Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:6833

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-11-2016
Datum publicatie
03-11-2016
Zaaknummer
C/02/320875 / KG ZA 16-598
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Artikel 35 herschikte EEX-Verordening. Bevoegdheid van de Nederlandse voorzieningenrechter in kort geding. Een Nederlandse en een Franse vennootschap hebben een overeenkomst gesloten over de distributie van Nederlandse producten in Frankrijk. Op de overeenkomst is Nederlands recht van toepassing verklaard. Geschillen moeten in Nederland worden beslecht middels arbitrage. De overeenkomst bevat geen regeling voor het treffen van spoedeisende maatregelen. De voorzieningenrechter acht zich onbevoegd omdat de gevorderde voorzieningen geen reële band met het Nederlandse rechtsgebied hebben en buiten Nederland ten uitvoer moeten worden gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvA 2017/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/320875 / KG ZA 16-598

Vonnis in kort geding van 1 november 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HAAGEN ROOKGENERATOREN B.V.,

gevestigd te Baarle-Nassau,

eiseres,

advocaat mr. M. van Kempen te Tilburg,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde sub 1] ,

2. de vennootschap naar Frans recht

[gedaagde sub 2] ,

gevestigd te Verneuil-en-Halatte (Frankrijk),

gedaagden,

advocaat mr. J.W. Spanjer te Heemstede.

Eiseres zal hierna ‘Haagen’ worden genoemd. Gedaagden zullen afzonderlijk worden aangeduid als ‘ [gedaagde sub 1] ’ en [gedaagde sub 2] ’ en gezamenlijk als ‘ [gedaagden] ’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de inleidende dagvaarding met de producties 1 tot en met 4 van Haagen;

  • -

    de aanvullende producties 5 tot en met 10 van Haagen;

  • -

    de producties 1 tot en met 21 van [gedaagden] ;

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 18 oktober 2016;

  • -

    de pleitnota van Haagen;

  • -

    de pleitnota van [gedaagden]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

a. Haagen houdt zich bezig met het ontwikkelen en verkopen van producten op het gebied van brandbestrijding en met het aanbieden van trainingen op het gebied van brandveiligheid.

b. [gedaagde sub 1] is een zelfstandige ondernemer en eigenaar van [gedaagde sub 2] .

c. Op of omstreeks 1 januari 2010 hebben Haagen en [gedaagde sub 2] een distributieovereenkomst gesloten, kort gezegd inhoudende dat [gedaagde sub 2] in Frankrijk optreedt als exclusief distributeur van de producten van Haagen. Voor haar inzet ontvangt [gedaagde sub 2] een commissie.

d. In 2015 is tussen partijen onenigheid ontstaan over met name het tijdstip van de betaling van de aan [gedaagde sub 2] verschuldigde commissie door Haagen. Stellend dat Haagen toerekenbaar tekort schiet in de nakoming van haar uit de distributieovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, heeft [gedaagde sub 2] de distributieovereenkomst bij brief van 14 juni 2016 met onmiddellijke ingang opgezegd.

e. Sindsdien houdt [gedaagde sub 2] zich in Frankrijk bezig met de verhandeling van producten van de Nederlandse onderneming Saphire Complete Training Concepts B.V. Op 8 augustus 2016 heeft [gedaagde sub 2] producten van Saphire geoffreerd aan een bedrijf in Antibes waaraan zij eerder producten van Haagen leverde. Verder heeft [gedaagde sub 2] aan een andere klant in Frankrijk nog rookgasvloeistof van Haagen verkocht, maar afgeleverd in een andere verpakking. Op die andere verpakking staat vermeld dat het product is geproduceerd door Haagen.

3 Het geschil

3.1.

