Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:6382

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
C/02/307135 / HA ZA 15-731
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schending zorgplicht van Hoge School door student onvoldoende in de gelegenheid te stellen zijn deeltijd-opleiding te volgen. Geen privaatrechtelijke overeenkomst. Studierichting werd afgebouwd. Student geen redelijke termijn gegund? Aan student wordt schadevergoeding toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/307135 / HA ZA 15-731

Vonnis van 12 oktober 2016

in de zaak van

[eiser]

wonende te Kapelle,

eiser,

advocaat mr. G. Gabrelian te Utrecht,

tegen

de stichting

STICHTING HZ UNIVERSITY OF APPLIED SCIENCES,

gevestigd te Vlissingen,

gedaagde,

advocaat mr. J.A. Platteeuw te Middelburg.

Partijen zullen hierna [eiser] en HZ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 24 februari 2016;

  • -

    het verkort proces-verbaal van de comparitie van 13 juni 2016;

  • -

    de akte van [eiser] ;

  • -

    de akte van HZ;

  • -

    het uitgewerkt proces-verbaal van de comparitie van 13 juni 2016;

  • -

    de brief van mr. Platteeuw van 17 augustus 2016;

  • -

    de brief van mr. Gabrelian van 17 augustus 2016.

1.2.

Anders dan mr. Gabrelian in zijn brief van 17 augustus 2016 heeft verzocht, laat de rechtbank de brief van mr. Platteeuw van 17 augustus 2016 tot de processtukken toe. De rechtbank zal echter de inhoud van die brief, voor zover deze naar het oordeel van de rechtbank een aanvulling vormt op hetgeen ter comparitie van de zijde van HZ naar voren is gebracht, wegens strijd met een behoorlijke procesorde buiten beschouwing laten.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

HZ is een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.3. van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw) en verzorgt als zodanig opleidingen in het hoger beroepsonderwijs.

2.2.

[eiser] heeft zich in 2010 bij HZ ingeschreven voor de 4-jarige deeltijdopleiding Werktuigbouwkunde (hierna: de opleiding). [eiser] begon de opleiding in het studiejaar 2010/2011 (september 2010). Hij werkte destijds fulltime bij het bedrijf Meeuwsen te Yerseke (hierna: Meeuwsen) als werkvoorbereider. In februari 2011 heeft Meeuwsen een ‘verklaring werkervaring’ ondertekend, waarin onder meer staat dat de werkzaamheden die door [eiser] worden uitgevoerd in dienst van Meeuwsen als werkgever, onderdeel zijn van de beroepsuitoefening van de deeltijd opleiding.

2.3.

De opleiding kende een studielast van in totaal 240 studiepunten, ook wel European Credits (EC) genoemd, te weten 68,75 EC in het eerste studiejaar (de propedeuse, 2010/2011), 52,50 EC in het tweede studiejaar (2011/2012), 88,75 EC in het derde studiejaar (2012/2013) en 30 EC in het vierde studiejaar. [eiser] had voor de propedeuse een vrijstelling voor 22,5 EC, waarmee voor dat jaar een studielast van 46,25 EC resteerde.

2.4.

HZ heeft in 2011 besloten te stoppen met de opleiding Werktuigbouwkunde en voortaan een (bredere) opleiding Engineering, Design & Innovation aan te bieden. Met ingang van het studiejaar 2011/2012 zijn er geen nieuwe deeltijdstudenten Werktuigbouwkunde meer toegelaten. [eiser] behoorde derhalve tot de laatste lichting deeltijdstudenten Werktuigbouwkunde.

2.5.

[eiser] heeft in de eerste studiejaar (2010/2011) studievertraging opgelopen. Vervolgens is ook in het tweede studiejaar (2011/2012) een achterstand ontstaan. Hij begon het derde studiejaar (2012/2013) met een achterstand in verband met (nog) niet behaalde tweedejaarsvakken.

2.6.

In een namens de heer [naam] van HZ (hierna: [naam] ) op 10 september 2012 (aan het begin van het derde studiejaar 2012/2013) aan de studenten Werktuigbouwkunde, waaronder [eiser] , verzonden e-mail is – voor zover voor de beoordeling van het geschil van belang – medegedeeld:

“Zoals jullie weten wordt de opleiding Werktuigbouwkunde uitgefaseerd. W-specifieke courses van het eerste en tweede schooljaar zullen niet meer worden aangeboden . Zo ook courses die door de zusteropleidingen E en AOT en andere Academies worden gegeven.

LEES DEZE MAIL DAN OOK ZORGVULDIG DOOR!

Een overzicht van de studenten die nog bepaalde courses moeten afronden staan in de bijlage. Eerst worden er algemene mededelingen gedaan over de eerste en tweede jaars courses. Daarna volgen er specifieke mededelingen over bepaalde courses.

Let wel; je bent zelf verantwoordelijk voor je eigen studie en afronding daarvan. Onderneem op tijd actie!

Algemeen;

(…)

Algemeen geldt voor de W/E/AOT-courses van het tweede jaar worden er ALLEEN DIT schooljaar nog twee kansen geboden op [lees: om] de toetsen te maken en de opdrachten in te leveren. Neem hiervoor contact op met de verantwoordelijke docent.

(…)

Wettelijk is de HZ verplicht twee kansen per schooljaar aan te bieden op de door de HZ te bepalen momenten. In het team is afgesproken dat we niet meer kansen aanbieden, ook niet individueel, vanwege de grote werkdruk. Gebruik die kansen dus om je achterstanden weg te werken. Na dit schooljaar zou je de courses ergens anders moeten gaan volgen indien je ze niet haalt. (…)

Specifieke mededelingen over courses;

(…)

CU03204 TEDO (DT); opdrachten kunnen nog op twee momenten ingeleverd bij Willem Haak worden voor correctie; 25/11/2012 en 25/07/2013.

(…)

2.7.

Blijkens het in de e-mail van [naam] van 10 september 2012 bedoelde overzicht (de zogenaamde ‘bezemlijst’) moest [eiser] destijds nog de volgende zeven vakken afronden:

- CU05005 (Elektrisch aandrijven);

- CU09229, CU09230 en CU09231 (allen Regeltechniek);

- CU03204 (TEDO);

- CU04103 (ENG 2);

- CU04226 (Vinu).

2.8.

