Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:6387

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
13-10-2016
Zaaknummer
02/700078-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging doodslag, zelfintoxicatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/700078-15

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 oktober 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [datum en plaats] ,

wonende te [adres] ,

raadsvrouw mr. V. C. Serrarens, advocaat te Middelburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 september 2016, waarbij de officier van justitie mr. C. J.W.M. van Spierenburg en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 april 2015 te Vlissingen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen tegen/op

het hoofd heeft geschopt/getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 april 2015 te Vlissingen

aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken

kaak, heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen tegen/op het hoofd te

schoppen/trappen;

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 april 2015 te Vlissingen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

door die [slachtoffer] meermalen tegen/op het hoofd te trappen/schoppen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.zrpsc1

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair aan hem ten laste gelegde heeft begaan, te weten een poging doodslag door het slachtoffer tegen het hoofd te schoppen. Uit de omstandigheden waaronder het feit is begaan kan worden opgemaakt dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van het handelen van verdachte zou komen te overlijden. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op de verklaring van het slachtoffer, het letsel, en de verklaringen van [getuige] en [getuige 2] . Nu sprake is van zelfintoxicatie kan een beroep op een straf- of schulduitsluitingsgrond niet slagen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair aangevoerd dat er - zonder dat verdachte dit wist - MDMA in zijn drankje is gedaan en dat er dus geen sprake is van vrijwillige intoxicatie. Het feit kan verdachte niet worden toegerekend. De verdediging beroept zich daarbij op het bepaalde in artikel 39 Sr en is van mening dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hoewel [getuige] in eerste instantie heeft verklaard dat verdachte wist dat er MDMA in zijn drankje zat, heeft hij later verklaard dat hierover slechts is gesproken buiten aanwezigheid van verdachte.

Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat in geval wel sprake zou zijn van zelfintoxicatie, het voor verdachte niet voorzienbaar was dat hij op deze wijze daarop zou reageren. Om van controle over zijn handelen te kunnen spreken moet redelijkerwijs voor verdachte voorzienbaar zijn geweest dat hij (gewelddadig) gedrag kon laten zien door eerder gebruik. Niet ieder vrijwillig drugsgebruik leidt dus tot strafbaar gedrag.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Verbalisanten kregen op 16 april 2015 omstreeks 00.06 uur de melding van het Operationeel Centrum Middelburg om te gaan naar Blikkenburg te Vlissingen, omdat daar volgens de meldster een manspersoon op het hoofd van een andere, op de grond liggende manspersoon aan het trappen was. De verbalisanten zagen ter plaatse een man buiten kennis op de grond liggen. Hij bloedde hevig aan zijn hoofd. Deze man bleek later te zijn [voornaam] [slachtoffer] . Naast hem stond, de verbalisanten ambtshalve bekende, verdachte. Zijn rechterschoen en de onderzijde van zijn broekspijpen zaten onder het bloed. Verdachte is vervolgens aangehouden ter zake mishandeling.1 Door de verbalisanten is geconstateerd dat verdachte na zijn aanhouding ongecontroleerde bewegingen maakte met zijn hele lichaam, dat hij heet en bezweet was en dat zijn ogen wegdraaiden, waardoor zij de indruk kregen dat hij onder invloed was van verdovende middelen2. Kort daarop kwam getuige [getuige] aanlopen. Hij verklaarde samen met het slachtoffer en verdachte alcohol en vervolgens MDMA te hebben genuttigd. Zij zouden de MDMA zelf hebben ingenomen.3

Diezelfde dag is ’s middags door [slachtoffer] aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat [getuige] de avond tevoren samen met verdachte langs kwam en dat zij alcohol hebben gedronken en dat [getuige] en verdachte jointjes met hasj hebben gerookt. Verdachte begon ineens te hyperventileren en heeft een tijd op het balkon gezeten. Hij schreeuwde ineens ‘jullie hebben iets van drugs in mijn drankje gestopt’. Het volgende moment dat het slachtoffer zich kan herinneren is dat hij in het ziekenhuis lag en werd behandeld door artsen.4 Verdachte heeft meerdere huidwonden en botbreuken in zijn gezicht opgelopen5.

