Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:5915

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-09-2016
Datum publicatie
26-09-2016
Zaaknummer
C/02/275919 / HA ZA 14-49
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:5186, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Voor de vraag of hinder onrechtmatig is, zijn bepalend de criteria van artikel 6:162 BW. De in artikel 5:37 BW beschreven hinder moet dus altijd in samenhang met dat artikel worden bezien. Het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is blijkens vaste rechtspraak van de Hoge Raad afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval waaronder de plaatselijke omstandigheden. In de onderhavige zaak gaat het om overlast door laagfrequente geluiden en geluidsoverlast door het produceren van versterkte en onversterkte muziek. De rechtbank overweegt dat ook laagfrequente geluiden die weliswaar binnen de normen van het Bouwbesluit blijven als onrechtmatig gekwalificeerd kunnen worden, afhankelijk van de frequentie en de duur waarmee deze geluiden worden geproduceerd. De rechtbank is in dit geval, gelet op de feiten en omstandigheden, echter van oordeel dat de laagfrequente geluiden die door eiser hoorbaar zijn in zijn woning vanuit het gemeenschapshuis niet als onrechtmatig gekwalificeerd moeten worden. Ten aanzien van de geluidsoverlast die eiser ervaart door het produceren van versterkte en onversterkte muziek concludeert de rechtbank dat wel sprake is van onrechtmatige hinder. De beheerder van het gemeenschapshuis wordt veroordeeld tot het aanbrengen van een geluidbegrenzer op de muziekinstallatie. Er wordt een verbod opgelegd tot het produceren van muziekgeluid boven een bepaalde grenswaarde. De beheerder van het gemeenschapshuis wordt veroordeeld tot het vergoeden van de immateriële schade die eiser heeft geleden als gevolg van de geluidsoverlast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2016/130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/275919 / HA ZA 14-49

Vonnis van 21 september 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

eiser,

advocaat mr. R.A.J. Zomer,

tegen

1. de vereniging

VERENIGING BELANGEN OOSTEIND,

gevestigd te Oosteind,

gedaagde,

advocaat mr. R.J.M. Sintnicolaas,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

[gemeente] ,

zetelend te [naam B] ,

gedaagde,

advocaat mr. K. Meijering.

Partijen zullen hierna [eiser] , VBO en de gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 21 mei 2014 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de aktes overleggen producties van [eiser] met producties 42 t/m 47;

  • -

    de akte overleggen producties van de gemeente met producties 17 t/m 19;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 10 juli 2014;

  • -

    de aktes overleggen producties van de gemeente met producties 20 t/m 25;

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting van comparitie van 16 december 2014;

  • -

    de conclusie van repliek tevens houdende wijziging van eis van 14 januari 2015 met producties 48 t/m 53;

  • -

    de conclusie van dupliek tevens antwoordakte wijziging van eis van VBO;

  • -

    de conclusie van dupliek tevens antwoordakte wijziging van eis van de gemeente met producties 26 t/m 32;

  • -

    de akte houdende verzoek om nadere conclusie van [eiser] ;

  • -

    de akte na conclusies van dupliek van [eiser] met productie 54;

  • -

    de antwoordakte van VBO;

  • -

    de antwoordakte van de gemeente met producties 33 t/m 35.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert, samengevat,

1. gedaagden te verbieden café “ [naam café] ” te exploiteren en daar enige activiteit uit te oefenen, totdat een onderzoek met een hamerapparaat door onafhankelijke deskundigen overtuigend aantoont dat de vloer van café “ [naam café] ” en de daaraan belendende keuken zodanig zijn geïsoleerd dat er geen (contact)geluid meer hoorbaar of waarneembaar is in de woningkamer en het kantoor van eiser;

2. gedaagden te verbieden geluid te (doen) produceren in het [naam dorpshuis] , door middel van versterkte of onversterkte (live) muziek, die de navolgende normen overschrijden:

a. voor café “ [naam café] ” in de avond 85 dB(A) en in de nacht 80 dB(A);

b. voor de bovenzaal in de avond 83 dB(A) en in de nacht 78 dB(A);

c. voor de achterzaal in de avond 103 dB(A) en in de nacht 98 dB(A);

3. gedaagden te gelasten de geluidsinstallaties in de verschillende ruimtes van het [naam dorpshuis] te voorzien van verzegelde begrenzers tot bepaalde geluidsniveaus en de gemeente te gelasten toe te zien op handhaving van de verzegeling;

4. gedaagden te gebieden een hek te plaatsen ter afsluiting van het gangpad dan wel te gehengen en gedogen dat [eiser] zelf een hekwerk aanbrengt om de gang tussen de panden af te sluiten (op een vluchtveilige wijze);

5. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van een dwangsom per overtreding van de gevorderde geboden dan wel niet naleving van de gevorderde geboden en per dag dat de overtreding daarna voortduurt;

6. de gemeente te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding van € 6.399,18 betreffende de schade aan de woning van [eiser] , veroorzaakt door werkzaamheden in de steeg;

7. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de vermogensschade die [eiser] heeft geleden als gevolg van gederfde omzet en bedrijfsresultaten van zijn eenmanszaak, alsook immateriële schade, nader op te maken bij staat;

8. gedaagden te veroordelen tot betaling van wettelijke rente en de proceskosten.

2.2.

VBO en de gemeente voeren verweer.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten.

a. [eiser] woont sinds 2006 in een huis aan de [adres eiser] ( [gemeente] ). In de woning is ook zijn eenmanszaak gevestigd.

b. Naast de woning van [eiser] , op het adres [adres dorpshuis] , wordt dorpshuis [naam dorpshuis] geëxploiteerd door VBO. VBO huurt het pand van de gemeente, die eigenaresse is van het pand.

c. Tussen de panden van [eiser] en het [naam dorpshuis] loopt een steeg, die hoort bij het perceel van de gemeente. De steeg geeft toegang tot (de achterzijde van) het perceel.

d. Het [naam dorpshuis] bestaat uit een achterzaal, een bovenzaal en een benedenzaal (aan de voorkant van het pand), “café [naam café] ” genaamd (hierna: [naam café] ).

Vordering onder 1.

3.2.

