Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:6466

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-10-2016
Datum publicatie
13-01-2017
Zaaknummer
AWB - 14 _ 5531
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag LH. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat de Poolse arbeiders in loondienst zijn bij belanghebbende naar aanleiding van de bevindingen in het boekenonderzoek. De stelling van belanghebbende dat er sprake was van inlening van Poolse arbeiders en een geldige E-101-verklaring acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0192
V-N Vandaag 2017/102

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 14/5531 en 14/5532

uitspraak van 7 oktober 2016

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2008 (zaaknummer 14/5531) en 2009 (zaaknummer 14/5532) naheffingsaanslagen loonheffingen (hierna: naheffingsaanslagen) opgelegd van € 191.142 respectievelijk € 47.228, alsmede bij beschikkingen boeten van € 47.785 respectievelijk € 11.807 en heffingsrente in rekening gebracht van € 15.418 respectievelijk € 2.198 (aanslagnummers [aanslagnummer] .A.0108500 en [aanslagnummer] .A.0109500).

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 28 juli 2014 de naheffingsaanslagen alsmede de boeten en de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 4 september 2014, ontvangen bij de rechtbank op 4 september 2014, beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 328 in de zaak met nummer 14/5531. De inspecteur heeft voor elk jaar een verweerschrift ingediend.

1.4.

Partijen hebben vóór en ter zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2015 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde 1] verbonden aan [kantoor gemachtigde 1] te ’s-Hertogenbosch, en namens de inspecteur [gemachtigde 2] , [gemachtigde 3] , [gemachtigde 4] en [gemachtigde 5] . De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

1.6.

Voor het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting dat naar partijen is verzonden op 23 december 2015.

1.7.

Met dagtekening 31 december 2015 is namens belanghebbende (onder meer) een toelichting verstrekt op de met dagtekening 26 november 2015 ingediende stukken. De inspecteur heeft hierop gereageerd bij brief met dagtekening 4 februari 2016, waarna namens belanghebbende is gereageerd bij brief met dagtekening 25 februari 2016.

1.8.

Op 5 juli 2016 heeft er een tweede onderzoek ter zitting plaatsgevonden te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde 1] verbonden aan [kantoor gemachtigde 1] te ’s-Hertogenbosch, en namens de inspecteur [gemachtigde 6] , [gemachtigde 4] en [gemachtigde 3] . De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd. Voor het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting dat gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen zal worden toegezonden.

1.9.

De rechtbank heeft partijen bij brieven van 12 augustus 2016 en 26 september 2016 laten weten dat de uitspraakdatum met 6 weken wordt verlengd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is opgericht op 3 december 2007. De aandelen van belanghebbende worden gehouden door [aandeelhouder 1] (50%) en [aandeelhouder 2] (50%) (hierna: de dga’s). Belanghebbende is op 7 juli 2009 in staat van faillissement verklaard.

2.2.

Belanghebbende had volgens de inschrijving in de Kamer van Koophandel als doel bemiddeling in en het aannemen en uitvoeren van klussen. Feitelijk hield belanghebbende zich bezig met het opknappen van woningen die in het bezit zijn of waren van [de familie] . Voor de uitvoering van de bouwwerkzaamheden maakte belanghebbende gebruik van Poolse arbeidskrachten.

2.3.

Aan belanghebbende zijn vanaf januari 2008 aangiften loonheffingen uitgereikt. Belanghebbende heeft over de jaren 2008 en 2009 € 15.290 respectievelijk € 20.051 aan loonheffingen aangegeven en afgedragen.

2.4.

Op grond van een tweetal onderzoeken in 2011, komt de inspecteur tot de conclusie dat belanghebbende de Poolse arbeidskrachten niet heeft ingeleend van [de Poolse onderneming] (hierna: [bedrijf 2] ), maar zelf inhoudingsplichtige was.

2.4.1.

In het rapport - met dagtekening 5 oktober 2011 - dat in het kader van de bestuurdersaansprakelijkheid is opgesteld, staat onder meer het volgende:

“Een groot aantal van de door [bedrijf 1] opgeknapte panden blijken op het moment van het faillissement eigendom van [bedrijf 3] (hierna [bedrijf 3] ). Om de rol van [bedrijf 3] te bezien is (…) gesproken met [de directeur] .