Uit een “Planning inhaalslag Regeltechniek voor E en W-studenten. Najaar 2012 in de avond.” volgt dat er in het najaar van 2012 in de avond voor het vak Regeltechniek (CU09229, CU09230 en CU09231) op 10 oktober, 24 oktober, 14 november en 5 december een “opfriscursus/vragenuur” is gehouden. Op 7 november 2012 was er in de avond gelegenheid om voor CU09229 hertentamen te doen. Voor CU09230 was daartoe in de avond gelegenheid op 28 november 2012 en 19 december 2012.

2.9.

Op 12 november 2012 heeft docent [docent] (hierna: [docent] per e-mail aan [eiser] laten weten dat de toets CU05005 alleen nog overdag wordt afgenomen en wel in januari 2013. [eiser] heeft daarop verzocht de toets op 7 januari 2013 af te nemen. [eiser] heeft dit hertentamen gemaakt maar niet gehaald.

2.10.

[eiser] heeft op 12 februari 2013 bij de deelexamencommissie Technologie en Innovatie (hierna: de deelexamencommissie) een aanvraag gedaan voor een extra examen voor CU05005 (Elektrisch aandrijven). In zijn aanvraag heeft [eiser] – voor zover voor de beoordeling van het geschil van belang – vermeld:

“(…) Deze cursus is heb ik vorig jaar helaas niet meer kunnen afronden, in dit jaar heb ik 1 kans voorbij moeten laten gaan i.v.m. het lopende semester SSM van de heer [naam] Hier moesten namelijk weekend toetsen worden gemaakt waardoor het voor mij onmogelijk was hier voldoende tijd aan te besteden.

De tweede kans heb ik wel gemaakt maar zonder succes. Het probleem waar ik toen tegen aanliep is dat het door een andere leraar werd afgetoetst waardoor ik de vraagstelling niet begreep. Er zijn vooraf een aantal contact momenten geweest voor vragen over de lesstof, deze contactmomenten werden overdag gegeven. Ik volg de avond opleiding en het was voor mij toen niet mogelijk deze op korte termijn bij te wonen i.v.m. mijn werkzaamheden voor mijn werkgever.

Het is misschien goed om hier bij te vertellen dat in de periode dat dit vak liep (eind vorig jaar) maar 1 mogelijkheid is geboden om het vak af te ronden. (…)

Momenteel zit ik in mijn laatste semester waar ik een soortgelijk (vervolg) vak volg van dhr. [naam] Hij heeft mij aangegeven me te willen helpen met het afronden van dit openstaande vak. Dit zou betekenen dat ik bij hem een extra examen mag doen zodat ik CU5005 na behoren kan afronden. (…)”

2.11.

De deelexamencommissie heeft blijkens haar brief van 6 maart 2013 de aanvraag van [eiser] behandeld en afgewezen. In de afwijzingsbrief is vermeld: “Volgend cursusjaar zullen er weer 2 kansen aangeboden worden.” [eiser] heeft geen beroep ingesteld tegen de beslissing van de deelexamencommissie.

2.12.

Bij twee afzonderlijke e-mails van 7 maart 2013 heeft [naam] (onder meer) [eiser] als volgt geïnformeerd:

“Volgens onze administratie hebben jullie CU05005 (elektrische aandrijvingen) nog niet gehaald. Zoals jullie weten gaat de opleiding Werktuigbouwkunde stoppen.

Daarom zal komende tentamenperiode de laatste mogelijkheid zijn om CU05005 te halen!

(…)

Jos (…) en Joël (…) hebben een studie groepje opgericht om CU05005 bij te spijkeren. Meld je aan als je denkt dat je het niet alleen kunt.

Ik sluit het tentamenrooster bij waarop de tentamens van CU05005 staan. (…)

Tevens sluit ik het laatste overzicht bij van de courses die nog afgerond moeten worden door de diverse studenten. Neem contact op met je SLC [studieloopbaancoach; toevoeging rb] en de docent.

(…)”

“Zoals jullie weten gaat de opleiding Werktuigbouwkunde stoppen en wordt het gros van de courses al niet meer gegeven.

We houden een lijst bij van studenten die courses nog niet afgerond hebben. Dit is de zogenaamde bezemlijst.

Als je op die lijst staat heb je een probleem.

Gelukkig is dat oplosbaar hoewel gezegd moet worden dat het steeds moeilijker wordt. Voor sommige courses zijn al zoveel herkansingen aangeboden dat dat ook gaat stoppen. De HZ stelt zich op het standpunt dat het een redelijk aantal herkansingen moet aanbieden na het stoppen van een course, maar niet tot in lengte van dagen.

Voor de meeste courses die niet meer gegeven worden is dit het laatste jaar dat de herkansingen aangeboden worden. Neem contact op met de vakdocent om te horen wanneer de herkansingen gegeven zullen worden.

NEEM TEVENS MET SPOED CONTACT OP MET JE STUDIELOOPBAANCOACH OVER DE AFRONDING VAN JE COURSES!

Wie je SLC is zie je op de lijst. Lever bij hem een STUDIEPLANNING waarop staat wanneer je de herkansingen gaat doen. Stuur mij een kopie per mail . Wij houden bij wie een studieplanning heeft ingeleverd en of je je daar aan houdt.

Let wel: als je voor 1 september niet afstudeert zal er geen Werktuigbouwkunde meer op je diploma staan, maar Engineering.”

2.13.

In het bij de eerste e-mail van [naam] van 7 maart 2013 gevoegde overzicht (de bezemlijst van 7 maart 2013) staan bij [eiser] nog 7 vakken open, overeenkomstig de bezemlijst van september 2012 (zie hiervoor onder 2.7.).

2.14.

Bij e-mails van 18 en 19 maart 2013 heeft [naam] (onder meer) [eiser] geïnformeerd over de laatste hertentamens Regeltechniek (CU09229, CU09230 en CU09231) met de mededeling:

“Indien je de tentamens niet maakt en niet haalt kun je volgend jaar meedoen met een vergelijkbare course bij EPT. De verschillen zijn dat de course zwaarder is en een andere context heeft. Het bevat gelukkig wel de stof die ook bij W en E gegeven werden. Wij zorgen dan voor het overschrijven van de course in je studieplan. De EPT course zal in zijn geheel worden afgetoetst, deelvrijstellingen zijn niet mogelijk.”

De betreffende hertentamens zijn aangekondigd bij e-mail van 19 maart 2013 en zijn gehouden op 8 april 2013, 22 april 2013 en 8 mei 2013 om 16.15 uur.

2.15.

