Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:6746

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-10-2016
Datum publicatie
21-11-2016
Zaaknummer
AWB 15_5613
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hulp bij het huishouden. Mantelzorg. Betaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/5613 WMO

uitspraak van 24 oktober 2016 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. M. Özgul,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 10 juli 2015 (bestreden besluit) van het college inzake de afwijzing van haar verzoek om een voorziening voor hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 28 januari 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens was [naam tolk] (tolk) aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J.C. van Halteren.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen bewijzen over te leggen van de betaling van de huishoudelijke hulp die wordt verleend door haar dochter.

Bij brief van 10 februari 2016 heeft eiseres stukken overgelegd en verklaard dat de betalingen contant hebben plaatsgevonden.

Bij brief van 29 januari 2016 heeft het college inhoudelijk gereageerd op de overgelegde stukken, waarbij het college zich op het standpunt heeft gesteld dat onvoldoende bewijs van betaling is overgelegd.

Partijen hebben vervolgens over en weer nog gereageerd op elkaars standpunten.

Partijen hebben toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. Op 27 september 2016 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft tot 1 januari 2015 een persoonsgebonden budget ontvangen voor hulp in het huishouden.

Op 26 januari 2015 heeft eiseres zich gemeld bij het college voor een voorziening voor hulp bij het huishouden.

Op 10 februari 2015 heeft er een gesprek plaatsgevonden met eiseres. Een verslag van dit gesprek is aan eiseres gestuurd. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het gespreksverslag.

Op 4 maart 2015 is een rapport opgesteld door consulent [naam consultent] . Zij heeft gerapporteerd dat compensatie voor zwaar en licht huishoudelijk werk voor 4 uur per week nodig is. Gesteld wordt dat de dochter de huishoudelijke hulp verleent en dat geen reden bestaat een individuele voorziening toe te kennen.

Bij besluit van 5 maart 2015 (primair besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres voor hulp bij het huishouden afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

2. Eiseres heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het college disproportioneel, niet concludent beleid voert. Als voor hulp bij het huishouden gebruik wordt gemaakt van een familielid wordt geen pgb verleend, terwijl dit wel het geval is bij een derde. De keuzevrijheid van eiseres wordt hierdoor beperkt.

Subsidiair is eiseres van mening dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de mogelijkheden van de dochter om kosteloos hulp bij het huishouden te verrichten. In de WMO is geen wettelijke zorgplicht opgenomen voor uitwonende kinderen. De dochter heeft geweigerd om nog huishoudelijke werkzaamheden te verrichten sinds het stoppen van het pgb per 1 januari 2015. Het pgb dat ontvangen wordt voor begeleiding individueel en verpleging kan niet gebruikt worden voor huishoudelijke hulp.

3. Ingevolge artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 wordt verstaan onder mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.

In artikel 1.2.1, eerste lid, aanhef, onder a, van de Wmo 2015 is bepaald dat een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit door het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, te verstrekken ondersteuning van zijn zelfredzaamheid en participatie, voor zover hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie,

In artikel 2.1.3, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening de regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen. Aan deze bepaling heeft de gemeenteraad uitvoering gegeven met de Verordening maatschappelijke ondersteuning Waalwijk 2015 (Verordening).

In artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, beslist voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.

In artikel 8, eerste lid, onder a, van de Verordening is bepaald, voor zover hier van belang, dat een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.

4. In geschil is of het college op goede gronden heeft geweigerd een voorziening te verstrekken voor hulp bij het huishouden. Aan de weigering heeft het college ten grondslag gelegd dat eiseres binnen haar eigen netwerk een oplossing heeft gevonden in de vorm van hulp door haar dochter. Gelet hierop is het college van mening dat geen compensatie vanuit de Wmo 2015 mogelijk is.

4.1

Anders dan in het beroepschrift gesteld, is ter zitting gebleken dat niet meer in geschil is dat de dochter van eiseres hulp in het huishouden verleent. Partijen verschillen nog van mening of deze hulp tegen betaling is verleend of dat de dochter hulp verleent zonder daarvoor een betaling te verlangen. Indien de dochter zonder betaling werkzaamheden verricht kan zij aangemerkt worden als mantelzorger. Verlangt de dochter betaling dan kan niet gesteld worden dat zij mantelzorger is. De rechtbank verwijst hiervoor naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4317.

