Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:5832

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-09-2016
Datum publicatie
26-09-2016
Zaaknummer
C/02/319208 / KG ZA 16-514
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het ROC heeft niet onrechtmatig jegens eiseres gehandeld door in het kader van de een belangenafweging het algemeen privacybelang van haar leerlingen en medewerkers te laten prevaleren boven het individuele belang van eiseres. Niet aannemelijk is geworden dat eiseres de door haar gewenste gegevens niet op andere wijze kan verkrijgen. Daarbij is voorts van belang is dat de vordering er in wezen op is gericht om een schadeclaim jegens de dader te ontwikkelen en niet om een voortdurende onrechtmatige situatie te beëindigen.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2016/73
IR 2016/174, UDH:IR/13849 met annotatie van Onder redactie van mr. M. van der Linden en mr. C.C.M. Kroeks – de Raaij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/319208 / KG ZA 16-514

Vonnis in kort geding van 21 september 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

eiseres,

advocaat mr. T.J. van Vugt te Amsterdam,

tegen

STICHTING ROC WEST-BRABANT,

gevestigd te Etten-Leur,

gedaagde,

advocaat mr. I.O.D.V. Wetzels te Breda.

Partijen zullen hierna [eiseres] en het ROC genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 t/m 6;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 10;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van mr. Van Vugt;

  • -

    de pleitnota van mr. Wetzels.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiseres] vordert als voorlopige voorziening:

I. Het ROC te veroordelen om aan de deskundigen [deskundige A] en [deskundige B] , althans Grant Thornton Forensic & Investigation Services BV, tezamen met een door het ROC aan te wijzen deskundige, opdracht te geven tot het verrichten van een onafhankelijk onderzoek op, dan wel in lijn, de wijze en onder de voorwaarden zoals opgenomen in de overeenkomst die als productie 6 aan de dagvaarding is gehecht, naar de vraag of er (sporen van) gegevens bij het ROC aanwezig zijn en zo ja hoe die (sporen van) gegevens luiden, alsmede het ROC te veroordelen om opdracht aan voornoemde deskundigen te geven tot het opstellen van een (aan beide partijen te verstrekken) rapport naar aanleiding van het onderzoek waaruit dient te blijken of, en zo ja welke (sporen van) gegevens bij het ROC zijn aangetroffen, waarbij [eiseres] de kosten van [deskundige A] respectievelijk Grant Forensic & Investigation Services BV zal dragen en het ROC de kosten van de door haar aan te wijzen deskundige;

II het ROC te bevelen om aan de uitvoering van het hiervoor onder I genoemde onderzoek en de totstandkoming van het rapport haar volledige medewerking te verlenen onder de bepaling dat de opdracht door het ROC aan voornoemde deskundigen dient te worden verstrekt binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis,

zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,= per dag of een gedeelte van een dag, met een maximum van € 25.000,= indien het ROC niet voldoet aan deze veroordeling, althans een zodanige dwangsom als de voorzieningenrechter in goede justitie meent te behoren;

III het ROC te veroordelen in de kosten van onderhavige procedure, vermeerderd met wettelijke rente indien deze niet binnen veertien dagen na de datum waarop het vonnis is gewezen aan [eiseres] zullen zijn voldaan.

2.2.

Het ROC heeft daartegen verweer gevoerd en verzocht de vorderingen van [eiseres] af te wijzen met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen staat het navolgende vast.

- [eiseres] heeft in juni 2015 een kort geding gevoerd tegen Facebook nadat een haar onbekende derde onder de naam “ [naam X] ” (voornaam en woonplaats van [eiseres] ) op 22 januari 2015 een account heeft aangemaakt op Facebook met een profielfoto van [eiseres] (hierna: het Nep-Account). Deze derde heeft daarop een opname geplaatst waarin [eiseres] seksuele handelingen verricht bij een jongen die ten tijde van maken van de opname (in februari 2012) haar (minderjarige) vriend was (hierna: de Opname). [eiseres] is op de Opname duidelijk herkenbaar in beeld.

- De Opname is met een mobiele telefoon gemaakt. [eiseres] heeft haar (inmiddels) ex-vriend nooit toestemming gegeven om de Opname te openbaren, op welke wijze dan ook.

- [eiseres] heeft op 23 januari 2015 aangifte bij de politie gedaan tegen de persoon die met haar gegevens het Nep-Account heeft aangemaakt.