Bij e-mail van 15 april 2013 van [naam] met als onderwerp ‘Inventarisatie deelname CU 5005 aandrijftechniek hertentamen deel 2’ heeft [naam] (onder meer) [eiser] verzocht om kenbaar te maken of de betreffende toets nog moest worden gedaan, met de mededeling dat na inventarisatie een datum voor de toets zou worden gepland. In reactie op de e-mail van 15 april 2013 van [naam] heeft [eiser] aan [naam] en [naam] laten weten in dat semester geen tijd te hebben om deze cursus af te ronden.

2.16.

[naam] heeft [eiser] bij e-mail van 15 april 2013 geïnformeerd dat het om de laatste herkansingen ‘in deze vorm’ gaat en dat daarna de cursus alleen bij EPT ‘in een gewijzigde vorm met een andere context’ zou kunnen worden gevolgd.

2.17.

Op 13 mei 2013 om 9.00 uur en 12 juni 2013 om 9.00 uur zijn er (her)tentamens CU05005 gehouden.

2.18.

Begin september 2013 (begin 4e studiejaar) heeft [eiser] docent B. Verhage (hierna: Verhage) gevraagd om een hertentamen van de tweedejaarscursus Vinu (Van invoer naar uitvoering) CU04226. Verhage heeft [eiser] op 4 september 2013 per e-mail geantwoord:

“Ik heb zojuist van de examencommissie te horen gekregen dat er (voorlopig) geen toetsen van vervallen cursussen mogen worden afgenomen. Blijkbaar is er vorig schooljaar een bericht verstuurd waarin was aangekondigd dat per 1 september 2013 alle ‘oude’ E en W cursussen vervallen.

(…) Hopelijk komt er later een mogelijkheid om alsnog de toets af te spreken.”

2.19.

[naam] heeft [eiser] bij e-mail van 17 september 2013 laten weten zijn nieuwe SLC te zijn en heeft hem opgeroepen voor een gesprek op 20 september 2013 vanwege de studieachterstand, waarbij [eiser] een door hem opgesteld studieplan diende in te leveren.

2.20.

[eiser] heeft bij e-mail van 18 september 2013 geantwoord:

“(…)

Dit jaar zijn de lessen gestopt en kan ik mijn schouders er onder steken om de overgebleven punten af te handelen. De afgelopen weken heb ik bij verschillende docenten toetsen aangevraagd (waar positief op is gereageerd). Echter worden het maken van deze toetsen door de HZ geblokkeerd, wat mij momenteel een studie achterstand van een maand heeft opgeleverd.

Ik zal voor a.s. vrijdag een planning maken hoe ik denk het geheel af te ronden.”

2.21.

Na het overleg tussen [naam] en [eiser] heeft [naam] bij e-mail van 27 september 2013 een verslag daarvan en een voorstel voor het wegwerken van de achterstanden aan [eiser] gestuurd. Het voorstel betreft acht cursussen: CU03204/09430 (TEDO), CU04103 (ENG 2), CU04226 (VINU), CU04448 (CSE), CU05005 (Elektrische aandrijf- en energietechniek) en CU09229/30/31 (Regeltechniek 1/2/3), alles uiterlijk op 1 juli 2014 af te ronden. [naam] deelde daarbij mee:

Acties voor jou

1. Vind uit welke toetsen nog gedaan moeten worden;

2. Doe een verzoek aan deelexamencommissie voor (waar toepasselijk) een alternatieve toets (…); (dit is verplicht en kan niet worden overgeslagen!)

3. Studieplan aanpassen en bijvoegen bij verzoek aan deelexamencommissie;

4. Afstemmen over exacte toetstijdstip met docenten;

5. Terugkoppeling geven van alle actiepunten aan mij.

NB: een voorwaarde voor het doorgaan van een afstudeerpresentatie is dat alle voorgaande toetsen / studiepunten van voorgaande programmaonderdelen / cursussen zijn behaald. (…)”

2.22.

De cursussen CU03204 (TEDO) en CU04103 (ENG 2) zijn door [eiser] afgerond.

2.23.

Eind september 2013 heeft [eiser] bij docent [docent2] (hierna: [docent2] geïnformeerd naar een alternatief (lessen en toetsing) voor het vak Regeltechniek (CU09229, CU09230 en CU09231) en het vak CSE (CU04448). Heineke heeft [eiser] bij e-mails van 30 september 2013 laten weten:

“Blok 7 en 8 worden in het tweede semester gegeven.

Regeltechniek bestaat daar uit twee tentamens die ongeveer stof bevatten van CU9229/30/31.

En zoals je weet zijn er geen avondprogramma’s meer. (…)”

“De theorie van CU04448 wordt nu overdag gegeven elke woensdag van 10:30 tot 12.15 uur in L044. Er komen twee tentamens, maar ik weet nog niet precies wanneer. De stof is in eerste instantie hetzelfde, maar ook hier ben ik verbeteringen aan het aanbrengen. (…)”

2.24.

Op 9 oktober 2013 meldt [eiser] per e-mail aan [naam] dat hij niet uit de voeten kan met de huidige planning en hij van [naam] een passende oplossing verwacht, in de vorm van een duidelijke planning waarbij lessen en examens in deeltijd worden aangeboden, met eventueel een aantal dagen overdag.

2.25.

Op 10 december 2013 heeft [eiser] bij de examencommissie goedkeuring gevraagd voor het (in deeltijd) volgen van vervangende vakken bij Avans Hogeschool te Breda (hierna: Avans). De examencommissie heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen.

2.26.

Bij e-mail van 26 augustus 2014 heeft de heer J. Dam van HZ [eiser] in vervolg op hun daaraan voorafgaande telefoongesprek als volgt geïnformeerd:

“(…)

Na ons gesprek voor de vakantie heb ik ruggespraak gehouden met de deelexamencommissie en de SLC/programma coördinator van de uitgefaseerde opleiding W, Edward [naam] .

De volgende zaken zijn daaruit te constateren:

Je hebt geen goedgekeurd studieplan ingeleverd na september 2013.

Je hebt van de courses die nog open stonden niet deelgenomen aan de reguliere herkansingen.

Binnenkort zullen de deelresultaten van een deel van je courses komen te vervallen.

Daarnaast hebben meerdere personen vanuit de opleiding intensief met je gecommuniceerd over je studievoortgang, de uitfasering van de opleiding W en de consequenties, wat je verplichtingen waren t.a.v. de examencommissie, en je aangespoord om vooral op de hoogte te blijven wanneer de herkansingen zouden plaatsvinden. De opleiding heeft derhalve al het mogelijke gedaan om de kans te geven om je studie af te ronden.