Getuige [getuige 2] werd die nacht omstreeks 00.05 uur wakker van geschreeuw buiten. Zij hoorde een man roepen dat hij drugs in zijn drinken had gedaan. Toen zij uit het raam keek, zag zij een man op straat liggen, terwijl een andere man hem schopte. Vervolgens zag zij dat de man op zijn hurken naast het slachtoffer ging zitten en hij sprak weer over de drugs die het slachtoffer in zijn drinken had gedaan. Daarna stond hij op en begon weer te schoppen in het gezicht en tegen het achterhoofd van het slachtoffer. Ook toen het slachtoffer niet meer bewoog, schopte de dader hem nog.6 Getuige [getuige 2] heeft de man die is aangehouden door de politie herkend als de man die het slachtoffer schopte7.

Getuige [getuige 3] hoorde rond middernacht geschreeuw op straat. Toen hij uit het raam keek zag hij zijn buurman op de grond liggen. Op de buurman zat een man die schreeuwde ‘waar heb je het vandaan?’ en hem vervolgens sloeg.8

[getuige] is ’s middags gehoord als getuige en heeft toen verklaard dat zij eerst met z’n drieën een fles likeur op hadden en dat zij daarna siroop hebben gedronken. [voornaam] heeft verschillende keren gezegd dat er MDMA in zat. Verdachte dronk de siroop ondanks dat hij wist dat er MDMA in zat.9

Verdachte heeft zowel bij de politie, bij de rechter-commissaris als ter terechtzitting verklaard dat hij samen met [getuige] bij [slachtoffer] op bezoek is gegaan. Zij hebben eerst alcohol gedronken en later siroop. Daarna voelde hij zich niet goed en heeft hij op het balkon gestaan. Het volgende moment dat hij zich kan herinneren is dat hij op de keukenvloer lag met [slachtoffer] bovenop zich. Hij heeft hem van zich af geduwd en is weggerend. Vervolgens kwam de politie er aan.

Uit toxicologisch onderzoek van bloed van verdachte, dat ongeveer 15 uur na het incident is afgenomen, is gebleken dat verdachte onder meer een werkzame MDMA concentratie in zijn bloed had10.

De feiten

Op grond van bovenvermelde bewijsmiddelen kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte op 16 april 2015 kort na middernacht meerdere malen met geschoeide voet tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geschopt. Vastgesteld kan worden dat hij kort voor het incident softdrugs, alcohol en MDMA heeft gebruikt en dat hij ten tijde van het incident onder invloed was van in ieder geval MDMA.

(On)vrijwillige intoxicatie

Uit de verklaringen van [slachtoffer] , [getuige] en verdachte blijkt dat verdachte die avond onder invloed van softdrugs was; hij heeft hasj gerookt. Voorts stelt de rechtbank vast de verdachte tevens onder invloed van alcohol was. Weliswaar heeft verdachte ter zitting verklaard dat de hoeveelheid alcohol die hij had ingenomen, beperkt was, maar uit de verklaringen van de twee andere betrokkenen, blijkt dat verdachte veel had gedronken. [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte twee flessen Vermouth met 15 % alcohol had gedronken; [getuige] heeft verklaard dat zij met zijn drieën bijna een hele fles van een soort likeur hadden opgedronken. Verdachte heeft het over “Canei-achtige” rotzooi.

Daarna heeft verdachte siroop met daarin MDMA gedronken. Verdachte stelt dat deze MDMA aan hem is toegediend zonder dat hij daarvan op de hoogte was. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

[getuige] heeft enkele minuten na het incident verklaard dat het slachtoffer, verdachte en hijzelf die avond alcohol hebben gedronken en MDMA hebben gebruikt. Hij heeft dat diezelfde middag tijdens zijn verhoor bij de politie herhaald en daarbij ook verklaard dat verdachte op de hoogte was van het feit dat er MDMA in zijn drankje zat. Pas vier dagen later, tijdens zijn aangifte tegen [slachtoffer] wegens het opzettelijk benadelen van zijn gezondheid door een onbekend middel in zijn drankje te doen, heeft hij verklaard dat [slachtoffer] met hem meeliep in de richting van de keuken en daar toen tegen hem heeft gezegd dat het MDMA was. De rechtbank acht de eerste verklaringen van [getuige] , dat verdachte het wist, authentiek en geloofwaardig, nu deze kort na het incident zijn afgelegd. Voorts komt betekenis toe aan het feit dat [getuige] een vriend is van verdachte waardoor de rechtbank niet uitsluit dat de vier dagen later afgelegde verklaring van [getuige] door opportuniteitsoverwegingen is bepaald. Bovendien blijkt uit de laatste verklaring van [getuige] niet dat verdachte het niet heeft gehoord.

