsoverweging 3.11.1 ter zake het deels tenietgaan van het pandrecht vanwege door debiteuren gedane betalingen aan FMS.

toerekenbaarheid van de schade

3.12.

ABAB is alleen aansprakelijk voor schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van ABAB berust, dat deze schade haar, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW). Ingeval het condicio sine qua non-verband is komen vast te staan, geldt dat het aan de partij die stelt dat het causaal verband is verbroken de daartoe benodigde feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen.

3.13.

ABAB stelt dat de door Previtech gevorderde schade in redelijkheid niet aan haar kan worden toegerekend zoals bedoeld in voormeld artikel. Volgens ABAB is de schade in de eerste plaats een direct gevolg van het onrechtmatig optreden van mr. Mensink, welk handelen dusdanig bepalend is geweest voor de aard en de omvang van de schade dat deze in redelijkheid niet meer aan ABAB kan worden toegerekend. Daarnaast voert ABAB aan dat de omstandigheid dat Previtech bereid is geweest tegenover mr. Mensink een boedelbijdrage te voldoen van 10% in redelijkheid niet kan worden toegerekend als schade ten gevolge van de beroepsfout van ABAB. ABAB betoogt hierbij dat het de keus van Previtech is geweest om in het kader van een minnelijke regeling genoegen te nemen met minder dan waarop Previtech recht had.

3.14.

Vast staat dat mr. [naam jurist] op de hoogte was van het standpunt van mr. Mensink ter zake het pandrecht én van zijn voornemen om over te gaan tot verkoop van de debiteurenportefeuille. De schade van Previtech (behoudens die veroorzaakt is door het tenietgaan van het pandrecht van Previtech) staat naar het oordeel van de rechtbank in rechtstreeks verband met het feit dat mr. [naam jurist] verzuimd heeft om te waken voor de belangen van Previtech en meer specifiek om jegens mr. Mensink stelling te nemen ter zake de rechtsgeldigheid van het pandrecht van Previtech, alsmede om jegens hem op te treden nadat hij de verkoop van de debiteurenportefeuille had aangekondigd. Dit zijn omstandigheden die mr. [naam jurist] en daarmee ABAB kunnen worden aangerekend en die zij, anders dan ABAB aanvoert, wel degelijk heeft kunnen voorzien.

Eigen schuld

3.15.

ABAB stelt dat sprake is van eigen schuld ex artikel 6:101 BW zijdens Previtech en dat deze van invloed dient te zijn op de omvang van de eventueel toe te wijzen schadevergoeding. ABAB betoogt dat ingeval de tekortkoming van Previtech achterwege zou zijn gebleven de schade zich in het geheel niet zou hebben voorgedaan zodat de schade voor 100% voor rekening van Previtech dient te blijven. De stellingen van ABAB zien op een verwijt jegens Previtech omtrent de wijze van registratie van het pandrecht. ABAB betoogt dat Previtech zich niet heeft gehouden aan de door ABAB gegeven instructies omtrent de vereiste aan de belastingdienst toe te zenden stukken voor het op juiste wijze registreren van het bewuste pandrecht. Indien Previtech zich aan de instructies van ABAB had gehouden dan had mr. Mensink zich niet op het standpunt kunnen stellen dat sprake was van een niet rechtsgeldig pandrecht.

Voormelde stellingen dienen te worden verworpen omdat de schade van Previtech is ontstaan als gevolg van de fout van mr. [naam jurist] . De rechtbank verwerpt dan ook het beroep van ABAB op verminderde aansprakelijkheid ex artikel 6:101 BW.

Schade

3.16.

Previtech vordert een schadebedrag van € 60.564,18. Previtech stelt schade te hebben geleden omdat de afwikkeling van de debiteurenportefeuille in het kader van het faillissement van FMS heeft moeten plaatsvinden terwijl zonder de toerekenbare tekortkoming van ABAB die afwikkeling had kunnen plaatsvinden buiten het faillissement. Previtech voert aan dat door de afwikkeling van de debiteurenportefeuille in het kader van het faillissement van FMS een koopprijs is behaald die lager is dan de nominale waarde van de debiteuren. In dit verband heeft Previtech toegelicht dat op basis van de administratie van FMS en de door Previtech op 16 januari 2015 geregistreerde debiteurenlijst tussen
mr. Mensink en Previtech is overeengekomen dat hij een bedrag van € 107.505,23 uit de boedel van FMS aanPrevitech betaalt. Dit bedrag is inclusief de door Previtech betaalde boedelbijdrage van 10%; voormeld percentage is eveneens schade van Previtech omdat zij deze kosten niet zou hebben gemaakt indien de verkoop van de debiteurenportefeuille buiten het faillissement zou hebben plaatsgevonden. Voormeld bedrag van € 107.505,23 correspondeert met de gelden die de boedel van verpande debiteuren en van de koper van de vorderingen heeft ontvangen. Previtech betoogt dat het totaalbedrag van € 107.505,23 aanzienlijk lager is dan het bedrag van € 168.069,41, zijnde het totaalbedrag van de vorderingen van FMS op haar debiteuren die zijn vermeld op de namens FMS ondertekende debiteurenlijst van 16 januari 2015 waarop Previtech een rechtsgeldig stil pandrecht heeft verkregen. Previtech voert aan dat in haastige toestand is overgegaan tot verkoop van de debiteurenportefeuille, terwijl [naam bestuurder] de debiteuren voor 100% had kunnen innen omdat hij ze persoonlijk kende, alsmede omdat hij verzekerd van juridische bijstand de tijd had om de debiteuren te innen. Het verschil tussen het bedrag van € 168.069,41 en € 107.505,23 vordert Previtech als schade, zijnde aldus een bedrag van € 60.564,18.