Daarom wil ik je vragen je niet meer in te schrijven. (…) Wil je toch je ingenieursdiploma halen, kan ik je alleen de mogelijkheid bieden om je in te schrijven bij de voltijd opleiding Engineering. (…) Voor andere alternatieven moet je uitwijken naar andere hogescholen waar je je studie W kunt vervolgen.”

2.27.

[eiser] heeft zich voor het studiejaar 2014/2015 (zijn 5e studiejaar) opnieuw ingeschreven. Hij heeft bij e-mail van 7 september 2014 bezwaar gemaakt tegen zijn uitsluiting van verdere deelname. Hij heeft aangegeven afspraken te hebben gemaakt met opleidingscoördinator [naam] en dat hij een passende oplossing van HZ verwacht, waarbij hij bereid is om bij Avans vervangende vakken te gaan volgen. In zijn e-mail van 7 september 2014 staat:

“(…) ik citeer uit de e-mail [aan [naam] ; toevoeging rb]:

(…)

“Het doel van het gesprek was om te kijken hoe ik zo snel mogelijk mijn achterstanden kan wegwerken. De uitkomst van het gesprek was dat ik:

1. Een studieplanning moest maken met de aangeleverde gegevens van de HZ

2. Optie onderzoeken of ik de vakken Elektrisch aandrijven & meet en regeltechniek in deeltijd bij Avans kan volgen.

Op punt 1 heb ik reactie gehad van dhr [naam] , (…) aan de hand van deze gegevens kan ik helaas nog geen definitieve planning maken. (…)

Als ik de e-mail van dhr. [naam] lees kunnen we pas in januari de overige vakken plannen

Over punt 2 heb ik contact gehad met de Avans, zij staan hier positief tegen over, in de bijlage heb ik hun lesprogramma toegevoegd.

Mijn vraag aan jou is:

Hoe kunnen we dit het beste beet pakken ?

Kunnen jullie hierin een voorstel naar mij doen welke vakken ik ter vervanging zou moeten volgen ?

Mocht er iets niet duidelijk / juist zijn in mijn e-mail laat mij het gelijk even weten.

(…)”

2.28.

Van de vereiste 240 EC heeft [eiser] 187,50 EC behaald. [eiser] diende van de cursussen nog 22,5 EC te behalen. Daarnaast diende hij nog het afstudeertraject van 30 EC te volgen.

2.29.

[eiser] werkt sinds 2 maart 2015 als werkvoorbereider bij Van der Straaten Aannemingsmaatschappij B.V. te Hansweert.

2.30.

De advocaat van [eiser] heeft HZ bij brief van 28 september 2015 aansprakelijk gesteld en gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 131.034,-- ten titel van schadevergoeding. Op 3 november 2015 is de dagvaarding aan HZ uitgebracht.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat HZ jegens [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen geldende overeenkomst en veroordeling van HZ tot betaling van € 131.034,00 en € 2.523,26, met veroordeling van HZ in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met rente.

3.2.

Ter onderbouwing van zijn vordering stelt [eiser] – samengevat – het volgende. Tussen partijen bestaat een onderwijsovereenkomst. Deze moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW. Op HZ als opdrachtnemer rust de (bijzondere) zorgplicht te handelen overeenkomstig hetgeen van een redelijk handelend en redelijk bekwaam onderwijsinstituut mag worden verwacht. Nu het hier om een deeltijdopleiding gaat, dient HZ te zorgen voor onderwijs op zodanige wijze dat dit te combineren valt met een voltijdbaan. Nadat in september 2012 de uitfasering van de opleiding Werktuigbouwkunde is bekendgemaakt, is HZ echter tekortgeschoten in haar zorgplicht en daarmee in de nakoming van haar verplichtingen, althans heeft zij onrechtmatig gehandeld. Het bestaan en de toepassing van de ‘C+1 regel’ bij de uitfasering wordt betwist. Als gevolg van de tekortkoming, althans het onrechtmatig handelen van HZ heeft [eiser] zijn opleiding niet kunnen afronden waardoor hij schade heeft geleden, onder andere in de vorm van een lager salaris, welke schade HZ dient te vergoeden.

3.3.

HZ voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met rente.

3.4.

Het verweer van HZ luidt – samengevat – als volgt. Er is geen sprake van een (onderwijs)overeenkomst tussen partijen. De rechten en plichten van [eiser] en HZ vloeien rechtstreeks voort uit de Whw. HZ is verplicht om kwalitatief behoorlijk onderwijs te verzorgen, in overeenstemming met de Whw. HZ heeft aan haar verplichtingen jegens [eiser] voldaan. Een aanspraak op het gedurende een gehele studie jaarlijks kunnen volgen van alle cursussen die een studie omvat, bestaat niet en datzelfde geldt voor de tentaminering van cursussen. HZ heeft in het kader van de uitfasering van de opleiding gedaan hetgeen redelijkerwijs van haar verlangd mocht worden: zij heeft van de resterende studiejaren voor de jaargang van [eiser] (de laatste jaargang) steeds één jaar de cursussen aangeboden met bijbehorende tentamens en het jaar daarop de mogelijkheid van twee keer een hertentamen, overeenkomstig de ‘C+1 regel’. Van een tekortkoming dan wel onrechtmatig handelen van HZ is geen sprake. Het niet afronden van de opleiding is het gevolg van het eigen handelen en nalaten van [eiser] .

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Overeenkomst?

4.1.

Nu [eiser] aan zijn vordering primair het bestaan van een overeenkomst tussen partijen ten grondslag legt, is de eerste vraag die voorligt of er een dergelijke (onderwijs)overeenkomst tot stand is gekomen. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend en wel op grond van de navolgende overwegingen.

4.2.

