Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:6572

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-10-2016
Datum publicatie
25-10-2016
Zaaknummer
AWB 16_1542
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het UWV is met de invoering van het begrip ‘taak’ binnen de door de wetgever gegeven ruimte gebleven. Beoordeling met toepassing van de SMBA-systematiek is in beginsel toetsbaar. De rechtbank vindt de SMBA-systematiek als ondersteunend systeem bij de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie aanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/1542 WAJONG

uitspraak van 20 oktober 2016 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: [naam gemachtigde] ,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 2 maart 2016 (bestreden besluit) van het UWV inzake de weigering aan hem een uitkering te verstrekken op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 22 september 2016. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger1] en [naam vertegenwoordiger2] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser, geboren op 30 juli 1997, heeft op 7 mei 2015 een aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering.

Bij besluit van 30 juli 2015 (primair besluit) heeft het UWV geweigerd aan eiser een Wajong-uitkering toe te kennen. Tegen dit besluit is op 27 augustus 2016 bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft in beroep, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het UWV in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld, met name het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Verder heeft eiser aangevoerd dat de medische beoordeling niet volgens het biopsychosociale model is uitgevoerd. De beoordeling is in strijd met de wet en internationale verdragen en in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De beperkingen van eiser zijn niet juist vastgesteld en er is ten onrechte geen functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Eiser kan met zijn beperkingen de geduide taak niet uitvoeren. Het begrip taak is een onredelijk toetsinstrument. Er is sprake van een ontoelaatbare relativering van de beperkingen. Eiser heeft verzocht om alle documenten (waaronder het gehele takenbestand, de gehele coderingslijst en alle beleidsstukken) over te leggen.

In een aanvullend beroepschrift heeft eiser gesteld dat er sprake is van een verboden onderscheid nu andere jonggehandicapten die eerder een beroep konden doen op de Wajong volgens een andere maatstaf werden beoordeeld, welke maatstaf wel toetsbaar en verifieerbaar was. Verder is eiser van mening dat hij duurzaam geen mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie. De verzekeringsarts zal op zijn minst een prognose dienen te geven afgezet tegen een belastbaarheid die nog zou kunnen worden uitgebreid. De arbeidsdeskundige kan zonder FML niet toetsen of eiser de taak van bijvoorbeeld wassen van auto’s kan doen. Ondanks dat hij enkele documenten heeft ontvangen, kan eiser geen integrale toets doen van het vermeend arbeidsvermogen en is er hierdoor een procesachterstand. Eiser verzoekt om toezending van de Methode Ondersteunend Instrument (MOI).

3. De rechtbank stelt vast dat eiser op 27 augustus 2015 18 jaar was. Dit betekent dat niet zijn ouders, maar eiser zelf bezwaar moet maken inzake besluiten die aan hem zijn gericht. De rechtbank stelt verder vast dat in het bezwaarschrift van 27 augustus 2015 is opgenomen ‘wij, zijn ouders, tekenen hiertegen bezwaar aan’. Het UWV heeft het bezwaarschrift aangemerkt als een bezwaarschrift ingediend namens eiser en heeft het bezwaar ontvankelijk verklaard. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het bezwaar terecht ontvankelijk is verklaard.

Uit de stukken maakt de rechtbank op dat het de bedoeling van de ouders is geweest om namens eiser bezwaar te maken. Verder blijkt nergens uit het dossier dat de ouders namens zichzelf optreden. Ook ter zitting is door de gemachtigde van eiser aangegeven dat het de bedoeling van de ouders is geweest om namens eiser bezwaar te maken. Nu eiser een verstandelijke beperking heeft, vindt de rechtbank het voorstelbaar dat eiser niet zelf maar zijn ouders namens hun zoon optreden in dit soort geschillen. Nu niet gebleken is dat de ouders juridisch geschoold zijn, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval niet kan worden afgegaan op de letterlijke formulering van het bezwaarschrift. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV onder deze omstandigheden de zinsnede dat zij als ouders bezwaar aantekenen, kunnen lezen als dat bezwaar namens hun zoon wordt gemaakt. Het bezwaar is dan ook op goede gronden ontvankelijk verklaard.

Nu er sprake is van een ontvankelijk bezwaar ingediend namens eiser, staat ook artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht niet aan een ontvankelijkverklaring van het beroep in de weg. De rechtbank zal het beroep dan ook inhoudelijk behandelen.

4. Eiser heeft gesteld dat een aantal stukken ontbreken en dat daardoor een eerlijk proces in deze zaak ernstig onder druk komt te staan. Voordat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak toekomt, zal zij eerst beoordelen of de door het UWV overgelegde stukken toereikend zijn om het bestreden besluit te toetsen.