3.17.

ABAB heeft de gevorderde schade betwist. Hiertoe is onder meer aangevoerd dat mr. Mensink een gebruikelijke staffel bij verkoop van de debiteurenportefeuille heeft gehanteerd. ABAB betwist voorts dat Previtech voor 100% debiteuren had kunnen innen. In de visie van ABAB dient uitgegaan te worden van de gemiddelde waarde van de debiteurenportefeuille in het handelsverkeer; ABAB stelt deze op 85%. ABAB heeft voorts aangevoerd dat een bedrag van € 27.350,-- aan debiteurenbedragen is ontvangen op de rekening van FMS in de periode vóór de surseance van FMS (tussen 16 januari en 23 januari 2015) en dat het pandrecht op deze debiteuren teniet is gegaan, zodat het bedrag van
€ 27.350,-- geschrapt dient te worden van de debiteurenlijst van 16 januari 2015; dat betekent volgens ABAB dat uitgegaan dient te worden van een debiteurenstand van
€ 140.719,--. In de visie van ABAB is het uitgangspunt van de schade 85% van
€ 140.719,--. ABAB betoogt dat het schadebedrag aan de zijde van Previtech maximaal
€ 18.000,-- bedraagt.

3.19.

Gelijk hiervoor in rechtsoverweging 3.11.1 is overwogen is een bedrag van
€ 27.350,-- niet veroorzaakt door toedoen of nalaten van ABAB maar het gevolg van het tenietgaan van het pandrecht van ABAB vanwege gedane debiteurenbetalingen aan FMS. Ter zake hiervan heeft Previtech in het faillissement van FMS voorrang op het geïnde behouden omdat de betalingen deel zijn gaan uitmaken van de faillissementsboedel. Dit betreft echter een kwestie tussen Previtech en mr. Mensink en regardeert ABAB niet. Gezien de door Previtech gegeven toelichting alsmede de inhoud van de prod. 57 incl. bijlagen bij dagvaarding neemt de rechtbank aan dat voormelde betalingen onderdeel uitmaken van het tussen Previtech en mr. Mensink bereikte akkoord. Voor het overige acht de rechtbank, in het licht van de onderbouwing van de schade door Previtech, de betwisting van de gevorderde schade door ABAB onvoldoende gemotiveerd betwist. ABAB heeft haar stellingname omtrent de in het handelsverkeer gehanteerde percentage van 85%, alsmede haar stelling dat de schade maximaal € 18.000,-- bedraagt geenszins onderbouwd, zodat deze stellingen worden verworpen.

Het voorgaande brengt met zich dat de vordering van Previtech tot een bedrag van
€ 33.213,77 (€ 140.719,-- minus € 107.505,23) zal worden toegewezen. De vorderingen tot betaling van de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 februari 2015 is op de wet gebaseerd en onbetwist gelaten en zal eveneens worden toegewezen.

Proceskosten

3.20.

ABAB zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van Previtech worden vastgesteld op:
- vast recht € 1.929,00

- dagvaarding € 87,75
- salaris advocaat € 1.158,00 (2 punten x € 579,00; tarief III)
Totaal € 3.174,75

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen als vermeld in het dictum.

De gevorderde nakosten zijn niet weersproken en zullen eveneens als vermeld in het dictum worden toegewezen. De (proces)kostenveroordeling wordt, zoals door Previtech onweersproken is verzocht, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.21.

Weliswaar wordt de vordering tegen ABAB Accountants afgewezen en is Previtech ten opzichte van ABAB Accountants de in het ongelijk gestelde partij, maar hierbij geldt dat ABAB Accountants geen proceskosten heeft gemaakt die te separeren zijn van die van ABAB. Dat betekent dat de proceskosten aan de zijde van ABAB Accountants op nihil worden gesteld.

4 De beslissing

De rechtbank:

inzake ABAB:

4.1.

veroordeelt ABAB om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Previtech te betalen een bedrag van € 33.213,77 (zegge: drieëndertigduizendtweehonderddertien euro en zevenenzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 25 februari 2015 tot de dag der algehele voldoening;

4.2.

veroordeelt ABAB in de proceskosten aan de zijde van Previtech, tot op heden begroot op € 3.174,75 te voldoen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

4.3.

veroordeelt ABAB, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Previtech volledig aan dit vonnis voldoen, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening;

4.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af;

inzake ABAB Accountants:

4.6.

wijst de vorderingen af;

4.7.

veroordeelt Previtech in de proceskosten aan de zijde van ABAB Accountants, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2016.