Vast staat dat HZ een instelling voor hoger onderwijs is als bedoeld in artikel 1.3. (lid 3) Whw. Ten tijde van de inschrijving van [eiser] als student bij HZ gold (en zo geldt ook nu nog) een inschrijvingsplicht op grond van artikel 7.32. lid 1 Whw. Ingevolge deze bepaling dient ieder die gebruik wil kunnen maken van onderwijsvoorzieningen, examenvoorzieningen of voorzieningen van andere aard ten behoeve van initieel onderwijs aan een instelling, zich door het instellingsbestuur als student of extraneus te laten inschrijven. Met de inschrijving ontstaat het betreffende recht op onderwijs. Een afzonderlijke overeenkomst tussen onderwijsinstelling en student is daartoe niet vereist. Blijkens de Memorie van Toelichting bij deze bepaling (destijds artikel 7.25. Whw) laat de inschrijvingsplicht de mogelijkheid onverlet dat een persoon gerechtigd is van het onderwijs van de instelling gebruik te maken anders dan krachtens inschrijving in de zin van de Whw, namelijk op grond van een afzonderlijke met de instelling gesloten overeenkomst, maar dan geldt dat deze persoon niet als student in de zin van de wet wordt aangemerkt en hij of zij dan ook geen opleiding kan volgen en geen tentamen of examen kan afleggen in de zin van de wet (Vergaderjaar 1988-1989, Kamerstukken 21073, nr. 3). Het enkele feit dat [eiser] zich heeft ingeschreven leidt derhalve niet tot de conclusie dat er een overeenkomst tot stand is gekomen. Andere feiten en omstandigheden die deze conclusie wel kunnen dragen, zijn door [eiser] niet gesteld.

4.3.

Met het voorgaande is de vraag of er sprake is van een toerekenbare tekortkoming van HZ in de nakoming van een overeenkomst derhalve niet aan de orde en zal de rechtbank de vordering op grond van de door [eiser] subsidiair aangevoerde grondslag beoordelen.

Onrechtmatig handelen?

4.4.

[eiser] stelt (subsidiair) dat HZ de (ook zonder overeenkomst) op haar rustende zorgplicht jegens hem heeft geschonden, door hem vanaf september 2012 onvoldoende in de gelegenheid te stellen zijn opleiding bij HZ te vervolgen en af te ronden en dat zij daarmee onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW. Aan dit standpunt legt [eiser] kort gezegd ten grondslag dat er vanaf september 2012 geen, althans onvoldoende onderwijs en tentamenkansen werden gegeven voor de niet behaalde tweedejaarsvakken en dat de tentamens vanwege ziekte van docenten en vervanging van die docenten door externe docenten niet op de cursusinhoud aansloten, terwijl HZ eerst bij aanvang van het studiejaar 2012-2013 (aanvang derde studiejaar) kenbaar heeft gemaakt dat de opleiding zou worden uitgefaseerd, [eiser] op dat moment een achterstand in zijn tweedejaarsvakken had en bekend is dat de deeltijdstudie door slechts weinig studenten in de reguliere studieduur naast een full-time baan succesvol kan worden afgerond. Volgens [eiser] heeft hij hierdoor zijn studie niet bij HZ kunnen afronden en heeft hij daardoor schade geleden.

Zorgplicht

4.5.

Dát er op HZ als hogeschool jegens [eiser] als student een zorgplicht rustte, is op zichzelf tussen partijen niet in geschil. Deze zorgplicht, die kwalificeert als een inspanningsverbintenis, vloeit voort uit de Whw en de specifieke rechtsverhouding tussen hogeschool en student. Ingevolge artikel 7.34. lid 1 Whw geeft de inschrijving aan de student het recht om (kortgezegd) aan het initieel onderwijs van de instelling deel te nemen, om de bijbehorende tentamens en examens af te leggen, om gebruik te maken van andere ten behoeve van de studenten getroffen voorzieningen en het recht op studiebegeleiding. In dat verband rust op de betreffende instelling de zorgplicht om deugdelijk hoger beroepsonderwijs te verzorgen en daarbij jegens haar studenten te handelen zoals in de gegeven omstandigheden van een redelijk bekwame en redelijk handelende onderwijsinstelling mag worden verwacht.

Afbouwfase en reikwijdte zorgplicht

4.6.

De discussie tussen partijen betreft de reikwijdte van die zorgplicht van HZ en de vraag of HZ gedurende de afbouwfase, dus nadat HZ in 2011 het besluit had genomen tot uitfasering van de opleiding Werktuigbouwkunde aan die zorgplicht jegens [eiser] heeft voldaan. Wat betreft de duur van de afbouwfase, dus de periode vanaf het nemen van het besluit tot uitfasering tot de feitelijke beëindiging van de betreffende opleiding door binnen die opleiding niet langer onderwijs te geven en tentamens af te nemen, overweegt de rechtbank dat HZ deze destijds op grond van het bepaalde in artikel 7.34. lid 2 Whw, bezien in samenhang met artikel 7.3. lid 6 Whw, in redelijkheid heeft mogen bepalen op een termijn van de resterende studiejaren vermeerderd met een jaar, dus de studiejaren 2011/2012 tot en met 2014/2015. Ten aanzien van het beëindigen van een opleiding is en was ook ten tijde van het nemen van het besluit tot uitfasering van de opleiding in het tweede lid van artikel 7.34. Whw bepaald dat indien het instellingsbestuur een opleiding beëindigt, het bestuur het tijdstip waarop die beslissing van kracht wordt vaststelt, zodanig dat de voor de opleiding ingeschreven studenten de opleiding aan dezelfde of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien. In dit verband heeft de wetgever voorts in 2014 aan artikel 7.3. Whw een zesde lid toegevoegd, waarin is bepaald dat indien het instellingsbestuur besluit een opleiding te beëindigen, de aan die opleiding ingeschreven studenten in de gelegenheid (moeten) worden gesteld hun opleiding zonder onderbreking bij die instelling te vervolgen en dat daarbij een termijn in acht wordt genomen die ten hoogste de voor de betrokken studenten resterende, aan de studielast van de opleiding gerelateerde studieduur vermeerderd met een jaar bedraagt. Hoewel deze bepaling aan de Whw is toegevoegd nádat HZ het onderhavige besluit tot beëindiging van de opleiding Werktuigbouwkunde heeft genomen, acht de rechtbank deze bij de invulling van het begrip ‘redelijke tijd’ van belang. Blijkens de toelichting op deze bepaling in de Nota van wijziging (Vergaderjaar 2013-2014, Kamerstukken 33840 nr. 5) is hiermee immers tot dan toe bestaande onduidelijkheid weggenomen en in een leemte in de wet voorzien, door de situatie waarin een opleiding wordt beëindigd vanwege het aflopen, niet verlengen of intrekken van de accreditatie van een opleiding (geregeld in artikel 5a.12. Whw) gelijk te stellen met de situatie waarin (zoals in dit geval) een instelling zelf besluit een opleiding te beëindigen, bijvoorbeeld vanwege een teruglopend aantal studenten of gewijzigd beleid van de instelling. Voor die laatstbedoelde situatie regelde de wet tot dan toe niet hoe de continuïteit voor studenten zou worden gewaarborgd, aldus de toelichting.

