Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:6577

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
20-10-2016
Zaaknummer
4939386 CV EXPL 16-2497
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Woningbouwvereniging vordert van huurder dat hij inwoner toegang tot wooncomplex ontzegt en woning door deze doet ontruimen. Mate van overlast voldoende?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

zaaknummer 4939386 CV EXPL 16-2497

vonnis van 19 oktober 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. C.P. van den Berg, advocaat te Leiden,

tegen

[gedaagde] , geboren op [geboortedatum 1] ,

wonende te [adres] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] en [gedaagde] .

1 Het verloop van het geding

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

a. het tussenvonnis van 25 mei 2016 en de daarin genoemde stukken, waarbij een comparitie is bepaald;

b. de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 22 september 2016.

1.2

De inhoud van deze stukken, met inbegrip van de daarbij overgelegde bescheiden, geldt als hier ingelast.

1.3

De bij voormeld tussenvonnis bepaalde comparitie heeft op 22 september 2016 plaatsgevonden. Daarbij is namens [eiseres] verschenen mevrouw [naam 1] (woonconsulente), bijgestaan door mr. C.P. van den Berg als gemachtigde. [gedaagde] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C.J.M. Jansen als gemachtigde. Partijen hebben ter comparitie hun standpunten nader toegelicht en zijn over en weer in de gelegenheid gesteld om op elkaars standpunten te reageren.

1.4

Na afloop van de comparitie heeft de kantonrechter vonnis bepaald op heden.

2 Het geschil

2.1

Bij dagvaarding heeft [eiseres] , bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd:

Primair:

1. [gedaagde] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, althans een nader door de kantonrechter redelijk te achten termijn: (1) aan de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ) de verdere toegang tot de woning aan de [adres] alsmede het complex waartoe de woning behoort, te ontzeggen en ontzegd te houden, (2) ervoor zorg te dragen dat [naam 2] de woning voormeld ontruimt en verlaat met al hetgeen zich daarin van zijnentwege bevindt, waarbij [eiseres] gemachtigd wordt de ontruiming zonodig zelf de doen uitvoeren op kosten van [gedaagde] met behulp van de sterke arm van politie en justitie, en (3) ervoor zorg te dragen dat [naam 2] zich bij de Gemeentelijke Basisadministratie uitschrijft van het adres [adres] ;

2. te bepalen dat bij overtreding van deze onder 1. genoemde verboden of één daarvan [gedaagde] een dwangsom ten behoeve van [eiseres] verbeurt te grootte van

€ 1.000,-- per overtreding;

Subsidiair:

3. een zodanige beslissing te nemen als de kantonrechter in goede justitie meent te behoren;

Primair en subsidiair:

4. met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

2.2

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3 De beoordeling

3.1

Als gesteld en niet of niet voldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de niet weersproken inhoud van de overgelegde producties, staan de volgende feiten in rechte tussen partijen vast:

  1. Met ingang van 14 april 1988 huurt [gedaagde] van (een van de rechtsvoorgangsters van) [eiseres] de woning aan de [adres] . De huurprijs inclusief servicekosten voor het gehuurde bedraagt thans € 512,31 per maand.

  2. Het gehuurde betreft een appartement in een complex.

  3. Op de huurovereenkomst zijn van toepassing de “Algemene voorwaarden bij huurovereenkomst zelfstandige woningen kenmerk nr. 101” (hierna: de Algemene voorwaarden).

  4. Artikel 6.1 van de Algemene voorwaarden luidt: “Huurder zal het gehuurde als een goed huisvader en overeenkomstig de daaraan bij overeenkomst gegeven bestemming van woonruimte gebruiken, met inachtneming van de door verhuurder bij ondertekening van de overeenkomst gegeven aanwijzingen.”

  5. Artikel 6.3 van de Algemene voorwaarden luidt: “Het gehuurde is bestemd om te worden gebruikt als woonruimte. Huurder zal het gehuurde gedurende de huurtijd zelf bewonen en er zijn hoofdverblijf hebben, tesamen met de wettelijke medehuurder indien hiervan sprake is.”

