Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:6158

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-09-2016
Datum publicatie
03-01-2017
Zaaknummer
BRE - 15 _ 3828 en 15/7163
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:2635, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 7.2 Wet IB 2001, art. 15 Verdrag Ne-Be, art. 13 en 14 Vo 1408/71, art. 13 Vo 883/2004.

Belanghebbende woont in België en is in dienst bij een Nederlandse werkgever. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat met de werkgever is overeengekomen dat zij binnen de normale arbeidstijd werkzaamheden buiten Nederland zou verrichten. De dienstbetrekking wordt dan geacht geheel in Nederland te zijn vervuld, waardoor de belastingheffing geheel aan Nederland is toegewezen. Evenmin is aannemelijk geworden dat belanghebbende haar werkzaamheden in België pleegde uit te oefenen of dat zij dat voor een substantieel gedeelte deed. Zij is daarom in Nederland verzekerd en dus premieplichtig. Door één van de bezwaarschriften en een ingebrekestelling naar een onjuist adres te verzenden, heeft de gemachtigde bewust het risico aanvaard dat deze stukken de inspecteur niet tijdig zouden bereiken en zijn de gevolgen daarvan voor risico van belanghebbende. Belanghebbende heeft geen recht op immateriëleschadevergoeding of een dwangsom.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 7.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/36
V-N 2017/9.2.1
FutD 2017-0114
NTFR 2017/922 met annotatie van mr. drs. A.C.M. Kuypers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 15/3828, 15/7163

uitspraak van 28 september 2016

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] (België),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2008 en 2010 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.516 (2008) respectievelijk € 28.395 (2010).

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 22 mei 2015 (2008) respectievelijk 27 oktober 2015 (2010) de aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brieven van 2 juni 2015 (2008) respectievelijk 2 november 2015 (2010), ontvangen bij de rechtbank op 4 juni respectievelijk 6 november 2016, beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van tweemaal € 45.

1.4.

De inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd.

1.6.

Belanghebbende heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend, getiteld: Slotconclusie (Syntheseconclusie), met bijlagen. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft in het openbaar plaatsgevonden op 24 augustus 2016 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde 1] (hierna: de gemachtigde), verbonden aan [kantoor gemachtigde] te [vestigingsplaats] , tot bijstand vergezeld van [vergezel] , en namens de inspecteur, [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] . Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal gemaakt dat tegelijk met deze uitspraak aan partijen wordt gezonden.

1.8.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een mondelinge uitspraak aangekondigd. Bij brief van 7 september 2016 is aan partijen medegedeeld dat de rechtbank besloten heeft om binnen zes weken een schriftelijke uitspraak te doen.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende was in 2008 en 2010 woonachtig in [woonplaats] (België). Zij werkte in die jaren in dienstbetrekking bij [werkgever] te Breda.

2008

2.2.

Het door belanghebbende in 2008 genoten bruto jaarloon bedroeg € 31.516, waarop € 8.203 loonheffing is ingehouden.

23. Aan belanghebbende is met dagtekening 17 februari 2011 een voorlopige aanslag IB/PVV 2008 opgelegd. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag bezwaar en beroep ingesteld, stellende dat zij in Nederland noch belastingplichtig, noch verzekeringsplichtig is zodat de voorlopige aanslag vernietigd diende te worden. Bij uitspraak van 9 oktober 2014 heeft het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard (rolnr. 12/00653, ECLI:NL:GHSHE:2014:4201). De Hoge Raad heeft op 22 mei 2015 (rolnr. 14/05551, ECLI:NL:HR:2015:1277) het beroep in cassatie verworpen.

2.4.

Aan belanghebbende is met dagtekening 18 november 2011 de definitieve aanslag IB/PVV 2008 opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaarschrift is op 7 december 2011 door de inspecteur ontvangen. Belanghebbende heeft verzocht om uitstel van de uitspraak op bezwaar tot in een zaak van een andere belanghebbende, [de zaak] , is beslist. De inspecteur heeft dit verzoek gehonoreerd.

2.5.