4.7.

Omtrent de reikwijdte van de in die afbouwfase op HZ rustende zorgplicht, aan de hand waarvan beoordeeld moet worden óf HZ die zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden, overweegt de rechtbank het volgende. In zijn algemeenheid is in artikel 7.3. Whw ten aanzien van het onderwijs waarop aanspraak kan worden gemaakt, bepaald dat door de instelling onderwijs wordt aangeboden in de vorm van opleidingen en dat een opleiding een samenhangend geheel van onderwijseenheden is, gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene die de opleiding voltooit, dient te beschikken. Voorts is bepaald dat aan elke opleiding een examen is verbonden en dat aan elke onderwijseenheid een tentamen is verbonden. Daarnaast is in artikel 7.4. Whw expliciet opgenomen dat een opleiding zodanig moet worden ingericht dat een student in staat is het aantal studiepunten te behalen waarop de studielast voor een studiejaar is gebaseerd en dat het instellingsbestuur de jaarlijkse studielast van deeltijdopleidingen bepaalt. Een verdere uitwerking van de inrichting van het onderwijs bevat de Whw niet, ook niet wat betreft de afbouwfase na een besluit tot beëindiging van de opleiding. Daarin dient de instelling ingevolge artikel 7.13. Whw zelf te voorzien met een onderwijs- en examenregeling (OER). Blijkens lid 2 van artikel 7.13. Whw worden in de onderwijs- en examenregeling, onverminderd het overigens in de Whw terzake bepaalde, per opleiding of groep van opleidingen de geldende procedures en rechten en plichten vastgelegd met betrekking tot het onderwijs en de examens. Voorts is in artikel 7.15. Whw de verplichting voor de onderwijsinstelling opgenomen om studenten deugdelijk te informeren zodanig dat zij zich een goed oordeel kunnen vormen over de inhoud en de inrichting van het gevolgde of te volgen onderwijs en de examens.

Schending zorgplicht?

4.8.

In dit geval heeft HZ de studielast voor de deeltijdopleiding Werktuigbouwkunde onherroepelijk vastgesteld als hiervoor bij de feiten weergegeven. Daarmee was HZ gehouden om de opleiding - ook gedurende de afbouwfase - zodanig in te richten dat een (gemiddelde) deeltijdstudent in staat was het jaarlijkse aantal studiepunten te behalen. Dat HZ dit in de eerste twee studiejaren (2010-2011 en 2011-2012) niet heeft gedaan, is gesteld noch gebleken. Daarmee staat dan ook vast dat de omstandigheid dat [eiser] het derde studiejaar 2012-2013 met een achterstand in de tweedejaarsvakken begon, in beginsel niet aan HZ toe te rekenen valt. Dat, zoals [eiser] heeft aangevoerd, de gemiddelde studieduur voor een bachelor HBO studie in deeltijd volgens het CBS 63 maanden (ruim 5 jaar) is (productie 11 bij dagvaarding) doet hier niet aan af nu daarmee immers niets is gezegd over de specifieke opleiding waar het in deze zaak om gaat.

4.9.

Aan HZ valt echter wel toe te rekenen dat het volgens haar reeds in 2011 genomen besluit om de opleiding af te bouwen pas aan het begin van het derde studiejaar 2012-2013 aan de studenten kenbaar is gemaakt. Door HZ zijn geen feiten aangedragen waaruit zou moeten volgen dat, zoals HZ heeft gesteld, [eiser] al eerder bekend was of bekend had behoren te zijn met dit hem direct aangaande besluit van HZ. Zo heeft HZ haar stelling dat het besluit tot de uitfasering van de opleiding al aan het begin van het studiejaar 2011-2012 aan de studenten bekend is gemaakt niet met feiten onderbouwd, zoals e-mails of (nieuws)brieven waarin deze informatie is opgenomen. Dat destijds in de volgens HZ op de website van HZ gepubliceerde onderwijs- en examenregeling van 2011-2012 is opgenomen dat de deeltijdvariant van de opleiding in het studiejaar 2011-2012 niet zou starten, kan in dit verband niet als een behoorlijke kennisgeving en informatieverstrekking ex artikel 7.15. Whw aan de reeds zittende studenten worden aangemerkt. Bovendien geldt dat deze OER 2011-2012 kennelijk eerst op 6 december 2011 is vastgesteld en vervolgens is gepubliceerd en dat het eerste semester van 2011-2012 toen al was verstreken. Het had bij een dergelijk belangrijk besluit op de weg van HZ gelegen om de betreffende studenten en dus ook [eiser] direct en rechtstreeks te informeren. De omstandigheid dat HZ dit eerst aan het begin van het studiejaar 2012-2013 heeft gedaan en [eiser] derhalve tot die tijd zowel in zijn werk als in privé geen rekening heeft kunnen houden met de uitfasering van zijn opleiding, in combinatie met de feitelijke situatie dat [eiser] op dat moment een studieachterstand had, is dan ook van belang bij de invulling van de zorgplicht die in dat verband vanaf september 2012 op HZ rustte voor de nog resterende duur van de afbouwfase.

4.10.