(…)

[persoon 1] . Had bij de verkoop van de panden richting [bedrijf 3] aangegeven dat zijn zoon een installatiebedrijf had. Besloten werd om de installatiewerkzaamheden onder te brengen bij dit installatiebedrijf ( [bedrijf 1] ). Afgesproken werd dat de verbouwing van de simpele panden door [bedrijf 1] werd gedaan. Voor de moeilijke panden lag de eis van de hypotheekverstrekker dat een gerenommeerde bouwonderneming het verbouwingswerk moest doen.

Met bouwbedrijf [bedrijf 4] te [vestigingsplaats bedrijf 4] is een contract gesloten dat zij het werk aan de moeilijke panden zouden uitvoeren. Achteraf is gebleken dat feitelijk [bedrijf 4] de stroman was en het werk werd uitgevoerd door Poolse werknemers in opdracht van [bedrijf 1] .”

2.4.2.

In het rapport – met dagtekening 5 oktober 2011 - van het nader onderzoek naar de belasting/premieplicht van de Poolse arbeidskrachten staat (voor zover van belang) het volgende:

“Voor het uitvoeren van de bouwwerkzaamheden maakt [bedrijf 1 1-BV] gebruik van Poolse arbeiders. Volgens de in de administratie aangetroffen facturen zijn deze werknemers afkomstig van een in Polen gevestigde onderneming genaamd: [de Poolse onderneming] Op de facturen staat vermeld dat deze onderneming in Polen zou zijn gevestigd op het adres: [adres] .

Door [aandeelhouder 2] wordt op 26 oktober 2009 verklaard dat dit een onderneming is die in handen is van [persoon 1] . Verder valt op dat de lay-out van facturen van deze Poolse onderneming gelijk zijn aan die van [bedrijf 1]

In de bij de curator aanwezige gegevens is een interne notitie d.d. 26 februari 2009 aangetroffen waaruit blijkt dat de heer [persoon 2] (zijnde een werknemer van [bedrijf 5] ) namens [bedrijf 2] afspraken maakt met [bedrijf 1] , over de kosten van de huisvesting van de Polen, en de vergoedingen die daarvoor betaald worden op de privé bank rekeningen van: [aandeelhouder 2] ,, [aandeelhouder 1] en [persoon 3] . In dit document worden afspraken gemaakt over een totaalbedrag van € 8.000 aan huurkosten per maand. Via een e-mail d.d. 28 februari 2009 waarvan de indruk wordt gewekt dat deze afkomstig is van [bedrijf 2] te Polen zijn deze afspraken bevestigd. Deze e-mail is afkomstig van de heer [persoon 2] namens [bedrijf 2] .

In een in de administratie aangetroffen notitie d.d. 20 mei 2009 met ref PV staat vermeld dat er kasbetalingen zijn gedaan door [aandeelhouder 2] in opdracht van [bedrijf 2] voor een bedrag van € 25.950.

Verder blijkt uit het ingestelde onderzoek dat de bestuurders van [bedrijf 1] de ziektekosten hebben betaald voor deze Polen. Dit blijkt o.a. uit een brief d.d. 10 november 2008 met ref Jfl/tt van de hand van [persoon 4] waarin richting [de huisartsenpost] wordt gemeld dat een Pool genaamd [naam Pool 1] bij [bedrijf 1] heeft gewerkt en dat [bedrijf 1] het verschuldigde bedrag zal overmaken. Zo is er ook een rekening aangetroffen afkomstig van [het ziekenhuis] t.b.v. [naam Pool 2] .

Verder heeft [bedrijf 1] gezorgd voor de huisvesting en de maaltijden ten behoeve van de Polen. Zie hiervoor de in de administratie van [bedrijf 1] aangetroffen facturen van [bedrijf 6]

Evident blijkt uit bovenstaande feiten de grote verwevenheid tussen [de familie] en genoemde Poolse onderneming.