Aan de vordering onder 1. legt [eiser] het volgende ten grondslag. [eiser] heeft sinds de verbouwing en isolatie van [naam café] last van lage tonen, afkomstig van [naam café] . Ook vanuit de belendende keuken, die niet geïsoleerd is, wordt geluid doorgegeven naar de woning van [eiser] . De resonantie van lage tonen is hoorbaar en voelbaar als er wordt gerepeteerd door bands maar ook als er wordt geschoven met stoelen en tafels. [eiser] en zijn gezinsleden kunnen deze laagfrequente geluiden horen en voelen en ondervinden daarvan fysieke klachten. [eiser] verwijst naar een rapport van de Nederlandse Stichting Laagfrequent Geluid (NSLG), productie 30. [eiser] ondervindt kortom geluidshinder. Er is door AV-consulting (productie 21 punt 4.6) en door Scena (productie 22, punt 5.2) onderzoek verricht met een hamerapparaat. Daaruit blijkt dat er sprake is van contactgeluid, geproduceerd in [naam café] en waarneembaar in de woning van [eiser] . Het hamerapparaat is niet hoorbaar wanneer het op het podium in [naam café] wordt geplaatst. Hieruit valt te concluderen dat de vloer van [naam café] niet voldoende of ondeugdelijk is geïsoleerd, aldus [eiser] .

3.3.

De gemeente heeft primair aangevoerd dat de vordering onder 1. jegens haar afgewezen dient te worden, omdat zij niet degene is die café [naam café] exploiteert. Dat is VBO. Ook oefent de gemeente geen activiteit uit in de betreffende ruimte. Artikel 5:37 BW ziet op eigenaren die hinder toebrengen, niet op eigenaren an sich, aldus de gemeente.

3.4.

[eiser] heeft aangevoerd dat de gemeente de exploitatie zoals VBO die beoogt wenst en het [naam dorpshuis] beleidsmatig heeft aangewezen als activiteitencentrum. Dat maakt haar indirect “gebruiker” in de zin van artikel 5:37 BW. Bovendien heeft de gemeente de normering van de exploitatie van het [naam dorpshuis] civielrechtelijk, middels een huurovereenkomst, geregeld.

3.5.

De rechtbank is van oordeel dat de gemeente in dit geval wel aan te spreken is voor geluidsoverlast die veroorzaakt zou worden door onvoldoende isolering van de vloer van [naam café] en door de exploitatie als café. Hoewel de eventuele geluidshinder feitelijk wordt veroorzaakt door VBO is in een geval waarin de hinder ontstaat door onvoldoende isolatie van de vloer en waarin aan een gebouw beleidsmatig een bepaalde functie is gegeven door de gemeente de gemeente (tevens) aan te merken als degene die (mogelijk) hinder toebrengt in de zin van artikel 5:37 BW.

3.6.

De gemeente en VBO hebben betwist dat sprake is van onrechtmatige hinder als gevolg van contactgeluid dat zou worden doorgegeven van het [naam dorpshuis] naar de woning van [eiser] . De onderzoeken wijzen uit dat het contactgeluid blijft binnen de normen van het bouwbesluit. Er bestaat voor [eiser] geen recht op absolute stilte. VBO heeft gesteld dat de bandjes en orkesten slechts op enkele (vaste) tijdstippen oefenen en dat het merendeel van de geluid veroorzakende activiteiten naar de verbouwde achterzaal is verplaatst. Alleen bij hoge uitzondering wordt in [naam café] gerepeteerd. Bij gebreke van een norm voor onversterkt muziekgeluid kan geen sprake zijn van een normschending, aldus VBO.

3.7.

[eiser] beroept zich op artikel 5:37 BW, dat bepaalt dat de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 162 van boek 6 onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen. Voor de vraag of hinder onrechtmatig is, zijn bepalend de criteria van artikel 6:162 BW. De in artikel 5:37 BW beschreven hinder moet dus altijd in samenhang met dat artikel worden bezien. Het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is blijkens vaste rechtspraak van de Hoge Raad afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval waaronder de plaatselijke omstandigheden. Daarbij is mede van belang of degene die zich beklaagt over hinder, zich ter plaatse heeft gevestigd vóór of na het tijdstip waarop de hinder veroorzakende activiteiten een aanvang hebben genomen. In dat laatste geval zal hij een zekere mate van hinder eerder hebben te dulden. De vraag of sprake is van onrechtmatige hinder moet zo veel mogelijk worden beantwoord aan de hand van objectieve maatstaven.

3.8.

[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vordering een aantal rapporten overgelegd waarin metingen worden beschreven van het contactgeluid tussen [naam café] en de woning van [eiser] . Het rapport van AV Consulting BV van 21 juni 2013 vermeldt:

“Het Bouwbesluit 2012 geeft aan dat de contactgeluidisolatie index Ico minimaal 5 dB dient te bedragen tussen woningen onderling. Uit de resultaten blijkt dat indien hieraan getoetst wordt genoemde normwaarde ruimschoots behaald wordt in de woonkamer als de slaapkamer. Desalniettemin was het heersende geluid goed hoorbaar waardoor begrijpelijk is de bewoners het geluid van het gebruik van het gangpad door derden goed hoorbaar is en ook als hinderlijk wordt ervaren.”

Het rapport van AV Consulting BV van 12 november 2014 vermeldt (p.8):

“In [naam café] is op verschillende locaties op de vloer en op het podium een hamerapparaat geplaatst. In de woonkamer is het inherente imissieniveau gemeten teneinde de contactgeluidoverdracht te kunnen beoordelen. In bijlage 2 zijn de imissiemeetresultaten gegeven. In de woonkamer was het geluid van het hamerapparaat kenmerkend voor de hinder van de bewoners (basgeluiden). Uit de resultaten blijkt dit ook: juist in de 125 Hz octaafband blijkt inzake het muziekgeluid volgens berekenblad 5 en 6 in vergelijk met de contactgeluidmetingen de maximale niveaus op te treden. Toen het hamerapparaat op het podium stond, werd nauwelijks iets waargenomen. Het maatgevende lucht- en contactgeluidoverdrachtspad vanuit [naam café] betreft derhalve de vloer.”

Gevraagd naar een eventuele overschrijding van de normen volgend uit het Bouwbesluit heeft de heer [naam A] van AV Consulting BV ter zitting van 16 december 2014 verklaard dat geen overschrijdingen van die normen zijn gemeten. Hij heeft verder benadrukt dat de geluiden van het hamerapparaat duidelijk waarneembaar waren in de woonkamer van [eiser] . Omdat er nauwelijks geluid werd waargenomen op het moment dat het hamerapparaat op het podium stond concludeert de heer [naam A] dat de basgeluiden via de vloer van [naam café] worden overgedragen naar de woning van [eiser] . Dat zou mogelijk verholpen kunnen worden door een betere isolatie van de vloer, aldus [naam A] .

