Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:6741

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
03-03-2017
Zaaknummer
4481574
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Huurzaak. Gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst wegens overlast afgewezen omdat niet gebleken is dat de problemen slechts aan huurster te verwijten zijn. De buren die over overlast klagen zijn, in tegenstelling tot huurster, niet bereid om aan mediation deel te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/rolnr.: 4481574 / 15-5867

vonnis van de kantonrechter d.d. 19 oktober 2016

in de zaak van

de stichting Stichting L’Escaut Woonservice,

gevestigd te Vlissingen,

eisende partij,

verder te noemen: L’Escaut,

gemachtigde: mr. M.W. Dieleman,

t e g e n :

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

verder te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. N.P.M. Planthof.

het verdere verloop van de procedure

Na het tussenvonnis van 25 november 2015 is de procedure als volgt verlopen:

- mondelinge behandeling van 28 januari 2015,

- akte aan de zijde van [gedaagde] ,

- diverse brieven van partijen omtrent het verloop van een poging tot mediation.

de beoordeling van de zaak

1. [gedaagde] huurt vanaf 4 februari 2006 de woning aan de [adres] in [woonplaats] van L’Escaut. Zij bewoont de woning samen met haar partner [partner gedaagde] . In de [adres] is er sprake van onenigheid tussen verschillende bewoners. In de zaak tussen L’Escaut enerzijds en [gedaagde] en [partner gedaagde] anderzijds heeft de kantonrechter een vonnis gewezen op 9 juli 2014. In die zaak heeft de kantonrechter onder meer de huurovereenkomst tussen [partner gedaagde] en L’Escaut ontbonden en de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst tussen L’Escaut en [gedaagde] afgewezen. Ook heeft de kantonrechter in dat vonnis overwogen dat de bewoonster van de [adres] , [buurvrouw 1] , zich, naar zijn oordeel, niet als een goed huurster gedragen heeft jegens L’Escaut doordat zij overlast heeft bezorgd aan de huurster [buurvrouw 2] door een camera op haar huis te richten en met groot licht in haar woning te schijnen. De kantonrechter heeft L’Escaut bevolen om rechtsmaatregelen in de vorm van een verbod op straffe van een dwangsom ter zake van deze handelingen. Overeenkomstig dat vonnis heeft L’Escaut bij dagvaarding gevorderd [buurvrouw 1] te verbieden om met (groot) licht in de woning van [gedaagde] te schijnen en op die woning camera’s te richten, op straffe van een dwangsom van

€ 50,00 voor iedere overtreding. Die vordering van L’Escaut is bij vonnis van 16 december 2014, gewezen tussen L’Escaut en [buurvrouw 1] , afgewezen. Bij brief van 22 december 2014 heeft L’Escaut de huurovereenkomst tegen 1 juli 2015 opgezegd. [gedaagde] heeft niet ingestemd met die opzegging. In maart 2015 heeft [partner gedaagde] de dochter van de overbuurvrouw, mevrouw [buurvrouw 3] , bedreigd. [gedaagde] is bij die bedreiging aanwezig geweest. [gedaagde] heeft diverse malen bij de politie geklaagd dat zij bedreigd werd door [partner gedaagde] . Even zo veel malen heeft zij die verklaringen weer ingetrokken of ontkend. Op 20 mei 2015 heeft buurvrouw [buurvrouw 4] gemeld dat zij bedreigd werd door [partner gedaagde] .

2. L’Escaut heeft gevorderd om de huurovereenkomst te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen tot onrruiming van het gehuurde en subsidiair het tijdstip waarop de huurovereenkomst zal eindigen vast te stellen op drie maanden en één dag na het te wijzen vonnis. L’Escaut heeft daartoe gesteld dat [gedaagde] de verplichting heeft om een bijdrage te leveren aan het voorkomen van overlast. Zij heeft in dat kader ook de verplichting om hulpverleners toe te laten. Nu zij dat weigert, gedraagt zij zich niet als een goed huurster, aldus L’Escaut. Ook stelt L’Escaut dat [gedaagde] na de beëindiging van de WSNP opnieuw een huurachterstand heeft laten ontstaan.

