Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:6491

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
06-01-2017
Zaaknummer
BRE - 15 _ 3940
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BRE 15/3940 t/m 15/3942

Aansprakelijkstelling; inzagerecht; artikel 34 van de Invorderingswet; artikelen 7:2 en 7:4 van de Awb.

De ontvanger heeft – na een gemotiveerde betwisting van belanghebbende – niet aannemelijk gemaakt dat voorafgaand aan het horen alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage hebben gelegen. Naar het oordeel van de rechtbank is het inzagerecht geschonden. De rechtbank wijst de zaken terug naar de ontvanger om opnieuw uitspraak op de bezwaar te doen, met inachtneming van het inzage- en hoorrecht.

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 34, geldigheid: 2007-01-01
Algemene wet bestuursrecht 7:2, geldigheid: 2002-04-01
Algemene wet bestuursrecht 7:4, geldigheid: 2005-03-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0145
V-N Vandaag 2017/56
V-N 2017/9.29.26
De redactie annotatie in NTFR 2017/438

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 15/3940 tot en met 15/3942

uitspraak van 13 oktober 2016

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,

en

de ontvanger van de Belastingdienst,

de ontvanger.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De ontvanger heeft belanghebbende bij beschikkingen met dagtekening 23 oktober 2014, 2 en 9 december 2014 (kenmerken [kenmerk 1] , [kenmerk 2] en [kenmerk 3] ) aansprakelijk gesteld op grond van artikel 34 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW), artikel 60 van de Wet financiering sociale verzekeringen en premiebesluiten (hierna: Wfsv) en artikel 51 van de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw). Belanghebbende heeft hiertegen bezwaarschriften ingediend.

1.2.

De ontvanger heeft bij uitspraken op bezwaar, met dagtekening 26 mei 2015, de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen met dagtekening 9 juni 2015, bij de rechtbank binnengekomen op 10 juni 2015, beroep ingesteld bij de rechtbank. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende eenmaal een griffierecht geheven van € 331. De ontvanger heeft in elke zaak een verweerschrift ingediend.

1.4.

Namens belanghebbende zijn vóór de zitting nadere stukken ingediend. De ontvanger heeft op verzoek van de rechtbank vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2016 te Breda. Aldaar zijn gelijktijdig behandeld de zaken die bij de rechtbank geregistreerd zijn onder de zaaknummers BRE 15/3938 tot en met 15/3942. Ter zitting zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde] , verbonden aan [kantoor gemachtigde] (hierna: de gemachtigde), en namens de ontvanger, [ontvangers] .

1.6.

De ontvanger heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. De gemachtigde heeft ter zitting pleitnotities voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. De ontvanger heeft ter zitting zonder bezwaar van de wederpartij een berekening matiging aansprakelijkheidsberekeningen overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces‑verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift gelijktijdig met deze uitspraak is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

De activiteiten van belanghebbende bestaan uit het uitoefenen en exploiteren van een onderneming welke (in hoofdzaak) gericht is op renovatie en milieutechniek alsmede sloopwerkzaamheden en aftimmerwerkzaamheden. Daarnaast stelt belanghebbende personeel ter beschikking aan derden in het kader van sloop en andere werkzaamheden.

2.2.

In de periode 2008 tot en met 2011 heeft belanghebbende medewerkers ingeleend van [A BV] (hierna: [A BV] ), [B BV] (hierna: [B BV] ), [C BV] (hierna: [C BV] ), [D BV] (hierna: [D BV] ), [E BV] (hierna: [E BV] ) en [F BV] (hierna: [F BV] ). Hierna worden deze vennootschappen samen (ook wel) aangeduid als: de vennootschappen.

2.3.

De belastingdienst heeft in mei en juni 2013 boekenonderzoeken bij de vennootschappen ingesteld. Naar aanleiding van die onderzoeken zijn ten name van [A BV] , [B BV] , [C BV] , [D BV] , [E BV] en [F BV] naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd. Door de belastingdienst zijn controlerapporten opgesteld inzake de ingestelde boekenonderzoeken (hierna: de controlerapporten). Deze naheffingsaanslagen zijn niet (volledig) betaald.

2.4.