3.9.

De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat [eiser] geluiden waarneemt afkomstig van [naam café] als men daar met meubilair schuift of muziek (versterkt of onversterkt) speelt nog niet tot de conclusie leidt dat sprake is van onrechtmatige hinder. Het horen van geluiden afkomstig van buren is, binnen bepaalde grenzen, onvermijdelijk en dient geduld te worden. Het gaat niet om de subjectieve beleving van [eiser] of hij hiervan hinder ervaart – wat ongetwijfeld zo zal zijn – maar om de vraag of er objectief gezien sprake is van een mate van hinder die niet geduld hoeft te worden, die de grenzen van hetgeen de maatschappelijke zorgvuldigheid met zich meebrengt overschrijden. Bij die beoordeling betrekt de rechtbank in dit geval de geluidsmetingen die zijn verricht zoals die blijken uit de rapportages van AV Consulting BV en de normen die zijn gegeven in het Bouwbesluit. Deze normen sluiten weliswaar niet uit dat – ook indien gebouwd wordt conform de normen – onrechtmatige geluidshinder kan worden toegebracht aan anderen, maar geven wel een houvast bij de beoordeling welke mate van contactgeluid nog acceptabel is en welke niet. Met name de specifieke artikelen in afdeling 3.4 van het Bouwbesluit, die betrekking hebben op geluidwering tussen ruimten, nieuwbouw, hebben immers als doel de mogelijke hinder door contactgeluid te beperken tot bepaalde, daarin opgenomen, niveaus. Vast staat dat de door AV consulting BV gemeten waardes van overbrenging van contactgeluid tussen [naam café] en de woning van [eiser] (op de meeste punten ruimschoots) blijven binnen de door het Bouwbesluit gegeven normen. Op basis van die metingen alleen kan de rechtbank dus niet tot de conclusie komen dat er sprake is van een onrechtmatige mate van hinder.

3.10.

[eiser] heeft gesteld met name last te hebben van laagfrequente (bas)geluiden. De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiser] aldus, dat hij met name hinder ondervindt van geluid dat bastonen doorgeeft, zoals het repeteren van bands en fanfares en het spelen van versterkte muziek. De metingen van AV Consulting bevestigen deze stelling in die zin, dat met name in de 125 Hz octaafband verhoogde waardes gemeten zijn. Ook deze waardes blijven binnen de normen van het Bouwbesluit. VBO heeft gesteld dat de bandjes en orkesten slechts op enkele (vaste) tijdstippen oefenen en dat het merendeel van de geluid veroorzakende activiteiten naar de verbouwde achterzaal is verplaatst. Alleen bij hoge uitzondering wordt in [naam café] gerepeteerd. [eiser] heeft deze stelling niet of onvoldoende gemotiveerd betwist. Naar stelling van [eiser] fungeert [naam café] als zondagcafé en worden er andere activiteiten georganiseerd die veel mensen trekken.

3.11.

De rechtbank overweegt dat ook laagfrequente geluiden die weliswaar binnen de normen van het Bouwbesluit blijven als onrechtmatig gekwalificeerd kunnen worden, afhankelijk van de frequentie en de duur waarmee deze geluiden worden geproduceerd. De rechtbank is echter van oordeel dat de laagfrequente geluiden, die door [eiser] hoorbaar zijn in zijn woning, vanuit [naam café] niet zodanig frequent en langdurig zijn dat deze als onrechtmatig gekwalificeerd moeten worden. Er wordt immers slechts bij uitzondering onversterkte muziek geproduceerd en éénmaal per week in de avonduren versterkte muziek gedraaid. Daarnaast worden gedurende het jaar nog enkele evenementen georganiseerd waarbij mogelijkerwijs versterkte of onversterkte muziek wordt geproduceerd. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke frequentie door [eiser] geduld dient te worden, mede gelet op het feit dat de laagfrequente geluiden steeds blijven binnen de normen van het Bouwbesluit. De rechtbank heeft bij haar oordeel bovendien betrokken het feit dat het [naam dorpshuis] reeds als buurthuis in gebruik was toen [eiser] zijn intrek nam in het naastliggende pand. Ook toen werden er al evenementen georganiseerd en repeteerden er bandjes in het [naam dorpshuis] , zo heeft de Gemeente gesteld en is door [eiser] onvoldoende gemotiveerd betwist. Die omstandigheid brengt met zich mee dat hinderlijk contactgeluid vanuit het [naam dorpshuis] minder snel als onrechtmatig jegens [eiser] te kwalificeren valt.

Nu de contactgeluiden vanuit [naam café] niet als onrechtmatige hinder gekwalificeerd kunnen worden dient de vordering onder 1. afgewezen te worden.

Vorderingen onder 2., 3. en 5.

3.12.

[eiser] heeft gevorderd gedaagden te verbieden geluid te (doen) produceren in het [naam dorpshuis] , door middel van versterkte of onversterkte (live) muziek, dat bepaalde, door hem genoemde, normen overschrijdt. Aan deze vordering heeft hij primair ten grondslag gelegd dat zowel de gemeente als VBO onrechtmatig jegens hem handelen door het (doen) produceren van versterkte en onversterkte muziek vanuit het [naam dorpshuis] . Subsidiair (zo begrijpt de rechtbank) heeft [eiser] gesteld dat de gemeente onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door na te laten regelgeving vast te stellen die de productie van onversterkte muziek normeert en door na te laten de bestaande normering ten aanzien van versterkte muziek (in het Activiteitenbesluit) te handhaven. Zijn recht op privacy zoals gewaarborgd in artikel 8 EVRM is daardoor ernstig geschonden. Bij ernstige geluidsoverlast rust op de gemeente een rechtsplicht tot handhaving.

De primaire grondslag

3.13.

De gemeente en VBO hebben aangevoerd dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen onder 2 en 3, in elk geval voor wat betreft het produceren van versterkte muziek. In artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit is het produceren van versterkte muziek genormeerd. [eiser] kan een handhavingsverzoek en/of een aanvraag tot het opleggen van maatwerkvoorschriften indienen bij de gemeente. Tegen een daaropvolgend besluit staat bezwaar, beroep bij de bestuursrechter en hoger beroep open. Er staat een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open, zodat er voor de burgerlijke rechter geen taak is weggelegd, aldus de gemeente en VBO.