4.2

Eiseres heeft gesteld dat zij haar dochter contant betaald heeft en dat bij iedere betaling een kwitantie is ondertekend. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiseres kwitanties overgelegd. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiseres door overlegging van deze kwitanties voldoende heeft aangetoond dat er betaald is voor de hulp.

4.3

Vooraf merkt de rechtbank op dat het bewijs dat betalingen zijn verricht niet uitsluitend kan gebeuren door het overleggen van bankafschriften. Ook anderszins, bijvoorbeeld, door het overleggen van kwitanties, kan aangetoond worden dat er betaald is. Nu kwitanties ook achteraf opgesteld kunnen worden, zal aan een kwitantie echter wel hogere eisen kunnen worden gesteld.

4.4

De rechtbank stelt vast dat een van de overgelegde kwitanties gedateerd is op 29 februari 2015. Deze datum komt echter in 2015 niet voor. Nu eiseres heeft verklaard dat bij iedere betaling een kwitantie werd ondertekend, roept deze datering vragen op. Zeker nu in 2016 de datum 29 februari 2016 wel voorkwam. Dat er sprake is van een verschrijving, zoals door eiseres is gesteld, komt de rechtbank niet op voorhand aannemelijk voor. De datum 29 februari komt immers slechts een keer in de vier jaar voor, zodat het niet voor de hand ligt dat in een niet-schrikkeljaar bij vergissing die datum wordt gebruikt. De rechtbank ziet daarom aanleiding om ook de overige omstandigheden te betrekken bij de vraag of voldoende is aangetoond dat er betaald is.

Het college heeft onbetwist gesteld dat eiseres eerder een persoonsgebonden budget heeft ontvangen voor hulp in het huishouden en dat zij voor die hulp niet contant heeft betaald. Het staat eiseres natuurlijk vrij om contant te betalen in plaats van per bankoverschrijving. Gelet op het verweer van het college had het voor de hand gelegen dat eiseres een verklaring zou hebben gegeven over de reden waarom zij eerder per bank betaalde maar voor de onderhavige betalingen heeft gekozen voor contante betalingen. Zeker nu de betalingen bedragen van meer dan € 250,-- omvatten.

Verder acht de rechtbank van belang dat ter zitting aan eiseres – op grond van hetgeen zij heeft aangevoerd – is gevraagd om bankafschriften over te leggen en zij op dat moment niet heeft gesteld dat zij dit niet kan, omdat er contant werd betaald. Ook dat geeft reden om te twijfelen aan de inhoudelijke bewijskracht van de nadien overgelegde kwitanties.

Ook van belang is dat eiseres tijdens de bezwaarprocedure heeft gesteld dat het, gelet op het lage gezinsinkomen, niet mogelijk is de kosten voor 3 uur huishoudelijke hulp per week te betalen. De rechtbank overweegt dat een gemiddelde hulp in het huishouden € 15,-- per uur kost, zodat het om ongeveer € 45,-- per week zou gaan. Per maand is dit een bedrag van ongeveer € 195,--. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het, zonder nadere onderbouwing, niet erg aannemelijk is dat eiseres wel in staat was per maand een bedrag van € 255,-- tot € 277,50 aan haar dochter te betalen.

4.5

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat eiseres met de overgelegde kwitanties onvoldoende heeft aangetoond dat zij haar dochter voor haar hulp heeft betaald. De rechtbank zal er bij de verdere beoordeling dan ook van uitgaan dat de dochter van eiseres mantelzorg verleend heeft.

5. Ingevolge artikel 1.2.1, artikel 2.3.5 van de Wmo en artikel 8 van de Verordening bestaat geen recht op een voorziening als de aanvrager op eigen kracht, bijvoorbeeld door inzet van mantelzorg, de eigen beperkingen kan wegnemen. Nu de dochter van eiseres als mantelzorger hulp verleent en niet is gesteld dat die hulp onvoldoende is, is de rechtbank van oordeel dat het college de gevraagde voorziening op goede gronden heeft geweigerd. Nu reeds om deze grond geen aanspraak bestaat op een voorziening kunnen de overige gronden onbesproken blijven.

6. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.J.M. van Hees, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.