Op 29 oktober 2013 is bij belanghebbende een onderzoek ingesteld naar de mogelijkheid om de inlenersaansprakelijkheid ingevolge artikel 34 van de IW dan wel de ketenaansprakelijkheid ingevolge artikel 35 van de IW toe te passen ten aanzien van de in 2.2 vermelde inlening.

2.5.1.

Bij beschikking van 23 oktober 2014 met het kenmerk [kenmerk 1] is belanghebbende met toepassing van artikel 34 van de IW, artikel 60 van de Wfsv en artikel 51 van de Zvw aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 151.755 in verband met niet betaalde belastingschulden, te weten loonheffingen over het jaar 2008 van [A BV] en [C BV] en loonheffingen over het jaar 2009 van [B BV] en [D BV] .

2.5.2.

Bij beschikking van 2 december 2014 met het kenmerk [kenmerk 2] is belanghebbende met toepassing van de in 2.5.1 genoemde artikelen aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 122.042 in verband met niet betaalde belastingschulden, te weten loonheffingen over de jaren 2009 tot en met 2011 van [E BV] en loonheffingen over de jaren 2009 en 2010 van [F BV] .

2.5.3.

Bij beschikking van 9 december 2014 met het kenmerk [kenmerk 3] is belanghebbende met toepassing van de in 2.5.1 genoemde artikelen aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 26.552 in verband met niet betaalde loonheffingen over het jaar 2008 van [A BV] .

2.5.4.

Hierna worden de in 2.5.1 tot en met 2.5.3 genoemde beschikkingen gezamenlijk (ook wel) aangeduid als: de beschikkingen.

2.6.

Belanghebbende heeft bezwaren gemaakt tegen de beschikkingen. In één van haar bezwaarschriften verzoekt belanghebbende om overlegging van stukken en in alle bezwaarschriften, waarvan de inhoud in beroep volledig herhaald en ingelast moet worden beschouwd, betwist belanghebbende (onder meer) de juistheid van de naheffingsaanslagen die ten grondslag liggen aan de aansprakelijkstellingen. Op 13 januari 2015 heeft de gemachtigde in het kader van de door haar ingediende bezwaren ten kantore van de belastingdienst inzage gehad in stukken. Op 14 april 2015 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Het naar aanleiding daarvan opgemaakte hoorverslag is met dagtekening 23 april 2015 naar de gemachtigde verzonden. Eén van de bijlagen daarbij waren de in 2.3 genoemde controlerapporten. Belanghebbende heeft het hoorverslag met dagtekening 11 mei 2015 voor akkoord ondertekend. De ontvanger heeft de bezwaren van belanghebbende bij uitspraken op bezwaar van 26 mei 2015 ongegrond verklaard. Bij brief met dagtekening 26 mei 2015, door de ontvanger ontvangen op 28 mei 2015, heeft de gemachtigde naar aanleiding van de ontvangen controlerapporten vragen aan de ontvanger gesteld. De ontvanger heeft in zijn verweerschriften op de vragen geantwoord.

3 Geschil

3.1.

In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

  1. Is de hoorplicht geschonden?

  2. Heeft de ontvanger alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

  3. Is belanghebbende terecht en tot de juiste bedragen aansprakelijk gesteld voor de door de uitleners onbetaald gebleven bedragen aan loonheffingen?

Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede en de derde vraag ontkennend. De ontvanger is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij ter zitting hebben aangevoerd.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en primair tot vernietiging van de beschikkingen en subsidiair tot terugwijzing naar de ontvanger vanwege schending van de hoorplicht en het inzagerecht dan wel vanwege het niet overleggen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Meer subsidiair concludeert belanghebbende tot verdere vermindering van de bedragen waarvoor zij aansprakelijk is gesteld. De ontvanger concludeert primair tot vermindering van de bedragen waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld en subsidiair tot terugwijzing van de zaken indien de rechtbank van oordeel mocht zijn dat het hoorrecht is geschonden dan wel dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken door hem zijn overgelegd.

4 Beoordeling van het geschil

Schending van het inzagerecht

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt de ontvanger, voordat hij op een bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb behoort de ontvanger het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week ter inzage te leggen.

4.2.