3.14.

[eiser] heeft aan zijn vorderingen onder 2 en 3 een onrechtmatige daad (van zowel de gemeente als van VBO) ten grondslag gelegd. Hij stelt dat sprake is van geluidshinder. Hij spreekt de gemeente (als eigenaar van het pand) en VBO (als gebruiker daarvan) beide aan op grond van artikel 5:37 BW. De rechtbank is van oordeel dat hij ontvankelijk is in zijn vorderingen. Het gaat hier immers om feitelijk handelen (het veroorzaken van geluidshinder) en niet om een door de gemeente genomen besluit waartegen bezwaar en beroep open staat. Dat [eiser] de gemeente als handhaver had kunnen verzoeken een handhavingsbesluit te nemen (tegen haar eigen feitelijk handelen dan wel dat van haar huurder) en had kunnen verzoeken om het opleggen van maatwerkvoorschriften doet niet af aan de ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vordering uit onrechtmatige daad.

3.15.

De gemeente en VBO hebben aangevoerd dat [eiser] niet heeft gesteld dat hij geluidsoverlast ervaart vanuit de bovenzaal en de achterzaal. Zijn stellingen ten aanzien van geluidshinder zien enkel op geluid geproduceerd in [naam café] . Daarom heeft [eiser] geen rechtens relevant belang bij zijn vorderingen die op de achter- en bovenzaal zien, aldus de gemeente en VBO. Dit verweer slaagt. In de stellingen van [eiser] (na eiswijziging) leest de rechtbank niet dat hij geluidsoverlast ervaart van geluid geproduceerd in de bovenzaal en de achterzaal. Ter comparitie van 16 december 2014 heeft [eiser] bovendien verklaard geen overlast meer te ervaren door geluid afkomstig van de achterzaal. Zijn vordering onder 2 ten aanzien van de bovenzaal en achterzaal zal afgewezen worden omdat hij daarbij geen belang heeft.

3.16.

De Gemeente heeft ook ten aanzien van deze vorderingen aangevoerd dat zij niet kan worden aangesproken op grond van artikel 5:37 BW omdat zij niet degene is die geluid produceert vanuit [naam café] . Dit verweer van de Gemeente slaagt. Het gewraakte handelen – het (doen) produceren van versterkte dan wel onversterkte muziek dat tot onrechtmatige geluidshinder leidt – is geen handelen dat aan de Gemeente valt toe te rekenen omdat zij eigenaar van het pand is of omdat zij het pand heeft aangewezen als activiteitencentrum. De feitelijke exploitatie is in handen van VBO.

3.17.

Voor toewijzing van de vorderingen van [eiser] onder 2 en 3 – die strekken tot begrenzing van de productie van versterkte en onversterkte muziek door middel van een verbod en het aanbrengen van geluidsbegrenzers in geluidsapparatuur – dient allereerst vastgesteld te worden dat thans sprake is van onrechtmatige geluidsoverlast. Zoals reeds hiervoor overwogen is de subjectieve beleving van [eiser] niet de maatstaf aan de hand waarvan de vraag of daarvan sprake is beantwoord dient te worden. Voor de maatstaf die dient te worden toegepast verwijst de rechtbank naar overweging 3.7. Daarbij merkt de rechtbank op, dat de omstandigheden in de loop van de procedure zijn gewijzigd in die zin, dat in het [naam dorpshuis] gedurende deze procedure werkzaamheden hebben plaatsgevonden die ertoe hebben geleid dat de geluidsoverlast die [eiser] in het verleden heeft ervaren is afgenomen. De achterzaal is beter geïsoleerd, bandjes en orkesten repeteren nu hoofdzakelijk in de achterzaal en slechts nog incidenteel in [naam café] en de koelinstallaties die geluidsoverlast opleverden zijn verwijderd. Één en ander heeft geleid tot een eiswijziging in de procedure. De rechtbank zal voor de beoordeling of sprake is van onrechtmatige geluidshinder daarom uitgaan van de huidige situatie (na verbouwing van de Achterzaal) en daarbij dus de meest recente onderzoeken betrekken die zijn uitgevoerd door Scena en AV Consulting. Het door [eiser] gevorderde verbod en de begrenzing van versterkte muziek werkt immers naar de toekomst. [eiser] heeft daar slechts belang bij als de huidige situatie tot onrechtmatige hinder leidt.

3.18.

Ter comparitie van 10 juli 2014 hebben partijen afgesproken dat zij geluidsmetingen zullen laten uitvoeren naar (onder meer) geluid afkomstig van [naam café] . De deskundigen van [eiser] en van de gemeente, respectievelijk AV Consulting BV en Scena Akoestisch Adiviseurs BV zouden de metingen gezamenlijk verrichten en daartoe gezamenlijke uitgangspunten afspreken. In het geval zij niet tot overeenkomstige uitgangspunten zouden komen zouden zij een derde deskundige inschakelen om de te hanteren uitgangspunten vast te stellen. Door deskundigen van voornoemde rechtspersonen zijn gezamenlijk metingen verricht en zij hebben rapporten uitgebracht over deze metingen. In beide rapporten is als uitgangspunt genomen de in het Activiteitenbesluit vermelde streefwaarde voor de productie van geluid vanuit een horecabedrijf. De geluidsniveaus, veroorzaakt door de horeca-inrichting, welke optreden in (aangrenzende) geluidsgevoelige ruimten van derden mogen niet meer bedragen dan 35 dB(A) voor de periode tussen 07.00 en 19.00 uur, 30 dB(A) voor de periode tussen 19.00 en 23.00 uur en 25 dB(A) voor de periode tussen 23.00 en 7.00 uur. De meest relevante norm is dus de norm die geldt voor de nacht. De in de omgeving optredende geluidsniveaus welke bij meting herkenbaar zijn als muziek dienen voor de beoordeling bovendien met 10 dB(A) te worden opgewaardeerd vanwege het karakter van het geluid. Beide deskundigen hebben ook dit tot uitgangspunt genomen.

3.19.

Door AV Consulting is beoordeeld welk geluidsniveau toelaatbaar is in [naam café] om binnen de norm te blijven van 15 dB(A) voor de periode tussen 23.00 en 7.00 uur. Door AV Consulting is voor [naam café] tot een maximaal toelaatbaar geluidsniveau van 89 dB(A) gekomen. Door Scena is gemeten welk geluidsniveau optreedt in de woonkamer en het kantoor van [eiser] bij het produceren van 95 dB(A) popmuziek in [naam café] . Dat leidt tot een optredend geluidsniveau van 19 dB(A). Dat betekent, zo concludeert Scena, dat bij een muziekgeluidniveau van 95 dB(A) popmuziek in [naam café] in de nachtperiode een overschrijding plaatsvindt van 4 dB(A) van de relevante norm in het Activiteitenbesluit.

3.20.

[eiser] stelt in de conclusie van repliek dat uit de rapportages af te leiden valt dat de deskundigen het erover eens zijn dat in de nachtperiode (tussen 23.00 en 7.00 uur) in [naam café] een maximaal geluidsniveau van 90 dB(A) geproduceerd kan worden. Hij vordert echter voor [naam café] een verbod geluid te (doen) produceren die de norm van 80 dB(A) (in de nacht) overschrijdt. Hij stelt dat rekening gehouden moet worden met een correctie van 5 dB(A) wegens de relatief stille achterzijde van de woning van [eiser] . Uit het rapport van [deskundigenbureau] blijkt volgens [eiser] dat de stilte aan de achterzijde van zijn woning akoestisch relevant is. Daarnaast is voor de exploitatie van [naam café] als druk café geen hoger geluidsniveau dan 80 dB(A) noodzakelijk, aldus [eiser] .

3.21.

VBO heeft aangevoerd dat er – ook volgens het rapport van [deskundigenbureau] – geen reden bestaat om af te wijken van de geluidsnormen zoals vermeld in het Activiteitenbesluit. Volgens VBO volgt uit de rapportages van de deskundigen dat de geluidsproductie vanuit [naam café] binnen de normen van het Activiteitenbesluit blijft. Namens VBO is ter comparitie van 16 december 2014 verklaard dat de geluidsbegrenzer afgesteld staat op 95 dB(A). In de conclusie van dupliek, tevens antwoordakte van eis, stelt VBO dat de geluidsbegrenzer is afgesteld op 90 dB(A).

3.22.

De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat productie van versterkt muziekgeluid in [naam café] boven een geluidniveau van 90 dB(A) tot een ontoelaatbare mate van geluidsoverlast leidt in de woning van [eiser] . Bij dat muziekgeluidsniveau wordt in elk geval in de nachtelijke uren een overschrijding geconstateerd van de normering in het Activiteitenbesluit, die geldt voor versterkte muziek. Bij gebreke van normering voor onversterkte muziek kan deze norm analoog worden toegepast voor de beoordeling of sprake is van geluidshinder bij de productie van onversterkte muziek. Naar stelling van VBO was de geluidsinstallatie in [naam café] ten tijde van de eiswijziging begrensd tot een niveau van 95 dB(A), hetgeen bij het maximale volume aldus structureel tot een overschrijding van de normering in het Activiteitenbesluit leidt in de nachtperiode en in de avondperiode precies op de grens zit van een toelaatbaar muziekgeluidniveau. VBO heeft verder gesteld dat er ongeveer één keer per maand uitgeweken wordt naar [naam café] voor de repetitie van een fanfare/orkest. Partijen hebben verschillende stellingen ingenomen over het geluidsniveau dat door een fanfare of orkest wordt geproduceerd. Dat zal ook afhangen van het aantal instrumenten en de instrumentsoort. In de verschillende stellingen van partijen leest de rechtbank echter dat een dergelijke repetitie al snel op of over een geluidsniveau van 95 dB(A) zit. Gezien het feit dat wekelijks versterkte muziek gedraaid wordt in [naam café] , één keer per maand gerepeteerd wordt in [naam café] waarbij onversterkte muziek geproduceerd wordt en meerdere keren per jaar evenementen plaatsvinden in het [naam dorpshuis] waarbij ook in [naam café] versterkte of onversterkte muziek wordt geproduceerd, ook in de nachtperiode, stelt de rechtbank vast dat sprake is van een ontoelaatbare vorm van geluidsoverlast, die als onrechtmatig te kwalificeren valt. Bij dat oordeel heeft de rechtbank tevens betrokken het feit dat [eiser] weliswaar is gaan wonen naast een gemeenschapshuis waar evenementen georganiseerd werden maar destijds geen rekening hoefde te houden met activiteiten die doorgaans door een horecabedrijf worden uitgeoefend. [naam café] was destijds immers nog als peuterspeelzaal in gebruik en ter plaatse was volgens het bestemmingsplan ook geen horeca-functie toegestaan. De rechtbank zal de vordering onder 2 derhalve toewijzen in die zin, dat VBO verboden wordt geluid te (doen) produceren in [naam café] die de norm van 90 dB(A) overschrijdt. Voor de goede orde merkt de rechtbank daarbij op dat overtreding van het verbod (onder meer) vastgesteld kan worden door metingen te verrichten in de woonkamer/keuken van [eiser] . Partijen zijn het er immers over eens dat bij het produceren van 90 dB(A) het geluidsniveau in de woonkamer/keuken van [eiser] onder de 15 dB(A) blijft. Een overschrijding van het geluidsniveau van 15 dB(A) in de woonkamer/keuken van [eiser] staat dus gelijk aan een overtreding van het verbod.

3.23.

Voor een strengere normering zoals gevorderd door [eiser] ziet de rechtbank geen aanleiding. Door [eiser] is onvoldoende onderbouwd waarom deze strengere normering in zijn geval van toepassing zou zijn. Ook de door hem ingeschakelde deskundige is in beginsel uitgegaan van de normen zoals vermeld in het Activiteitenbesluit. Het enige punt waarop de beide deskundigen van mening verschilden was de vraag of een correctie van de grenswaarden moest worden toegepast vanwege de relatief stille achterzijde van de woning. Omdat aan de achterzijde van de woning van [eiser] vooral geluid zou kunnen doordringen afkomstig van de achterzaal, en reeds is vastgesteld dat [eiser] geen geluidsoverlast ervaart vanuit de achterzaal, kan dit niet tot een strengere normering leiden. Verder heeft [eiser] aangevoerd dat een geluidsproductie van 80 dB(A) voldoende is voor de exploitatie van [naam café] als druk café. Dat zou dus de norm moeten zijn, aldus [eiser] . De rechtbank heeft hiervoor reeds aangegeven dat en waarom zij voor een aanvaardbaar geluidsniveau aansluiting zoekt bij de normen in het Activiteitenbesluit, zoals ook de deskundigen van beide partijen in hun rapportages hebben gedaan. Aan deze stelling van [eiser] wordt dan ook voorbij gegaan.