  6. Artikel 6.6 van de Algemene voorwaarden luidt: “Huurder zal zich onthouden van gedragingen, waarvan naar algemeen gangbare opvattingen mag worden aangenomen dat zij schade veroorzaken aan naburige woningen dan wel overlast aan de omwonenden veroorzaken.”

  7. Artikel 6.7 van de Algemene voorwaarden luidt: “Huurder is aansprakelijk voor de gevolgen van dergelijke gedragingen van zowel huisgenoten als van degenen, die door hemzelf of zijn huisgenoten tot het gehuurde zijn toegelaten.”

  8. Op 7 maart 2006 heeft [naam 3] namens [eiseres] een brief naar [gedaagde] gestuurd met de volgende inhoud: “(…) Op 3 maart 2006 hebt u [eiseres] gevraagd om de heer [naam 2] , geboortedatum 16 september 1981, bij u te laten inwonen. [eiseres] geeft u daarvoor toestemming, op voorwaarde dat er geen overbewoning ontstaat, of overlast voor omwonenden. Gebeurt dat wel, dan hebben wij het recht om de toestemming voor inwoning in te trekken.” [naam 2] heeft tot 12 januari 2007 op het adres van het gehuurde ingeschreven gestaan.

  9. Op 19 november 2012 heeft [naam 1] namens [eiseres] een brief naar [gedaagde] gestuurd met de volgende inhoud: “(…) Op 16 oktober 2012 heeft u [eiseres] gevraagd om [naam 2] , geboortedatum 16 september 1981, bij u te laten inwonen. [eiseres] geeft u daarvoor toestemming, op voorwaarde dat er geen overbewoning ontstaat, of overlast voor omwonenden. Gebeurt dat wel, dan hebben wij het recht om de toestemming voor inwoning in te trekken.” [naam 2] staat tot op heden ingeschreven op het adres van het gehuurde.

  10. In de periode vanaf 1 oktober 2014 tot en met 9 oktober 2015 heeft [naam 2] een aantal keer de politie gebeld, waarbij hij kenbaar maakte psychische problemen te hebben en opgenomen te willen worden.

  11. Op 2 november 2015 omstreeks 18.40 uur heeft [naam 2] wederom de politie gebeld. [naam 2] had de gaskraan in het gehuurde opengedraaid. Op het moment dat de hulpdiensten ter plaatse waren, had [naam 2] de gaskraan al dichtgedraaid. Het complex is toen deels ontruimd. Op 3 november 2015 heeft de officier van justitie de zaak geseponeerd.

  12. Na het incident op 2 november 2015 hebben er zich geen incidenten – door toedoen van [naam 2] – meer voorgedaan in het complex.

  13. Naar aanleiding van het incident van 2 november 2015 heeft [naam 1] namens [eiseres] op 9 november 2015 een brief naar [gedaagde] gestuurd met de volgende inhoud: “(…) U bent als huurder verantwoordelijk voor al hetgeen in de woning gebeurt en voor alle personen die daar verblijven. Dat betekent onder meer dat u ervoor dient te zorgen dat deze personen, waaronder de heer [naam 2] , zich gedragen, geen overlast veroorzaken en dus zeker niet het hele complex in gevaar brengen. Doet u dat niet dan kan dat vergaande consequenties hebben en zelfs leiden tot beëindiging van de huurovereenkomst. U zult begrijpen dat bovengenoemd voorval met de heer [naam 2] absoluut niet wordt getolereerd en dat dit voor [eiseres] reden is om direct maatregelen te treffen, richting de heer [naam 2] maar ook richting u als huurder van de woning.

Complexverbod

Allereerst deelt [eiseres] u mede dat ze vanaf heden de heer [naam 2] , geboortedatum [geboortedatum 2] , de toegang tot de flats aan de [straatnaam] ontzegt, inclusief alle aanhorigheden en bij de locatie horende erven voor de duur van een jaar. Dit betekent dat hij op geen enkele wijze de flat meer mag betreden.