- In maart en april 2016 heeft (na procedures in kort geding) een onderzoek plaats- gevonden bij Facebook naar het Nep-Account. Uit dit onderzoek is gebleken dat de maker van het Nep-Account voor het creëren van het Account en/of het uploaden van

de Opname hoogstwaarschijnlijk gebruik heeft gemaakt van IP adres [IP-adres] (hierna: het IP-adres).

- Het IP-adres wordt beheerd door de besloten vennootschap met beperkte aanspra- kelijkheid IT-Workz BV uit Etten-Leur (hierna: IT-Workz).

- Het ROC is een organisatie voor voortgezet onderwijs, middelbaar beroeps- onderwijs en volwasseneneducatie in West-Brabant. Het ROC kent 20 verschillende scholen.

- IT-Workz is een dochteronderneming van het ROC. Zij legt zich toe op het verlenen van diensten op het gebied van automatisering en informatisering voor onderwijsinstellingen, zowel van ROC-scholen als van andere onderwijs- instellingen. Daarnaast verschaft en beheerst IT-Workz diverse IP-adressen voor internetverbindingen voor schoolcomputers, waarop verschillende scholen zijn aangesloten, waaronder de scholen van het ROC.

- IT-Workz heeft op 19 mei 2016 per email aan de advocaat van [eiseres] kenbaar gemaakt dat ten tijde van de plaatsing van de Opname op het Nep-Account, het
IP-adres in gebruik was bij IT-Workz, het [school A] in Breda en het [school B] te Bergen op Zoom.

- Het [school A] en het [school B] zijn MBO-instellingen die vallen onder de opleidingen die worden aangeboden door het ROC.

- Door een medewerkster van misdaadverslaggever [naam misdaadverslaggever] is aan IT Workz een lijstje met namen gestuurd, waaronder de namen van zes personen die als leerling een opleiding bij een ROC-school volgen of gevolgd hebben. Aan het ROC is verzocht of het bereid was om in zijn systemen te onderzoeken en door te geven wie van deze zes personen in de periode waarin het Nep-Account is aangemaakt bij het [school A] dan wel het [school B] op school hebben gezeten danwel bij IT-Workz hebben gewerkt. IT Workz en het ROC hebben dit geweigerd.

- Namens [eiseres] heeft haar advocaat contact opgenomen met IT-Workz en aangestuurd op een intern onderzoek naar de gebruiker van het IP-adres.

- Omdat partijen het niet eens konden worden over het uit te voeren onderzoek, heeft [eiseres] het ROC een twee-fasen onderzoek voorgesteld, waarbij Onderzoeksfase 1 bestaat uit een technisch onderzoek naar de vraag of er nog Facebookcontacten/ connecties op 22 januari 2015 op de computers en netwerksystemen van het ROC voorhanden en beschikbaar zijn en Onderzoeksfase 2 uit een onderzoek naar de specifieke dader onder raadpleging van de persoonsgegevens van diverse leerlingen. Ten slotte diende het ROC het resultaat te delen met [eiseres] .

- Op 27 mei 2016 heeft het ROC aangegeven bereid te zijn om mee te werken aan Onderzoeksfase 1. Zijn advocaat heeft daartoe een “geheimhoudings- en bewerkersovereenkomst” opgesteld met het verzoek aan de deskundigen om die te ondertekenen.

- De overeenkomst is niet ondertekend. Partijen hebben over de inhoud van de overeenkomst geen overeenstemming kunnen bereiken.

- Het ROC heeft te kennen gegeven niet bereid te zijn deskundigen toe te staan persoonsgegevens omtrent het IP-adres aan [eiseres] te verstrekken en derhalve geen medewerking te zullen verlenen Onderzoeksfase 2.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat het ROC jegens haar onrechtmatig handelt door, ondanks toezeggingen daartoe in de media en gelet op het vonnis van de rechtbank Amsterdam in kort geding van 25 juni 2015 tussen haar en Facebook, niet mee te werken aan een onderzoek naar de bij hem beschikbare gegevens van de maker van het Nep-Account en niet toe te staan dat mogelijke gegevens aan haar worden verstrekt. Haar belang om de gegevens te achterhalen van de maker van het Nep-Account dient te prevaleren boven het individuele privacybelang van de maker, nu vaststaat dat deze onrechtmatig en strafbaar jegens haar heeft gehandeld. Zij concretiseert dit belang door te stellen dat zij de verantwoordelijke dader wil aanspreken om haar schade te vergoeden die zij lijdt en reeds geleden heeft. Haar belang, aldus [eiseres] , dient te prevaleren boven het algemeen privacybelang van het ROC. Door te weigeren de bij het ROC bekende gegevens aan [eiseres] te verstrekken heeft ook Onderzoeksfase 1 voor haar geen nut meer. Het ROC beschermt in feite de dader.

