Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:6636

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-10-2016
Datum publicatie
08-11-2016
Zaaknummer
AWB- 16_7412 VV en AWB- 16_7413 Tussenuitspraak
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting woning o.g.v. art. 13b Opiumwet. Tussenuitspraak.

Verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. Strijd met zorgvuldigheidsbeginsel en fair play.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 16/7412 WET VV en BRE 16/7413 WET

tussenuitspraak van 20 oktober 2016 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekr] , te Sprang-Capelle, verzoeker,

gemachtigde: mr. M.R. Dill,

en

de burgemeester van de gemeente Waalwijk, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

Casade Woonstichting, te Waalwijk.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 12 september 2016 beroep ingesteld tegen het besluit van 25 augustus 2016 van de burgemeester (bestreden besluit) inzake een opgelegde last onder bestuursdwang strekkende tot sluiting van de door verzoeker gehuurde woning aan de [adres verzoeker] te Sprang-Capelle (hierna: de woning) met ingang van 20 september 2016, 9.00 uur. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op 14 september 2016 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel de voorlopige voorziening getroffen dat de begunstigingstermijn wordt verlengd totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 6 oktober 2016. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn moeder. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Kloosterman, mr. H. van de Werken en ing. K. van Oosteren. Casade heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Dekkers (interventieconsulent) en mr. P. Roks.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker woont op het adres [adres verzoeker] te Sprang-Capelle. Op 31 januari 2014 is bij controle geconstateerd dat 48 gram harddrugs in de woning aanwezig was. De burgemeester heeft verzoeker gewaarschuwd dat zijn woning wordt gesloten indien opnieuw een overtreding van artikel 2 en/of 3 van de Opiumwet wordt geconstateerd.

Op 2 juni 2016 is de woning bezocht door de Politie Zeeland-West-Brabant. Daarbij heeft de politie 3,2 gram amfetamine en twee gripzakjes met 10 pillen MDMA in de woning aangetroffen. Daarnaast is een vuurwapen en een ploertendoder in de woning gevonden. De burgemeester heeft bij brief van 10 juni 2016 zijn voornemen kenbaar gemaakt om de woning met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet voor een periode van drie maanden te sluiten. Verzoeker heeft daartegen zijn zienswijze naar voren gebracht.

Vervolgens heeft de burgemeester bij besluit van 17 juni 2016 (primair besluit) verzoeker gelast om de woning voor vrijdag 8 juli 2016, 9.00 uur, te sluiten en gesloten te houden voor een periode van drie maanden vanaf genoemde datum en tijd, dus tot en met 7 oktober 2016, 9.00 uur. Dat wil zeggen dat de toegangsdeuren (behoudens ontheffing van de burgemeester) permanent gesloten dienen te blijven gedurende drie maanden. De burgemeester heeft daarbij opgemerkt dat, indien verzoeker niet binnen de gestelde termijn aan de voornoemde lastgeving heeft voldaan, zal worden overgegaan tot toepassing van bestuursdwang (sluiting en verzegeling van de woning).

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Een hangende bezwaar ingediend verzoek om voorlopige voorziening is door de voorzieningenrechter bij mondelinge uitspraak van 8 juli 2016 toegewezen (zaaknummer BRE 16/4307 GEMWT VV). De voorzieningenrechter heeft daarbij het primaire besluit geschorst tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester de bezwaren van verzoeker ongegrond verklaard. De burgemeester heeft daarbij verzoeker gelast om zijn woning voor dinsdag 20 september 2016, 9.00 uur te sluiten en gesloten te houden voor een periode van drie maanden, gerekend vanaf laatstgenoemde datum en tijd, dus tot en met 19 december 2016, 9.00 uur. De in het bestreden besluit genoemde begunstigingstermijn is door de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel van 14 september 2016 verlengd totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.

2. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat hij zich niet in het bestreden besluit kan vinden. Hij stelt zich op het standpunt dat de burgemeester en de onafhankelijke commissie Bezwaarschriften (hierna: de commissie) onbetamelijk hebben gehandeld door na de uitspraak van de voorzieningenrechter op 8 juli 2016 de hoorzitting te vervroegen. Door de wijze waarop dit is gebeurd, heeft verzoekers gemachtigde onvoldoende tijd gehad om zich voor te bereiden op de hoorzitting. Bovendien is verzoeker slechts gehoord door alleen de voorzitter van de commissie. Deze gang van zaken is slechts ingegeven om verzoeker eerder te kunnen confronteren met de last onder bestuursdwang. Burgemeester en commissie hebben gehandeld in strijd met het verbod van détournement de pouvoir door het nemen van een besluit op zijn bezwaar en daarmee de sluiting van de woning met zes weken te vervroegen. Deze procedurele gang van zaken is in strijd met de beginselen van een goed proces. Voorts stelt verzoeker dat de burgemeester in het bestreden besluit geen rekening heeft gehouden met zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden. Primair verzoekt verzoeker om vernietiging van het bestreden besluit en om te bepalen dat geen last onder bestuursdwang mag worden opgelegd. Subsidiair verzoekt verzoeker te bepalen dat de woningsluiting op een redelijke termijn wordt opgelegd, zodat aan hem de gelegenheid kan worden geboden om samen met zijn hulpverlening op zoek te gaan naar een passend alternatief. In dat verband is verzoeker van mening dat een sluiting per 1 juni 2017 hem daartoe voldoende gelegenheid zou bieden.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

4. Ingevolge artikel 3:2 van de Awb vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

In artikel 7:11, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaatsvindt.

Vaststaat dat in de gemeente Waalwijk ten behoeve van de behandeling van bezwaarschriften een (onafhankelijke) adviescommissie is ingesteld. Dat betekent dat artikel 7:13 van de Awb van toepassing is.

Ingevolge artikel 7:13, derde lid, van de Awb geschiedt het horen door de commissie. De commissie kan het horen opdragen aan de voorzitter of een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan.

5. Over de feitelijke gang van zaken stelt de voorzieningenrechter het volgende vast.

Bij brief van 5 juli 2016 is verzoeker medegedeeld dat zijn bezwaarschrift is ontvangen, dat de commissie over het te nemen besluit op bezwaar zal adviseren en dat de eerstkomende zitting, waarop de (voltallige) commissie gelegenheid heeft verzoeker te horen, zal plaatsvinden op 1 september 2016. Niet betwist is dat verzoekers gemachtigde aansluitend daarop telefonisch heeft verzocht om een andere datum voor de hoorzitting, omdat hij op die dag verhinderd was. Vast staat dat dit verzoek door de commissie is afgewezen. Ook staat vast dat de burgemeester op dat moment geen verzoek heeft gedaan om een andere datum voor de hoorzitting te bepalen.

Het verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar is ter zitting behandeld op 8 juli 2016. De voorzieningenrechter heeft aansluitend aan die zitting direct mondeling uitspraak gedaan en een voorlopige voorziening getroffen. De burgemeester heeft na kennisname van het proces-verbaal van die uitspraak de commissie verzocht om de behandeling te vervroegen. De commissie heeft aan dat verzoek voldaan. In de wetenschap dat zij verzoeker dan niet voltallig kon horen heeft zij het horen opgedragen aan haar voorzitter. De commissie is daarbij afgeweken van haar bestendige gedragslijn (aldus de toelichting van de burgemeester ter zitting) om bezwaarschriften in het kader van de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet meervoudig te behandelen. Dat heeft ertoe geleid dat het bezwaar van verzoeker is ingepland op een ingelaste hoorzitting op 3 augustus 2016 en dat verzoeker daarbij door alleen de voorzitter is gehoord. Tijdens de hoorzitting heeft verzoekers gemachtigde medegedeeld dat hij na terugkeer van vakantieverlof is geconfronteerd met de vervroegde hoorzitting, dat hij zich daardoor onvoldoende op de hoorzitting heeft kunnen voorbereiden en dat verzoeker daardoor ernstig in zijn belangen is geschaad. De gemachtigde heeft gemotiveerd geprotesteerd tegen deze gang van zaken.

6. Verzoeker heeft aangevoerd dat burgemeester en commissie aldus onbetamelijk hebben gehandeld. De voorzieningenrechter leest in deze grief een beroep op het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel en overweegt daarover het volgende.

De voorzieningenrechter heeft op 8 juli 2016 geoordeeld dat zich in het geval van verzoeker bijzondere omstandigheden voordoen. Het besluit van 17 juni 2016 is geschorst om de burgemeester de gelegenheid te geven hiernaar nader onderzoek te (laten) verrichten. In het oordeel van de voorzieningenrechter en de overwegingen waarop dit oordeel is gebaseerd, had de commissie aanleiding moeten zien niet af te wijken van de bestendige gedragslijn om in deze zaken meervoudig te horen. Integendeel is het juist dan van belang, dat meerdere commissieleden in de gelegenheid zijn verzoeker en verweerder te horen over de van belang zijnde feiten en omstandigheden en daarover vragen te stellen. De omstandigheid dat de burgemeester van oordeel is dat snel en daadkrachtig moet worden opgetreden tegen het hebben van drugs in woningen maakt dit niet anders. De voorzieningenrechter is ervan doordrongen dat de burgemeester groot gewicht toekent aan het algemeen belang bij openbare orde en veiligheid dat met de Opiumwet wordt gediend. Dat belang mag echter niet afdoen aan de vereiste zorgvuldigheid in het kader van de volledige heroverweging naar aanleiding van het bezwaar. Rekening houdend met de grote impact van het bestreden besluit, namelijk de inbreuk op het woonrecht van verzoeker, dient aan die zorgvuldigheid ook groot gewicht te worden toegekend. Bovendien heeft de voorzieningenrechter op 8 juli 2016 geoordeeld dat van een groot direct gevaar voor de openbare orde en veiligheid vooralsnog niet is gebleken.