Dat verdachte wist dat er MDMA in zijn drankje zat, wordt ondersteund door de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] . [getuige 2] heeft verdachte over de drugs horen spreken/roepen die het slachtoffer in zijn drankje had gedaan en [getuige 3] hoorde hem vragen waar hij het vandaan had. Uit deze verklaringen in onderling verband en samenhang bezien leidt de rechtbank af dat verdachte wist dat er MDMA in zijn drankje was gedaan, maar dat hij geschrokken is van het effect dat het op hem heeft gehad en dat hij van het slachtoffer wilde weten wat het precies is geweest.

Gelet op het vorengaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet aannemelijk is geworden dat het gebruik van MDMA door verdachte niet vrijwillig zou hebben plaatsgehad. Verdachte heeft zich daarmee willens en wetens in een situatie van intoxicatie met softdrugs, alcohol en MDMA gebracht.

Poging tot doodslag

Vervolgens komt de vraag of het feit dat de verdachte als gevolg van het gebruik van MDMA ten tijde van zijn gedragingen niet wist wat hij deed, maakt dat van opzet geen sprake kan zijn. Volgens de Hoge Raad staat een ernstige geestelijke stoornis alleen dan aan een bewezenverklaring van het opzet in de weg, indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. Hiervan is slechts in hoge uitzondering sprake. Dat de verdachte zich achteraf nog maar weinig van het gebeuren kan herinneren doet daaraan niet af.

De rechtbank is anders dan de verdediging van oordeel dat een dergelijke uitzondering zich hier niet voordoet. Verdachte heeft verklaard dat hij zich niet alles kan herinneren van wat er die avond/nacht is gebeurd en dan met name hetgeen buiten op straat is gebeurd. Getuigen hebben verklaard dat zij zagen dat verdachte het slachtoffer tegen zijn hoofd schopte, terwijl deze op de grond lag. Er is sprake van een gedraging die op zichzelf een agressief karakter heeft naar anderen. Uit hetgeen hij riep terwijl hij schopte, volgens de getuige [getuige 2] op enig moment gehurkt naast het slachtoffer is gaan zitten en deze nogmaals aansprak op de drugs en gelet op het feit dat verdachte aan de verbalisanten tijdens zijn overbrenging naar [initialen] I. Torentijd vroeg : “is hij dood?”, kan worden afgeleid dat verdachte bewust heeft geschopt met als doel er achter te komen wat hij had ingenomen die avond.

Het verweer wordt dan ook verworpen en staat niet in de weg aan bewezenverklaring van opzet. Slechts de toestand van verdachte wanneer bij hem ieder inzicht in de reikwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken, kan leiden tot de conclusie dat het opzet heeft ontbroken. Een dergelijke toestand is niet aannemelijk geworden.

Niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte vol opzet had op de dood van het slachtoffer, nu verdachte niet de intentie heeft gehad om door zijn handelen het slachtoffer van het leven te beroven. Hij heeft naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen, wel bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van zijn gedragingen het leven zou kunnen verliezen en dit gevolg op de koop toegenomen, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Immers, het hoofd is een zeer kwetsbaar gedeelte van het menselijk lichaam. Naar algemene ervaringsregels kan het meermalen met geschoeide voet schoppen tegen het hoofd leiden tot de dood van het slachtoffer, omdat het schedel- en hersenletsel met dodelijke afloop tot gevolg kan hebben.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich op 16 april 2015 opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op het slachtoffer door hem meermalen tegen het hoofd te schoppen/trappen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op of omstreeks 16 april 2015 te Vlissingen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen tegen/op

het hoofd heeft geschopt/getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1

De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5.2

De strafbaarheid van verdachte

5.2.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat het ten laste gelegde hem niet kan worden toegerekend in de zin van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht. Zij heeft daartoe aangevoerd hetgeen hiervoor onder 4.2 is opgenomen.

5.2.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat een beroep op een straf- of schulduitsluitingsgrond niet slagen, nu sprake is van zelfintoxicatie.