Aangifte

Indien de heer [naam 2] dit toch doet maakt hij zich schuldig aan het misdrijf huisvredebreuk ex artikel 138 van het wetboek van strafrecht. Elk binnentreden wordt beschouwd als wederrechtelijk binnendringen, waarvan onmiddellijk en onvoorwaardelijk aangifte wordt gedaan bij de politie. De politie zal in dat geval direct tot aanhouding overgaan. Tevens zal alle eventuele aangerichte schade worden verhaald.

Inwoning niet meer toegestaan / kort geding

Naast het complexverbod, trekt [eiseres] de aan u verleende toestemming om de heer [naam 2] in te laten wonen per direct in. Dit betekent dat u ervoor dient te zorgen dat de heer [naam 2] niet meer in de woning verblijft en uitgeschreven wordt van het adres. [eiseres] zal dit controleren.

Indien blijkt dat u hier geen gehoor aan geeft dan zal [eiseres] direct een procedure starten om de huurovereenkomst met u te beëindigen en zowel u als de heer [naam 2] te dwingen de woning te verlaten. Alle kosten daarvan zullen op u worden verhaald. [eiseres] gaat er natuurlijk vanuit dat het niet zover komt en rekent op uw medewerking.”

Het complex aan de [straatnaam] te Tilburg, waarvan het gehuurde onderdeel uitmaakt, is de laatste 1,5 jaar regelmatig in opspraak geweest. Vanaf april 2015 tot september 2016 hebben de nodige incidenten in en rondom het complex plaatsgevonden, zoals meerdere inbraken, moord op een bewoonster, gijzeling van een echtpaar, ontmantelen van een hennepkwekerij en een schietincident op de nabij gelegen parkeerplaats.

Bij brief van 25 mei 2016 heeft mevrouw M. Elands, werkzaam bij de Reclassering, gemeld dat het traject van begeleiding en toezicht op [naam 2] (met succes) is beëindigd.

3.2

[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij nakoming vordert van de verplichtingen uit de huurovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde Algemene voorwaarden door [gedaagde] , in die zin dat hij ervoor zorg dient te dragen dat [naam 2] niet langer in het gehuurde verblijft. [gedaagde] is op grond van artikel 7:219 Burgerlijk Wetboek en op grond van artikel 6 van de Algemene voorwaarden verantwoordelijk voor al hetgeen gebeurt in het gehuurde, zo ook voor gedragingen van bezoekers of van personen die bij hem inwonen. Ook dient [gedaagde] ervoor te zorgen dat deze personen zich netjes gedragen en dat zij geen overlast veroorzaken. [gedaagde] handelt in strijd met voornoemde algemene voorwaarden, nu hij zonder schriftelijke toestemming [naam 2] bij hem laat inwonen, aldus [eiseres] . Immers, naar aanleiding van het ‘gaskraanincident’ dat door toedoen van [naam 2] op 2 november 2015 heeft plaatsgevonden, heeft [eiseres] bij brief van 9 november 2015 de toestemming voor inwoning van [naam 2] bij [gedaagde] ingetrokken. Bovendien veroorzaakt [naam 2] overlast en brengt hij door zijn (met name onberekenbare) gedrag zowel mens als goed in gevaar, aldus [eiseres] .

3.3

Ter comparitie heeft [eiseres] benadrukt dat het ‘gaskraanincident’ de hoofdreden vormt voor deze procedure. Daarnaast speelt het onvoorspelbare gedrag van [naam 2] een rol. Ook heeft [eiseres] aangevoerd dat zij geen problemen heeft met [gedaagde] als huurder, maar wel met [naam 2] die bij [gedaagde] inwoont. Verder heeft [eiseres] erkend dat zij na het ‘gaskraanincident’ op 2 november 2015 geen meldingen van overlast, veroorzaakt door [naam 2] , heeft ontvangen. Ten slotte heeft [eiseres] ter comparitie uitgelegd in welke gevallen er sprake kan zijn van medehuurderschap.

