Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:6264

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
11-10-2016
Zaaknummer
AWB 15_7156
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser ontving een waarnemingstoelage en heeft in 2014 een nabetaling ontvangen van OVW-periodieken vanaf 2012. Tussen partijen is in geschil hoe de waarnemingstoelage en OVW-periodieken doorwerken in eisers salaris. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn stelling dat hij – naast een jaarlijkse OVW-periodiek in zijn vaste periodiekmaand – (ook) recht heeft op een jaarlijkse verhoging van zijn waarnemingstoelage in de maand waarin hij met zijn waarneming is gestart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 15/7156 AW

uitspraak van 5 oktober 2016 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats eiser] eiser,

gemachtigde: mr. W. de Klein,

en

de korpschef van politie, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 24 september 2015 (bestreden besluit) van de korpschef inzake de herberekening van zijn waarnemingstoelage.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 24 augustus 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Vierboom en mr. S. van der Heijden.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is aangesteld als Generalist Tactische Recherche. In deze functie wordt hij beloond conform het maximum van zijn schaal (schaal 7, trede 14). Zijn periodiekmaand is oktober.

Vanaf 10 december 2012 is eiser (voor een periode van twee jaar, tot 10 december 2014) de functie van Senior Thematische Recherche gaan waarnemen. Dit betreft een functie die beloond wordt volgens schaal 8. Partijen zijn overeengekomen dat eiser een waarnemingstoelage krijgt, die elk jaar wordt aangepast naar de naasthogere periodiek. Het startpunt van de waarnemingstoelage is het verschil tussen schaal 7, trede 14, en schaal 8, trede 10.

Na de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nationale Politie (LFNP) is besloten dat rekening wordt gehouden met verzwarende elementen van het politiewerk die voorheen ondergewaardeerd zijn geweest. Aan LFNP-functies zijn voor deze ‘onvermijdelijk verzwarende werkomstandigheden’ (OVW) punten toegekend. In de politie-cao 2012/2014 zijn afspraken gemaakt over LFNP-functies die minimaal 24 OVW-punten scoren. Politieambtenaren met een dergelijke functie krijgen na het bereiken van het maximum van hun schaal, recht op OVW-periodieken. Dit recht ontstaat vanaf 2012, in de reguliere periodiekmaand. In 2014 is dit – met terugwerkende kracht vanaf 2012 – ingevoerd en met ingang van juli 2014 is de korpschef feitelijk begonnen met het verrichten van (na-)betalingen aan functionarissen die aanspraak konden maken op OVW-periodieken.

Op eisers salarisstrook van oktober 2014 staat de waarnemingstoelage vermeld, alsmede een bedrag in verband met OVW-periodieken.

Op eisers salarisstrook van november 2014 staat de waarnemingstoelage niet meer vermeld; de OVW-periodieken nog wel.

Bij brief van 16 december 2014 is eiser geïnformeerd over (onder meer) de afronding van de uitbetaling van OVW-periodieken. In deze brief staat dat bij de salarisbetaling van december 2014 de laatste nabetaling plaatsvindt. Ook staat in deze brief dat als eiser het niet eens is met het totaal van deze betalingen, hij bezwaar kan maken tegen de salarisstrook van december 2014.

Eiser heeft op 27 januari 2015 bezwaar gemaakt tegen de salarisstroken van november en december 2014, en tegen de brief van 16 december 2014. De korpschef heeft het bezwaar opgevat als zijnde gericht tegen de beëindiging van de waarnemingstoelage, zoals aan eiser bekend is gemaakt bij de salarisstrook van november 2014.

Bij besluit van 27 maart 2015 heeft de korpschef aan eiser laten weten dat de stopgezette waarnemingstoelage weer aan hem wordt toegekend, met ingang van 1 november 2014. Daarnaast heeft de korpschef een nieuw waarnemingsbesluit aan eiser doen toekomen. De korpschef heeft eiser gevraagd of hij hierin aanleiding ziet om het bezwaar in te trekken.

Bij brief van 3 juli 2015 heeft eiser laten weten dat de korpschef met het besluit van 27 maart 2015 niet volledig tegemoet is gekomen aan zijn bezwaren. Eiser geeft in deze brief een berekening van (de opbouw van) de waarnemingstoelage en OVW-periodieken waar hij vanaf 2012 recht op meent te hebben.