De gemachtigde heeft een brief, gedagtekend 27 april 2015, naar het Ministerie van Financiën gezonden getiteld ‘Dwangsom inzake niet tijdig beslissen; Claim immateriële schadevergoeding’ en gericht aan ‘een onbekende segment inspecteur’. In de brief staat belanghebbende als schadegerechtigde vermeld. De brief vermeldt als onderwerp gevraagde beslissing/verzoek: ‘Bezwaar DA IB/PVV 2008’. In de brief staat verder: ‘Belanghebbende claimt een immateriële schadevergoeding indien onverhoopt de beslissing niet binnen een halfjaar kenbaar is gemaakt.’ en: ‘Datum ondertekening 27-4-2015, Datum ingang dwangsom + 14 dg. 11-5-2015’. De brief is op het Ministerie van Financiën ontvangen op 30 april 2015 en doorgezonden naar de inspecteur op 18 mei 2015. De inspecteur heeft de brief ontvangen op 19 mei 2015.

2010

2.6.

Het door belanghebbende in 2010 genoten bruto jaarloon bedroeg € 28.395, waarop € 6.604 loonheffing is ingehouden.

2.7.

Aan belanghebbende is met dagtekening 7 juni 2013 de aanslag IB/PVV 2010 opgelegd.

2.8.

Belanghebbende heeft een bezwaarschrift ingediend, gedagtekend 10 juni 2013, gericht aan het Ministerie van Financiën, de landelijk inspecteur, [naam inspecteur] en geadresseerd aan het Ministerie van Financiën in Den Haag.

2.9.

De gemachtigde heeft een brief, gedagtekend 12 oktober 2015, gezonden naar de belastingdienst Heerlen, Postbus 4486, NL.-6401 CZ Heerlen, t.a.v. [gemachtigde 2] getiteld ‘Dwangsom inzake niet tijdig beslissen; Claim immateriële schadevergoeding’. In de brief staat belanghebbende als schadegerechtigde vermeld. De brief vermeldt als onderwerp gevraagde beslissing/verzoek: ‘Bezwaar DA IB/PVV 2008’. In de brief staat verder: ‘Belanghebbende claimt een immateriële schadevergoeding indien onverhoopt de beslissing niet binnen een halfjaar kenbaar is gemaakt.’ en: ‘Datum ondertekening 12-10-2015, Datum ingang dwangsom + 14 dg. 22-10-2015’. De inspecteur heeft de brief op 14 oktober ontvangen.

2.10.

Naar aanleiding van de in 2.9. vermelde brief heeft de inspecteur de gemachtigde medegedeeld nooit een bezwaarschrift te hebben ontvangen. De inspecteur heeft de gemachtigde bij brief van 22 oktober 2015 gelegenheid geboden om uiterlijk op 26 oktober 2015 te worden gehoord en inzage in de stukken te verkrijgen. In de periode van 21 tot en met 26 oktober 2015 heeft een e‑mailwisseling plaatsgevonden tussen de inspecteur en de gemachtigde. De gemachtigde heeft hierin aangegeven dat een hoorgesprek op 26 oktober 2015 niet mogelijk was en heeft verzocht om inzage in de stukken te krijgen op het belastingkantoor in Tilburg. Bij uitspraak op bezwaar van 27 oktober 2015 heeft de inspecteur de bezwaren van belanghebbende afgewezen. Er is geen dwangsom toegekend.

Algemeen

2.11.

De Sociale Verzekeringsbank heeft bij besluit van 1 december 2008 bepaald dat belanghebbende onafgebroken verzekerd is geweest in Nederland tot 1 december 2008 en heeft bij besluit van 4 september 2012 verklaard dat dat ook geldt voor de periode daarna. Ook de Belgische Rijksdienst voor Sociale Zekerheid heeft bij besluit van 6 november 2007 vastgesteld dat belanghebbende onderworpen is aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving omdat zij slechts op zeer occasionele basis werkzaamheden uitvoerde in België.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of:

- het inzagerecht in de bezwaarfase is geschonden;

- er reden is voor omkering en verzwaring van de bewijslast;

- belanghebbende belastingplichtig is in Nederland;

- belanghebbende premieplichtig is in Nederland;

- belanghebbende recht heeft op dwangsommen wegens het te laat doen van uitspraken op bezwaar;

- belanghebbende recht heeft vergoeding van immateriële schade.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen daar ter zitting aan is toegevoegd.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en van de aanslagen, toekenning van dwangsommen en immateriëleschadevergoeding.

3.4.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.5.

Niet langer in geschil is dat de ter zitting verschenen inspecteur bevoegd is de inspecteur te vertegenwoordigen.