3.4

[gedaagde] beroept zich er op dat er op dit moment geen sprake is van overlast. Ook betwist [gedaagde] dat [naam 2] in het verleden (ernstige) overlast heeft veroorzaakt. Weliswaar heeft er op 2 november 2015 een incident plaatsgevonden, maar dit heeft volgens [gedaagde] niet tot een gevaarlijke situatie geleid, zoals [eiseres] stelt. Het was een ‘roep om hulp’ van [naam 2] , die op dat moment een emotioneel moment had. Een dag na het incident heeft de officier van justitie besloten om de zaak tegen [naam 2] te seponeren wegens onvoldoende bewijs. Na het genoemde incident op 2 november 2015 hebben zich geen voorvallen meer voorgedaan. Volgens [gedaagde] gaat het nu goed met [naam 2] . Zo staat [naam 2] sinds mei 2016 niet meer onder toezicht en begeleiding van de Reclassering, aangezien hij dit traject met succes heeft afgerond. In verband hiermee heeft de gemachtigde van [gedaagde] ter comparitie een e-mail voorgelezen, waarin een medewerkster van de Reclassering dit ook bevestigt. Tevens heeft de gemachtigde van [gedaagde] aangevoerd dat de Reclassering heeft gezegd dat het slecht voor [naam 2] zou zijn als hij de woning zou moeten verlaten en dat een plek bij Scheve Huizen (Skaeve Huse) geen optie is. Verder heeft [gedaagde] ter comparitie aangevoerd dat er sprake is van een gemeenschappelijke huishouding en dat de relatie tussen [gedaagde] en [naam 2] is aan te merken als een meer dan een louter vriendschappelijke relatie. Ten slotte heeft [gedaagde] aangevoerd dat [naam 2] thans minimaal twee dagen per week vrijwilligerswerk doet.

Overwogen wordt als volgt.

3.5

De kantonrechter neemt als vaststaand aan dat tussen [gedaagde] en [naam 2] sprake is van een meer dan louter vriendschappelijke relatie. [gedaagde] en [naam 2] wonen al geruime tijd samen, delen grotendeels de financiën en zijn aan elkaar gehecht. [gedaagde] voelt zich verantwoordelijk voor het welzijn van [naam 2] en helpt [naam 2] waar nodig.

3.6

Tussen partijen is niet in geschil dat [naam 2] op 2 november 2015 (enige) overlast voor de omwonenden heeft veroorzaakt. Die was erin gelegen dat [naam 2] de gaskraan heeft opengedraaid en dat de politie is gebeld, de hulpdiensten ter plaatse zijn gekomen en het complex daardoor (deels) moest worden ontruimd. Door zijn handelen heeft [naam 2] angst bij de omwonenden veroorzaakt. Feitelijk is er echter geen sprake geweest van gevaar voor omwonenden, nu de gaskraan al was dichtgedraaid toen de politie arriveerde. Verder is niet gesteld of gebleken dat [naam 2] na het ‘gaskraanincident’ nog overlast heeft veroorzaakt. In dit verband stelt de kantonrechter vast dat in het betreffende complex een behoorlijke mate van overlast niet ongewoon is, gezien de door mevrouw [naam 1] ter comparitie genoemde gebeurtenissen die zich daar de laatste 1,5 jaar hebben voorgedaan, namelijk meerdere inbraken, moord op een bewoonster, gijzeling van een echtpaar, ontmantelen van een hennepkwekerij en een schietincident op de nabij gelegen parkeerplaats. In het licht van deze gebeurtenissen bezien, is het ‘gaskraanincident’ niet te beschouwen als het meest ernstige voorval in dit complex.

3.7

Ter comparitie is voorts vast komen te staan dat de Reclassering in mei 2016 haar bemoeienissen met [naam 2] , dat wil zeggen het houden van toezicht en het bieden van begeleiding, heeft beëindigd, naar de kantonrechter aanneemt omdat verdere bemoeienissen niet meer nodig waren.

