Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:6855

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-10-2016
Datum publicatie
21-01-2021
Zaaknummer
AWB 16_4025
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:3429, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/4025 WABO

uitspraak van 28 oktober 2016 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

Port of Breda B.V., te Spijkenisse, eiseres,

gemachtigde: mr. D. Kochx,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

Op 30 juli 2015 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een horecavestiging en een reclamemast met een technische ruimte op het Bagven Park te Breda.

Op 22 juni 2016 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekendmaken van een beschikking van rechtswege door het college (artikel 8:55f van de Algemene wet bestuursrecht; Awb).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 16 september 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger verweerder] en mr. S. van Hengel, een kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De reclamemast die eiseres voornemens is bouwen, is 45 meter hoog. Het totaal bebouwd oppervlak van de horecavestiging en de reclamemast met technische ruimte is volgens de aanvraag 414 m2. Op de locatie geldt het bestemmingsplan “Buitengebied Zuid 2013” (bestemmingsplan).

2.1

Eiseres is van opvatting dat de omgevingsvergunning voor het bouwen van de mast van rechtswege is verleend en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De mast past binnen het bestemmingsplan. De mast is een gebouw, omdat het een bouwwerk is dat hol is van binnen, overdekt, omsloten is met wanden en voor mensen toegankelijk is. Het bestemmingsplan laat gebouwen toe tot een hoogte van 70 meter. De reguliere voorbereidingsprocedure is van toepassing. Omdat het college niet binnen de beslistermijn van acht weken (artikel 3.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; Wabo), dus uiterlijk op 29 april 2016, heeft beslist op de aanvraag, is de beschikking tot verlening van de omgevingsvergunning van rechtswege gegeven.

2.2

Het college stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een vergunningverlening van rechtswege en heeft het volgende aangevoerd. De mast is een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat in strijd is met het bestemmingsplan. De mast is 45 meter hoog en het bestemmingsplan laat voor bouwwerken slechts een hoogte van maximaal twaalf meter toe. De beslissing op de aanvraag dient dus niet met een reguliere, maar met een uitgebreide voorbereidingsprocedure te worden voorbereid. De beslistermijn is in dit geval zes maanden (artikel 3:18, eerste lid, van de Awb) en loopt nog. Deze termijn is diverse malen vanwege het overleg over de vormgeving van de mast en de indeling van het terrein opgeschort. Het college verwacht rond 1 december 2016 tijdig te kunnen beslissen op de aanvraag.

3.1

Artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb bepaalt dat, indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, de gevraagde beschikking van rechtswege is gegeven. Het tweede lid bepaalt dat de verlening van rechtswege als een beschikking geldt.

Artikel 4:20c, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de beschikking bekend maakt binnen twee weken nadat zij van rechtswege is gegeven.

3.2

Artikel 3.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo bepaalt - voor zover hier van belang - dat het bevoegd gezag binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag op de aanvraag om een omgevingsvergunning beslist.

Het derde lid, eerste volzin, bepaalt - voor zover hier van belang - dat paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (‘Positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen’) van toepassing is op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag.

Artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo bepaalt dat afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°.

3.3

Artikel 7.2, aanhef en onder c en d, van het bestemmingsplan bepaalt dat op of in de tot Bedrijventerrein bestemde gronden uitsluitend bouwwerken mogen worden gebouwd ten dienste van de bestemming met dien verstande dat: (c) de hoogte van de gebouwen maximaal 8 meter mag bedragen met dien verstande dat over een bebouwd oppervlak van 2000 m2 de hoogte maximaal 70 meter mag bedragen; (d) bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor zover het betreft terreinafscheidingen maximaal 2 meter en overige maximaal 12 meter.

4.1

In geschil is of de 45 meter hoge reclamemast in strijd is met het bestemmingsplan.

4.2

Vaststaat dat, indien de mast uitsluitend als bouwwerk, geen gebouw zijnde, moet worden aangemerkt, deze mast - gelet op de toegestane maximale hoogte van twaalf meter - in strijd is met artikel 7.2, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan.

4.3

Daargelaten de vraag of de mast als gebouw kan worden aangemerkt, is de rechtbank van oordeel dat de mast ook in dat geval in strijd is met het bestemmingsplan. In artikel 7.2, aanhef en onder c, van dit plan is, voor zover hier relevant, bepaald dat “de hoogte van de gebouwen maximaal 8 meter mag bedragen met dien verstande dat over een bebouwd oppervlak van 2000 m2 de hoogte maximaal 70 meter mag bedragen”. De mast is allereerst hoger dan de maximale hoogte van acht meter, die op grond van dit artikel in algemene zin voor gebouwen is toegestaan. Daarnaast is het bebouwd oppervlak 414 m2 en dus minder dan 2000 m2 zoals in dit artikel, gelet op de letterlijke tekst daarvan, is vereist voor een toegestane maximale hoogte van 70 meter. Anders dan eiseres stelt, dient de genoemde oppervlakte van 2000 m2, gelet op de formulering van artikel 7.2, aanhef en onder c, eerder als minimum dan als maximum te worden aangemerkt. De hierin opgenomen algemene regel dat de hoogte van gebouwen maximaal acht meter mag bedragen, zou anders geheel zinledig zijn. De rechtbank heeft in het bestemmingsplan zelf, de toelichting daarop of anderszins ook geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de genoemde oppervlakte van 2000 m2, zoals eiseres stelt, als maximum geldt. Bovendien is in het geldende reclamebeleid in “Beleidsplan buitenreclame 2020, buitenreclame in Breda”, waarnaar de “Structuurvisie Breda 2030” verwijst, bepaald dat voor grootschalige of hoge reclamemasten, zoals de onderhavige mast, de voorwaarden gelden dat het bedrijfsperceel minimaal twee hectaren dient te zijn en dat de hoogte van de mast in verhouding moet staan tot het bedrijfsgebouw. Gelet hierop acht de rechtbank het aannemelijk dat het de bedoeling van de planwetgever is geweest om uitsluitend een maximale hoogte van 70 meter toe te staan voor een bebouwd oppervlak van 2000 m2 of meer. Voorts is gesteld noch gebleken dat voldaan is aan de binnenplanse afwijkmogelijkheid.

4.4

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de mast in strijd is met het bestemmings-plan. Dit betekent dat niet de reguliere, maar op grond van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Paragraaf 4.1.3.3 van de Awb, die betrekking heeft op een positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen, is dan niet van toepassing. Dit brengt met zich dat dus niet ingevolge artikel 3.9, derde lid, van de Wabo in samenhang met artikel 4:20b van de Awb een omgevingsvergunning van rechtswege is verleend en dat het college dus niet op grond van artikel 4:20c, eerste lid, van de Awb een beschikking van rechtswege hoefde bekend te maken. De rechtbank ziet geen reden om, zoals eiseres heeft verzocht, de hoogte van de dwangsommen vast te stellen, nu die dwangsommen niet zijn verbeurd.

5. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.