Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:6287

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-10-2016
Datum publicatie
11-10-2016
Zaaknummer
5246331_E07102016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verwerende partij, tevens zijnde werkgever, heeft een affectieve (lat-)relatie met werknemer.

Hierdoor hebben partijen een situatie gecreëerd waarin de werkgever-werknemer relatie en de privérelatie met elkaar verweven zijn geraakt.

Het gegeven ontslag op staande voet wordt vernietigd, nu het gebruik van fysiek geweld van werknemer jegens werkgever niet is komen vast te staan.

Werknemer is arbeidsongeschikt, doch de arbeidsongeschiktheid is niet veroorzaakt door diens schuld of toedoen. Werkgever is derhalve gehouden tot doorbetaling van 100% van het loon (in plaats van 70%).

Op de door de werkgever gestelde voorwaarde, inhoudende dat het tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (onvoorwaardelijk) aan bod komt als het verzoek van werknemer tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt toegewezen, kan naar het oordeel van de kantonrechter inhoudelijk worden beslist. Immers, aangezien het ontslag op staande voet is vernietigd, staat vast dat de arbeidsovereenkomst nog bestaat. Hieraan kan ook in appel geen afbreuk worden gedaan. Dit heeft tot gevolg dat het tegenverzoek onvoorwaardelijk aan bod komt.

De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Niet gebleken is van ernstig verwijtbaar handelen (noch van werknemer, noch van werkgever).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1126
AR 2016/2924

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 5246331 AZ VERZ 16-78 (verzoek)

5331390 AZ VERZ 16-91 (tegenverzoek)

Beschikking d.d. 7 oktober 2016 in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te Roosendaal,

verzoekende partij, tevens verwerende partij in het tegenverzoek,

verder te noemen: ‘ [verzoekende partij] ’,

gemachtigde: mw.mr. P.K.B. Palazzi, van de FNV te Rotterdam,

tegen

[verweerster] ,

gevestigd en kantoorhoudende te Oud-Gastel,

verwerende partij, tevens verzoekende partij in het tegenverzoek,

verder te noemen: ‘ [verwerende partij] ’,

gemachtigde: mw.mr. N.W.J. van der Stokker-Welsing, advocaat te Tilburg.

1 Het procesverloop

1.1

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

  1. het op 19 juli 2016 ter griffie ontvangen verzoekschrift ex artikel 7:681 BW, met producties;

  2. het op 29 augustus 2016 ter griffie ontvangen verweerschrift, tevens inhoudende een zelfstandig (voorwaardelijk) verzoekschrift, met producties;

  3. het daarop ontvangen verweerschrift betreffende het voorwaardelijk verzoekschrift.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 september 2016. Op die zitting zijn de twee voornoemde verzoeken behandeld. Ter zitting waren aanwezig [verzoekende partij] , bijgestaan door mw.mr. Palazzi, alsmede [verwerende partij] , bijgestaan door mw.mr. Van der Stokker-Welsing. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden. Mw.mr. Van der Stokker-Welsing heeft pleitaantekeningen in het geding gebracht.

2 De feiten

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek:

2.1

[verzoekende partij] , geboren op [geboortedatum] en thans [leeftijd] jaar, is op 4 maart 2002 in dienst getreden bij [verwerende partij] , in de functie van chauffeur D5 voor 40 uur per week, tegen een loon van laatstelijk € 2.226,32 bruto per 4 weken, exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten.

2.2

[verzoekende partij] is de enige werknemer in dienst van [verwerende partij] . [verzoekende partij] en [verwerende partij] hebben sinds 2002 een (LAT)relatie. [verzoekende partij] verblijft (tot 22 mei 2016) vaak bij [verwerende partij] , waar zich ook een deel van zijn bezittingen bevindt.

2.3

In september 2015 heeft [verzoekende partij] een zelfmoordpoging gedaan; hij is sinds 3 september 2015 arbeidsongeschikt.

2.4

Tijdens de ziekte van [verzoekende partij] is [verwerende partij] overgegaan tot betaling van 70% van het verschuldigde loon aan [verzoekende partij] .

2.5

Artikel 16 lid 2 van de toepasselijke cao voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van Mobiele Kranen bepaalt – kort samengevat – dat bij ziekte de aanvulling tot 100% niet geldt indien de arbeidsongeschiktheid door de schuld of toedoen van de werknemer is veroorzaakt.