Er is door de Polen gewerkt op projecten die [bedrijf 1] heeft aangenomen. Gebleken is dat de Poolse arbeiders in gezagsverhouding hebben gewerkt van de bestuurders van [bedrijf 1 3-BV]

Uit een besprek met [de heren 1] en [de heer / de heren 2] van [bedrijf 4] blijkt o.a. het volgende:

[bedrijf 4] zou dit project alleen kunnen krijgen wanneer zij gebruik maken van de “handjes” die [bedrijf 1] levert. Het niet aan de gang krijgen van het project wordt door [bedrijf 4] verweten door de inzetten van vakonbekwame Polen waar zij iedere keer richting [persoon 1] melding van maakten. [de heer / de heren 2] vertelt een verhaal, waarbij hij aangeeft dat hij dit nog nooit heeft meegemaakt: bij een bezoek aan de bouw heeft gezien dat op een keer alle aanwezige Polen door [aandeelhouder 2] in een cirkel zijn gezet en zij “Gestapo achtige” wijze werden toegesproken inzake hun functioneren. Het bedrijf [bedrijf 4] moest daarbij aangeven welke Pool wel en welke niet functioneerde. De Polen stonden daar met gebogen hoofd. Degene die niet functioneerde werd op niet al te vriendelijke wijze weggestuurd.”

2.5.

De directeur grootaandeelhouder van [bedrijf 2] is [persoon 1] (vader van de dga’s). De dagelijkse leiding van deze onderneming is in handen van [persoon 5] (zoon van [persoon 1] ). De bedrijfsactiviteiten van deze onderneming zijn volgens de Poolse Kamer van Koophandel de productie en handel in wild en gevogelte.

2.6.

De inspecteur heeft aan belanghebbende naheffingsaanslagen loonheffing opgelegd over de jaren 2008 en 2009. In verband met het ontbreken van een (loon)administratie ter zake van de Poolse arbeidskrachten bij belanghebbende, heeft de inspecteur de naheffingsaanslagen berekend op basis van de in de administratie van belanghebbende aangetroffen facturen van [bedrijf 2] met betrekking tot bouwprojecten van belanghebbende, waarin een omzet is gefactureerd van € 632.151 (2008) en € 156.603 (2009) tegen een uurtarief van € 21.

Dit resulteert in onderstaande berekening van het aantal gewerkte uren:

2008 € 632.151/€ 21= 30.102 uren

2009 € 156.603/€ 21= 7.457 uren

Uitgaande van het minimumloon in 2008 en 2009 van € 7,70 respectievelijk € 7,97 heeft de inspecteur het brutoloon als volgt berekend:

2008 € 231.789

2009 € 59.435

2.7.

In verband met het ontbreken van gegevens en ID-bewijzen van de Poolse arbeidskrachten is bij de berekening van de naheffingsaanslagen het anoniementarief toegepast op grond van artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB).

2.8.

De naheffingsaanslagen zijn als volgt opgebouwd:

2.9.

Daarnaast heeft de inspecteur vergrijpboetes opgelegd van 25% op grond van artikel 67f van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR) in verbinding met de paragraven 25 en 28 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB).

2.10.

De inspecteur heeft na een verzoek om uitwisseling van gegevens van de Poolse belastingdienst de onderstaande verklaringen met betrekking tot [bedrijf 2] (voor zover van belang) ontvangen:

“Wat zijn de voornaamste economische activiteiten van de belastingplichtige?

Cereal rights, hunting farm, breeding en acquisition of game, including service activity, production of meat, production of poultry and rabbit meat, wholesale of flowers and plants, wholesale of animals, wholesales of hides.

(…)

Is [de Poolse onderneming] een uitzendbureau? Zo nee, wat zijn haar activiteiten dan?

[bedrijf 2] was not an employment agency. The main activity was hunting: carrying out of 91 collection points of game. The collection points were sold in February 2008.

(…)

Er zouden 65 Polen in Nederland te werk zijn gesteld, is er een loonadministratie gevoerd met het aantal werknemers van deze omvang?

The company employed from 1 to 25 employees within the years 2008-2009. The Polish competent local tax office is not in possession of a payroll, because the company was liquidated and there is no contact with former owners. However, judging by a low amount of declared advance payments on personal income tax the employees were rather employed in Poland.

(…)

1. Zijn er in de boekhouding van [de Poolse onderneming] bewijzen te vinden dat er Poolse werknemers zijn uitgezonden om in genoemde periode bouwwerkzaamheden (zoals metselen en stucwerk) te verrichten in Nederland, met name [vestigingsplaats] ? (…)

There is no information on transferring the employers.

According to returns submitted by the company for 2008-2009 there is no income from sources beyond Poland.

