Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:6277

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-10-2016
Datum publicatie
14-10-2016
Zaaknummer
AWB 15_3156
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kostendelersnorm.

Een verhoging van de bijstand op grond van artikel 18 van de Participatiewet kan slechts in zeer bijzondere omstandigheden. Hiervan is geen sprake.

Geen sprake van onevenredig zware last voor eiser door toepassing kostendelersnorm. Geen sprake van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/3156 PW

uitspraak van 7 oktober 2016 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. M.M. Spooren,

en

het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 29 april 2015 (bestreden besluit) van Baanbrekers inzake de toepassing van de kostendelersnorm ingevolge de Participatiewet.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 22 september 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Baanbrekers heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Schijndel.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser ontvangt sinds 31 december 2014 een bijstandsuitkering. Hij woont samen met zijn moeder en zus.

Bij besluit van 15 januari 2015 (primair besluit) heeft Baanbrekers aan eiser meegedeeld dat op hem de kostendelersnorm van toepassing is en dat zijn uitkering per 1 juli 2015 wordt vastgesteld op € 594,76.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij bestreden besluit zijn de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat Baanbrekers ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of er op grond van artikel 18 van de Participatiewet een nadere afstemming van de hoogte van de uitkering had moeten plaatsvinden. Verder is eiser van mening dat Baanbrekers heeft nagelaten een individuele beoordeling te maken. De stelling van Baanbrekers dat er sprake is van een bewuste keuze van de regering strookt niet met het advies van de Raad van State.

Tevens heeft eiser gesteld dat er sprake is van strijd met de wettelijke en overige bepalingen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De feitelijke grondslag is onjuist, de beslissing is onzorgvuldig tot stand gekomen en niet dan wel ondeugdelijk gemotiveerd. In een aanvullend beroepschrift heeft eiser nog gesteld dat er sprake is van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser is van mening dat er geen sprake is van een individuele belangenafweging.

3. In artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

Op grond van artikel 22a, eerste lid, van de Participatiewet, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, is de norm per kalendermaand voor de belanghebbende, indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft:

Hierbij staat:

• A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft; en

• B voor de rekennorm.

Op grond van artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, worden tot de personen, bedoeld in het eerste lid, niet gerekend de persoon, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van belanghebbende, die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft.

4. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de uitkeringsnorm van eiser op grond van artikel 18 van de Participatiewet hoger vastgesteld had moeten worden.

4.1

Eiser heeft in bezwaar gevraagd zijn bijstandsuitkering ongewijzigd voort te zetten. Hij heeft in dit verband gewezen op het bepaalde in artikel 18 van de Participatiewet waarin is bepaald dat het college bevoegd is de hoogte van de bijstand af te stemmen op de individuele omstandigheden. Baanbrekers heeft hierop pas in het verweerschrift gereageerd.

Ter zitting heeft Baanbrekers zich – anders dan in het verweerschrift – op het standpunt gesteld dat artikel 18 van de Participatiewet de mogelijkheid biedt om de bijstand te verhogen, maar dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft geoordeeld dat verhoging van de bijstand alleen in zeer bijzondere omstandigheden kan. Baanbrekers is van mening dat hiervan geen sprake is. Nu eiser in het bestreden besluit alleen het ontbreken van een hardheidsclausule heeft besproken en niet is ingegaan op artikel 18 van de Participatiewet, lijdt het bestreden besluit aan een motiveringsgebrek.

Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank is van oordeel dat er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.2

Naar vaste rechtspraak (bijvoorbeeld een uitspraak van de CRvB van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2492) is voor een individuele afstemming in de vorm van een verhoging van de bijstand slechts plaats in zeer bijzondere omstandigheden.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat zijn persoonlijke situatie moet leiden tot een hogere bijstandsuitkering heeft eiser verwezen naar een overzicht van zijn vaste lasten. Uit dit overzicht blijkt dat eiser aan vaste lasten € 342,00 heeft (kostgeld, premie ziektekostenverzekering en telefoonabonnement). In totaal heeft eiser een bedrag van € 677,76 te besteden (bijstand en zorgtoeslag), zodat een bedrag van € 335,76 resteert voor boodschappen en andere uitgaven. De rechtbank is van oordeel dat van eisers financiële situatie niet gezegd kan worden dat er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. Dat eiser zelf geen mogelijkheden ziet om zijn financiële positie te veranderen (zoals ter zitting is gesteld), maakt dit niet anders.

Ook het enkele gegeven dat eiser mantelzorger is, betekent niet dat er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. Eiser heeft in bezwaar weliswaar gesteld dat vanwege de aanwezigheid van een hulpbehoevende ouder er hoge kosten zijn, maar deze stelling heeft hij niet nader onderbouwd. De rechtbank is dan ook op basis van de stukken van oordeel dat er geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat de bijstand op grond van artikel 18 van de Participatiewet verhoogd zou moeten worden. Bij dit oordeel heeft de rechtbank tevens betrokken dat een verhoging van de bijstand op grond van artikel 18 van de Participatiewet in een situatie zoals die van eiser zou leiden tot een onaanvaardbare doorkruising van het systeem dat met de invoering van de kostendelersnorm juist is beoogd. Het gaat hier om een bewuste keuze van de wetgever. Het is daarbij niet van belang of de Raad van State een positief of negatief advies heeft gegeven over het wetsvoorstel. De rechtbank wijst erop dat het immers aan de wetgever is om de wetten vast te stellen en dat het aan de bestuursrechter is om de besluiten te toetsen aan die wetgeving. Op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen is het de bestuursrechter niet toegestaan de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet te beoordelen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan eisers beroep op artikel 18 van de Participatiewet niet slagen.