Bij het bestreden besluit heeft de korpschef de bezwaren van eiser tegen de salarisstrook van november 2014 en het besluit tot herberekening van de waarnemingstoelage ongegrond verklaard. De bezwaren van eiser tegen de salarisstrook van december 2014 zijn niet-ontvankelijk verklaard.

Beëindiging waarnemingstoelage/proceskosten bezwaar

2. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van de waarnemingstoelage, zoals bekend gemaakt bij de salarisstrook van november 2014. De korpschef heeft dit besluit ingetrokken bij besluit van 27 maart 2015. Het besluit van 27 maart 2015 is een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat het bezwaar van eiser ook geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit van 27 maart 2015.

3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de korpschef op dit punt aan de bezwaren van eiser tegemoet is gekomen. Volgens eiser heeft de korpschef in het bestreden besluit ten onrechte geen proceskosten in bezwaar toegekend. De korpschef heeft dit erkend en heeft de rechtbank verzocht hierover een uitspraak te doen.

4. De rechtbank zal daarom het beroep van eiser gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, voor zover daarin geen proceskosten in bezwaar zijn toegekend. De (hoogte van de) proceskostenveroordeling zal onder rechtsoverweging 16 aan de orde komen.

Ontvankelijkheid bezwaar salarisstrook december 2014

5. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de salarisstroken van november en december 2014, omdat hij het niet eens is met hoe de waarnemingstoelage en de OVW-periodieken doorwerken in zijn salaris.

6. De korpschef heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, voor zover dit is gericht tegen de salarisstrook van december 2014. Volgens de korpschef is eisers salaris in december 2014 namelijk niet gewijzigd ten opzichte van het salaris in november 2014.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef eisers bezwaar tegen de salarisstrook van december 2014 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Uit de brief van 16 december 2014 blijkt immers dat er in december 2014 een laatste nabetaling zal plaatsvinden ten aanzien van de OVW-periodieken. Verder staat in de brief vermeld dat – als eiser het niet eens is met het totaal van deze betalingen – hij bezwaar kan maken tegen de salarisstrook van december 2014. Eiser kon daarom pas naar aanleiding van de salarisstrook van december 2014 bepalen of de nabetaling van de OVW-periodieken naar zijn idee op juiste wijze had plaatsgevonden. Nu het bezwaar was gericht tegen zowel de beëindiging van de waarnemingstoelage als tegen de (na-)betaling van de OVW-periodieken, kan niet worden geoordeeld dat eisers bezwaar niet tegen een handeling was gericht die (rechts-)gevolg had. Het bestreden besluit zal ook op dit punt worden vernietigd.

Berekening waarnemingstoelage en OVW-periodieken

8. Tussen partijen is in geschil hoe de waarnemingstoelage en OVW-periodieken doorwerken in eisers salaris, in de periode van oktober 2012 tot en met december 2014.

9. Tussen partijen is het navolgende niet in geschil:

  • -

    Eiser begon in 2012 (vóór de waarnemingstoelage en OVW-periodieken) in schaal 7, trede 14. Dit is het maximum in schaal 7;

  • -

    In 2014 zijn de OVW-periodieken herberekend, met terugwerkende kracht vanaf januari 2012. Met deze OVW-periodieken wordt voor het eerst rekening gehouden in de periodiekmaand van de betrokken politieambtenaar. Voor eiser is dat oktober 2012;

  • -

    Eiser heeft met ingang van 10 december 2012 recht op een waarnemingstoelage;

  • -

    De OVW-periodieken behoren tot het salaris.

10. Artikel 17, derde lid, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) luidt – voor zover van belang – als volgt:

Bij volledige waarneming van de functie is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat de ambtenaar zou genieten, wanneer de salarisschaal met het hogere maximumsalaris met ingang van de dag waarop de waarneming is begonnen, voor hem zou hebben gegolden.

11. De rechtbank stelt vast dat in het dossier van beide partijen een schematische opbouw van het salaris zit. Deze berekening gaat in 2013 uit elkaar lopen. Dit komt omdat eiser uitgaat van twee salarismomenten: oktober (zijn vaste periodiekdatum, die geldt voor de OVW-periodieken) en december (in verband met de waarnemingstoelage). De korpschef gaat vanaf 2013 uit van één salarismoment, in oktober. Volgens de korpschef wijzigt dan de OVW-periodiek en ontstaat er daardoor ook een wijziging in de waarnemingstoelage.

12. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn stelling dat hij in de maand december (ook) recht heeft op een verhoging van zijn waarnemingstoelage. De waarnemingstoelage is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat eiser geniet (schaal 7, verhoogd met eventuele OVW-periodieken) en het salaris dat hij zou genieten als de schaal 8-functie voor hem had gegolden. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat zijn periodiekmaand (oktober) nooit wijzigt. Dit betekent dat als eiser in december 2012 was benoemd in de schaal 8-functie, hij in oktober 2013 een extra periodiek had gekregen en niet in december 2013. De rechtbank ziet dan ook niet in waarom voor de berekening van de waarnemingstoelage er in december wél een extra salarisverhoging zou gelden.

De door eiser bepleite redenering zou tot gevolg hebben dat hij, anders dan een collega met een aanstelling in de door eiser waargenomen schaal 8-functie én anders dan een collega die om een andere reden geen aanspraak heeft op een waarnemingstoelage, op twee momenten, te weten oktober én december een periodiek (of OVW-periodiek) verhoging van zijn salaris zou ontvangen. De waarnemingstoelage is juist bedoeld om eiser financieel in een gelijke positie te brengen als de collega die is aangesteld in de schaal 8-functie, en niet om hem in een betere positie te brengen. Eisers beroep kan op dit punt dan ook niet slagen.

13. Voor zover het voor eiser onduidelijk was hoe zijn beloning zich in de afgelopen periode heeft ontwikkeld, gelet op de nabetalingen van de OVW-periodieken en de waarnemingstoelage, geeft het onderstaande schema geeft weer wat de doorwerking van de waarnemingstoelage en de OVW-periodieken op eisers salaris is geweest:

Salarismoment

Schaal 7

Schaal 8 (als eiser was benoemd in de waargenomen functie)

Wat krijgt eiser?

2012 (vóór toekenning OVW-periodiek of waarnemingstoelage)

Trede 14 (maximum)

Niet van toepassing

Schaal 7, trede 14

1 oktober 2012

(toekenning OVW-periodiek)

OVW 1

Niet van toepassing

Schaal 7, OVW 1

12 december 2012 (start waarneming schaal 8-functie)

OVW 1

Trede 11

Schaal 7 OVW 1 +

waarnemingstoelage (verschil schaal 7 OVW 1 en schaal 8, trede 11)

1 oktober 2013

OVW 2

Trede 12

Schaal 7 OVW 2 + waarnemingstoelage (verschil schaal 7 OVW 2 en schaal 8, trede 12)

1 oktober 2014

OVW 3

Trede 13

Schaal 7 OVW 3 + waarnemingstoelage (verschil schaal 7 OVW 3 en schaal 8, trede 13

Dit is ook de ontwikkeling van de beloning waar de korpschef van uit is gegaan. De rechtbank verwijst daarbij naar het schematische overzicht van de korpschef, zoals is weergegeven in het verweerschrift van 19 mei 2016. Dit betekent dat de korpschef de waarnemingstoelage en de OVW-periodieken op een juiste wijze heeft toegepast op eisers salaris. Het bestreden besluit kan in zoverre de rechterlijke toets doorstaan.

Conclusie

14. Het beroep zal gegrond worden verklaard. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, voor zover de korpschef geen proceskosten heeft toegekend in bezwaar en voor zover het bezwaar van eiser tegen de salarisstrook van december 2014 niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de korpschef zal worden veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten in bezwaar. Daarnaast zal de rechtbank het bezwaar van eiser tegen de salarisstrook van december 2014 ongegrond verklaren. De korpschef heeft immers de waarnemingstoelage en OVW-periodieken op een juiste wijze laten doorwerken in eisers beloning.

15. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

16. De rechtbank zal de korpschef veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.984,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 496, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij geen proceskosten in bezwaar zijn toegekend en het bezwaar tegen de salarisstrook van december 2014 niet-ontvankelijk is verklaard;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen de salarisstrook van december 2014 ongegrond;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    draagt de korpschef op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de korpschef in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.984,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzitter, en mr. D. van Kralingen en mr. W. Toekoen, leden, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2016.

De griffier is buiten staat deze

uitspraak mede te ondertekenen.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.