Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:6308

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-10-2016
Datum publicatie
14-10-2016
Zaaknummer
AWB 15_4682
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen overgangsrecht zodat moet worden uitgegaan van het recht zoals dat gold ten tijde van de aanvraag. Aanvraag is van 3 oktober 2014. Eiseres kan alleen in aanmerking komen voor een Wajong 2010 als zij ten tijde van haar aanvraag volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was. Daarvan is geen sprake. Het UWV heeft terecht geweigerd een Wajong 2010-uitkering toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/4682 WAJONG

uitspraak van 10 oktober 2016 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. M.J.E.M. Edelmann,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 juni 2015 (bestreden besluit) van het UWV inzake de weigering een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheids- voorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 22 september 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.L. Schuren.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres, geboren op 6 december 1983, heeft een aanvraag gedaan voor een Wajonguitkering.

Bij besluit van 16 december 2014 (primair besluit) heeft het UWV geweigerd om aan eiseres een Wajonguitkering toe te kennen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

2. Eiseres heeft in beroep, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat haar beperkingen sterk zijn onderschat. Eiseres is van mening dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

3. Ter zitting heeft eiseres naar voren gebracht dat zij niet goed is geïnformeerd over de hoorzitting. Voor zover deze stelling moet worden aangemerkt als een beroepsgrond, slaagt deze niet. Uit de stukken blijkt niet dat eiseres is afgehouden van de hoorzitting. Integendeel, uit de stukken blijkt dat er over de mogelijkheid van een hoorzitting is gesproken en dat eiseres ook bedenktijd heeft gekregen om hierover te beslissen. Voor zover het voor eiseres belangrijk zou zijn geweest om te weten wie er bij een hoorzitting aanwezig zou zijn, had het op haar weg gelegen daarover informatie in te winnen bij het UWV.

4. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld op welke datum eiseres de aanvraag voor een Wajong-uitkering heeft gedaan.

Uit de stukken blijkt dat de door eiseres ondertekende aanvraag is gedateerd op 24 augustus 2014. Uit de datumstempel blijkt echter dat de aanvraag pas op 3 oktober 2014 is binnengekomen bij het UWV. Ter zitting heeft het UWV gesteld dat aanvragen op de dag van ontvangst of uiterlijk de dag erna worden gescand en dat er dan ook een datum van binnenkomst wordt geplaatst op de aanvraag. De rechtbank heeft geen aanleiding aan deze verklaring te twijfelen. Nu eiseres niet kan aantonen dan wel aannemelijk kan maken dat zij de aanvraag op een eerdere datum heeft ingediend, zal de rechtbank bij de beoordeling uitgaan van 3 oktober 2014 als aanvraagdatum.

5. Op 1 januari 2015 is artikel III van de Invoeringswet Participatiewet (Stb. 2014, 270 en 271) in werking getreden. Aan artikel 2:15 van de Wajong is onder meer een vierde lid toegevoegd. Daarin is bepaald dat recht op arbeidsondersteuning niet ontstaat indien dit zou ingaan op of na de dag van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel B, van de Invoeringswet Participatiewet. Ingevolge onderdeel W is de citeertitel van de wet gewijzigd in Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015). De Wajong zoals die van toepassing was in de periode 1 januari 2010 tot en met 31 december 2014 zal de rechtbank aanhalen als Wajong 2010.

6. Er is geen overgangsrecht zodat moet worden uitgegaan van het recht zoals dat gold ten tijde van de aanvraag. Ingevolge artikel 2:15, tweede lid, van de Wajong 2010 bestaat er echter niet eerder recht op arbeidsondersteuning dan zestien weken na de datum van indiening van de aanvraag. Dit betekent dat de toegang tot de Wajong 2010 is geblokkeerd vanaf zestien weken voorafgaand aan 1 januari 2015, dus vanaf 10 september 2014. Dat geldt echter niet als wordt vastgesteld dat de aanvrager volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. In dit geval ontstaat immers een recht op arbeidsondersteuning ingevolge artikel 2:45 van de Wet Wajong op grond van artikel 2:15, derde lid, onderdeel a, van de Wet Wajong op de dag van de aanvraag. Een uitkering ingevolge artikel 2:45 van de Wet Wajong kan derhalve nog ontstaan tot en met 31 december 2014. Nu de aanvraag van eiseres op 3 oktober 2014 bij het UWV is binnengekomen, kan zij alleen in aanmerking komen voor een Wajong-uitkering 2010 als zij als jonggehandicapte ten tijde van haar aanvraag volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was.

7. Op grond van artikel 2:4, eerste lid, van de Wet Wajong 2010, is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen.

Op grond van artikel 2:5, eerste lid, van de Wet Wajong 2010 wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en voor zover nodig een arbeidskundig onderzoek.

Ingevolge artikel 8.10c van de Wajong 2015 wordt de jonggehandicapte die op 31 december 2014 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, zoals dat luidde op die dag, geacht op 1 januari 2015 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn, als bedoeld in artikel 2:4, zoals dat is komen te luiden op die dag.

8.1

Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is verricht door een verzekeringsarts en een bezwaarverzekeringsarts van het UWV.

De verzekeringsarts heeft eiseres gezien op het spreekuur. Tevens heeft de verzekeringsarts de door eiseres overgelegde informatie van de reumatoloog en het dossier bestudeerd. De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat er sprake is van benigne gegeneraliseerde hypermobiliteit. Er is sprake van subluxaties maar geen luxaties. Daarnaast is er sprake van deconditionering.