Haagen vordert – kort gezegd – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde sub 2] veroordeelt tot nakoming van artikel 8.3 van de overeenkomst, in het bijzonder het non-concurrentiebeding ex artikel 8.3 aanhef en onder (b) daarvan, in het bijzonder [gedaagde sub 2] gebiedt om gedurende een jaar na beëindiging van de distributieovereenkomst, althans na 14 juni 2016, althans een termijn door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen:

to refrain from engaging directly or indirectly or in concert with any other person or

entity in (...) the development, distribution, marketing, licensing, or sale of any product

or products which have the same or similar functions as any of the Products or any

other product which is directly or indirectly competitive or similar to the Products, including without limitation as serving as an officer, director, employee, equate holder, partner, proputter, or ander to any entity, association, business or person, which is engaging in one or more of such competitive activities’,

in het bijzonder [gedaagde sub 2] verbiedt om, direct of indirect, al dan niet tegen betaling en ongeacht of zulks geschiedt op basis van een arbeidsovereenkomst, overeenkomst van opdracht, distributieovereenkomst of anderszins, al dan niet middellijk, producten te ontwikkelen, distribueren, vermarkten, licentiëren of te verkopen met dezelfde of gelijksoortige functies en/of eigenschappen, althans kenmerken, als de producten als bedoeld in de overeenkomst, althans en meer in het bijzonder de producten als opgenomen in het in de dagvaarding als productie 2 opgenomen productoverzicht inclusief de brochures, met het verzoek aan de voorzieningenrechter om dat overzicht aan dit vonnis te hechten, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

II. [gedaagde sub 2] verbiedt om, direct of indirect, zakelijke relaties te onderhouden met klanten of relaties van Haagen en [gedaagde sub 2] gebiedt om reeds met klanten of relaties van Haagen tot stand gebrachte zakelijke relaties te beëindigen, zulks per onmiddellijk en gedurende ten minste een jaar na beëindiging van de distributieovereenkomst, althans na 14 juni 2016, althans een termijn door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom;

III. [gedaagde sub 2] veroordeelt tot nakoming van artikel 9.1 van de overeenkomst, althans tot eerbiediging van de intellectuele eigendomsrechten van Haagen als bedoeld in die bepaling, althans in het bijzonder [gedaagde sub 2] gebiedt om ieder gebruik van die rechten, in het bijzonder het gebruik van de handels- en merkna(a)m(en) en logo’s van Haagen, te staken en gestaakt te houden, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom;

IV. [gedaagde sub 1] veroordeelt tot nakoming van artikel 8.3 van de overeenkomst, in het bijzonder het non-concurrentiebeding ex artikel 8.3 aanhef en onder (b) daarvan, in het bijzonder [gedaagde sub 1] gebiedt om, gedurende een jaar na beëindiging van de distributieovereenkomst, althans na 14 juni 2016, althans een termijn door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen:

to refrain from engaging directly or indirectly or in concert with any other person or

entity in (...) the development, distribution, marketing, licensing, or sale of any product

or products which have the same or similar functions as any of the Products or any

other product which is directly or indirectly competitive or similar to the Products, including without limitation as serving as an officer, director, employee, equate holder, partner, proputter, or lander to any entity, association, business or person, which is engaging in one or more of such competitive activities’,

in het bijzonder [gedaagde sub 1] verbiedt om, direct of indirect, al dan niet tegen betaling en ongeacht of zulks geschiedt op basis van een arbeidsovereenkomst, overeenkomst van opdracht, distributieovereenkomst of anderszins, al dan niet middellijk, producten te ontwikkelen, distribueren, vermarkten, licentiëren of te verkopen met dezelfde of gelijksoortige functies en/of eigenschappen, althans kenmerken, als de producten als bedoeld in de overeenkomst, althans en meer in het bijzonder de producten als opgenomen in het in de dagvaarding als productie 2 opgenomen productoverzicht inclusief de brochures,

met het verzoek aan de voorzieningenrechter om dat overzicht aan dit vonnis te hechten, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