4 Beoordeling van het geschil

Hoor- en inzagerecht

4.1.

Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift verzocht te worden gehoord en tevens om inzage in zijn fiscaal dossier.

2008

4.2.

De inspecteur heeft bij brief van 15 april 2015 aangekondigd de uitspraak op bezwaar te zullen doen vóór 1 juni 2015 en gelegenheid geboden om te worden gehoord en inzage in de stukken te verkrijgen. Dat is een zeer ruime termijn; ruim genoeg voor de gemachtigde om een afspraak te maken. De gemachtigde heeft niet gereageerd op de door de inspecteur voor een hoorgesprek voorgestelde data.

4.3.

Bij brief gedagtekend 27 april 2015 heeft de gemachtigde de inspecteur in gebreke gesteld. Deze brief is niet geadresseerd aan het postadres dat op de aanslagbiljet stond maar aan het Ministerie van Financiën. De gemachtigde heeft daarmee bewust het risico aanvaard dat de ingebrekestelling niet of niet tijdig door de bevoegde inspecteur zou worden ontvangen. De stelling van de gemachtigde dat hij niet wist wie de bevoegde inspecteur was, snijdt geen hout nu dat losstaat van het adres waar de correspondentie over de aanslag naar toe gezonden moet worden. De gevolgen van de onjuiste adressering horen dan voor risico van de belanghebbende te komen.

4.4.

De inspecteur heeft de ingebrekestelling ontvangen op 19 mei 2015 en heeft op 22 mei 2015 uitspraak gedaan. Dat belanghebbende toen niet was gehoord, kan de inspecteur onder de hiervoor geschetste omstandigheden niet worden verweten. Van een schending van het hoor- en inzagerecht is geen sprake.

2010

4.5.

De gemachtigde heeft het bezwaarschrift niet geadresseerd aan het postadres dat op het aanslagbiljet was vermeld, maar aan het Ministerie van Financiën. Hij heeft daarmee bewust het risico aanvaard dat het bezwaarschrift niet door de bevoegde inspecteur zou worden ontvangen. De stelling van de gemachtigde dat hij niet wist wie de bevoegde inspecteur was, snijdt geen hout nu dat losstaat van het adres waar de correspondentie over de aanslag naar toe gezonden moet worden. De gevolgen van de onjuiste adressering horen dan voor het risico van de belanghebbende te komen. Dit klemt te meer nu de inspecteur de gemachtigde al zeer ter wille is geweest door aan te nemen dat het bezwaarschrift (dat op het ministerie blijkbaar verloren is gegaan) inderdaad is verzonden op de dag die de gemachtigde aangeeft; enig bewijs van verzending heeft de gemachtigde immers niet geleverd.

4.6.

Door de onjuiste adressering van het bezwaarschrift heeft de inspecteur pas door de ingebrekestelling kennis genomen van het bestaan daarvan. De inspecteur heeft de gemachtigde bij brief van 22 oktober 2015 voorgesteld uiterlijk 26 oktober 2015 een hoorgesprek te plannen. Belanghebbende heeft uiteindelijk medegedeeld dat op 26 oktober of eerder geen hoorgesprek mogelijk was, waarna de inspecteur uitspraak heeft gedaan. Dat belanghebbende toen niet was gehoord, kan de inspecteur onder de hiervoor geschetste omstandigheden niet worden verweten. Van een schending van het hoor- en inzagerecht is geen sprake.

Bewijslast

4.7.

De inspecteur heeft gesteld dat er reden is voor omkering en verzwaring van de bewijslast omdat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan. De aangifte over 2008 is gedateerd en ondertekend en vermeldt het bedrag aan salaris, maar niet de naam van de werkgever noch de ingehouden loonheffing. Nu de inspecteur ambtshalve over die informatie beschikt door de renseignering van de werkgever, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een zodanige omissie dat die moet leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast. De aangifte over 2010 bestaat alleen uit een gedateerd en ondertekend voorblad waarbij bij brief is aangevuld waarom, naar de mening van belanghebbende, geen sprake is van belasting- of premieplicht. Van een dergelijke combinatie kan niet worden gezegd dat dit niet de vereiste aangifte is. De normale regels van bewijslastverdeling zijn dus van toepassing.

De belastingplicht

4.8.