Voorts stelt [eiseres] dat het ROC in de “geheimhoudings- en bewerkersovereenkomst” onacceptabele eisen stelt aan de wijze waarop het onderzoek dient te worden uitgevoerd. Niet alleen wil het ROC de omvang, locatie en duur van het onderzoek op voorhand vastleggen (en daarmee ernstig beperken), maar tevens kan de deskundige [deskundige A] niet als een onafhankelijk deskundige zijn werk doen. [eiseres] wijst er in dit verband op dat de deskundigen [deskundige A] en [deskundige B] met elkaar op één lijn zitten voor wat betreft de omvang en de aanpak van het uit te voeren onderzoek. Het ROC blokkeert door zijn eisen het onderzoek.

3.3.

Het ROC betwist dat het onrechtmatig jegens [eiseres] handelt en voert daartoe het navolgende aan. Vanaf het moment dat het heeft vernomen dat het Nep-Account onder gebruikmaking van zijn infrastructuur is aangemaakt, heeft het aangegeven zoveel mogelijk zijn medewerking aan het onderzoek van [eiseres] naar de dader te willen verlenen. Het heeft niet toegezegd daartoe juridisch gehouden te zijn. Het ROC heeft ook daadwerkelijk meegewerkt door (onverplicht en op zijn eigen kosten) een extern bureau in te huren om te achterhalen welke ROC-scholen van het IP-adres gebruik maken. Daarnaast heeft het diverse gesprekken gevoerd met de advocaat van [eiseres] alsmede met [naam misdaadverslaggever] en zijn team en meegedacht over de beschikbare mogelijkheden om de dader te achterhalen. Het heeft zijn ICT-mensen bij de zaak betrokken en hun kennis met [eiseres] gedeeld. Het is er niet op uit om de dader te beschermen. Hoewel het ROC de kans zeer gering acht dat de gegevens van januari 2015 nog traceerbaar zijn, is het nog steeds bereid om zijn medewerking te verlenen aan Onderzoeksfase 1, daarvoor een ICT-expert van IT-Workz in te schakelen en de kosten daarvan geheel onverplicht voor zijn rekening te nemen, zulks evenwel onder de voorwaarde dat er geen persoonsgegevens worden verwerkt èn het onderzoek plaatsvindt binnen de grenzen van de wet, meer speciaal de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp). Op grond van deze wet staat het hem niet vrij om persoonsgegevens van leerlingen te raadplegen, met elkaar in verband te brengen en aan een derde door te geven voor een ander doeleinde dan waarvoor het de gegevens van de leerlingen in zijn systemen heeft opgeslagen. Indien in strijd wordt gehandeld met de Wbp riskeert het ROC boetes. De door hem ten aanzien van de “geheimhoudings- en bewerkers-overeenkomst” in dat kader gestelde voorwaarden zijn derhalve redelijk. De in de Wbp genoemde rechtvaardigingsgronden, op grond waarvan het verwerken van persoonsgegevens voor andere doeleinden toch is toegestaan doen zich hier niet voor. Het individuele belang van [eiseres] prevaleert niet boven het algemene privacybelang van het ROC en de duizenden betrokken leerlingen en medewerkers.

Ten slotte betwist het ROC dat [eiseres] de gegevens van de dader alleen via de computer- en netwerksystemen van het ROC kan achterhalen. Naar zijn mening zijn er minder ingrijpende mogelijkheden voorhanden, zoals de uitdrukkelijke toestemming van de verdachte studenten voor het verwerken van hun persoonsgegevens voor het onderzoek van [eiseres] , de ontheffing/ toestemming voor dit onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens, een bevel van de rechter-commissaris om de gegevens van de vermoedelijke dader op te sporen en/of het starten van een voorlopig getuigenverhoor.

3.4.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Gelet op de aard van de vorderingen heeft [eiseres] daarbij een voldoende spoedeisend belang.

3.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] een groot belang heeft om de beschikking te krijgen over de door haar gewenste gegevens betreffende de maker van het Nep-Account. Zoals zij onbetwist stelt wenst zij namelijk haar schade vergoed te zien. Dit leidt evenwel niet zonder meer tot de conclusie dat het niet meewerken aan een onderzoek naar die gegevens door het ROC jegens haar als onrechtmatig dient te worden aangemerkt. Immers, belang bij het verkrijgen van informatie schept niet als vanzelf dit recht op verschaffen ervan door degene die die informatie bezit.

