Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:6366

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-10-2016
Datum publicatie
14-10-2016
Zaaknummer
AWB 16_2223
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Los van de vraag of de wijze van bekend maken van het besluit door (enkel) plaatsing daarvan op ‘Mijn UWV’ voldoende is om aan te kunnen nemen dat de geadresseerde van het besluit daarmee bekend mag worden verondersteld, blijkt deze bekendheid met het besluit in kwestie door verschillende handelingen die eiseres (kort) na plaatsing van het besluit op ‘Mijn UWV’ heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/2223 ZW

uitspraak van 10 oktober 2016 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Zwolle), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 29 februari 2016 (bestreden besluit) van het UWV inzake haar aanspraak op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 29 augustus 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. S. Barto.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is werkzaam geweest als oproepkracht bij een restaurant. Voor dat werk is zij op 24 juli 2015 uitgevallen vanwege pijn aan haar hand. Bij brief van 3 september 2015 heeft eiseres een ZW-uitkering aangevraagd. Bij brief van 8 september 2015 heeft het UWV de ontvangst van haar ziekmelding bevestigd en toegelicht dat eiseres haar post voortaan via de beveiligde omgeving op de website van het UWV, genaamd ‘Mijn UWV’ zal ontvangen, niet langer via de post.

Het UWV heeft bij besluit van 30 september 2015 (primair besluit) geweigerd aan eiseres een ZW-uitkering toe te kennen.

Op 8 oktober 2015 heeft, blijkens een telefoonnotitie van het UWV, mevrouw Grodon (tolk) namens eiseres telefonisch contact opgenomen met het UWV. Op 10 oktober 2015 heeft eiseres een aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingediend bij het UWV.

Voorts heeft eiseres zich op 14 oktober 2015 ziek gemeld bij het UWV en daarbij aangegeven dat haar werkgever geen ziekengeld wil betalen. Bij brief van 15 oktober 2015 heeft het UWV eiseres uitgenodigd voor een gesprek met de verzekeringsarts om haar mogelijkheden tot werken volgens de ZW te bespreken.

Bij besluit van 16 oktober 2015 heeft het UWV de aanvraag van eisers voor een WW-uitkering afgewezen. Daaraan heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiseres zich ziek heeft gemeld, waardoor zij mogelijk recht heeft op een ZW-uitkering. Hierdoor heeft zij geen recht op een WW-uitkering.

Op 23 februari 2016 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het primair besluit. Zij stelt het besluit niet op haar huisadres ontvangen te hebben, maar pas toen haar gemachtigde had ingelogd op haar account in ‘Mijn UWV’ en het besluit toevallig onder ogen kreeg.

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding.

2. Eiseres heeft in beroep het volgende aangevoerd. Zij heeft het primair besluit niet op haar huisadres ontvangen, maar indirect via ‘Mijn UWV’. De gemachtigde van eiseres is deze toevallig tegengekomen toen hij informatie opzocht over haar aanvraag voor een bijstandsuitkering. Eiseres is van mening dat haar ten onrechte een ZW-uitkering wordt onthouden, omdat zij op het moment van ziekmelding geen dienstbetrekking meer had. Er is sprake van een vangnetsituatie. Voorts overweegt het UWV ten onrechte dat op 8 oktober 2015 telefonisch contact is geweest over de afwijzing van de ZW-uitkering en dat eiseres hierdoor al eerder op de hoogte was van het primair besluit. Er is weliswaar contact geweest, maar er blijkt niet uit de telefoonnotitie dat dit de fysieke beslissing van 30 september 2015 betrof. De overweging past ook niet bij de brief van het UWV aan eiseres dat er in het kader van de ziekmelding een gesprek met de verzekeringsarts zal plaatsvinden.

3. Artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in het verkeer tussen burgers en bestuursorganen een bericht elektronisch kan worden verzonden, mits de bepalingen van afdeling 2.3 in acht worden genomen.

Artikel 2:14, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, elektronisch kan verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.

Het derde lid voegt hieraan toe dat, indien een bestuursorgaan een bericht elektronisch verzendt, dit op een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke manier geschiedt, gelet op de aard en de inhoud van het bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt.

In artikel 2:17, eerste lid, van de Awb is bepaald dat als tijdstip waarop een bericht door een bestuursorgaan elektronisch is verzonden, het tijdstip geldt waarop het bericht een systeem voor gegevensverwerking bereikt waarvoor het bestuursorgaan geen verantwoordelijkheid draagt of, indien het bestuursorgaan en de geadresseerde gebruik maken van hetzelfde systeem voor gegevensverwerking, het tijdstip waarop het bericht toegankelijk wordt voor de geadresseerde.

Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb, bepaalt dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

In artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb is bepaald dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, dat bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

In artikel 6:7 van de Awb is bepaald dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt.