2.6

Zaterdag 21 mei 2016 vindt er in het huis van [verwerende partij] een discussie plaats tussen [verzoekende partij] en [verwerende partij] , onder meer over de gehoudenheid tot loonbetaling. Naar aanleiding van deze discussie is de politie ter plaatse geweest, waarbij [verzoekende partij] is meegenomen voor verhoor. [verwerende partij] heeft aangifte gedaan van mishandeling.

2.7

Bij brief d.d. 22 mei 2016 heeft [verwerende partij] aan [verzoekende partij] medegedeeld dat hij ontslag op staande voet krijgt, vanwege – verkort weergegeven – het gebruik van fysiek geweld tegen de werkgever.

2.8

[verzoekende partij] kan zich met dit ontslag niet verenigen en heeft ertegen geprotesteerd.

2.9

Ondanks de toezegging in de ontslagbrief dat er een correcte eindafrekening zou volgen per 22 mei 2016, heeft [verzoekende partij] na 27 maart 2016 geen loon meer ontvangen.

3 Het verzoek

3.1

[verzoekende partij] verzoekt primair om het door [verwerende partij] op 22 mei 2016 gegeven ontslag op staande voet te vernietigen en om te gelasten dat hij te werk wordt gesteld in zijn bedongen functie van chauffeur binnen uiterlijk twee dagen nadat hij daartoe in staat wordt geacht, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag.

Tevens vordert hij om [verwerende partij] te veroordelen tot betaling, binnen twee dagen na het wijzen van deze beschikking aan [verzoekende partij] van:

  • -

    een bedrag van € 5.821,50 bruto over de periode 28 maart 2016 tot en met 21 mei 2016;

  • -

    een bedrag van € 2.226,32 bruto per 4 weken c.a. op en na 22 mei 2016 zolang de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd;

  • -

    de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ad 50% over de twee hiervoor genoemde posten;

  • -

    een bedrag van € 938,33 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

  • -

    de wettelijke rente over alle hiervoor genoemde bedragen.

3.2

[verzoekende partij] legt aan zijn primaire verzoek/vordering ten grondslag – verkort weergegeven – dat er geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Hij betwist dat hij op 21 mei 2016 fysiek geweld tegen [verwerende partij] heeft gebruikt. Naar aanleiding van de aangifte van [verwerende partij] heeft de Officier van Justitie de zaak geseponeerd omdat er naar het oordeel van de Officier sprake is van medeschuld van [verwerende partij] . [verzoekende partij] betwist dat er op die bewuste dag alcohol in het spel was en hij betwist eveneens dat hij herhaaldelijk op zijn werk onder invloed van alcohol zou zijn geweest. Hij wijst er op dat er sprake is van een dienstverband van 14 jaar, waarbij hij goed heeft gefunctioneerd, althans waarbij hij nooit aangesproken is op zijn functioneren. [verzoekende partij] merkt verder op, dat hij door het ontslag op [leeftijd] -jarige leeftijd, niet alleen zijn enige bron van inkomsten verliest, maar ook uitzicht op een uitkering. Dit klemt volgens hem te meer nu het uitzicht op de huidige arbeidsmarkt, mede gelet op zijn leeftijd en arbeidsongeschiktheid, niet als rooskleuring kan worden beschouwd.

Aangezien [verwerende partij] vanaf 28 maart 2016 geen loon meer heeft betaald, vordert [verzoekende partij] dat loon in deze procedure, te verhogen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.

3.3

Subsidiair – voor zover de opzegging niet wordt vernietigd – verzoekt [verzoekende partij] om [verwerende partij] binnen twee dagen na het wijzen van deze beschikking te veroordelen tot betaling van:

  • -

    een billijke vergoeding conform artikel 7:681 BW ter hoogte van € 30.000,00 bruto, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto-specificatie;

  • -

    een bedrag ad € 10.511,47 bruto (gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de opzegtermijn), onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto-specificatie;

  • -

    een bedrag ter hoogte van de transitievergoeding ad € 16.875,95 bruto, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto-specificatie;

  • -

    een bedrag van € 938,33 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

  • -

    de wettelijke rente over alle hiervoor genoemde bedragen.

3.4

Primair en subsidiair verzoekt [verzoekende partij] om [verwerende partij] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

4 Het verweer en het (voorwaardelijk) tegenverzoek

4.1

[verwerende partij] concludeert tot afwijzing van de verzoeken/vorderingen van [verzoekende partij] , omdat in haar visie het ontslag op staande voet terecht is gegeven. Zij stelt daartoe dat [verzoekende partij] zijn werkgever op 21 mei 2016 heeft mishandeld. Dit levert een dringende reden op om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. Van een dringende reden is temeer sprake omdat [verzoekende partij] zich in het verleden ook al herhaaldelijk agressief jegens [verwerende partij] heeft opgesteld. Ook heeft [verzoekende partij] zich, volgens [verwerende partij] , ondanks waarschuwing, herhaaldelijk overgegeven aan dronkenschap tijdens zijn werkzaamheden. De enige opdrachtgever van [verwerende partij] heeft inmiddels te kennen gegeven dat zij niet meer wil dat [verzoekende partij] werkzaamheden voor haar verricht. Het handelen van [verzoekende partij] is volgens [verwerende partij] volstrekt onbehoorlijk en ernstig verwijtbaar en wel zodanig dat het dienstverband niet in stand kan blijven, ook niet als het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet zou worden toegewezen.

4.2

[verwerende partij] verzoekt in haar (voorwaardelijk) tegenverzoek primair om de arbeidsovereenkomst op zo kort mogelijke datum te ontbinden op grond van verwijtbaar handelen van [verzoekende partij] (de zogenaamde e-grond). Subsidiair verzoekt [verwerende partij] de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond). Het vertrouwen dat [verwerende partij] als werkgever moet hebben en moet kunnen hebben in [verzoekende partij] , is door zijn handelen volledig verdwenen. Ten aanzien van beide gronden geeft [verwerende partij] aan dat herplaatsing niet aan de orde is. Omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen dient geen rekening te worden gehouden met de normaal geldende opzegtermijn en dient geen transitievergoeding te worden toegekend.

4.3

Geheel subsidiair merkt [verwerende partij] ten aanzien van de loonvordering op dat als zij gehouden zou zijn tot loonbetaling aan [verzoekende partij] , er alle aanleiding is de loonbetaling te matigen tot nihil of een zeer laag percentage. Ze doet tevens een beroep op de matigingsbevoegdheid van de rechter ex artikel 7:680a BW tot het minimum van drie maanden loon. Verschuldigdheid van wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten wordt betwist.

4.4

[verzoekende partij] voert verweer tegen de (voorwaardelijk) verzochte ontbinding.

5 De beoordeling

in de zaak van het verzoek:

5.1

[verzoekende partij] heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, zodat hij in zoverre ontvankelijk is in zijn verzoek.

5.2

Bij de beoordeling wordt tot uitgangspunt genomen dat in zaken die voortvloeien uit de Wet werk en zekerheid (WWZ), zoals deze zaak, het bewijsrecht in beginsel van toepassing is, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. In dit geval verzet de aard van de zaak zich niet tegen toepassing van het bewijsrecht.

5.3

Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder der partijen bevoegd de arbeidsovereen-komst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ex artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende reden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.

5.4

Allereerst dient te worden beoordeeld of het gegeven ontslag op staande voet moet worden vernietigd. Vooropgesteld wordt dat [verzoekende partij] en [verwerende partij] – door zowel een arbeidsrechtelijke relatie met elkaar aan te gaan als een liefdesrelatie in de vorm van een LAT-relatie – een situatie hebben gecreëerd waarin de werkgever-werknemer relatie en de privérelatie met elkaar verweven zijn geraakt. Beide partijen geven een andere lezing over hetgeen is gebeurd op 21 mei 2016. Vast staat, dat er op die bewuste zaterdag, in de woning van [verwerende partij] , waar ook [verzoekende partij] zeer regelmatig verbleef, een discussie heeft plaatsgevonden. Niet is komen vast te staan dat [verzoekende partij] , zoals [verwerende partij] stelt, bij de discussie die dag, fysiek geweld tegen [verwerende partij] heeft gebruikt. Er is geen neutraal politierapport overgelegd, waaruit zou kunnen volgen dat [verzoekende partij] fysiek geweld heeft gebruikt. Feit is, dat de Officier van Justitie de zaak heeft geseponeerd omdat hij van oordeel is dat er sprake is van medeschuld van [verwerende partij] . Een dergelijke seponering sluit niet uit dat er toch fysiek geweld is gebruikt door [verzoekende partij] . [verwerende partij] heeft bij het Hof een klacht ingediend, omdat zij het niet eens is met het sepot. Echter, nu alleen [verwerende partij] en [verzoekende partij] bij de discussie en alles wat zich daarbij heeft afgespeeld aanwezig waren en hun standpunten over wat er gebeurd is haaks op elkaar staan, kan omtrent de ware gebeurtenissen op die dag niets worden vastgesteld. Volgens [verzoekende partij] is het juist [verwerende partij] geweest die hem mishandeld heeft. [verwerende partij] heeft met betrekking tot het door haar gestelde gebruik van fysiek geweld door [verzoekende partij] op 21 mei 2016, een bewijsaanbod gedaan. Dit bewijsaanbod wordt gepasseerd omdat het aangeboden bewijs betrekking heeft op niet ter zake dienende feiten. Immers, door [verwerende partij] zijn twee verklaringen in het geding gebracht van kennissen. Die kennissen verklaren dat zij van [verwerende partij] hebben gehoord dat [verzoekende partij] tegen haar fysiek geweld heeft gebruikt. Nergens blijkt uit dat de kennissen zelf hebben waargenomen dat er sprake is geweest van fysiek geweld. Het aantreffen van een pluk haar op de verwarming danwel het gestelde dat [verwerende partij] op die avond hevig overstuur was en klaagde over pijn, is daarvoor onvoldoende. De verklaring van de kennissen, dat [verzoekende partij] vaker agressief werd als hij alcohol gebruikte, maakt niet dat [verzoekende partij] op 21 mei 2016 fysiek geweld jegens [verwerende partij] heeft gebruikt.

Het vooroverwogene leidt tot de conclusie dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Immers, de grond die aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd – het gebruiken van fysiek geweld door [verzoekende partij] tegen zijn werkgever – is niet komen vast te staan.

5.5

Als gevolg van het voorgaande heeft [verwerende partij] de arbeidsovereenkomst in strijd met artikel 7:671 BW opgezegd zodat de kantonrechter op grond van artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW bevoegd is deze opzegging te vernietigen. Het daartoe door [verzoekende partij] gedane verzoek zal dan ook worden toegewezen.

5.6

[verzoekende partij] verzoekt tevens om te gelasten dat hij te werk wordt gesteld in zijn bedongen functie van chauffeur. Gelet op de hieronder te geven beslissing op het tegenverzoek van [verwerende partij] om tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst te komen, wordt dit onderdeel van het verzoek van [verzoekende partij] afgewezen.

5.7

Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd, duurt de arbeidsovereenkomst thans nog voort en heeft [verzoekende partij] recht op loon totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd. [verwerende partij] heeft voor het geval zij tot loondoorbetaling wordt veroordeeld aangevoerd, dat zij slechts gehouden is tot 70% loondoorbetaling. Aangezien de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door de overdosis pillen die [verzoekende partij] heeft ingenomen, is de arbeidsongeschiktheid volgens [verwerende partij] veroorzaakt door de schuld of toedoen van [verzoekende partij] . Volgens [verwerende partij] moet het begrip ‘door schuld of toedoen’ ruim worden uitgelegd. Zij wordt niet in dit standpunt gevolgd. In de door [verwerende partij] aangehaalde rechtspraak is sprake van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van risicovolle sportbeoefening door een werknemer. Dat is hier geenszins aan de orde. En anders dan [verwerende partij] stelt, is er meer aan de hand dan het enkel innemen van een overdosis pillen door [verzoekende partij] . De arbeidsongeschiktheid van [verzoekende partij] duurt immers al vanaf september 2015 voort. In het laatste rapport van de bedrijfsarts d.d. 6 juni 2016 staat dat [verzoekende partij] nog steeds arbeidsongeschikt is. Door [verwerende partij] is niet weersproken dat er sprake is van psychische klachten. Nu de arbeidsongeschiktheid van [verzoekende partij] niet door zijn opzet of schuld is veroorzaakt, is [verwerende partij] gehouden tot doorbetaling van 100% van het loon. De hoogte van de door [verzoekende partij] in dat verband gevorderde bedragen is niet door [verwerende partij] betwist. Verder heeft [verwerende partij] ter zitting erkend dat zij vanaf 28 maart 2016 geen loon aan [verzoekende partij] heeft betaald. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval geen aanleiding om – zoals door [verwerende partij] is verzocht – de loonbetaling te matigen tot nihil of een zeer laag percentage danwel om artikel 7:680a BW toe te passen. Het door [verzoekende partij] gevorderde bedrag van € 5.821,50 bruto over de periode 28 maart 2016 tot en met 21 mei 2016, zal dan ook worden toegewezen. Na 22 mei 2016 is het gevorderde bedrag van € 2.226,32 bruto per 4 weken c.a. toewijsbaar en wel tot het moment dat de arbeids-overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd.

5.8

Wegens te late betaling is [verwerende partij] de maximale wettelijke verhoging over de aan [verzoekende partij] te betalen loonbedragen verschuldigd, zodat deze wordt toegewezen. Vanwege betalingsverzuim is ook de wettelijke rente over alle verschuldigde bedragen toewijsbaar. Aan het beroep van [verwerende partij] op matiging wordt voorbij gegaan, nu hiervoor – mede gelet op het feit dat, ondanks toezeggingen, tot de dag van het ontslag niet is betaald – geen aanleiding wordt gezien.

5.9

[verzoekende partij] maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Voldoende is gesteld en gebleken dat door [verzoekende partij] buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht om voldoening van zijn vordering buiten rechte te verkrijgen. Het in dat verband gevorderde bedrag van € 938,33 komt overeen met het gebruikelijke tarief en zal worden toegewezen.

5.10

[verwerende partij] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

in de zaak van het tegenverzoek:

5.11

[verwerende partij] heeft een zelfstandig voorwaardelijk verzoek ingediend dat volgens haar (onvoorwaardelijk) aan bod komt als het verzoek van [verzoekende partij] tot vernietiging van het ontslag op staande voet zou worden toegewezen of als in een later hoger beroep door het Gerechtshof herstel dienstbetrekking zou worden bevolen.

5.12

In de rechtspraak en literatuur is er discussie of een voorwaardelijk tegenverzoek mogelijk is. Met betrekking tot de door [verwerende partij] gestelde voorwaarde ‘als in een later hoger beroep door het Gerechtshof herstel dienstbetrekking zou worden bevolen’ wordt door de kantonrechter geoordeeld dat het stelsel van de WWZ geen ruimte biedt om de arbeidsovereenkomst onder die voorwaarde te ontbinden. Immers, het geven van een dergelijk voorwaardelijk oordeel in eerste aanleg zou de rechter in hoger beroep te zeer voor de voeten lopen.

5.13

Op de door [verwerende partij] gestelde voorwaarde, inhoudende dat het tegenverzoek (onvoorwaardelijk) aan bod komt als het verzoek van [verzoekende partij] tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt toegewezen, kan naar het oordeel van de kantonrechter wel inhoudelijk worden beslist. Immers, hiervoor is reeds geoordeeld dat het ontslag op staande voet wordt vernietigd met als gevolg dat vaststaat dat de arbeidsovereenkomst nog bestaat. Hieraan kan ook in appel geen afbreuk worden gedaan. Dit heeft tot gevolg dat het tegenverzoek van [verwerende partij] thans onvoorwaardelijk ter beoordeling voor ligt.

5.14

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:671b lid 2 juncto artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.

5.15

[verwerende partij] voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding primair is gelegen in het verwijtbaar handelen van [verzoekende partij] . Hierin wordt zij door de kantonrechter niet gevolgd. Immers, niet is komen vast te staan dat [verzoekende partij] – tijdens het incident op 21 mei 2016 danwel daarvoor – fysiek geweld tegen [verwerende partij] heeft gebruikt danwel agressief tegen haar is geweest. De stelling van [verwerende partij] , dat [verzoekende partij] meerdere malen onder invloed van alcohol zou zijn geweest op het werk, wordt niet nader door haar onderbouwd en is door [verzoekende partij] betwist. Ten aanzien van de klachten van de enige opdrachtgever van [verwerende partij] ( [opdrachtgever] ), heeft [verzoekende partij] aangegeven dat hij tijdens deze procedure voor het eerst met die klachten is geconfronteerd en niet gebleken is dat [verwerende partij] hem eerder met die klachten heeft geconfronteerd. De door [verwerende partij] overgelegde brief d.d. 4 mei 2015 betwist [verzoekende partij] te hebben ontvangen. Dat er sprake zou zijn van verwijtbaar handelen aan de kant van [verzoekende partij] , zodanig dat dit dient te leiden tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst, is – gelet op het voorgaande – niet gebleken.

