Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:6776

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-10-2016
Datum publicatie
08-11-2016
Zaaknummer
AWB- 16_7842 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Opgelegde maatregel vanwege het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, te weten schoonmaakwerkzaamheden. Verzoeker wenst vanwege zijn geloofsovertuiging niet in aanraking te komen met voor consumptie bedoelde alcohol. Niet is aannemelijk gemaakt dat die bezwaren in het geval van verzoeker zo zwaarwegend zijn dat dit tot de conclusie moet leiden dat iedere verwijtbaarheid aan zijn zijde ontbreekt. Geen dringende redenen om van het opleggen van de maatregel af te zien. Het vervolgens gaan deelnemen aan een leerwerktraject vormt geen aanleiding voor toepassing van de inkeerregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/7842 PW VV

uitspraak van 28 oktober 2016 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats verzoeker] , verzoeker,

gemachtigde: mr. F. Bajrami,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (college), verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 september 2016 (bestreden besluit) van het college inzake de in het kader van de Participatiewet aan hem opgelegde maatregel. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 14 oktober 2016. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.V. Suijkerbuijk.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker ontvangt sinds februari 2010 een bijstandsuitkering. In dat kader volgt verzoeker een re-integratietraject. Nadat verzoeker niet het benodigde certificaat voor glazenwasser heeft behaald, is hij in het re-integratietraject begeleid om het werk van schoonmaker te verrichten. Verzoeker is beperkt inzetbaar, onder meer vanwege het gemis van een opleiding, werkervaring en onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal. Als schoonmaker is verzoeker bemiddeld naar een baan bij [naam werkgever] . Aan deze baan zou een proefplaatsing van twee maanden voorafgaan, bedoeld als vervanging van de proeftijd, waarin verzoeker met behoud van uitkering zou werken. Na de proefplaatsing zou verzoeker een arbeidscontract krijgen voor tenminste zes maanden, zonder proeftijd, met voldoende arbeidsuren om uitkeringsonafhankelijk te zijn.

Aan verzoeker is bij brief van 5 september 2016 het voornemen bekendgemaakt om aan hem een maatregel op te leggen, omdat hij volgens het college algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft aanvaard. Op 12 september 2016 heeft verzoeker hierover een gesprek gehad met zijn re-integratiecoach. Vervolgens is de maatregel, inhoudende de verlaging van zijn bijstandsuitkering met 100% voor de periode van 1 oktober 2016 tot en met 30 november 2016, bij het bestreden besluit opgelegd.

2. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat het niet klopt dat hij een baan bij [naam werkgever] heeft geweigerd. Hij heeft bij deze werkgever namelijk twee dagen gewerkt, waarbij hij heeft aangegeven allerlei werkzaamheden te willen verrichten maar geen flessen alcohol te willen aanraken of verplaatsen vanwege zijn geloofsovertuiging. Dat eiser niet in contact wenst te komen met alcohol, is de gemeente al jaren bekend. Tijdens zijn gesprek met de re-integratiecoach heeft verzoeker ook aangegeven open te staan voor andere werkzaamheden. Het college moet dan ook afzien van het opleggen van een maatregel in verband met het ontbreken van alle verwijtbaarheid. Verder zou zijn huidige re‑integratiecoach hebben aangegeven dat het niet in contact willen komen met alcohol geen probleem is en neemt verzoeker sinds 3 oktober 2016 deel aan leerwerktraject Switch. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht het college op te dragen zijn uitkering voor de maanden oktober en november 2016 niet te wijzigen.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet bepaalt dat de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht is naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen, deze te aanvaarden en te behouden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij het UWV, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, Wet SUWI.

Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

Het vierde lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat het college de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid in ieder geval verlaagt ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden of te behouden.

Het vijfde lid van dit artikel bepaalt, voor zover van belang, dat indien de belanghebbende een verplichting als bedoeld in het vierde lid niet nakomt, het college de bijstand met 100% verlaagt voor een bij de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, vastgestelde periode van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden.

Het negende lid van dit artikel bepaalt dat het college afziet van het opleggen van een maatregel, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Het tiende lid van dit artikel bepaalt dat het college een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemt op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar zijn oordeel, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.

Het elfde lid van dit artikel bepaalt dat indien het college de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid heeft verlaagd, het college op verzoek van de belanghebbende ten aanzien van wie de maatregel is opgelegd, de verlaging kan herzien zodra uit gedragingen van de belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de verplichtingen, bedoeld in het vierde lid, nakomt.

Artikel 7, aanhef en onder b, van de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet 2015 (Afstemmingsverordening) bepaalt dat als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, niet of onvoldoende nakomt, de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm bedraagt gedurende twee maanden, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel a, c, g en h van de Participatiewet.

5. Ter zitting heeft het college het spoedeisend belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening betwist. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker is aangewezen op een bijstandsuitkering, waarmee hij dient te voorzien in het levensonderhoud van zijn gezin met echtgenote en drie kinderen. Nu hij door de opgelegde maatregel gedurende twee maanden geen uitkering zal ontvangen en daardoor aannemelijk is dat hij onder meer zijn (vaste) lasten niet kan betalen, acht de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening aanwezig.