3.24.

De vorderingen van [eiser] onder 3 acht de rechtbank tevens toewijsbaar in zoverre, dat VBO zal worden veroordeeld tot het aanbrengen van een verzegelde geluidsbegrenzer die (minimaal) ingesteld dient te worden op een geluidsniveau van 90 dB(A). De rechtbank is zich er terdege van bewust dat het mogelijk is (ook) deze geluidsbegrenzer te omzeilen. Een begrenzer is slechts een hulpmiddel om op praktische wijze te voorkomen dat het toelaatbare muziekgeluidsniveau wordt overschreden. Namens VBO is ter comparitie van 16 december 2014 reeds verklaard dat zij bereid is de reeds aangebrachte begrenzer op een geluidsniveau van 90 dB(A) in te stellen en is bij conclusie van dupliek gesteld dat zulks inmiddels het geval is. De rechtbank gaat er daarom van uit dat (het bestuur van) VBO er strikt op zal toezien dat de begrenzer niet wordt omzeild. Voor het veroordelen van de gemeente tot het handhaven van de begrenzer ontbreekt een rechtsgrond.

3.25.

Aangezien de overlast van [eiser] al jaren heeft geduurd, zijn klachten in die jaren door VBO niet altijd serieus zijn genomen, de geluidsbegrenzer omzeild kan worden en er ook geluidsoverlast is geweest van onversterkte muziek zal de rechtbank ook de vordering de geboden te versterken door het opleggen van een dwangsom toewijzen, als hierna in het dictum verwoord.

De subsidiaire grondslag

3.26.

[eiser] heeft de Gemeente subsidiair tevens onrechtmatig handelen jegens hem verweten. Deze subsidiaire grondslag geldt slechts nog ter onderbouwing van eventuele geleden schade die [eiser] door de Gemeente vergoed wil zien (de vordering onder 7.) en zal daarom hierna besproken worden.

Vordering onder 4.

3.27.

[eiser] vordert gedaagden te gebieden een hek te plaatsen ter afsluiting van het gangpad dan wel te gehengen en gedogen dat [eiser] zelf een hekwerk aanbrengt om de gang tussen de panden af te sluiten (op een vluchtveilige wijze). Hij legt daaraan ten grondslag dat door de gemeente toezeggingen zijn gedaan dat een hek geplaatst zou worden en dat daardoor bij hem het vertrouwen is gewekt dat dit zou gebeuren.

3.28.

De gemeente heeft betwist dat aan [eiser] dergelijke toezeggingen zijn gedaan. In het licht van die betwisting heeft [eiser] zijn stellingen onvoldoende onderbouwd. In de door hem overgelegde correspondentie met gemeenteambtenaren zijn geen onvoorwaardelijke toezeggingen te lezen. Ook anderszins heeft [eiser] zijn stellingen niet onderbouwd, noch aangegeven op welke grondslag VBO geboden zou kunnen worden een hek te plaatsen, zodat deze vordering afgewezen zal worden.

Vordering onder 6.

3.29.

[eiser] vordert de gemeente te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding van € 6.399,18 betreffende de schade aan de woning van [eiser] , veroorzaakt door werkzaamheden in de steeg. [eiser] heeft gesteld dat bij deze werkzaamheden een waggel is gebruikt, waardoor in zijn woning trillingen zijn veroorzaakt. Voor de aard van de schade verwijst [eiser] naar een rapport van ASR Expertisedienst. Daarin is vermeld dat op verschillende plaatsen in de woning scheuren zichtbaar zijn en stucwerk is losgekomen. Volgens [eiser] is de gebruikte waggel ongeschikt voor gebruik in nabijheid van een woning.

3.30.

De gemeente heeft aangevoerd dat [eiser] heeft nagelaten aan te geven op welke grondslag zijn vordering tot schadevergoeding is gebaseerd. De betreffende werkzaamheden zijn uitgevoerd door een aannemer, welke aannemer is ingeschakeld door Oranjewoud. De gemeente had aan Oranjewoud de opdracht verstrekt om een onderzoek in te stellen naar eventueel contactgeluid tussen het [naam dorpshuis] en de woning van [eiser] . De gemeente heeft geen invloed gehad op de keuze van de aannemer dan wel van Oranjewoud om de grond aan te stampen met deze waggel. De gemeente betwist verder dat er enig causaal verband is tussen de door [eiser] gestelde schade en de werkzaamheden met de waggel. De gemeente wijst erop dat deze schade ook kan zijn veroorzaakt door het vracht- en ander zwaar verkeer in de straat. Dit verkeer veroorzaakt immers ook trillingen, aldus de gemeente. Zij verwijst naar het rapport van AV Consulting, overgelegd als productie 21.

3.31.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] onvoldoende gesteld heeft waarom de gemeente aansprakelijk zou zijn voor de door hem beweerdelijk geleden schade. Ook heeft [eiser] , in het licht van de betwisting van de gemeente, onvoldoende onderbouwd dat er causaal verband bestaat tussen de werkzaamheden met de waggel en de beweerdelijke schade. De rechtbank zal deze vordering daarom afwijzen.

Vordering onder 7.

3.32.

[eiser] vordert gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de vermogensschade die hij heeft geleden als gevolg van gederfde omzet en bedrijfsresultaten van zijn eenmanszaak, alsook immateriële schade, nader op te maken bij staat. [eiser] heeft gesteld dat hij door de klachten die hij heeft geuit over de geluidshinder vanuit het [naam dorpshuis] in de (media binnen de) gemeenschap van [plaatsnaam] en [naam B] is weggezet als klagende buurman. Daardoor is de omzet van zijn eenmanszaak ingestort. Hoewel de Gemeente en VBO niet direct verantwoordelijk zijn voor uitingen in de gemeenschap en publicaties in de media zijn zij dat volgens [eiser] wel indirect. [eiser] heeft ook psychische klachten ondervonden van de uitingen in het openbaar en van pesterijen door derden. Ook heeft [eiser] psychische en fysieke problemen ondervonden als gevolg van de geluidshinder. [eiser] heeft ten slotte gesteld schade te hebben geleden als gevolg van gederfd woongenot.

Gederfde omzet

3.33.