3.6.

Indien en voor zover [eiseres] zich beroept op een toezegging door het ROC om aan een onderzoek mee te werken overweegt de voorzieningenrechter dat voorshands niet gebleken is dat het ROC een onvoorwaardelijke toezegging jegens [eiseres] heeft gedaan, met als inhoud dat het meewerkt aan het door [eiseres] gewenste onderzoek, waaronder de verwerking van persoonsgegevens. Dit beroep faalt derhalve.

3.7.

Het beroep van [eiseres] op het vonnis in kort geding van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2015 waarin de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat Facebook jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij onvoldoende zorgvuldigheid in acht heeft genomen bij het naleven van een rechtsplicht tot het verstrekken van NAW-gegevens met betrekking tot degene die onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld, slaagt evenmin. In voormeld vonnis heeft de voorzieningenrechter onder 4.4. overwogen:

“Een rechtsplicht tot het verstrekken van NAW-gegevens zoals in deze zaak gevorderd, kan voor een provider bestaan als aannemelijk is dat anoniem, althans door een door de benadeelde niet te traceren persoon, onrechtmatige uitingen via deze provider openbaar zijn gemaakt en de benadeelde alleen door tussenkomst van de provider, door middel van het verstrekken van NAW-gegevens, dergelijk onrechtmatig handelen zou kunnen bestrijden. Facebook heeft dat op zichzelf ook niet betwist. Sterker nog, uit voornoemde algemene voorwaarden en richtlijnen volgt duidelijk dat zij er alles aan stelt te doen om dergelijke onrechtmatige uitingen (zoals bijvoorbeeld in de vorm van pesten, het plaatsen van privacygevoelige informatie over anderen, seksueel misbruik) te voorkomen en te bestrijden. Ook mogen gebruikers van Facebook volgens haar richtlijnen geen profielen aanmaken van gegevens die niet van hen zijn”.

Anders dan bij Facebook heeft het ROC, niet zijnde een provider, namelijk met de maker van het Nep-Account geen relatie die betrekking heeft op haar digitale infrastuctuur, anders dan dat het een persoon betreft die zich kennelijk in een van haar gebouwen heeft bevonden en van haar infrastructuur gebruik heeft gemaakt.

3.8.

Honorering van het verzoek van [eiseres] leidt tot een verwerking van persoons-gegevens in de zin van de Wbp. Omdat zo’n verwerking een ander doel dient dan waarvoor de gegevens zijn verkregen dient aan de hand van artikel 8 Wbp bezien te worden of verwerking door het ROC toegestaan is. In artikel 8 Wbp zijn limitatief de gronden opgenoemd waarop een verwerking van persoonsgegevens in beginsel is toegestaan. Vast staat dat geen van de betrokken leerlingen en medewerkers van het ROC/IT-Workz

toestemming heeft verleend voor de verwerking van persoonsgegevens (grond sub a). De onder b tot en met e vermelde gronden doen zich hier evenmin voor.

Onder f is bepaald dat persoonsgegevens slechts mogen worden verwerkt indien de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer prevaleert.

3.9.

Aan de orde is de vraag of het ROC in het kader van een belangenafweging het individuele belang van [eiseres] moest laten prevaleren boven het algemene privacybelang van het ROC en de betrokken leerlingen en medewerkers.

3.10.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat haar individuele belang dient te prevaleren en zij heeft daartoe het navolgende aangevoerd. Zij heeft een reëel belang bij de verkrijging van (sporen van) gegevens van de tot op heden anoniem gebleven persoon die zich aan het onrechtmatig en strafbaar handelen jegens haar heeft schuldig gemaakt, zodat zij diens identiteit kan achterhalen en deze kan aanspreken ter zake de schade die zij door diens toedoen heeft geleden en lijdt. Er bestaat geen (redelijke) twijfel dat deze persoon zich daadwerkelijk bevindt onder degenen die het IP-adres ten tijde van het aanmaken van het Nep-Account en het delen van de Opname hebben gebruikt. Aangezien het IP-adres enkel wordt beheerd door het ROC dan wel door IT-Workz, die onder de invloedsfeer van het ROC valt, kan [eiseres] op geen andere manier dan via het ROC de door haar gewenste gegevens achterhalen. Er zijn geen alternatieve, minder ingrijpende mogelijkheden beschikbaar. Het is haar enkel te doen om gegevens van de maker van het Nep-Account en zij is niet geïnteresseerd in andere gegevens. Zowel [eiseres] als de beide deskundigen zijn bereid om een verregaande geheimhouding overeen te komen.