Het had naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden van HZ, als redelijk bekwame en redelijk handelende hogeschool, mogen worden verwacht dat zij de nog niet afgeronde tweedejaarscursussen niet direct zou stopzetten en dat zij in het derde studiejaar 2012-2013 naast het reguliere deeltijdonderwijs in de derdejaarsvakken ook nog zou voorzien in het reguliere deeltijdonderwijs in de tweedejaarsvakken. Dit geldt te meer nu die betreffende vakken naar eigen zeggen van HZ “in het algemeen als moeilijk bekend staan” en HZ aan het onmiddellijk stopzetten van de tweedejaarscursussen de consequentie van het vervallen van de mogelijkheid om in het vierde studiejaar 2013-2014 nog hertentamens van die cursussen te maken heeft gekoppeld, terwijl vast staat dat het derde studiejaar op zich al een zware studielast kende. HZ heeft geen omstandigheden harerzijds aangevoerd waaruit moet worden geconcludeerd dat voortzetting van de tweedejaarscurssen in dit geval vanwege zwaarwegende belangen van HZ in redelijkheid niet van haar mocht worden verlangd. Zij had derhalve een andere keuze kunnen en moeten maken. Daarbij kan de discussie tussen partijen over bestaan, aard en strekking van de zogeheten ‘C+1 regel’ in het midden worden gelaten. Ook indien veronderstellenderwijs het bestaan van deze volgens HZ in de (door haar niet in het geding gebrachte) OER 2011-2012 opgenomen regel (inhoudende dat gedurende de afbouwfase steeds één jaar de cursussen werden aangeboden met bijbehorende tentamens en het jaar daarop de mogelijkheid bestond om twee keer een hertentamen te maken) wordt aangenomen, komt HZ in de gegeven omstandigheden in redelijkheid geen beroep op deze regel toe, tenzij mocht blijken dat HZ destijds voor het reguliere deeltijdonderwijs in de tweedejaarsvakken een deugdelijk alternatief heeft geboden, zoals adequate individuele studiebegeleiding vanuit HZ. In dat verband valt overigens op dat HZ de derdejaarscursus CSE (CU04448) naar eigen zeggen ook nog in het vierde studiejaar 2013-2014 heeft gegeven en zij in dat geval dus kennelijk niet heeft gehandeld overeenkomstig de door haar bedoelde ‘C+1 regel’.

4.11.

HZ beroept zich er in dit verband op dat er in het studiejaar 2012-2013 voor de nog te halen tweedejaarsvakken opfriscursussen en studiegroepen zijn georganiseerd, dat er meermaals gelegenheid is geboden om hertentamens te doen en dat de betreffende (deeltijd)studenten door een HZ-uitfaseercoördinator (naar de rechtbank begrijpt de heer [naam] intensief werden gemonitord, teneinde hen te motiveren zo snel mogelijk de opgelopen achterstand weg te werken en de studie af te ronden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze feiten, die op zichzelf door [eiser] niet zijn betwist, niet de conclusie dragen dat HZ daarmee in het studiejaar 2012-2013 een redelijk alternatief voor het reguliere deeltijdonderwijs aan [eiser] heeft geboden. Van HZ had in de gegeven omstandigheden meer mogen worden verwacht. Het gelegenheid bieden om hertentamen te doen is niet voldoende. Aan een (her)tentamen dient immers adequaat onderwijs en begeleiding vooraf te gaan en hetgeen door HZ is aangeboden (een enkel vragenuur voor de cursus regeltechniek en een studiegroep overdag voor de cursus elektrisch aandrijven) valt niet als zodanig aan te merken. Met het monitoren van een student, in die zin dat enkel wordt gewezen op de bestaande studieachterstand zoals in de e-mails van [naam] aan [eiser] in de periode vanaf september 2012 tot en met april 2013 is gedaan, is evenmin adequate begeleiding geboden. Dat de (toenmalige) SLC (studieloopbaancoach) van [eiser] destijds concrete studiebegeleiding heeft geboden dan wel dat er voldoende andere ondersteunende maatregelen zijn getroffen, is gesteld noch gebleken. De rechtbank kan HZ dan ook niet volgen in haar standpunt dat zij alle mogelijke moeite heeft gedaan om [eiser] en de andere studenten in staat te stellen de opleiding af te ronden.

4.12.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat HZ in de periode 2011-2012 en 2012-2013, nadat zij had besloten tot het uitfaseren van de opleiding, niet heeft gehandeld zoals in de gegeven omstandigheden van een redelijk bekwame en redelijk handelende hogeschool mag worden verwacht en dat zij daarmee jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW. Dit onrechtmatig handelen kan HZ worden toegerekend, nu het te wijten is aan haar schuld, althans aan een oorzaak welke in de verhouding tussen onderwijsinstelling en student naar verkeersopvattingen voor haar rekening komt.

Schade, causaal verband en eigen schuld?

4.13.

Daarmee komt de rechtbank bij de vraag of [eiser] als gevolg van dit onrechtmatig handelen schade heeft geleden. Dat [eiser] schade lijdt doordat hij zijn opleiding (nog) niet heeft kunnen afronden, staat vast. Dat de vertraging en het alsnog volgen/afronden van de opleiding kosten met zich meebrengt is niet in geschil en ook indien [eiser] de opleiding uiteindelijk niet zal afronden is er sprake van schade. Voor vestiging van aansprakelijkheid van HZ is echter ook vereist dat het (nog) niet afgerond zijn van de opleiding (mede) het gevolg is van het onrechtmatige handelen van HZ. Indien moet worden aangenomen dat [eiser] zijn opleiding hoe dan ook niet zou hebben afgerond, dus ook niet indien HZ wel aan haar inspanningsverplichting jegens [eiser] zou hebben voldaan, dan ontbreekt het vereiste causale verband en kan HZ niet voor schade van [eiser] aansprakelijk worden gehouden. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

2.31.

HZ heeft het bestaan van het causaal verband tussen het stopzetten van de tweedejaarscursussen en het niet afronden van de opleiding onvoldoende gemotiveerd betwist. Vast staat dat [eiser] 187,50 EC heeft behaald en dat hij naast de 30 EC voor het afstudeertraject nog maar 22,5 EC hoefde te behalen. Daarmee mag worden aangenomen dat [eiser] met voldoende onderwijs en begeleiding het vereiste totaal van 240 EC zou hebben behaald. Aan het verweer van HZ dat [eiser] niet heeft aangetoond dat hij de opleiding succesvol zou kunnen afronden omdat hij er ondanks intensieve begeleiding niet in is geslaagd zijn achterstand weg te werken, gaat de rechtbank voorbij. De rechtbank heeft hiervoor immers geconcludeerd dat HZ ónvoldoende begeleiding heeft geboden. Andere omstandigheden waaruit moet volgen dat [eiser] er hoe dan ook niet in zou zijn geslaagd om de opleiding bij HZ af te ronden, zijn gesteld noch gebleken.

4.14.

HZ stelt dat er sprake is van eigen schuld van [eiser] . Volgens HZ heeft [eiser] onvoldoende gebruik gemaakt van de mogelijkheden om de opleiding af te ronden door vervangende vakken bij HZ dan wel bij Avans te volgen en daarvoor bij de examencommissie van HZ vrijstelling te vragen. Dit leidt er volgens HZ toe dat zij niet is gehouden enige schade aan [eiser] te vergoeden.

2.32.