5.16

Subsidiair voert [verwerende partij] aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in een verstoorde arbeidsverhouding. Zij stelt dat het vertrouwen dat [verwerende partij] als werkgever moet hebben en moet kunnen hebben in [verzoekende partij] , door zijn handelen volledig is verdwenen. Uit de in het geding gebrachte stukken en hetgeen ter zitting is aangevoerd, is de kantonrechter gebleken dat de arbeidsverhouding tussen partijen is verstoord. Dit vindt mede zijn oorzaak in het feit dat partijen een situatie hebben gecreëerd waarin de werkgever-werknemer relatie en de privérelatie met elkaar verweven zijn geraakt. Nu de liefdesrelatie op een turbulente wijze tot een einde is gekomen, heeft dit zijn doorwerking in de arbeidsrechtelijke relatie. Temeer daar [verzoekende partij] de enige werknemer is die [verwerende partij] in dienst heeft. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door [verwerende partij] in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW.

5.17

De kantonrechter is verder van oordeel dat herplaatsing van [verzoekende partij] , gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden van het geval, niet in de rede ligt.

5.18

De conclusie is, dat de kantonrechter het verzoek van [verwerende partij] zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW onvoorwaardelijk zal worden ontbonden met ingang van 1 december 2016.

5.19

Nu de arbeidsovereenkomst op verzoek van [verwerende partij] wordt ontbonden en er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekende partij] , is [verwerende partij] – gelet op het bepaalde in artikel 7:673 BW – de transitievergoeding aan [verzoekende partij] verschuldigd. Ter zitting is [verzoekende partij] erop gewezen dat hij twee verschillende bedragen aan transitievergoe-ding heeft genoemd. [verzoekende partij] heeft daarop aangegeven dat het bedrag ad € 16.875,95 bruto het juiste bedrag is. Tegen de hoogte van dit bedrag is door [verwerende partij] geen verweer gevoerd. [verwerende partij] is – gelet op het vooroverwogene – gehouden om dit bedrag aan [verzoekende partij] te voldoen, zodat de dienovereenkomstige vordering van [verzoekende partij] zal worden toegewezen.

[verzoekende partij] heeft voorts om uitbetaling van de transitievergoeding verzocht binnen twee weken na de ontbindingsdatum, alsmede om [verwerende partij] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de transitievergoeding vanaf de dag dat die vergoeding is verschuldigd. Gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 1 BW zal de betalingstermijn worden bepaald op een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. De wettelijke rente is vanaf die dag toewijsbaar zoals in het dictum vermeld.

5.20

De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verzoekende partij] een billijke vergoeding toe te kennen. Gelet op artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen. Partijen zijn – gelet op het vooroverwogene – beide debet aan de situatie zoals die tussen hen is ontstaan. Niet vast is komen te staan dat [verwerende partij] daarbij een ernstig(er) verwijt (dan [verzoekende partij] ) kan worden gemaakt.

5.21

Nu aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden, hoeft [verwerende partij] geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken.

5.22

Gelet op de uitkomst van dit verzoek, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek:

vernietigt het ontslag op staande voet;

veroordeelt [verwerende partij] binnen twee dagen na heden tot betaling aan [verzoekende partij] van:

  • -

    een bedrag van € 5.821,50 bruto over de periode 28 maart 2016 tot en met 21 mei 2016;

  • -

    een bedrag van € 2.226,32 bruto per 4 weken, alsmede al het overige dat [verwerende partij] uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, collectieve arbeidsovereenkomst, wet of andere regeling verschuldigd is of nog zal zijn, zulks op de gebruikelijke wijze en tijdstippen, op en na 22 mei 2016 zolang de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd;

  • -

    de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de twee hiervoor genoemde posten;

  • -

    een bedrag van € 938,33 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

  • -

    de wettelijke rente over alle hiervoor genoemde bedragen vanaf de dag dat die bedragen zijn verschuldigd tot de dag der algehele voldoening.

veroordeelt [verwerende partij] in de proceskosten van [verzoekende partij] tot op heden begroot op een bedrag van € 871,00, daarin begrepen een bedrag van € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde van [verzoekende partij] , te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de 15e dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart deze beschikking – tot zover – uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

in de zaak van het tegenverzoek:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 december 2016;

veroordeelt [verwerende partij] tot betaling van de transitievergoeding ad € 16.875,95 bruto, uit te betalen uiterlijk 2 januari 2017, te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf 2 januari 2017 tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

verklaart deze beschikking – tot zover – uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.J. van den Boom, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.