Op grond van artikel 7.2, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001 bestaat voor een buitenlandse belastingplichtige het belastbaar inkomen uit werk en woning in Nederland uit het belastbaar loon ter zake van het in Nederland verrichten of verricht hebben van arbeid. Op deze hoofdregel introduceert artikel 7.2, zevende lid, van de Wet IB 2001 een uitzondering. Die bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“De gedeeltelijk buiten Nederland vervulde dienstbetrekking voor een inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, wordt geacht geheel in Nederland te zijn vervuld. De eerste volzin vindt geen toepassing voorzover het loon uit die dienstbetrekking met inachtneming van de Belastingregeling voor het Koninkrijk of verdragen waarbij de Staat der Nederlanden partij is, feitelijk is onderworpen aan een belasting naar het inkomen die door of vanwege een andere mogendheid wordt geheven. (...)”

Artikel 15 van het Belastingverdrag Nederland-België van 5 juni 2001 (hierna: het Verdrag) bepaalt in paragraaf 1:

“Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 16, 18, 19 en 20 zijn lonen, salarissen en andere soortgelijke beloningen verkregen door een inwoner van een verdragsluitende Staat ter zake van een dienstbetrekking slechts in die Staat belastbaar, tenzij de dienstbetrekking in de andere verdragsluitende Staat wordt uitgeoefend. Indien de dienstbetrekking aldaar wordt uitgeoefend, mogen de ter zake daarvan verkregen beloningen in die andere Staat worden belast.”

4.9.

Vaststaat dat belanghebbende haar werk in beginsel verricht in Nederland (Breda). Belanghebbende heeft gesteld dat zij ook buiten Nederland arbeid heeft verricht en dat Nederland geen heffingsrecht heeft over de dagen waarop dat gebeurde. Zij stelt dat zij jaarlijks een week mee ging op een bloemen- en plantenreis naar Italië met lezers van het blad waarvoor zij werkte, enkele malen per jaar een bespreking had met de hoofdredacteur België in Zoersel en Antwerpen, zij kerstshows in tuincentra in België bezocht en zij van huis uit vertaal- en onderzoekswerk deed. De inspecteur heeft verklaard dat de werkgever telefonisch aan hem heeft bevestigd dat belanghebbende haar werkzaamheden uitsluitend in Nederland uitvoerde.

4.10.

Nu belanghebbende in dienst is van een Nederlandse werkgever en haar standplaats heeft in Breda, geldt als uitgangspunt dat het toegekende salaris betrekking heeft op alle in het kader van de dienstbetrekking overeengekomen werkzaamheden (Hoge Raad, 22 november 2013, nr. 13/00351, BNB 2015/191, ECLI:NL:HR:2013:1261). Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zij met de werkgever is overeengekomen dat zij binnen de normale arbeidstijd werkzaamheden buiten Nederland zou verrichten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de werkgever heeft verklaard dat alle werkzaamheden in Nederland plaatsvonden. De rechtbank heeft geen reden aan de juistheid van de weergave van dat telefoongesprek door de inspecteur te twijfelen, te meer nu belanghebbende alle tijd heeft gehad om een andersluidende verklaring van haar werkgever over te leggen en zij dat niet heeft gedaan. Het vorenoverwogene geldt ook voor de bezoeken aan Berchem in België, nu de inspecteur heeft ontkend dat de salariëring mede daarop betrekking had en belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat dat wel zo was.

4.11.

Niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende ook in België belasting heeft betaald over (een deel van) haar salaris. Het gegeven dat in België een aanvullende gemeentebelasting over het salaris wordt geheven, telt niet als belastingheffing in de hier vermelde zin ( Hoge Raad van 17 juli 2013 (nr. 12/00517, BNB 2013/195, ECLI:NL:HR:2013:30). De dienstbetrekking wordt dan geacht geheel in Nederland te zijn vervuld.

De verzekeringsplicht

4.12.

Op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van de Verordening (EG) 1408/71 (hierna: de Vo 1408/71) is, onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17, op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing, zelfs indien diegene in een andere lidstaat woont. In artikel 14, tweede lid, Vo 1408/71 is ten aanzien van de toepassing van artikel 13, tweede lid, onderdeel a, Vo 1408/71 een uitzondering geformuleerd. Die uitzondering geldt voor degene die op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt uit te oefenen. Dan is de wetgeving van de woonstaat van toepassing. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in de zaak Format (4 oktober 2012, C-115/11, BNB 2013/38, ECLI:EU:C:2012:606) overwogen dat ‘louter incidentele’ werkzaamheden in een andere lidstaat veronachtzaamd worden voor de beoordeling of van ‘plegen’ sprake is.

4.13.

Met ingang van 1 mei 2010 geldt dat op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, de wetgeving van de lidstaat waar hij woont alleen van toepassing is indien hij op dit grondgebied een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht (artikel 13, Vo 883/2004).

4.14.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende haar werkzaamheden mede in België uitoefende, en zeker niet dat zij dat pleegde te doen of voor een substantieel gedeelte deed. De rechtbank verwijst naar hetgeen is overwogen in 4.9 en 4.10. Belanghebbende is in Nederland verzekerd en dus premieplichtig.

Immateriële schade?

2008

4.15.

Het bezwaarschrift over 2008 is ingediend op 29 november 2011 en bij de inspecteur ingekomen op 7 december 2011. De rechtbank doet uitspraak op 28 september 2016. Dat is 59 maanden na de indiening van het bezwaarschrift.

4.16.

Uit de emailcorrespondentie tussen de gemachtigde en de inspecteur in augustus 2013 volgt dat de uitspraak was opgeschort op verzoek van de gemachtigde. Uit de stukken blijkt niet wanneer dat verzoek is gedaan. De gemachtigde heeft op 21 augustus 2013 aan de inspecteur gevraagd de opschorting te verlengen tot dat op het cassatieberoep in een andere zaak ( [de zaak] ) was beslist. De inspecteur heeft daar op 26 augustus 2013 mee ingestemd. Op 30 augustus 2013 heeft de inspecteur de motivering van de opschorting gewijzigd (hij wilde afloop van de procedure over de voorlopige aanslag 2008 van belanghebbende afwachten).

4.17

Nu belanghebbende, om welke reden dan ook, heeft ingestemd met opschorting van de uitspraak, ziet de rechtbank reden om de periode die is verlopen tussen 10 februari 2012 (de “normale” uitspraakdatum) en 15 april 2015 (de datum waarop de inspecteur heeft bericht dat hij voornemens was uitspraak te doen) buiten beschouwing te laten. Hetgeen de rechtbank in 4.3. heeft overwogen, is mede reden om niet uit te gaan van de datum van ingebrekestelling. Buiten beschouwing blijft dan een periode van 37 maanden.

4.18.

De relevante termijn waarbinnen uitspraak wordt gedaan is dan 59 min 37 of 22 maanden. Van een overschrijding van de redelijke termijn is geen sprake zodat er geen reden is voor een immateriële schadevergoeding.

2010

4.19.

Het bezwaarschrift is gedateerd 10 juni 2013. De rechtbank doet uitspraak op 28 september 2016. Dat is 41 maanden na indiening van het bezwaarschrift.

4.20.

De uitspraak is gedaan op 27 oktober 2015. De vertraging is ontstaan doordat het bezwaarschrift de inspecteur niet heeft bereikt. Zoals de rechtbank heeft overwogen in 4.5. horen de gevolgen van het bewust onjuist adresseren van het bezwaarschrift voor rekening van belanghebbende te komen. Die vertraging is ruim 24 maanden. Van een overschrijding van de redelijke termijn is dan geen sprake zodat er geen reden is voor een immateriële schadevergoeding.

Dwangsom?

2008

4.21.

Belanghebbende claimt een dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaar. De rechtbank acht aannemelijk dat de overschrijding is veroorzaakt door de bewust onjuiste adressering van de ingebrekestelling. Zoals is overwogen in 4.3. behoren de gevolgen daarvan voor rekening van belanghebbende te komen. Er is dan geen reden voor toekenning van een dwangsom.

2010

4.22.

De inspecteur heeft binnen 14 dagen na ontvangst van de ingebrekestelling uitspraak gedaan. De stelling van belanghebbende dat voor het toekennen van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen niet de dagtekening van de uitspraak, maar de dag van ontvangst in België beslissend is, vindt geen steun in het recht. Niet is gesteld of gebleken dat de uitspraak op een latere datum dan de dagtekening ter post is bezorgd.

Conclusie

4.23.

Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen ongegrond verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 28 september 2016 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.A. Riemens, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.