Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:561

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-02-2016
Datum publicatie
11-03-2016
Zaaknummer
BRE - 15 _ 2273
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geheimhoudingskamer / tipgeverszaak

De rechtbank bepaalt dat een deel van de door de tipgever aan de Belastingdienst verstrekte stukken geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn in de zin van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht. Het verzoek van de inspecteur om beperkte kennisneming van stukken wordt toegewezen, met uitzondering van gedeelten van de overeenkomst met de tipgever en gedeelten van een tweetal ambtsedige verklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/587
V-N 2016/23.11 met annotatie van Redactie
FutD 2016-0734
NTFR 2016/1129 met annotatie van Mr.drs. A.J. Meijer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer (geheimhoudingskamer)

Locatie: Breda

Zaaknummers: BRE 15/2273 tot en met 15/2287

uitspraak van 4 februari 2016

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , voorheen wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft in twee tranches aan belanghebbende over de jaren 1998 tot en met 2009 (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en over de jaren 1998 tot en met 2000 navorderingsaanslagen vermogensbelasting opgelegd. In dezelfde geschriften zijn tevens bij beschikkingen vergrijpboeten opgelegd en is heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 11 maart 2015 de navorderingsaanslagen, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 9 april 2015, ontvangen bij de rechtbank op 10 april 2015, beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft de inspecteur met betrekking tot een deel van de stukken aan de rechtbank een set geschoonde en een set ongeschoonde stukken toegestuurd. Ten aanzien van deze stukken doet hij een beroep op geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb.

1.5.

De rechtbank heeft belanghebbende verzocht kenbaar te maken of hij akkoord gaat met het slechts overleggen van de geschoonde stukken. Belanghebbende heeft bij brief van 28 augustus 2015 medegedeeld daarmee niet akkoord te gaan en daarbij verzocht om een beslissing van de zogenoemde geheimhoudingskamer.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend (brief van belanghebbende van 1 september 2015; brief van de inspecteur van 22 oktober 2015; brief van 2 november 2015 van de inspecteur).

Bij de door de inspecteur op 2 november 2012 aan de rechtbank toegezonden brief is een stuk gevoegd (‘project Derde categorie’), zowel geschoond als ongeschoond, dat de inspecteur eerder abusievelijk niet had overgelegd. Ten aanzien van dit stuk doet de inspecteur eveneens een beroep op geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb.

1.6.

Het onderzoek ter zitting van de geheimhoudingskamer heeft plaatsgevonden op 12 november 2015 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Nijmegen, en namens de inspecteur, [verweerder]. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.7.

Na de zitting heeft de inspecteur op verzoek van de rechtbank nieuwe sets geschoonde en ongeschoonde stukken aan de rechtbank toegestuurd, welke op 20 november 2015 door de rechtbank zijn ontvangen. Tevens heeft de inspecteur daarbij een set stukken genoemd D60 tot en met D88 toegestuurd om de reden dat deze stukken ter zitting aan de orde zijn geweest. Van deze stukken zijn alleen de ongeschoonde stukken ingebracht.

1.8.

De hiervoor vermelde stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij, met dien verstande dat waar een beroep op geheimhouding is gedaan alleen de geschoonde versie aan belanghebbende is verstuurd en met uitzondering van de in 1.7 vermelde stukken D60 tot en met D88.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

De inspecteur beroept zich ten aanzien van de volgende stukken op artikel 8:29 van de Awb:

  1. memo “Tipgever Luxemburg” van 2 juli 2009 (Bijlage 4A);

  2. overeenkomst met de tipgever van 16 september 2009 (Bijlage 4B);

  3. proces-verbaal FIOD-ECD, AH-4 van 1 oktober 2009 (Bijlage 4C);

  4. ambtsedige verklaring ambtenaren FIOD-ECD, Gespreksverslag, Algemeen gedeelte, G1-01 van 1 oktober 2009 (Bijlage 4D);

  5. verklaring tipgever van 1 oktober 2009 (Bijlage 4E);

  6. memo toerekening vermogensbestanddelen en gevolgen voor vergrijpboete van 11 november 2009 (Bijlage 4F);

  7. memo omkering bewijslast en matiging boete van 24 november 2009 (Bijlage 4G);

  8. ambtsedige verklaring ambtenaren FIOD-ECD, Ambtsedige Verklaring, Gespreksverslag, AH-3 van 1 oktober 2009 (Bijlage 4H);

  9. ambtsedige verklaring ambtenaren Belastingdienst/Holland Noord/kantoor Hoorn van 16 maart 2012 (Bijlage 4I);

  10. door tipgever aangeleverde stukken;

  11. plan van aanpak van 5 oktober 2009 (‘project Derde categorie’).

2.2.

In de hiervoor genoemde ongeschoonde stukken is de naam van de tipgever wel geschoond, zodat ook de rechtbank daarvan geen kennis heeft kunnen nemen.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of (i) de in 1.7 bedoelde stukken op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, en (ii) of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb die rechtvaardigen dat de inspecteur weigert de in 2.1 genoemde stukken openbaar te maken.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot toewijzing en de inspecteur tot afwijzing van het verzoek om volledige kennisname van de in 2.1 genoemde stukken.