V. [gedaagde sub 1] verbiedt om, direct of indirect, zakelijke relaties te onderhouden met klanten of relaties van Haagen en te gebieden reeds met klanten of relaties van Haagen tot stand gebrachte zakelijke relaties te beëindigen, zulks per onmiddellijk en gedurende ten minste een jaar na beëindiging van de distributieovereenkomst, althans na 14 juni 2016, althans een termijn door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom;

VI. [gedaagde sub 1] veroordeelt tot nakoming van artikel 9.1 van de overeenkomst, althans tot

eerbiediging van de intellectuele eigendomsrechten van Haagen als bedoeld in die bepaling, althans in het bijzonder [gedaagde sub 1] gebiedt om ieder gebruik van die rechten, in het

bijzonder het gebruik van de handels- en merkna(a)m(en) en logo’s van Haagen, te staken en gestaakt te houden, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom;

VII. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hoofdelijk althans [gedaagde sub 2] veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2.

Haagen stelt zich op het standpunt dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] gedurende een jaar na de rechtsgeldige beëindiging van de distributieovereenkomst (en ten minste tot 14 juni 2017) gebonden zijn aan het non-concurrentiebeding in artikel 8.3, aanhef en onder b, van de distributieovereenkomst. Op grond van artikel 9.1 van de overeenkomst is het [gedaagde sub 2] niet toegestaan om na het einde van de overeenkomst nog gebruik te maken van namen en logo’s van Haagen.

3.3.

[gedaagden] voeren verweer. Zij voeren aan dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is om de gevorderde voorzieningen te treffen. Inhoudelijk voeren zij aan dat [gedaagde sub 2] alleen handelt met eigen klanten.

4. De beoordeling

4.1.

Inzet van het geding is de (na)werking van een distributieovereenkomst die tussen een Nederlandse en een Franse vennootschap is gesloten. Op die distributieovereenkomst hebben partijen Nederlands recht van toepassing verklaard. In de overeenkomst is verder bepaald dat geschillen omtrent deze overeenkomst in Nederland zullen worden beslecht door middel van arbitrage. De overeenkomst bevat geen regeling omtrent spoedeisende voorzieningen.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat hij ingevolge artikel 35 van de herschikte EEX-Verordening in beginsel bevoegd is om voorlopige voorzieningen te treffen tussen partijen, ook in een situatie als hier waarin partijen hebben gekozen voor beslechting van hun geschillen door arbitrage. Dat blijkt ook uit het arrest van 17 november 1998 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (onder meer gepubliceerd als NJ 1999/339), dat is toegespitst op het voorheen toepasselijke artikel 24 van de EEX-Verordening. De gevorderde voorlopige maatregelen moeten echter wel verband houden met de materiele werkingssfeer van de (herschikte) EEX-Verordening èn er moet een reële band bestaan tussen de gevorderde maatregelen en de op territoriale criteria gebaseerde bevoegdheid van de aangezochte rechter.

4.3.

Wat betreft de laatstgenoemde voorwaarde constateert de voorzieningenrechter dat de thans gevorderde voorzieningen zijn gericht tegen twee partijen die niet zijn gevestigd in Nederland en die ook niet actief zijn in Nederland. De enige connectie met Nederland is het feit dat [gedaagde sub 2] thans producten verhandelt die afkomstig zijn van een andere Nederlandse onderneming dan Haagen. Maar [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] handelen niet in het Nederlandse rechtsgebied. De door Haagen gestelde overtredingen hebben allemaal plaatsgevonden in Frankrijk. Nu de gevorderde voorzieningen geen reële band hebben met het Nederlandse rechtsgebied en ten uitvoer moeten worden gelegd buiten Nederland, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om zich onbevoegd te verklaren.

4.4.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal Haagen worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op € 1.435,00, samengesteld uit een bedrag van € 619,00 aan griffierecht en € 816,00 aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verklaart zich onbevoegd om over de ingestelde vorderingen te beslissen;

5.2.

veroordeelt Haagen in de proceskosten, gevallen aan de zijde van [gedaagden] en tot op heden begroot op € 1.435,00;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2016.