De gemeente en VBO hebben betwist dat er causaal verband bestaat tussen de gederfde omzet van de eenmanszaak van [eiser] en de negatieve uitingen in de (media binnen de) gemeenschap van [plaatsnaam] en [naam B] . Zij hebben bovendien betwist dat zij op enige wijze verantwoordelijk zijn voor deze uitingen, die door derden zijn gebezigd. Deze verweren slagen. Gelet op de gemotiveerde betwistingen door de Gemeente en VBO heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat het hiervoor bedoelde causaal verband bestaat en dat de gemeente en VBO enig verwijt kan worden gemaakt van de uitingen door derden. Dat [eiser] zich genoodzaakt voelde te blijven klagen over de geluidshinder en procedures tegen de Gemeente en VBO te voeren om te ageren tegen de geluidshinder maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat die partijen een verwijt kan worden gemaakt over uitingen in het openbaar of in de media.

Immateriële schade

3.34.

De gemeente en VBO hebben aangevoerd dat slechts sprake kan zijn van immateriële schade indien het letsel betreft dat kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW. Om van geestelijk letsel te kunnen spreken is niet voldoende dat sprake is van een meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen, maar zal sprake moeten zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

3.35.

De rechtbank overweegt dat gelet op het voorgaande oordeel over de onrechtmatigheid van de geluidsoverlast tevens vastgesteld kan worden dat [eiser] gedurende enkele jaren aan onrechtmatige geluidsoverlast is blootgesteld. De frequentie waarmee in [naam café] door bandjes werd gerepeteerd is in de periode voordat de achterzaal werd verbouwd zelfs groter geweest dan thans het geval is. Uit ervaring en gepubliceerd onderzoek is algemeen bekend dat overlast als de onderhavige een permanente stoornis oplevert in het woongenot, dat het optreden en de dreiging ervan bij degenen die er bij voortduring aan zijn blootgesteld omdat zij onder de reikwijdte ervan wonen, leiden tot onrust, gespannenheid, prikkelbaarheid, leer-, concentratie- en slaapstoornissen. Deze overlast leidt aldus tot aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij immateriële schade heeft geleden als gevolg van onrechtmatige geluidshinder. De rechtbank zal VBO dan ook veroordelen tot vergoeding aan [eiser] van de door hem geleden immateriële schade, nader op te maken bij staat.

3.36.

Ten aanzien van de vraag of ook de gemeente onrechtmatig handelen kan worden verweten, op de door [eiser] subsidiair aangevoerde grondslag, overweegt de rechtbank als volgt. [eiser] verwijt de gemeente dat zij heeft nagelaten regelgeving vast te stellen die de productie van onversterkte muziek normeert. De rechtbank overweegt dat onversterkte muziek in het Activiteitenbesluit niet wordt genormeerd. In artikel 2.18, eerste lid, van het Activiteitenbesluit is bepaald dat het ten gehore brengen van onversterkte muziek bij het bepalen van de geluidsniveaus buiten beschouwing wordt gelaten, tenzij en voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld. In het vijfde lid van dit artikel is bepaald dat bij gemeentelijke verordening regels kunnen worden gesteld met betrekking tot het ten gehore brengen van onversterkte muziek, ten behoeve van het voorkomen van geluidhinder. De wetgever heeft er welbewust voor gekozen aan de afzonderlijke gemeentes de beslissing over te laten of gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om regels te stellen voor het ten gehore brengen van onversterkte muziek. De Gemeente heeft bij het nemen van die beslissing een grote mate van beleidsvrijheid. Nu niet gezegd kan worden dat op de gemeente in zijn algemeenheid, of in dit specifieke geval, de plicht rustte om regels op te stellen ter regulering van het ten gehore brengen van onversterkte muziek kan dit ook geen grondslag bieden voor het verwijt dat de Gemeente – nu zij heeft nagelaten regels op te stellen – daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] .

3.37.

[eiser] verwijt de gemeente verder dat zij heeft nagelaten de regels met betrekking tot versterkte muziek te handhaven. Hij stelt dat op de gemeente een beginselplicht tot handhaving rust en dat zij in dit specifieke geval, gelet op de voortdurende klachten van [eiser] , ook tot handhaving had moeten overgaan.

3.38.

Bij de beantwoording van de vraag of het toezicht en de handhaving zoals dat door de gemeente is uitgeoefend voldoet aan de eisen die aan een behoorlijke en zorgvuldige taakuitoefening moeten worden gesteld komt het aan op alle omstandigheden van het geval (Hoge Raad 13 oktober 2006, NJ 2008/527). In de bestuursrechtspraak geldt ten aanzien van het optreden van bestuursorganen op grond van hoofdstuk 5 van de Awb een ‘beginselplicht tot handhaving’, inhoudende dat een bestuursorgaan dat bevoegd is met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden in de regel van die bevoegdheid gebruik zal moeten maken, gelet op het algemene belang dat gediend wordt met handhaving. Deze verplichting wordt begrensd door een redelijk te achten handhavingsbeleid. Slechts indien zicht bestaat op legalisatie of indien handhaving dusdanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, kan van handhaving worden afgezien. De beleidsvrijheid die de gemeente toekomt bij handhaving is aldus beperkt, maar niet ongedaan gemaakt. Op grond van het bestuursrecht hebben belanghebbenden bovendien een aantal rechtsmiddelen om bestuursorganen tot handhaving te bewegen. Beoordeeld moet niet worden of, achteraf oordelend, een andere beslissing beter ware geweest en daardoor schade van [eiser] eventueel voorkomen had kunnen worden, maar of in de omstandigheden en met de kennis van toen de gemeente in redelijkheid tot haar handelen heeft kunnen komen.

3.39.

De rechtbank stelt vast dat [eiser] vanaf 2012 verschillende handhavingsverzoeken heeft ingediend. Deze zagen zowel op geluidsoverlast als op gebruik van het [naam dorpshuis] in strijd met de bestemming, namelijk als horecabedrijf. De gemeente is met [eiser] en VBO in gesprek gegaan maar dat heeft geen verbetering van de situatie opgeleverd. Naar aanleiding van aanhoudende klachten van [eiser] en van andere omwonenden heeft de burgemeester van de Gemeente op 25 september 2012 besloten om het houden van muziekrepetities en muziekuitvoeringen in het [naam dorpshuis] te verbieden. Hiermee werd dus een eind gemaakt aan het te gehore brengen van onversterkte muziek, maar het had geen gevolgen voor het ten gehore brengen van versterkte muziek. Er is in oktober 2012 een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Oranjewoud. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft Oranjewoud in een rapport van 10 januari 2013 een aantal maatregelen aanbevolen om [naam café] geschikt te maken voor het houden van muziekrepetities. Daarop zijn een aantal maatregelen uitgevoerd ter verbetering van de isolatie van [naam café] . Er is een geluidsbegrenzer aangebracht op de geluidsinstallatie in [naam café] , waardoor niet meer dan 95 dB(A) geproduceerd kon worden. Dit naar aanleiding van een aanbeveling in voormeld rapport van Oranjewoud van 10 januari 2013.