6. Vervolgens ziet de voorzieningenrechter zich voor de vraag gesteld of het college de maatregel terecht aan verzoeker heeft opgelegd. In dat kader is tussen partijen niet in geschil dat de schoonmaakwerkzaamheden bij [naam werkgever] voor verzoeker algemeen geaccepteerde arbeid betreft. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker feitelijk niet met die werkzaamheden is aangevangen, althans dat hij kort na aanvang daarmee is gestopt. In dit verband is volgens het college van belang dat vanwege een aan verzoeker toe te rekenen omstandigheid hij geen arbeid heeft geaccepteerd die had geleid tot een uitkeringsonafhankelijke situatie van tenminste zes maanden. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij na twee dagen met die werkzaamheden is gestopt. Los van de vraag of er in dit geval sprake is van het niet aanvaarden dan wel het niet behouden van de algemeen geaccepteerde arbeid, wat in de bezwaarprocedure nader kan worden onderzocht, is in beide gevallen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet op basis van welk artikellid de dwingend voorgeschreven maatregel is opgelegd. Gelet daarop, en op het bepaalde in artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet in samenhang gelezen met artikel 7, aanhef en onder b, van de Afstemmingsverordening, heeft het college de maatregel van 100% verlaging voor de duur van twee maanden terecht opgelegd.

7. Waar het in deze zaak op aankomt is de vraag of er bij de onder 6. genoemde omstandigheid sprake is van het ontbreken van iedere verwijtbaarheid aan de zijde van verzoeker. Het college en verzoeker verschillen van mening over de reden waarom verzoeker de algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft aanvaard dan wel behouden. Het college stelt zich op het standpunt dat dat de houding van verzoeker tijdens een gesprek met [naam werkgever] was. Volgens het college heeft verzoeker toen verklaard dat hij geen schoonmaker maar kok was en dat hij niet op basis van een proefplaatsing wilde gaan werken, omdat hij direct een contract wilde. Volgens verzoeker wilde hij geen werkzaamheden verrichten waardoor hij, zoals door hem ter zitting is verklaard, in aanraking kwam met flessen met voor consumptie bedoelde alcohol omdat hij dat vanwege zijn geloofsovertuiging niet mag. Verzoeker is naar eigen zeggen wel bereid geweest om andere schoonmaakwerkzaamheden te verrichten.

8. De opgelegde maatregel is naar voorlopig oordeel gerechtvaardigd als wordt uitgegaan van de gang van zaken, zoals door het college is aangegeven. Volledigheidshalve wordt overwogen dat, als zou worden uitgegaan van het standpunt van verzoeker, het vaste rechtspraak is dat niet iedere individuele opvatting of voorkeur over een geloof of overtuiging het individu het recht geeft om op grond van zijn subjectieve opvattingen af te wijken van voor een ieder geldende algemeen wettelijke voorschriften. De bepalingen in de Participatiewet zijn dergelijke voor een ieder geldende algemene wettelijke voorschriften voor een ieder die beroep doet op bijstand. Aan individuele opvattingen over een geloof of overtuiging kan onder andere betekenis worden gehecht als zij zwaarwegend zijn. Dat van verzoeker vanwege religieuze bezwaren niet kan worden gevergd dat hij flessen met voor consumptie bedoelde alcohol aanraakt en verplaatst, heeft hij niet aan de hand van concrete objectieve gegevens of anderszins aannemelijk gemaakt. Hij heeft in feite volstaan met de stelling dat sprake is van een te respecteren persoonlijke geloofsovertuiging, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat die bezwaren in zijn geval zwaarwegend zijn. In dit verband is mede van belang dat verzoeker ter zitting heeft verklaard geen bezwaren te hebben met contact met alcohol als die niet voor consumptie maar voor andere doeleinden, zoals schoonmaakwerkzaamheden, is bedoeld. Verder heeft verzoeker niet onderbouwd, en is ook overigens niet uit de voorhanden zijnde gegevens gebleken, dat hij eerder dan het gesprek op 12 september 2016 bij het college kenbaar heeft gemaakt, of dat het college daar op een andere manier van op de hoogte was, dat hij niet in aanraking wenst te komen met voor consumptie bedoelde alcohol. Verzoeker wordt niet gevolgd in zijn ter zitting ingenomen standpunt dat het college dat had kunnen weten of dat het nader onderzoek had moeten doen, omdat bekend was dat verzoeker in zijn land van herkomst de koranschool heeft gevolgd en dat hij moslim is. In ieder geval leidt het voorgaande niet tot de conclusie dat aan de zijde van verzoeker iedere verwijtbaarheid ontbreekt, naar aanleiding waarvan het college van het opleggen van de maatregel had moeten afzien.

9. Verder heeft het college in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen bijzondere omstandigheden hoeven zien om de opgelegde maatregel vanwege dringende redenen af te stemmen op zijn omstandigheden. Zeer ernstige gevolgen voor verzoeker en zijn gezin zijn immers niet aannemelijk geworden. De omstandigheid dat verzoeker financieel wordt getroffen door de verlaging van de uitkering is op zichzelf geen dringende reden, omdat dit voor elke bijstandsontvanger geldt. Het college heeft daarnaast ook geen aanleiding hoeven zien om met toepassing van artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet, de zogenaamde inkeerregeling, de opgelegde maatregel te herzien. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat het college ter zitting heeft verklaard dat het leerwerktraject Switch waarmee verzoeker inmiddels is gestart als doel heeft om de afstand tot de arbeidsmarkt niet te groot te laten worden, terwijl de werkzaamheden bij [naam werkgever] de uitstroom naar een betaalde baan tot doel hadden. Door deel te gaan nemen aan dat leerwerktraject voldoet verzoeker weliswaar aan zijn arbeidsverplichtingen, maar daaruit blijkt niet ondubbelzinnig dat bij hem sprake is van de omstandigheid dat hij onafhankelijk wordt van de bijstandsuitkering voor tenminste zes maanden, zoals werd beoogd met een baan bij [naam werkgever] .

10. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat de maatregel in de beslissing op bezwaar, naar verwachting in stand zal blijven. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Kroes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.