3.11.

Volgens het ROC dient het algemene privacybelang van haar leerlingen en medewerkers te prevaleren. Zij heeft in dit verband gesteld dat nu de gegevens van de dader niet bekend zijn, het door [eiseres] gewenste onderzoek betekent dat op 1.000 computers van beide scholen alle connecties van omstreeks 2.500 leerlingen en medewerkers, alsmede de connecties op de computers van IT-Workz van 90 werknemers, die op of omstreeks 22 januari 2015 om 8.53 uur (het tijdstip waarop blijkens onderzoek bij Facebook het Nep-Account is aangemaakt) hebben plaatsgevonden, handmatig moeten worden bekeken. Daarbij zal zichtbaar zijn wat de inlogcodes van de leerlingen en medewerkers zijn. De inlogcodes bij het ROC zijn initialen van de leerling of medewerker, gevolgd door een code en zijn eenvoudig terug te leiden tot een persoon. Tevens wordt zichtbaar welke websites zij hebben bezocht danwel welke andere handelingen zij hebben verricht. Daarnaast zijn er inlogcodes van de leerling of medewerker en mogelijk ook cookies zichtbaar, die direct herleidbaar zijn tot een persoon. De privacyrechten van circa 2.590 leerlingen en medewerkers zullen derhalve onmiskenbaar worden geschonden. Het ROC beroept zich op het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel. Volgens het ROC kan [eiseres] de gegevens van de dader ook op andere, minder bezwaarlijke wijzen achterhalen.

3.12.

De voorzieningenrechter overweegt dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de identiteit van de maker van het Nep-Account niet of op minder bezwaarlijke wijze dan middels verwerking van persoonsgegevens op de computer- en netwerksystemen van het ROC kan achterhalen. Het ROC heeft in dit verband gesteld dat een strafrechtelijk onderzoek gaande is, welk onderzoek strafvorderlijke mogelijkheden biedt tot waarheidsvinding die nog

niet zijn aangewend. [eiseres] heeft weliswaar gesteld dat het onderzoek momenteel stil ligt, maar vooralsnog is niet gebleken dat strafrechtelijk onderzoek geen soelaas zal bieden. Het ROC heeft verklaard dat zij de beschikbare gegevens in mei 2016 heeft bevroren, zodat deze voorhanden blijven voor onderzoek. Voorts had [eiseres] de keuze kunnen maken om de zes personen die op de in mei 2016 aan IT-Workz toegezonden lijst staan vermeld toestemming te vragen om hun persoonsgegevens te mogen verwerken op de computer- en netwerksystemen van het ROC, danwel een voorlopig getuigenverhoor kunnen entameren om deze personen door een rechter te kunnen laten horen. De omstandigheid dat voormelde zes personen nog geen concrete verdachten zijn en dat de lijst is opgesteld op basis van vermoedens doet aan het vorenstaande niet af.

Ten slotte neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de vordering van [eiseres] er op gericht is om een schadeclaim te kunnen ontwikkelen tegen de thans nog anonieme derde en dat de vordering niet tot doel heeft een einde te maken aan een onrechtmatige situatie die nog steeds voortduurt. Het onrechtmatig handelen, hoe verwerpelijk ook, is al geruime tijd voorbij.

3.13.

De voorzieningenrechter is op grond van het vorenstaande van oordeel dat niet gebleken is dat de uitkomst van de belangenafweging die het ROC heeft gemaakt, dermate onredelijk is dat deze jegens [eiseres] als onrechtmatig moet worden aangemerkt. De omstandigheid dat [eiseres] en de deskundigen bereid zijn een verregaande geheimhouding overeen te komen doet daar niet aan af. Nu partijen het voorts niet eens zijn over Onderzoeksfase 1 en de door het ROC in dat kader gestelde voorwaarden aan de

“geheimhoudings- en bewerkersovereenkomst” in het licht van het vorenstaande niet onredelijk voorkomen, leidt dit tot de slotsom dat de vorderingen van [eiseres] dienen te worden afgewezen.

3.14.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het ROC worden begroot op:

- griffierecht € 619,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.435,00

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

wijst de vorderingen af;

4.2.

veroordeelt [eiseres] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van het ROC tot op heden begroot op € 1.435,00;

4.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en in het openbaar uitgesproken op 21

september 2016 in tegenwoordigheid van mr. Van de Kar, griffier.