De rechtbank stelt voorop dat [eiser] als benadeelde is gehouden om zijn schade te beperken voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. Indien hij dit niet of onvoldoende heeft gedaan, kan dit tot gevolg hebben dat de vergoedingsplicht van HZ op de voet van artikel 6:98 en 6:101 BW wordt verminderd. De rechtbank volgt HZ niet in haar standpunt dat [eiser] bij HZ vervangende cursussen had moeten volgen. Nu vast staat dat deze cursussen deel uitmaken van de nieuwe voltijdopleiding Engineering en het onderwijs dus uitsluitend overdag wordt gegeven en de tentamens uitsluitend overdag worden afgenomen, bood dat geen redelijk alternatief. Alhoewel een deeltijdopleiding niet gelijk te stellen is met een avondopleiding, mag van een deeltijdopleiding wel worden verwacht dat rekening wordt gehouden met het feit dat studie en werk moeten worden gecombineerd en dat het onderwijs en de tentamens derhalve niet uitsluitend overdag plaatsvinden.

2.33.

Het voorgaande doet echter niet af aan de mogelijkheid die [eiser] had om bij Avans in deeltijd vervangende cursussen te volgen. In dat verband had meer van [eiser] mogen worden verwacht. Zo heeft [eiser] verklaard dat hij bereid was om bij Avans in deeltijd vervangende cursussen te volgen en daarvoor vrijstelling bij HZ te vragen, waarmee hij dan alsnog zijn opleiding bij HZ had kunnen afronden en dat hij daartoe ook zelf het initiatief heeft genomen. Vast staat dat [eiser] daartoe op 10 december 2013 bij de examencommissie een aanvraag heeft ingediend. Gegeven die omstandigheden had het op de weg van [eiser] gelegen om duidelijk te maken wat er vervolgens met die aanvraag is gebeurd en waarom die aanvraag niet heeft geleid tot vrijstelling en het daadwerkelijk volgen van de vervangende cursussen bij Avans. [eiser] heeft die nadere toelichting achterwege gelaten, waarmee hij de stelling van HZ dat [eiser] niet is teruggekomen op een verzoek om nadere gegevens en hij dus zelf onvoldoende heeft gedaan, niet gemotiveerd heeft weersproken. Dit leidt tot de conclusie dat [eiser] niet aan de op hem rustende schadebeperkingsplicht heeft voldaan.

2.34.

Nu [eiser] niet heeft voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht, ziet de rechtbank aanleiding om de vergoedingsplicht van HZ te verminderen en de schade over [eiser] en HZ te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden worden geacht tot de schade te hebben bijgedragen. Aangenomen mag worden dat indien de eind 2013 door [eiser] aangevraagde vrijstelling zou zijn verkregen [eiser] de betreffende vervangende cursussen bij Avans eerst in het nieuwe studiejaar 2014-2015 had kunnen volgen en dat hij vervolgens in het jaar 2015-2016 de opleiding had kunnen afronden. In vergelijking met de situatie waarin [eiser] in de gelegenheid zou zijn geweest de gehele opleiding onafgebroken binnen de afbouwfase af te ronden, dus in het vijfde studiejaar 2014-2015, volgt daaruit een aan HZ toe te rekenen studievertraging van één jaar.

2.35.

Het voorgaande leidt er aldus toe dat HZ is gehouden de schade te vergoeden die aan één jaar studievertraging valt toe te rekenen. De overige schade dient voor rekening van [eiser] te blijven. Met betrekking tot de begroting van de door HZ aan [eiser] te vergoeden schade overweegt de rechtbank als volgt.

Begroting schade

4.15.

Ingevolge artikel 6:97 BW komt de rechtbank de vrijheid toe om de omvang van de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is en de omvang te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. In dit geval dient de omvang van de schade te worden bepaald door een vergelijking van de situatie waarin [eiser] zou hebben verkeerd indien hij eerst medio 2016 zijn opleiding zou hebben afgerond met de situatie waarin dit al een jaar eerder, medio 2015, zou hebben plaatsgevonden.

4.16.

[eiser] heeft als schadeposten gesteld (a) collegegeld van € 1.550,00 per jaar, (b) overige studiekosten van € 57,00 per maand, (c) een verschil in inkomen wegens een zonder ingenieursdiploma lager te verdienen salaris van € 193,33 netto per maand en (d) een compensatie voor studietijd (verloren uren), begroot op basis van het (te verwachten) netto inkomen. HZ heeft de hoogte van het collegegeld (a) niet weersproken. De overige schadeposten heeft HZ betwist.

4.17.

Nu HZ de hoogte van het door [eiser] gestelde collegegeld niet heeft weersproken, is het bedrag van € 1.550,00 voor één jaar studievertraging toewijsbaar. Ook zal worden toegewezen een bedrag wegens extra studiekosten van € 57,00 per maand, dus € 684,00 voor een jaar. Dit is het bedrag dat door het Nibud als de gemiddelde maandelijkse kostenkost voor studieboeken en –benodigdheden wordt genoemd. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van HZ op dit punt, nu niet valt in te zien dat er wat deze kostenpost betreft onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen een voltijd- en een deeltijdstudie.

4.18.

HZ heeft de stelling van [eiser] dat hij met het afronden van zijn opleiding een hoger salaris zou hebben genoten, welke stelling is onderbouwd met de als productie 13 bij dagvaarding overgelegde werkgeversverklaring, onvoldoende betwist. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat indien [eiser] zijn opleiding medio 2015 zou hebben afgerond, zijn inkomen zou zijn opgeschaald en zou zijn uitgekomen op het bruto bedrag zoals genoemd in de werkgeversverklaring. Nu HZ de bruto-netto omrekening van [eiser] als zodanig niet heeft betwist, ligt een bedrag van € 2.319,96 (12 x € 193,33 netto) voor toewijzing gereed.

4.19.

Voor toewijzing van een bedrag ter compensatie van studiebelasting bestaat geen aanleiding, reeds omdat van extra studiebelasting in het jaar waarin de studievertraging is gelegen niet is gebleken.

4.20.

Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank de vordering van [eiser] tot een bedrag van in totaal € 4.553,96 toewijzen.

4.21.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. [eiser] heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat hij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

4.22.

HZ zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiser] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 99,98

- griffierecht 285,00

- salaris advocaat 1.152,00 (3,0 punt × tarief € 384,00)

Totaal € 1.536,98

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt HZ om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.553,96 (vierduizendvijfhonderddrieënvijftig euro en zesennegentig eurocent),

5.2.

veroordeelt HZ in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.536,98, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt HZ in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat HZ niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2016.1

1 type: HV coll: