Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:6625

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
12-01-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3528
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 3.81 Wet IB. Artikel 9.2 Wet IB. Navorderingsaanslag ib/pvv 2010. Niet aannemelijk is dat belanghebbende in 2010 in dienstbetrekking is geweest bij de in de aangifte ib/pvv 2010 vermelde werkgever en dat deze loonheffing ten name van belanghebbende heeft ingehouden. Voor verrekening van enige loonheffing is dan geen grond.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.81
Wet inkomstenbelasting 2001 9.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/91
V-N 2017/9.29.23
FutD 2017-0143
NTFR 2017/833 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 15/3528

uitspraak van 13 april 2016

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 13 april 2015 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv), alsmede de daarbij vastgestelde vergrijpboete en in rekening gebrachte heffingsrente, aanslagnummer [aanslagnummer] (hierna: de navorderingsaanslag).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2016 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde] , verbonden aan [kantoor gemachtigde] , en namens de inspecteur [inspecteurs] .

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.400 en handhaaft de overige elementen;

  • -

    vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    vermindert de boete tot 40% van de verschuldigde belasting;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 1.238;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan deze vergoedt

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte ib/pvv 2010 € 56.191 aan loon van [X] aangegeven en € 18.818 aan loonheffing. De aanslag ib/pvv 2010, met dagtekening 12 december 2013, is opgelegd conform de aangifte en resulteert in een terug te ontvangen bedrag van € 5.043. Belanghebbende en zijn echtgenote exploiteerden in 2009 en 2010 een cadeaushop. In 2013 is door inspecteur een boekenonderzoek is ingesteld. Toen is ontdekt dat [X] voor belanghebbende geen loonheffing had afgedragen.

2.2.

Aan belanghebbende is met dagtekening 22 november 2014 een navorderingsaanslag ib/pvv 2012 opgelegd, waarbij de verrekening van de loonheffing van

€ 18.818 is teruggenomen. Voorts is er een vergrijpboete van 50% van de verschuldigde belasting opgelegd (€ 9.409).

2.3.

In geschil is of de navorderingsaanslag en de vergrijpboete terecht zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende in dienstbetrekking is geweest bij [X] .

2.4.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij in dienstbetrekking is geweest bij [X] en voor hen bouwvakwerkzaamheden heeft uitgevoerd, vooral levering en installaties van luxe badkamers, meestal in Duitsland. Belanghebbende stelt dat hij ervan uit mocht gaan dat zijn werkgever [X] de loonheffing afdroeg.

2.5.

De inspecteur stelt dat van een dienstbetrekking tussen [X] en belanghebbende geen sprake is geweest en dat er geen sprake van is dat belanghebbende te goeder trouw kon verwachten dat [X] voor hem loonbelasting heeft afgedragen.

2.6.

De bewijslast met betrekking tot de op te leggen navorderingsaanslag rust op de inspecteur. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het opmerkelijk is dat de dienstbetrekking exact een jaar zou hebben geduurd, dat [X] geen loonheffing heeft afgedragen voor belanghebbende, dat belanghebbende al eens eerder een dienstbetrekking heeft vermeld die exact een jaar zou hebben geduurd (in 2008) waarvoor hetzelfde gold als nu in 2010 en dat belanghebbende geen WW-uitkering heeft aangevraagd zoals te verwachten zou zijn bij ontslag na een dergelijke dienstbetrekking, dat er geen enkel stuk is waaruit blijkt dat [X] ooit loon aan belanghebbende heeft betaald omdat het allemaal in contanten zou zijn betaald en dat van die contante betalingen ook geen loonstrookjes bestaan, dat het loon ongebruikelijk hoog is en dat het onaannemelijk is dat belanghebbende nog werkzaamheden kon doen naast de cadeaushop. Ter zitting heeft hij daar aan toegevoegd dat [X] met de noorderzon is vertrokken.