De verzekeringsarts heeft gesteld dat eiseres aangewezen is op fysiek licht werk, waarbij in het werk geen hoge werkdruk of grote deadlines voorkomen. Als eiseres fysiek licht werk verricht, bestaat er geen aanleiding een urenbeperking aan te nemen. De verzekeringsarts heeft de beperkingen en de belastbaarheid van eiseres neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 26 november 2014.

De bezwaarverzekeringsarts heeft de beschikbare medische gegevens bestudeerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft gerapporteerd dat de primaire verzekeringsarts een op de hypermobiliteitsklachten gerichte anamnese en lichamelijk onderzoek heeft verricht. De bezwaarverzekeringsarts ziet geen aanleiding om verdergaande beperkingen aan te nemen. Ook ziet hij geen aanleiding een urenbeperking aan te nemen.

8.2

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Op grond van de beschikbare gegevens moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij eiseres niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Met name blijkt uit de rapportages van de verzekeringsartsen dat zij op de hoogte waren van de door eiseres gestelde klachten. Eiseres heeft in beroep, buiten een algemeen stuk over het hypermobiliteitssyndroom, geen medische informatie ingebracht. De verzekeringsartsen hadden daarentegen de beschikking over recente informatie van de behandelend reumatoloog en hebben deze informatie ook betrokken bij hun overwegingen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding te oordelen dat de bezwaarverzekeringsarts nog nadere informatie bij de reumatoloog had moeten opvragen. Los van het gegeven dat een diagnose niet doorslaggevend is bij de vaststelling van beperkingen, blijkt uit de stukken dat de verzekeringsartsen de diagnose gesteld door de reumatoloog ook hebben overgenomen. De verzekeringsartsen hebben op basis van deze medische informatie ook in voldoende mate gemotiveerd dat het juist in het belang van het welbevinden en de klachten is indien eiseres in beweging blijft. De enkele stelling ter zitting van eiseres dat de reumatoloog slordig is geweest in de vertaling van de in het Engels gestelde diagnose naar het Nederlands, is onvoldoende om van het UWV te verlangen dat het nadere informatie inwint. De verzekeringsartsen hebben ook afdoende gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat voor het aannemen van een urenbeperking. Immers, als rekening gehouden wordt met de vastgestelde beperkingen kan eiseres tenminste acht uur per dag fysiek lichte werkzaamheden verrichten. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in de FML van 26 november 2014.

9.1

Het arbeidskundig onderzoek is verricht door een arbeidsdeskundige en een bezwaararbeidsdeskundige van het UWV.

Rekening houdend met de FML heeft de arbeidsdeskundige een arbeidsmogelijkhedenlijst opgesteld met voor eiseres geschikte functies. Eiseres wordt in ieder geval geschikt geacht voor de functies van receptionist, baliemedewerker (Sbc-code 315150), telefonist, receptionist, typist (Sbc-code 315120) en schadecorrespondent (Sbc-code 516080).

De bezwaararbeidsdeskundige heeft na eigen onderzoek geconcludeerd dat de geduide functies geschikt zijn voor eiseres. De bezwaararbeidsdeskundige concludeert dat eiseres niet volledig en duurzaam arbeidsongeschiktheid is.

De rechtbank stelt vast dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage onder punt 7 een andere belanghebbende noemt en andere dan de voor eiseres geduide functies opsomt. Hoewel de rechtbank dit als een ernstige slordigheidsfout ziet, zal de rechtbank hieraan geen consequenties verbinden. In punt 7 wordt door de bezwaararbeidsdeskundige immers alleen aangehaald welke functies door de primaire arbeidsdeskundige zijn geduid. De daar genoemde naam en functies zijn fout, maar uit de rest van de rapportage blijkt duidelijk dat de bezwaararbeidsdeskundige de juiste functies en de juiste persoon voor ogen heeft gehad bij de heroverweging. Met name blijkt dit uit onderdeel C van de rapportage waarin de voor eiseres geduide functies zijn besproken. De rechtbank kan zich voorstellen dat eiseres zich erg heeft gestoord aan deze slordigheidsfout, maar nu de beoordeling van de bezwaararbeidsdeskundige voor het overige inzichtelijk en toetsbaar is, ziet de rechtbank geen aanleiding de slordigheidsfout aan te merken als een onderzoeks- dan wel motiveringsgebrek.

9.2

De rechtbank heeft de belasting van de geduide functies vergeleken met de FML en heeft daarbij de toelichting betrokken die de arbeidsdeskundigen hebben gegeven bij de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid. De rechtbank is er voldoende van overtuigd dat de belastbaarheid van eiseres in deze functies niet wordt overschreden. Eiseres heeft ook geen arbeidskundige gronden naar voren gebracht. De rechtbank zal er dan ook van uitgaan dat de eerder genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.

9.3

Op basis van de inkomsten die eiseres met de geduide functies zou kunnen verwerven, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiseres niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

10. Zoals onder punt 5 al is overwogen, bestaat pas recht op een Wajong 2010-uitkering als er sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Nu hiervan geen sprake is, heeft het UWV terecht geweigerd aan eiseres een Wajong 2010-uitkering toe te kennen. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.

11. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.M. van Bergen, voorzitter, en mr. D. van Kralingen, en mr. D.H. Hamburger, leden, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.