Artikel 6:8 van de Awb bepaalt dat de termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

In artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Het tweede lid voegt hieraan toe dat bij verzending per post een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Artikel 32e, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) bepaalt dat in het verkeer tussen burger en het UWV, in afwijking van artikel 2:14, eerste lid, van de Awb, een besluit uitsluitend elektronisch wordt verzonden, tenzij er naar het oordeel van het UWV sprake is van groepen burgers voor wie en berichten of omstandigheden waarvoor communicatie langs andere dan elektronische weg is aangewezen.

4. In geschil is of het UWV op goede gronden het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege termijnoverschrijding.

5.1

Het primair besluit is gedagtekend 30 september 2015. Eiseres heeft op 23 februari 2016 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het bezwaarschrift zou buiten de gestelde termijn zijn ingediend als eiseres het besluit van 30 september 2015 destijds al heeft ontvangen.

5.2

Het primair besluit is niet per post verzonden naar het huisadres van eiseres, maar op grond van artikel 32e, eerste lid, van de Wet SUWI geplaatst in de digitale omgeving ‘Mijn UWV’.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 augustus 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1365) laat het uitgangspunt dat het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het besluit is verzonden onverlet dat de verzending van een stuk zonder nader bewijs kan worden aangenomen indien uit de beschikbare gegevens kan worden afgeleid dat het desbetreffende stuk wel moet zijn ontvangen. Het gaat dan met name om gevallen waarin naar aanleiding van dat besluit door de belanghebbende handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd waaruit moet worden afgeleid dat de aanbieding van het poststuk met het besluit aan het adres van de belanghebbende wel heeft plaatsgevonden. Volgens de CRvB geldt het hiervoor genoemde uitgangspunt en de nuancering hierop ook voor elektronisch verzonden berichten.

Eiseres heeft aangevoerd dat zij pas medio februari 2016 bekend is geworden met het primair besluit doordat haar gemachtigde heeft ingelogd op ‘Mijn UWV’ voor een ander doel. Het UWV heeft aangevoerd dat eiseres allerlei handelingen heeft uitgevoerd waaruit blijkt dat eiseres al eerder op de hoogte was van het primair besluit. Ten aanzien van deze omstandigheden overweegt de rechtbank als volgt.

Het telefoongesprek op 8 oktober 2015

Eiseres erkent dat er op 8 oktober 2015 een telefoongesprek heeft plaatsgevonden tussen mevrouw Grodon en een medewerker van het UWV. De inhoud van het gesprek, zoals opgenomen in de telefoonnotitie, wordt door eiseres niet betwist. Nu gesteld noch gebleken is dat er een andere afwijzing is geweest waarop het gesprek betrekking zou kunnen hebben is de rechtbank van oordeel dat dit gesprek werd gevoerd naar aanleiding van de afwijzing van de ZW-uitkering en dat eiseres ten tijde van dit telefoongesprek reeds op de hoogte was van het primair besluit.

De aanvraag voor een WW-uitkering en de nieuwe ziekmelding

Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de aanvraag voor een WW-uitkering op 10 oktober 2015 alsmede de ziekmelding van 14 oktober 2015 door eiseres digitaal (in ‘Mijn UWV’) zijn gedaan. Ter zitting is door de gemachtigde van het UWV bevestigd dat een ziekmelding via ‘Mijn UWV’ moet worden ingediend. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting erkend dat daaruit blijkt dat eiseres daarvoor was ingelogd op ‘Mijn UWV’. Hieruit kan worden afgeleid dat eiseres ook in ieder geval op 14 oktober 2015 al het primair besluit in ‘Mijn UWV’ had kunnen zien staan.

5.3

Gelet op de voorgaande omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat eiseres al in oktober 2015 bekend was met het primair besluit. Hierdoor kan de bekendmaking van het primair besluit, gelet op de eerder genoemde rechtspraak van de CRvB, worden aangenomen en behoeft de wijze van verzending van het primair besluit geen nadere bespreking.

5.4

Het bepaalde in de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb brengt dan mee dat de bezwaartermijn is aangevangen op de dag na verzending van het primair besluit – door het UWV gesteld en door eiseres niet betwist is dat het besluit op 30 september 2015 op ‘Mijn UWV’ is geplaatst – en daardoor is geëindigd op 11 november 2015.

Nu het bezwaarschrift op 24 februari 2016 door het UWV is ontvangen, is het dus gelet op artikel 6:9, eerste lid, van de Awb niet tijdig ingediend.

6. Termijnen van bezwaar en beroep zijn van openbare orde, dat wil zeggen dat het fatale termijnen zijn waarvan niet afgeweken kan worden, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is in verband met zeer bijzondere omstandigheden.

Eiseres heeft geen redenen aangevoerd, behoudens de betwisting van de ontvangst van het (fysieke) primair besluit, op grond waarvan niet-ontvankelijk verklaring met toepassing van artikel 6:11 van de Awb achterwege gelaten moet worden. Ook anderszins ziet de rechtbank geen aanleiding om niet-ontvankelijkverklaring achterwege te laten.

7. Gelet op het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard.

8. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.M. de Coninck, voorzitter, en mr. D. van Kralingen en mr. R.P. Broeders, leden, in aanwezigheid van mr. A.J.M. Roestenberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.