(…)

2. (…) Zijn er A1 verklaringen (voorheen E-101 verklaringen) opgemaakt of andere verklaringen die erop wijzen dat de werknemers door de werkgever zijn uitgezonden naar een andere werkgever in Nederland?

There is no information.

Heeft [de Poolse onderneming] met betrekking tot vraag 1 en 2 loonbelasting afgedragen in Polen? Zo ja, dan zou ik graag een specificatie willen ontvangen.

According to returns submitted by the company for 2008-2009 there is no income from sources located beyond Poland.

Zijn er door [de Poolse onderneming] in de betreffende periode facturen verstuurd voor bovengenoemde werkzaamheden?

There is no information.

Heeft [de Poolse onderneming] in de betreffende periode betalingen ontvangen van [bedrijf 1 1-BV] en/of andere Nederlandse bedrijven in verband met werkzaamheden van Poolse werknemers? Zo ja, van wie en welke bedragen?

There is no information”

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd en de boeten terecht zijn vastgesteld. Meer in het bijzonder zijn in geschil de antwoorden op de volgende vragen:

  1. Zijn de Poolse arbeidskrachten in dienstbetrekking bij belanghebbende?

  2. Dient het bedrag van de naheffingsaanslagen te worden verminderd in verband met de door belanghebbende overgelegde E-101 verklaringen?

  3. Dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard?

  4. Zijn de boeten terecht en tot de juiste bedragen opgelegd?

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en het ter zittingen verhandelde.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslagen, de vergrijpboeten en de beschikkingen heffingsrente. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende betoogt dat zij de Poolse arbeidskrachten heeft ingeleend van [bedrijf 2] . Zij onderbouwt haar standpunt aan de hand van het rapport van [persoon 6] , de accountant van [bedrijf 2] . Hij heeft de Poolse stukken van [bedrijf 2] geanalyseerd en uit de stukken blijkt dat de werknemers van [bedrijf 2] zijn uitgeleend aan belanghebbende. Dit volgt onder meer uit de Poolse btw-aangiften, loonbelastingaangiften, de arbeidsovereenkomsten van [bedrijf 2] met de betreffende arbeidskrachten, en de bevestiging van de mondelinge afspraak dat belanghebbende de Poolse arbeidskrachten heeft ingeleend van [bedrijf 2] . Daarnaast beschikt [bedrijf 2] over een fictieve vaste inrichting in Nederland en zijn er E-101-verklaringen afgegeven aan de Poolse arbeidskrachten.

4.2.

De inspecteur stelt dat de Poolse arbeidskrachten in dienstbetrekking waren bij belanghebbende. Uit de verklaringen van [bedrijf 4] (zie onderdeel 2.4.2.) kan volgens de inspecteur worden afgeleid dat de Poolse arbeidskrachten in gezagsverhouding stonden tot belanghebbende. Indien zij het werk niet naar behoren uitvoerden, werden zij weggestuurd. Daarnaast vormden de werkzaamheden van de arbeidskrachten een structureel onderdeel van de bedrijfsvoering van belanghebbende. Gelet hierop is aannemelijk dat de arbeidskrachten de instructies volgden van [de familie] . Voorts is niet aannemelijk dat de Poolse arbeidskrachten zich konden laten vervangen, zodat zij de arbeid persoonlijk dienden te verrichten. Verder blijkt uit de administratie van belanghebbende dat kosten voor verblijf, maaltijden en ziektekosten zijn gemaakt voor de Poolse arbeidskrachten.
De inspecteur betwist dat [bedrijf 2] als werkgever en inhoudingsplichtige kan worden aangemerkt. De inspecteur heeft na een verzoek om uitwisseling van gegevens van de Poolse belastingdienst immers een verklaring ontvangen met betrekking tot de afgedragen loonbelasting en omzetbelasting, waarin de Poolse belastingdienst concludeert dat [bedrijf 2] geen personeel heeft uitgeleend (zie verklaring in onderdeel 2.10).

De inspecteur betwist voorts de stelling van belanghebbende dat [bedrijf 2] voor de loonbelasting een fictieve vaste inrichting heeft in Nederland, aangezien [bedrijf 2] zich niet als inhoudingsplichtige heeft gemeld bij de Belastingdienst in Nederland. Hij betwist ook dat er geldige E-101-verklaringen zijn afgegeven aan belanghebbende, aangezien niet belanghebbende als inlener op de E-101-verklaringen staat vermeld maar [bedrijf 5] . Ter zitting heeft de inspecteur aangevoerd dat uit de stukken van de Poolse belastingdienst blijkt dat de omzet van [bedrijf 2] lager is dan de omzet die staat vermeld op de facturen van [bedrijf 2] aan belanghebbende. Daaruit volgt volgens de inspecteur dat er geen sprake kan zijn van inlening van personeel van [bedrijf 2] door belanghebbende.

Inhoudelijke beoordeling

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat op de inspecteur de bewijslast met betrekking tot de opgelegde naheffingsaanslagen rust. Hij dient aannemelijk te maken dat de Poolse arbeidskrachten in privaatrechtelijke dienstbetrekking stonden tot belanghebbende in de zin van artikel 2, lid 1 van de Wet op de Loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB). Er dient daarvoor te worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

- de Poolse arbeidskrachten staan in gezagsverhouding tot belanghebbende;

- de Poolse arbeidskrachten zijn verplicht de arbeid persoonlijk te verrichten;

- belanghebbende is verplicht tot het betalen van loon.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de Poolse arbeidskrachten in privaatrechtelijke dienstbetrekking stonden tot belanghebbende. De rechtbank heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

4.4.1.

Vast staat dat belanghebbende voor de uitoefening van werkzaamheden gebruik heeft gemaakt van Poolse arbeidskrachten. De rechtbank acht op basis van de feiten die staan vermeld in de onder 2.4 weergegeven passages uit het controlerapport en hetgeen de inspecteur dienaangaande overigens heeft aangevoerd aannemelijk dat voldaan wordt aan de in 4.3 vermelde voorwaarden en dat derhalve deze arbeidskrachten in dienstbetrekking stonden tot belanghebbende. Anders dan belanghebbende stelt, ziet de rechtbank geen grond voor de conclusie dat de arbeidskrachten in dienstbetrekking stonden tot [bedrijf 4] . Uit de verklaring van [bedrijf 4] volgt veeleer dat de Poolse arbeidskrachten in een gezagsverhouding stonden tot belanghebbende.

4.4.2.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een dienstbetrekking tussen belanghebbende en de Poolse arbeidskrachten, omdat de arbeidskrachten zijn ingeleend van [bedrijf 2] . Naar het oordeel van de rechtbank is de onderbouwing van deze stelling onvoldoende om af te doen aan het bewijsoordeel in 4.4.1. Daarbij is het volgende van belang. Er ontbreekt een inleningsovereenkomst tussen belanghebbende en [bedrijf 2] . De doelomschrijving van [bedrijf 2] is een volledig andere dan de in- en uitlening van personeel. Verder wordt de authenticiteit van de facturen door de inspecteur gemotiveerd betwist, waarbij de inspecteur heeft gewezen op de vergelijkbare lay out van de facturen van belanghebbende en [bedrijf 2] en voorts op de omstandigheid dat beide vennootschappen in handen zijn van [de familie] . Bovendien volgt uit de verklaring van de Poolse belastingdienst dat de omzet van [bedrijf 2] lager is dan de omzet die staat vermeld op de facturen van [bedrijf 2] aan belanghebbende. Aan het rapport van [persoon 6] waaruit volgens belanghebbende volgt dat [bedrijf 2] werknemers heeft uitgeleend aan belanghebbende, kent de rechtbank geen waarde toe. Het rapport is niet opgemaakt door een onafhankelijk derde, maar door de accountant van [bedrijf 2] . De beweringen in het rapport staan lijnrecht tegenover de verklaringen van de Poolse belastingdienst, waaraan de rechtbank meer geloof hecht.

4.4.3.

Alles in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de Poolse arbeidskrachten in dienstbetrekking waren bij belanghebbende en geen sprake is van inlening van de Poolse arbeidskrachten van [bedrijf 2] door belanghebbende.

4.5.1.

Nu de rechtbank van oordeel is dat sprake is van dienstbetrekkingen tussen belanghebbende en de Poolse arbeidskrachten en belanghebbende de hoogte van de gefactureerde omzet en de daaruit afgeleide bedragen aan verschuldigde loonheffingen als zodanig niet heeft betwist, heeft belanghebbende absoluut en relatief gezien te weinig loonheffingen afgedragen. Gelet hierop heeft belanghebbende niet de vereiste aangiften loonheffingen 2008 en 2009 gedaan. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende zich ten tijde van het doen van de aangiften ervan bewust moet zijn geweest dat aanzienlijke bedragen aan verschuldigde loonheffingen niet zouden worden geheven De rechtbank is derhalve van oordeel dat de bewijslast met betrekking tot de naheffingsaanslagen terecht is omgekeerd. Op belanghebbende rust dan de bewijslast op grond van artikel 27e van de AWR om te doen blijken dat de uitspraken op de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen onjuist zijn. Belanghebbende heeft in dit verband bestreden dat sprake is van premieplicht in verband met de aanwezigheid van E101-verklaringen. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze stelling belanghebbende niet baten, reeds omdat de E101-verklaringen zien op een andere inhoudingsplichtige. Ook overigens heeft belanghebbende niet doen blijken dat de uitspraken op de bezwaren onjuist zijn.

4.5.2.

De rechtbank dient alsdan te beoordelen of de nageheven bedragen aan loonheffing over de jaren 2008 en 2009 berusten op een redelijke schatting. De rechtbank is van oordeel dat de geschatte bedragen redelijk zijn en overweegt daartoe als volgt. De inspecteur is uitgegaan van de facturen van [bedrijf 2] , welke zijn aangetroffen in de administratie van belanghebbende. Dat is redelijk. Het in aanmerking nemen van een uurtarief conform het minimumloon acht de rechtbank niet willekeurig. De inspecteur heeft voorts terecht het anoniementarief op grond van artikel 26b Wet LB toegepast omdat belanghebbende niet heeft voldaan aan de in dat artikel genoemde verplichtingen. Ook is het niet onredelijk – bij gebrek aan gegevens voor het tegendeel – dat ervan is uitgegaan dat de Poolse werknemers premieplichtig zijn.

4.6.

Aan belanghebbende zijn vergrijpboeten van 25% van de nageheven loonheffing opgelegd over de jaren 2008 en 2009 van € 47.785 respectievelijk € 11.807 op grond van artikel 67f van de AWR in verbinding met paragraaf 28 van het BBBB. De grove schuld bestaat volgens de inspecteur daarin dat belanghebbende heeft getracht onder belastingheffing in Nederland uit te komen door Poolse werknemers in dienst te nemen via een gelieerde Poolse onderneming. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het aan grove schuld van belanghebbende te wijten is dat te weinig belasting is betaald. Naar het oordeel van de rechtbank had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven of betaald.

4.7.

De rechtbank ziet, gelet op de onderbouwing van de schatting van de naheffingsaanslagen, geen aanleiding om de boeten te matigen vanwege de omstandigheid dat de naheffingsaanslagen zijn opgelegd met omkering en verzwaring van de bewijslast. De rechtbank acht de opgelegde boeten ook overigens passend en geboden.

4.8.

De boeten zijn aangekondigd in het rapport van het boekenonderzoek van 5 oktober 2011. Sindsdien zijn meer dan 2 jaar verstreken tot de datum van de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur heeft niet gesteld dat een deel van deze periode aan belanghebbende is toe te rekenen en de rechtbank ziet ook geen aanleiding voor een dergelijke toerekening. De rechtbank heeft in de ambtshalve geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn reden gezien de boeten met 20% te matigen. De boeten over 2008 en 2009 worden verlaagd van € 47.785 respectievelijk € 11.807, tot € 38.228 respectievelijk € 9.445.

4.9.

Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. De omstandigheid dat de boeten vanwege een ambtshalve geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn worden verminderd, geeft geen aanleiding om de beroepen gegrond te verklaren en is evenmin grond voor vergoeding van proceskosten of griffierecht (vgl. HR 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8053, BNB 2011/286).

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de bezwaren en de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken (zie ook 4.9).

6 Beslissing

Naheffingsaanslag loonheffingen 2008 (zaaknummer 14/5531)

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de boete;

  • -

    vermindert de boete tot € 38.228.

Naheffingsaanslag loonheffingen 2009 (zaaknummer 14/5532)

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de boete;

  • -

    vermindert de boete tot € 9.445.

Deze uitspraak is gedaan op 7 oktober 2016 door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter,

mr.drs. M.H. van Schaik en mr.dr. M.L.M. van Kempen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.H. van Heel, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.