3. [gedaagde] heeft de vordering bestreden. Zij heeft betwist dat zij zich niet als een goed huurster zou hebben gedragen. Zij heeft gesteld dat zij wel heeft geprobeerd om de problemen in de [adres] op te lossen. Zij wijst daarbij op e-mails die zij aan L’Escaut heeft gestuurd. In die e-mails vraagt zij om een oplossing van de overlast die zij stelt te ondervinden van [buurvrouw 5] en de dochter en schoonzoon van mevrouw [buurvrouw 1] , mevrouw [buurvrouw 3] en de heer [buurman 1] . In oktober 2015 is er brand gesticht in de woning van [gedaagde] . Volgens [gedaagde] is de brand gesticht door de heer [buurman 1] en mevrouw [buurvrouw 3] . Ook stelt [gedaagde] te zijn mishandeld door [buurman 1] en [buurvrouw 3] . Zij heeft van deze feiten aangifte gedaan bij de politie. [gedaagde] is bereid om mee te werken aan oplossing van de problemen, zo heeft zij meerdere malen aangedrongen op buurtbemiddeling. Zij heeft een verklaring overgelegd van de zorgcoördinator. Voorts heeft [gedaagde] gesteld dat er geen sprake is van wanbetaling die een ontbinding van de huurovereenkomst zou rechtvaardigen.

4. De kantonrechter overweegt als volgt. Van een huurschuld of betalingsachterstand is niet gebleken zodat de vordering, voor zover gebaseerd op die grond, moet worden afgewezen.

5. In de [adres] is een situatie ontstaan waarin (familie van) bewoners over en weer over elkaar klagen bij L’Escaut en over en weer aangifte doen van strafbare feiten. Ter mondelinge behandeling is besproken dat het goed zou zijn als er bemiddeling zou plaatsvinden. L’Escaut heeft de opdracht gekregen om binnen korte tijd een gesprek te regelen tussen [gedaagde] , [partner gedaagde] , mevrouw [buurvrouw 5] en mevrouw [buurvrouw 4] onder leiding van een onafhankelijke mediator met als doel gedragsregels tussen partijen vast te leggen waaraan partijen zich in de toekomst dienen te houden. [gedaagde] en [partner gedaagde] moeten ervoor zorgen dat er bij dat gesprek een hulpverlener aanwezig is. Tot op heden heeft er geen mediation plaatsgevonden, mede gelet op de gezondheidstoestand van mevrouw [buurvrouw 5] . Ook [gedaagde] heeft laten weten dat het haar gezondheid niet ten goede komt dat er nog geen duidelijkheid is gekomen in deze zaak. Volgens haar is de situatie geëscaleerd doordat er in de nacht van 7 op 8 augustus 2016 brand is gesticht in haar woning. De kantonrechter is van oordeel dat de enige manier waarop de problemen in de [adres] kunnen worden opgelost, mediation tussen de betrokken bewoners is. Niet is gebleken dat de problemen slechts aan één partij te wijten zijn. Hoewel [gedaagde] , net als de andere betrokken bewoners en hun familieleden, een rol speelt in de problemen, kan op grond van de overgelegde stukken niet worden geoordeeld dat zij zich als een slecht huurster heeft gedragen op grond waarvan de huurovereenkomst zou moeten worden ontbonden. Uit alle meldingen bij L’Escaut en de politie blijkt niet dat [gedaagde] zich zelf als een slecht huurster heeft gedragen. De partner van [gedaagde] veroorzaakt wellicht af en toe overlast, maar [gedaagde] ervaart zelf overlast van (familieleden van) andere bewoners. [gedaagde] en [partner gedaagde] zijn bereid om mee te werken aan mediation. De andere betrokken bewoners klagen er over dat hun woongenot ernstig wordt aangetast, maar kennelijk is het niet zo ernstig dat zij zelf een stap willen zetten om te proberen de situatie te veranderen. In die situatie kan van L’Escaut ook geen verdere actie meer gevergd worden, behoudens het blijven proberen de bewoners met elkaar in gesprek te laten gaan en, indien één van de betrokken bewoners dat zou willen, en indien dat volgens de interne regels en het beleid van L’Escaut mogelijk is, mee te werken aan het zoeken naar een andere woning. Nu niet gebleken is dat [gedaagde] zich niet als een goed huurster heeft gedragen, zal de vordering worden afgewezen.

6. L’Escaut dient als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

de beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt L’Escaut in de kosten van het geding, welke aan de zijde van [gedaagde] tot op heden worden begroot op € 300,00 wegens salaris van de gemachtigde van [gedaagde] .

Dit vonnis is gewezen door mr. N.J.C. van Spronssen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 oktober 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.