Nu belanghebbende gemotiveerd betwist dat voorafgaand aan het horen alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage hebben gelegen, ligt het op de weg van de ontvanger om het tegendeel aannemelijk te maken. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

4.3.

Uit hetgeen de ontvanger heeft aangevoerd, aan stukken heeft overgelegd en ter zitting heeft verklaard, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid welke stukken precies ter inzage hebben gelegen. Onder die omstandigheden kan de rechtbank niet afdoende de vraag beantwoorden of alle op de zaak betrekking hebbende stukken in de bezwaarfase ter inzage hebben gelegen, zoals ingevolge artikel 7:4, tweede lid, van de Awb is vereist, en kan de rechtbank dan ook niet uitsluiten dat belanghebbende daardoor is benadeeld.

4.4.

De onzekerheid omtrent de vraag of alle op de zaak betrekking hebbende stukken al dan niet ter inzage hebben gelegen, mag vanuit het oogpunt van rechtsbescherming niet in het nadeel van belanghebbende werken. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat niet zonder twijfel kan worden vastgesteld dat de voorschriften betreffende het inzagerecht – een van de fundamentele waarborgen voor een goed verlopende bezwaarschriftprocedure – juist zijn nageleefd. Dit brengt de rechtbank tot de slotsom dat het inzagerecht is geschonden.

4.5.

Nu niet is komen vast te staan dat belanghebbende door de schending van het inzagerecht niet is benadeeld, is de rechtbank van oordeel dat er geen ruimte is om die schending te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

4.6.

Gelet op het vorenstaande dienen de uitspraken op bezwaar te worden vernietigd. De beroepen dienen gegrond te worden verklaard.

4.7.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de beschikkingen op grond van de hiervoor genoemde gronden op voorhand te vernietigen zonder dat de zaken inhoudelijk zijn behandeld. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om na vernietiging van de uitspraken op bezwaar zelf in de zaken te voorzien. Terugwijzing naar de ontvanger om opnieuw uitspraak op de bezwaar te doen, met inachtneming van het inzage- en hoorrecht, is naar het oordeel van de rechtbank aangewezen. Gelet hierop zal de rechtbank de zaak terugwijzen naar de ontvanger en hem opdragen opnieuw op de bezwaren te beslissen, nadat belanghebbende (opnieuw) in de gelegenheid is gesteld inzage in de stukken te krijgen en nadat belanghebbende opnieuw is gehoord.

4.8.

Nu de zaken worden teruggewezen naar de ontvanger komt de rechtbank niet toe aan de behandeling van de overige geschilpunten.

5 Proceskosten

5.1.

De rechtbank vindt aanleiding de ontvanger te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase dient de ontvanger bij zijn uitspraken op bezwaar opnieuw te beslissen, zodat daarvoor thans door de rechtbank geen vergoeding wordt toegekend.

5.2.1.

Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van de werkelijk gemaakte kosten.

5.2.2.

Voor toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking geeft of uitspraak doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vergelijk Hoge Raad van 13 april 2007, nr. 41 235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Ook kunnen dergelijke omstandigheden zich voordoen indien het bestuursorgaan in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (vergelijk Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).

5.2.3.

De rechtbank acht in de onderhavige zaken geen bijzondere omstandigheden aanwezig die de vergoeding van de werkelijke kosten rechtvaardigen. Dat de ontvanger voor wat betreft de ter inzage gelegde stukken de bewijslast heeft en dat niet vast is komen te staan wat precies ter inzage heeft gelegen, maken niet dat de ontvanger daarmee dermate onzorgvuldig heeft gehandeld dat een vergoeding van de werkelijke proceskosten aan de orde is.

5.3.

De proceskosten in beroep worden daarom op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 992 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). Overige kosten die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen, zijn niet gesteld. De rechtbank heeft daarbij de zaken met procedurenummers BRE 15/3940 tot en met 15/3942 aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    draagt de ontvanger op om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw uitspraak op bezwaar te doen;

- veroordeelt de ontvanger in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 992;

- gelast dat de ontvanger het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 331 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 13 oktober 2016 door mr. W.A.P. van Roij, voorzitter, mr.drs. M.H. van Schaik en mr. J.W.M. Tijnagel, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B. Knezevic, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.