Er zijn daarna verschillende geluidsmetingen uitgevoerd door verschillende deskundigen, zowel in opdracht van de gemeente als in opdracht van [eiser] . Volgens de deskundigen van de gemeente was er na het nemen van de maatregelen geen overschrijding meer van de geluidsnormen of waren die zo minimaal dat niet van hinder gesproken kon worden. Volgens de deskundigen van [eiser] was er wel degelijk sprake van overschrijding van de geluidsnormen. De burgemeester van de gemeente heeft het voormelde verbod op 24 juni 2013 opgeheven voor [naam café] . [eiser] is ook daarna blijven klagen over geluidsoverlast. De gemeente is plannen gaan ontwikkelen voor de verbouwing van de achterzaal, met als doel de repetities en evenementen die plaatsvonden in [naam café] op termijn grotendeels naar de Achterzaal te kunnen verplaatsen.

[eiser] heeft bezwaar ingediend tegen een aantal afwijzingen van de Gemeente op zijn verzoeken tot handhaving. Tegen de beslissingen op bezwaar heeft [eiser] ook beroep ingesteld. Bij uitspraak van 16 april 2015 heeft deze rechtbank geoordeeld dat het beroep van [eiser] gegrond was en de Gemeente opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. In de uitspraak is overwogen dat niet vaststaat dat de toegepaste geluidsisolerende maatregelen toereikend zijn en dat het, gelet op de ernstige hinder die eiser thans reeds ondervindt van onversterkte muziek, niet in de rede ligt om aan het Gemeenschapshuis een horecafunctie toe te kennen.

3.40.

De rechtbank overweegt dat de toezicht- en handhavingsacties van de Gemeente op het gebied van het produceren van versterkte muziek in feite beperkt zijn gebleven tot het doen aanbrengen van een geluidsbegrenzer op de muziekinstallatie in [naam café] . De Gemeente is daarbij afgegaan op het rapport van Oranjewoud van 10 januari 2013. [eiser] heeft terecht opgemerkt dat door Oranjewoud niet is gemeten in zijn woonkamer. De metingen die in opdracht van [eiser] zijn verricht in zijn woonkamer heeft de gemeente naast zich neergelegd. Gezien de aanhoudende klachten van [eiser] had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van de gemeente gelegen om nader onderzoek te doen, specifiek naar het geluidsniveau in de woonkamer van [eiser] . Anderzijds volgt ook uit de stellingen van [eiser] in deze procedure dat hij met name geluidsoverlast ondervond van de onversterkte muziek die in [naam café] werd geproduceerd. Nader onderzoek zou hoogstwaarschijnlijk hebben geleid tot nadere toezichts- en handhavingsacties op het punt van het toelaatbare (versterkte) muziekgeluidsniveau in [naam café] , maar zou geen verandering hebben gebracht in de overlast die [eiser] ondervond van het produceren van onversterkte muziek. De rechtbank constateert bovendien dat [eiser] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om (opnieuw) een handhavingsverzoek in te dienen met vervolgens de mogelijkheid om tegen een weigering van de Gemeente bestuursrechtelijke rechtsmiddelen in te dienen. [eiser] stelt zelf in deze procedure dat dergelijke acties van zijn kant voor hem weinig zouden opleveren, gezien het feit dat hij geen handhaving kon afdwingen voor zover het de productie van onversterkte muziek betrof. Voor zover de rechtbank al tot het oordeel zou komen dat de Gemeente, gelet op al deze feiten en omstandigheden, is tekort geschoten in haar taakuitoefening kan de rechtbank hoe dan ook niet tot het oordeel komen dat sprake is van onrechtmatige daad, nu het causaal verband tussen de door [eiser] geleden immateriële schade en een eventueel tekortschieten van de Gemeente ontbreekt. De door [eiser] jegens de Gemeente gevorderde veroordeling tot vergoeding van schade zal dan ook afgewezen worden.

3.41.

VBO zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 93,80

- vast recht € 868,00

- salaris advocaat € 2.034,00 (4,5 punten × tarief € 452,-)

Totaal € 2.995,80

Tevens zal VBO, zoals gevorderd, veroordeeld worden tot vergoeding van de wettelijke rente.

3.42.

[eiser] zal als de, ten opzichte van de Gemeente, in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- vast recht € 1.892,00

- salaris advocaat € 2.034,00 (4,5 punten × tarief € 452,-)

Totaal € 3.926,00

Tevens zal [eiser] , zoals gevorderd, veroordeeld worden tot vergoeding van de nakosten en de wettelijke rente.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

verbiedt VBO geluid te (doen) produceren in [naam café] van het [naam dorpshuis] door middel van versterkte of onversterkte (live) muziek die de norm van 90 dB(A) overschrijdt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1000,00 per overtreding van dit verbod en per dag waarop deze overtreding voortduurt, tot een maximum van

€ 20.000,00;

4.2.

gebiedt VBO de geluidsinstallatie in [naam café] van het [naam dorpshuis] te voorzien van een verzegelde begrenzer en deze (minimaal) in te stellen op een geluidsniveau van 90 dB(A), op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1000,00 per overtreding van dit gebod en per dag waarop deze overtreding voortduurt, tot een maximum van € 20.000,00;

4.3.

veroordeelt VBO tot het vergoeden van de door [eiser] als gevolg van onrechtmatige geluidsoverlast geleden immateriële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

4.4.

veroordeelt VBO in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.995,80, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag bij gebreke van betaling binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis;

4.5.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 3.926,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag bij gebreke van betaling binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis en te vermeerderen met de nakosten tot een bedrag van € 131,00 aan salaris advocaat, na betekening te vermeerderen met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten bij gebreke van betaling binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis;

4.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.7.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Visser en in het openbaar uitgesproken op

21 september 2016.