Door het op deze wijze tot stand gekomen advies van de commissie over te nemen en aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen, heeft de burgemeester gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

7. In verzoekers stelling dat de procedurele gang van zaken in strijd is met de beginselen van een goed proces, ligt een beroep op het fair play beginsel besloten. Kern van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is, dat een bestuursorgaan de burger de gelegenheid biedt zijn procedurele kansen te benutten en de burger hierin niet op oneerlijke wijze benadeelt. Er moet met andere woorden ‘eerlijk spel’ worden gespeeld.

Pas na de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester de commissie verzocht de datum van de hoorzitting te vervroegen. Op het moment van het verzoek van de burgemeester was de geldende termijn van drie dagen om te verzoeken om een andere datum voor de hoorzitting, ruimschoots verstreken. De commissie heeft dit verzoek niettemin gehonoreerd. Dit hoewel een eerder (tijdig) verzoek van de gemachtigde om een andere datum voor de hoorzitting te bepalen werd afgewezen en werd vastgehouden aan de datum van 1 september 2016. In de voorgaande overwegingen is al omschreven dat verzoeker in afwijking van de bestendige gedragslijn alleen door de voorzitter van de commissie is gehoord. Gelet op de uitspraak van de voorzieningenrechter had verzoeker juist door de voltallige commissie gehoord moeten worden.

Verzoeker is door dit handelen van de burgemeester en de commissie op unfaire wijze in een voor hem nadeliger bezwaarprocedure gebracht, vergeleken met de bezwaarprocedure die zou zijn doorlopen als de voorzieningenrechter het verzoek zou hebben afgewezen. Anders gezegd: het is unfair dat de rechtsbescherming die de voorzieningenrechter verzoeker heeft geboden is aangegrepen om ten nadele van verzoeker af te wijken van de gebruikelijke bezwaarprocedure. De conclusie is dat het bestreden besluit tot stand is gekomen in strijd is met het fair play beginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

8. Op basis van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft en dat het om die reden voor vernietiging in aanmerking komt. Uit de aard van dit gebrek volgt, dat dit niet kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Verzoeker zal dan ook eerst gehoord moeten worden door een voltallige commissie.

9. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:86 van die wet, kan de voorzieningenrechter het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten 'bestuurlijke lus'. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal de burgemeester in de gelegenheid stellen om verzoeker alsnog door de voltallige (onafhankelijke) commissie Bezwaarschriften te laten horen en te laten adviseren naar aanleiding van het bezwaar. De burgemeester wordt opgedragen om kennis te nemen van het advies van de commissie en om naar aanleiding daarvan aan te geven of het nieuwe advies van de commissie consequenties heeft voor het te vernietigen bestreden besluit en – zo ja – welke consequenties dat dan zijn.

De voorzieningenrechter zal daarna beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit al dan niet in stand kunnen blijven.

10. De voorzieningenrechter zal de termijn waarbinnen de burgemeester het gebrek kan herstellen bepalen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak. Als de burgemeester hiervan geen gebruik wil maken, dan dient de burgemeester dit binnen twee weken aan de voorzieningenrechter mee te delen. Als de burgemeester wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de voorzieningenrechter verzoeker in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de burgemeester.

11. De voorzieningenrechter ziet in het bovenstaande aanleiding om de in de beslissing genoemde voorlopige voorziening te treffen. Gevolg van deze voorlopige voorziening is dat verzoeker tot de einduitspraak de woning niet hoeft te sluiten. Bij einduitspraak zal worden beoordeeld of een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb moet worden getroffen.

12. De voorzieningenrechter houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak. Dat laatste betekent ook dat hij over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

  • -

    schorst het bestreden besluit tot de definitieve uitspraak in de hoofdzaak;

  • -

    stelt de burgemeester in de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen;

  • -

    draagt de burgemeester op om, als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, dat binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de voorzieningenrechter mee te delen;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Dat kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.