3.8

Dit alles overziende is de kantonrechter van oordeel dat [naam 2] niet volledig de toegang tot het gehuurde alsmede het complex waartoe het gehuurde behoort kan worden ontzegd. Het zou dan immers zelfs niet meer mogelijk zijn dat [naam 2] zo nu en dan een bezoek brengt aan [gedaagde] , hetgeen gelet op de aard van de relatie tussen [gedaagde] en [naam 2] onaanvaardbaar zou zijn. Ook neemt de kantonrechter hierbij in overweging dat het door [eiseres] bij brief van 9 november 2015 een complexverbod van één jaar (zoals bij overweging 3.1 onder m) beschreven) reeds bijna is verstreken.

3.9

Voor zover aan [naam 2] (alleen) de inwoning zou moeten worden ontzegd, is de kantonrechter van oordeel dat ook dat een te ver gaande maatregel is. Hierbij wordt nadrukkelijk in overweging genomen dat als [gedaagde] en [naam 2] na twee jaar samenwoning (dus eind 2014) aan [eiseres] hadden verzocht om [naam 2] als medehuurder aan te merken, [eiseres] daar naar alle waarschijnlijkheid in had bewilligd. Dat had met zich gebracht dat [naam 2] op basis van dit ene incident ook niet tot ontruiming van de woning zou zijn veroordeeld. Ook de meldingen die de politie van [naam 2] heeft ontvangen (mutaties), zijn naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoende voor de beëindiging van de inwoning. Daarnaast neemt de kantonrechter in overweging dat een medewerkster van de Reclassering heeft verklaard dat het slecht voor [naam 2] zou zijn als hij uit de woning gezet zou worden en dat een plaatsje bij Scheve Huizen (Skaeve Huse) voor [naam 2] niet geschikt is, omdat de mensen daar er slechter aan toe zijn en zij een slechte invloed op [naam 2] zouden kunnen hebben.

3.10

De kantonrechter heeft er begrip voor dat [eiseres] door een strikt beleid wil bewerkstellingen dat de leefbaarheid in het wooncomplex wordt vergroot, maar is van oordeel dat de gedragingen van [naam 2] onvoldoende zwaarwegend zijn om de hem toegestane inwoning te beëindigen. Voorts meent de kantonrechter dat -zoals de gemachtigde van [gedaagde] ook naar voren heeft gebracht- van [eiseres] als sociale verhuurder mag worden verlangd dat zij zich de situatie van een kwetsbare man als [naam 2] aantrekt, in het bijzonder nu [gedaagde] zich kennelijk over [naam 2] heeft ontfermd en op hem een goede invloed heeft.

3.11

Voor wat betreft de vordering van [eiseres] om [gedaagde] te veroordelen ervoor zorg te dragen dat [naam 2] zich bij de Gemeentelijke Basisadministratie uitschrijft van het adres [adres] geldt, dat de kantonrechter zich de praktische uitvoerbaarheid van een eventuele toewijzing niet goed kan voorstellen. Ook deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

3.12

Voor het opleggen van andere subsidiair gevorderde maatregelen ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding. Daarbij wordt opgemerkt dat in de huurovereenkomst, de toepasselijke Algemene voorwaarden en het wettelijk huurrecht voldoende regels zijn opgenomen op grond waarvan [gedaagde] kan worden aangesproken wanneer er van eventuele overlast veroorzaakt door [naam 2] of anderen sprake zou zijn.

4 De kosten

[eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van [gedaagde] gevallen. Deze kosten worden vastgesteld op een bedrag van € 300,-- (2 punten x € 150,-- per punt) terzake salaris van de gemachtigde van [gedaagde] .

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van deze procedure voor zover aan de zijde van [gedaagde] gevallen en vastgesteld op € 300,-- terzake salaris van de gemachtigde van [gedaagde] .

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Braaksma en in het openbaar uitgesproken op

19 oktober 2016.