De rechtbank stelt vast dat inmiddels een aantal door eiser gevraagde stukken is overgelegd door het UWV. Wat nog ontbreekt volgens eiser is de onderliggende uitleg van de MOI Werkwijzer, door hem nader gespecificeerd in de mail van 29 augustus 2016.

De rechtbank stelt verder vast dat de MOI een ondersteunend middel is voor met name de arbeidsdeskundige, dat veel voorkomende relaties tussen activiteiten en participatie bevat waarmee mogelijke knelpunten in werk en werkomgeving zichtbaar kunnen worden gemaakt. Deze MOI ziet dus voornamelijk op het duiden van taken. Nu aan eiser geen taken zijn geduid, is de rechtbank van oordeel dat de onderliggende uitleg van het MOI in deze procedure niet noodzakelijk is voor een beoordeling van het bestreden besluit. Eisers stelling dat een eerlijk proces onder druk komt te staan door het ontbreken van wezenlijke stukken volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank laat daarbij in het midden of de onderliggende stukken noodzakelijk zijn in een zaak waarbij wel taken zijn geduid.

5. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong 2015 is jonggehandicapte de ingezetene die:

a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;

b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

Ingevolge het vierde lid van artikel 1a:1 van de Wajong wordt in Hoofdstuk 1A van de Wajong onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. In het zesde lid van voornoemd artikel is bepaald dat de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en voor zover nodig een arbeidskundig onderzoek. Volgens het zevende lid maakt de verzekeringsarts bij de beoordeling, bedoeld in het zesde lid, zo veel mogelijk gebruik van wetenschappelijke inzichten die de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie kunnen ondersteunen.

In artikel 1a:1, achtste lid, van de Wajong 2015 is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot het eerste, vierde en zesde lid nadere regels kunnen worden gesteld. Bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (het Schattingsbesluit).

Op grond van artikel 1a:2, eerste lid, van de Wajong heeft de jonggehandicapte recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in hoofdstuk 1A van de wet, tenzij op hem een uitsluitingsgrond, als bedoeld in artikel 1a:6, eerste lid, van toepassing is.

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dat luidt per 1 januari 2015, heeft betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, en 3:8a, eerste lid, van de Wajong, indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

In het tweede lid van artikel 1a is bepaald dat een taak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de kleinste eenheid van een functie is en bestaat uit één of meerdere handelingen.

6. Met betrekking tot eisers beroepsgrond dat het begrip taak een onredelijk toetsinstrument is overweegt de rechtbank het volgende.

Het begrip taak is neergelegd in het Schattingsbesluit. Het Schattingsbesluit is een Algemene maatregel van bestuur genomen op grond van onder andere artikel 1a:1, achtste lid, van de Wajong. De bestuursrechter is in zijn beoordeling beperkt tot de vraag of de regelgever met de invoering van ‘taak’ binnen de door de wetgever in artikel 1a:1, achtste lid, van de Wajong gegeven ruimte tot vaststellen van regels is gebleven.

In de Memorie van Toelichting bij de Invoeringswet Wet werken naar vermogen is op bladzijde 36 het volgende opgenomen: “het aspect arbeid; iemand kan in het geheel niet werken, heeft geen arbeidsvermogen. Dat betekent dat iemand geen activiteit kan ontplooien, waarvoor een werkgever enig loon zou willen betalen, zelfs niet in een beschutte werkomgeving.”

Gelet op deze toelichting is de rechtbank van oordeel dat het UWV door het begrip activiteit te vertalen naar het begrip taak binnen de door de wetgever gegeven ruimte is gebleven. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat (een deel van) het Schattingsbesluit onverbindend is.

7. Uit voorgaande regelgeving volgt dat het UWV moet beoordelen of eiser aan ten minste een van de vier genoemde voorwaarden van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit voldoet en, indien dat het geval is, moet beoordelen of deze situatie duurzaam is. Daarbij maakt het UWV geen gebruik van de in zogenoemde schattingszaken gebruikte Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS)-systematiek, maar is gekozen voor de Sociaal Medische Beoordeling Arbeidsvermogen (SMBA)-systematiek. Bij deze beoordeling staat de ‘International Classification of Functioning, Disability and Health’ centraal. Voor het toepassen van de SMBA-systematiek heeft verweerder het ‘Compendium Participatiewet’ vastgesteld.

Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat de beoordeling met toepassing van de SMBA-systematiek in beginsel toetsbaar is. Het enkele gegeven dat geen FML meer gebruikt wordt, betekent niet dat de beoordeling niet te toetsen is. De FML is een hulpmiddel om beperkingen in kaart te brengen. Als de beperkingen van een belanghebbende op een andere manier worden verwoord, ziet de rechtbank niet in waarom dan niet getoetst kan worden of deze beperkingen juist zijn vastgesteld en of daarmee een taak kan worden verricht. De stelling van eiser dat er sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel volgt de rechtbank niet, alleen al omdat eiser niet gelijk is aan degenen die al een Wajong-uitkering hadden vóór 1 januari 2015. Hetzelfde geldt voor eisers stelling dat er sprake is van verboden onderscheid met de ‘oude’ wajongers. Aanvullend merkt de rechtbank nog op dat de transparantie en verifieerbaarheid van een beoordeling niet zozeer afhankelijk is van de systematiek die gebruikt wordt, maar meer van de wijze waarop gerapporteerd wordt. Meer in het bijzonder is van belang dat uit de rapportage op te maken is op welke wijze de beperkingen zijn vastgesteld en hoe getoetst is of de belanghebbende met die beperkingen al dan niet een taak kan verrichten.

De rechtbank heeft ook anderszins geen redenen om te oordelen dat door toepassing van de SMBA-systematiek een onjuiste uitvoering aan het Schattingsbesluit wordt gegeven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de SMBA-systematiek als ondersteunend systeem bij de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie aanvaardbaar is.

8. Aan het bestreden besluit ligt een medische beoordeling ten grondslag. De verzekeringsarts heeft eiser gezien op 11 juni 2015. De verzekeringsarts heeft bij zijn beoordeling de medische informatie van de GGZ van 25 mei 2012 betrokken. De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat eiser door de ontstane ontregeling van bioritme en energieniveau op dit moment beperkt tot niet inzetbaar is. Hij heeft een meer dan gemiddelde begeleidingsbehoefte nodig om te functioneren. De verzekeringsarts is van mening dat eiser met begeleiding leer- en ontwikkelingsmogelijkheden heeft. Er start een traject vanuit het FACT-team (GGZ en JUZT). De verzekeringsarts heeft gesteld dat het aangeboden individueel behandelplan de negatieve spiraal zal doorbreken. De verdere begeleiding zal een positieve bijdrage leveren aan de belastbaarheid en inzetbaarheid. Hierdoor zullen de participatiemogelijkheden toenemen. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat eiser op dit moment geen arbeidsvermogen heeft, maar dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is.

De bezwaarverzekeringsarts heeft, naar aanleiding van het bezwaar, het dossier bestudeerd en informatie ingewonnen bij de behandelaars. De bezwaarverzekeringsarts is van mening dat uit de informatie van de psychiater blijkt dat eiser nog ontwikkelingsmogelijkheden heeft. De bezwaarverzekeringsarts is van mening dat geen aanleiding bestaat tot herziening van de medische grondslag.

Ook de arbeidsdeskundige heeft nog onderzoek gedaan. Uit gesprek met de arbeidsdeskundige is gebleken dat eiser zijn vader helpt in de garage; de voornaamste taken zijn auto’s wassen, vegen en opruimen. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat eiser met de werkzaamheden bij zijn vader heeft aangetoond in staat te zijn om taken te verrichten. Wel zal er sprake zijn en blijven van een begeleidingsbehoefte bij eiser.

9. Niet in geschil is dat eiser ten tijde in geding niet in staat was een taak te verrichten en dat hij dus geen participatiemogelijkheden heeft. In geschil is uitsluitend of eiser duurzaam geen participatiemogelijkheden heeft.

De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsartsen hun oordeel hebben gebaseerd op recente informatie van de behandelend psychiater. Uit deze informatie blijkt dat eiser nog onder behandeling is en dat er nog ontwikkelmogelijkheden zijn. De psychiater ziet deze mogelijkheden nog op het gebied van zelfstandigheid, zelfredzaamheid, gaan deelnemen aan een opleiding en deze volhouden, een gezond dag/nachtritme en begeleid zelfstandig wonen.

Gelet op deze ontwikkelmogelijkheden is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsartsen op goede gronden hebben gesteld dat het ontbreken van participatiemogelijkheden niet duurzaam is. Als eiser zich verder ontwikkelt, met name ten aanzien van zelfstandigheid, is zeker niet uit te sluiten dat hij op termijn de taken die eiser al bij zijn vader in de garage verricht ook binnen de context van een arbeidsorganisatie kan uitvoeren.

10. De stellingen van eiser dat er sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel, rechtzekerheidsbeginsel, de wet en internationale verdragen, dat de beoordeling niet volgens het biopsychosociale model zijn uitgevoerd en dat er sprake is van een ontoelaatbare relativering van de beperkingen, zijn niet nader onderbouwd zodat de rechtbank deze niet nader zal bespreken.

11. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen zal het beroep ongegrond worden verklaard.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. van Kralingen, voorzitter, en mr. D.H. Hamburger en mr. E.S.M. van Bergen, leden, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.