5.2.3

Het oordeel van de rechtbank

Zoals hiervoor vastgesteld is de rechtbank van oordeel dat sprake is van vrijwillige intoxicatie. Verdachte heeft door zijn keuzes met betrekking tot het gebruik van alcohol en verdovende middelen zelf in wezenlijke mate bijgedragen aan het intreden van zijn toestand op het moment van het incident. Onder deze omstandigheden komt verdachte geen beroep toe op volledige ontoerekenbaarheid. Verdachte is een regelmatig gebruiker van softdrugs, zoals hij zelf ter terechtzitting heeft verklaard, en kon dus weten dat het gebruik van verdovende middelen niet geheel ontbloot is van enig risico. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het psychisch functioneren na het gebruik van alcohol in combinatie met softdrugs en MDMA van persoon tot persoon verschilt. Dat het gebruik daarvan voor verdachte zo verstrekkende gevolgen heeft gehad, heeft hij kennelijk op de koop toegenomen. Er is geen aanknopingspunt in het dossier dat verdachte zich in een zodanige geestelijke toestand bevond dat hij de gevolgen van zijn handelen niet kon overzien. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat verdachte strafrechtelijk verantwoordelijk moet worden gehouden voor zijn handelen en de gevolgen daarvan.

Er zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, rekening houdende met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de positieve weg die verdachte is ingeslagen, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht waarvan 77 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. Daarnaast heeft hij verzocht aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 120 uur subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich onder invloed van verdovende middelen en alcohol schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door met geschoeide voet meermalen tegen het hoofd van het slachtoffer te schoppen, terwijl die (bewusteloos) op de grond lag. Het slachtoffer heeft als gevolg van dit gewelddadig handelen van verdachte letsel opgelopen. Dat aangever niet het leven heeft gelaten, is niet aan verdachte te danken. Dit soort misdrijven, op de openbare weg gepleegd, veroorzaken bovendien gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

De rechtbank heeft acht geslagen op het verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie van 7 september 2016. Daaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict en dat hij ten tijde van het plegen van het feit nog in een proeftijd van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf liep.

Vooropgesteld moet worden dat het hier om een zeer ernstig feit gaat. Het is in ons strafrechtstelsel een van de ernstigste misdrijven, waarvoor in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur wordt opgelegd. De rechtbank is, gelet op de straffen die voor soortgelijke delicten worden opgelegd, van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit. Zij acht de oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats om verdachte er van te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan een strafbaar feit schuldig te maken. Bovendien acht de rechtbank het van belang dat het reeds eerder aan verdachte opgelegde reclasseringstoezicht nog twee jaar doorloopt om verdachte te begeleiden op de positieve weg die hij blijkens het voortgangsverslag van 23 september 2016 is ingeslagen. Zij zal dan ook als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringstoezicht opleggen. De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat een gevangenisstraf van zes maanden waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest passend en geboden is. Nu zij van mening is dat daarmee, gelet op de ernst van het feit, niet kan worden volstaan, zal zij ook een werkstraf voor de duur van 180 uur opleggen. Zij heeft daarbij naast voorgaande ook rekening gehouden met de leeftijd van verdachte en het feit dat sinds het plegen van het feit bijna anderhalf jaar is verstreken.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het primair bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging tot doodslag;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 (honderdtachtig) dagen;

- bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf groot 167 (honderdzevenenzestig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- stelt in dit verband vast dat verdachte het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf reeds heeft ondergaan;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen;

Voorlopige hechtenis

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. J.M.H. Schoenmakers en

mr. J.A Smits, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. P. M. Philipsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 oktober 2016.

Mr. Schoenmakers is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met registratienummer PL2000-2015096443 van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 109. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 56 van voornoemd eindproces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 63 van voornoemd eindproces-verbaal.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 57 van voornoemd eindproces-verbaal.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [voornaam] [slachtoffer] , pagina 47 en 48 van voornoemd eindproces-verbaal.

5 Het geschrift, te weten een letselbeschrijving van de Ggd d.d. 26 mei 2015, pagina 55 van voornoemd eindproces-verbaal.

6 Het proces-verbaal verhoor getuige [initialen] [getuige 2] , pagina 75 van voornoemd eindproces-verbaal.

7 Het proces-verbaal verhoor getuige [initialen] [getuige 2] , pagina 76 van voornoemd eindproces-verbaal.

8 Het proces-verbaal verhoor getuige [initialen] [getuige 3] , pagina 77 van voornoemd eindproces-verbaal.

9 Het proces-verbaal verhoor getuige [initialen] [getuige] , pagina 71 van voornoemd eindproces-verbaal.

10 Het geschrift, te weten de ‘aanvraag ten behoeve van toxicologisch onderzoek van bloed’ en het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 100 en 101 respectievelijk 108 van voornoemd eindproces-verbaal.