5.1

Met betrekking tot eisers beroep op het Eerste Protocol bij het EVRM overweegt de rechtbank het volgende.

Niet in geschil is dat de toepassing van de kostendelersnorm in overeenstemming is met de nationale wetgeving. De rechtbank zal de gronden van eiser die zien op de reden voor invoering van de kostendelersnorm aanmerken als een betwisting dat de kostendelersnorm een legitiem doel heeft. Verder heeft eiser aangevoerd dat toepassing van de kostendelersnorm in zijn situatie disproportioneel is ten opzichte van de daarmee beoogde doelen.

5.2

Artikel 1 van het Eerste Protocol luidt als volgt:

Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

5.3

Op grond van vaste jurisprudentie van de CRvB, zie onder meer de uitspraak van 29 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3541, moet onder de term “eigendom” (of “possessions”) in artikel 1 van het Eerste Protocol ook vermogensbestanddelen worden verstaan, met inbegrip van aanspraken, met betrekking waartoe een betrokkene kan onderbouwen dat hij ten minste een gerechtvaardigde verwachting heeft dat die zullen worden gerealiseerd. De bijstandsuitkering is een zodanige aanspraak en kan daarom worden aangemerkt als “eigendom” in de zin artikel 1 van het Eerste Protocol.

Bij beantwoording van de vraag of er sprake is van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol dient te worden getoetst of aan de in dat artikel geformuleerde voorwaarden voor die eigendomsontneming is voldaan. Beoordeeld moet worden of de inmenging bij wet is voorzien. Verder moet worden beoordeeld of de inmenging in het eigendomsrecht een legitieme doelstelling heeft in het algemeen belang en of er een behoorlijk evenwicht is behouden tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu, een en ander onder erkenning van een ruime beoordelingsmarge die de Staat heeft bij de hantering van deze criteria. Aan het proportionaliteitsvereiste wordt niet voldaan als het individu door de inmenging in het eigendomsrecht ‘an individual and excessive burden’ (een onevenredig zware last) moet dragen. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de CRvB van 11 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1070).

5.4

Tussen partijen is niet in geschil dat de inmenging bij wet is voorzien. Tussen partijen is wel in geschil de vraag of artikel 22a van de Participatiewet geheel of gedeeltelijk buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol. Specifiek is in geschil of er sprake is van een legitiem doel en zo ja, of er sprake is van een onevenredig zware last.

5.4.1

Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de kostendelersnorm is ingevoerd met het oog op de toekomstbestendigheid van de bijstand. De regering heeft willen voorkomen dat door stapeling van uitkeringen het huishoudinkomen zo hoog is dat daarmee meer dan alleen de noodzakelijke kosten worden gedekt. De regering wil bij de vaststelling van de bijstandsnorm rekening houden met de kostenvoordelen die er zijn als meerdere volwassenen samen een huishouding voeren. Daartoe wordt de bijstandsnorm voor huishoudens waarbij meer dan één persoon zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning, in overeenstemming gebracht met de lagere bestaanskosten. Hierdoor blijft de vangnetfunctie van de bijstand gewaarborgd (kamerstukken 2013-2014, 33801, nummer 3, bladzijde 3 en 4). Naar het oordeel van de rechtbank kan deze doelstelling de toets van legitimiteit doorstaan.

5.4.2

De rechtbank stelt vast dat eiser samen met zijn zus en moeder in één woning samenwoont en hierdoor bepaalde kosten kan delen. Dit levert binnen het huishouden besparingen op. Door toepassing van de kostendelersnorm wordt in beginsel beter aangesloten bij de feitelijke kosten van bestaan, ook in de situatie dat een inwonend familielid mantelzorg verleent.

Het is echter mogelijk dat toepassing van de kostendelersnorm in individuele gevallen leidt tot een onevenredig zware last, bijvoorbeeld omdat het huishouden structureel extra financiële lasten moet dragen. Eiser heeft hierop een beroep gedaan en ter onderbouwing van dit beroep verwezen naar het opgestelde financiële overzicht.

De rechtbank is van oordeel dat uit het overzicht niet blijkt van een onevenredig zware last. Voor de overwegingen daartoe verwijst de rechtbank naar hetgeen zij daaromtrent heeft overwogen onder punt 4.2. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat eiser door toepassing van de kostendelersnorm een onevenredig zware last moet dragen.

5.4.3

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol.

6. Eisers stellingen dat er sprake is van strijd met de (wettelijke) bepalingen, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat de feitelijke grondslag onjuist is, zijn niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank deze stellingen niet nader zal bespreken.

7. Nu het beroep tegen het bestreden besluit gegrond zal worden verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

8. De rechtbank zal Baanbrekers veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt Baanbrekers op het betaalde griffierecht van € 45,- te vergoeden;

- veroordeelt Baanbrekers in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. van Kralingen, voorzitter, en mr. D.H. Hamburger en mr. E.S.M. van Bergen, leden, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.