2.7.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met hetgeen hij heeft gesteld aannemelijk gemaakt dat hij terecht twijfelt aan het bestaan van de door belanghebbende opgevoerde dienstbetrekking. Dan mag van belanghebbende, als meest gerede partij, worden verwacht dat hij feiten en omstandigheden stelt waaruit het bestaan van de dienstbetrekking aannemelijk wordt. Belanghebbende heeft een jaaropgave overgelegd. Ter zitting heeft hij gesteld dat hij zich geen adressen kan herinneren waar hij badkamers zou hebben aangelegd en dat hij meent dat dat maar één keer in Nederland is geweest maar niet meer weet waar, dat [X] wel meer mensen in dienst had, dat hij per maand € 2.800 contant kreeg uitbetaald en dat hij daarvan een deel op zijn bankrekening stortte om de vaste lasten mee te betalen. Als bewijs heeft hij bankafschriften overgelegd. Volgens belanghebbende heeft hij geen papieren omdat die bij zijn boekhouder lagen en de boekhouder, die zijn kantoor had in hetzelfde gebouw als [X] , is verdwenen.

2.8.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat inderdaad sprake is geweest van een dienstbetrekking bij [X] . Uitsluitend een jaaropgave op blanco papier, zoals belanghebbende heeft overgelegd, acht de rechtbank onvoldoende bewijs. Uit de overgelegde bankoverzichten blijkt dat er onregelmatig bedragen in contanten op de bankrekening werden gestort, variërend van niets (januari) tot € 4.500 (juli) per maand. Dat duidt niet op een regelmaat die overeenkomt met een maandelijkse loonbetaling. Daarnaast acht de rechtbank het verhaal van belanghebbende dat hij zich geen plaatsen kan herinneren waar hij heeft gewerkt, ongeloofwaardig. De rechtbank neemt mede in aanmerking dat werkzaamheden op het gebied van badkamerbouw volstrekt vreemd zijn aan de doelstelling van [X] zoals die blijkt uit het door belanghebbende overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel. Tot slot acht de rechtbank relevant dat belanghebbende nog een andere bron van inkomen had, de cadeaushop, waarvoor in 2010 wel aangiften omzetbelasting zijn gedaan maar waarvan tijdens de controle in 2013 de administratie ontbrak.

2.9.

Al het vorenoverwogene, in onderling verband bezien, leidt tot het oordeel dat niet aannemelijk is dat belanghebbende in 2010 in dienstbetrekking is geweest bij [X] of werkzaamheden voor [X] heeft verricht en evenmin dat [X] loonheffing ten name van belanghebbende heeft ingehouden. De rechtbank acht ook niet aannemelijk dat belanghebbende redelijkerwijs kon verwachten dat [X] op zijn naam loonheffing zou afdragen. Voor verrekening van enige loonheffing is dan geen grond.

2.10.

Door het onterecht opnemen van de loonheffing in de aangifte, is niet de vereiste aangifte ingediend. Dat heeft geleid tot een teruggaaf die relatief en absoluut gezien omvangrijk is. Belanghebbende moet zich van deze onjuistheid bewust zijn geweest. Dat leidt tot omkering van de bewijslast: belanghebbende moet bewijzen dat de aanslag te hoog is. Belanghebbende heeft dat bewijs niet geleverd.

2.11.

De inspecteur heeft ter zitting aangegeven dat het belastbare inkomen uit werk en woning kan worden verminderd tot € 36.400 (12*€ 2.800), de bedragen die belanghebbende naar zijn zeggen in contanten zou hebben ontvangen. De rechtbank acht deze schatting van het inkomen zeer redelijk.

2.12.

De inspecteur heeft een vergrijpboete opgelegd omdat belanghebbende willens en wetens een foutieve aangifte heeft gedaan zodat het aan zijn opzet is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. De rechtbank acht bewezen dat sprake is geweest van opzet en dat belanghebbende willens en wetens loonheffing heeft vermeld waarvan hij wist dat die niet was ingehouden of afgedragen. Op grond van artikel 67 e AWR in verbinding met paragraaf 25 BBBB heeft de inspecteur dan terecht een vergrijpboete opgelegd. De inspecteur heeft ter zitting aangegeven dat de vergrijpboete kan worden verminderd tot 40% van het bedrag van de navorderingsaanslag, zoals die naar aanleiding van de zitting wordt verminderd. De rechtbank acht deze boete passend en geboden.

2.13.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard.

2.14.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.238 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan op 13 april 2016 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.H. van Heel, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.