4 Beoordeling van het geschil

Bevoegdheid rechtbank

4.1.

De inspecteur heeft in het verweerschrift de vraag opgeworpen of deze rechtbank dan wel rechtbank Noord-Nederland bevoegd is. De inspecteur wijst erop dat belanghebbende weliswaar in België woonachtig is en daarom in beginsel onder kantoor Heerlen valt, maar dat de uitspraak op bezwaar is gedaan door kantoor Leeuwarden. De rechtbank overweegt als volgt. Sinds de wijziging van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 (hierna UR 2003) per 1 januari 2013 is de Belastingdienst wat betreft de onderhavige belastingmiddelen niet langer opgedeeld in regio’s (vergelijk artikel 3 van de UR 2003). Uit artikel 11 van de UR 2003 volgt dat belanghebbende ressorteert onder de landelijke directeuren als bedoeld in artikel 4 van de UR 2003. In het Besluit Fiscaal Bestuursrecht is bepaald dat voor de belanghebbende die geen woonplaats in Nederland heeft, de landelijk directeuren hun zetel hebben op het kantoor van Belastingdienst/Belastingen te Heerlen. Hoewel dit besluit geen wetgeving betreft gaat de rechtbank, nu er geen andere aanknopingspunten zijn, uit van Heerlen als zetel als bedoeld in artikel 8:7, lid 2, van de Awb en acht de rechtbank zich daarom bevoegd.

Artikel 8:42 van de Awb

4.2.1.

De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur op grond van artikel 8:42, eerste lid van de Awb gehouden is de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank te zenden. Uit de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2008, nrs. 43448 en 43791, ECLI:NL:HR:2008:BA3823 en BB5868, BNB 2008/161 en 162, volgt dat dit stukken zijn die bij de besluitvorming van de inspecteur een rol hebben gespeeld dan wel daarbij van enig belang kunnen zijn geweest. De vraag of een stuk een op de zaak betrekking hebbend stuk is, dient op grond van dat stuk in zijn geheel en met inachtneming van het overheersende karakter van dat stuk te worden beantwoord. Een op de zaak betrekking hebbend stuk kan niet deels als een zodanig stuk worden bestempeld.

4.2.2.

Tussen partijen is met uitzondering van de in 1.7 vermelde stukken niet in geschil dat sprake is van op de zaak betrekking hebbende stukken. De in 1.7 vermelde stukken waren aanvankelijk niet overgelegd. Ter zitting heeft belanghebbende aangevoerd dat de rechtbank alleen een oordeel kan geven over de vraag of sprake is van op de zaak betrekking hebbende stukken indien de rechtbank kennis neemt van de (ongeschoonde) stukken. De inspecteur heeft daarop uit eigen initiatief na de zitting de ongeschoonde stukken ingebracht en in de begeleidende brief herhaald dat deze stukken geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. Na kennisname van de inhoud van de stukken is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur kan worden gevolgd in zijn standpunt. De stukken zien op andere vermeende rekeninghouders.

Artikel 8:29 van de Awb

4.3.

De omstandigheid dat stukken behoren tot op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb brengt niet mee dat die stukken reeds daarom volledig, dat wil zeggen zonder dat daarin delen onleesbaar zijn gemaakt, aan belanghebbende ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt juist de mogelijkheid delen van een op de zaak betrekking hebbend stuk voor belanghebbende geheim te houden of te anonimiseren indien daartoe gewichtige redenen bestaan.

4.4.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis genomen van de (op de naam van de tipgever na) ongeschoonde versies van de door de inspecteur overgelegde stukken en heeft deze onderworpen aan een afweging van het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming tegenover de redenen van de inspecteur om aan die kennisneming beperkingen te stellen. Slechts indien naar het oordeel van de rechtbank de door de inspecteur aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende, is sprake van een gerechtvaardigd belang van de inspecteur bij geheimhouding.

Daarbij verdient opmerking dat aangezien sprake is van een op de zaak betrekking hebbend stuk, het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming steeds een zeker minimumgewicht heeft gelet op het principiële belang van gelijkheid der wapenen waarop de verplichting tot inbreng van de op de zaak betrekking hebbende stukken mede berust. Dat belang wordt bovendien onderstreept nu in deze zaken ook boeten in het geding zijn, waardoor artikel 6 EVRM van toepassing is.

4.5.

De rechtbank zal hierna per op de zaak betrekking hebbend stuk beoordelen of de inspecteur terecht heeft geweigerd deze (deels) aan belanghebbende te openbaren. De rechtbank zal daarbij de in 2.1 gehanteerde nummering volgen.

Daarbij verdient opmerking dat de inspecteur in de brief van 18 november 2015 het nadere standpunt heeft ingenomen dat geheimhouding van de namen van de betrokken banken niet langer nodig is en dat X1, X2 en X3 staan voor respectievelijk RABO Luxemburg, Lanschot Luxemburg en Generale Bank. De inspecteur heeft verzocht om met deze mededeling te kunnen volstaan gelet op de hoeveelheid werk om de stukken opnieuw te schonen. De rechtbank volgt de inspecteur hierin omdat de mededeling voldoende duidelijkheid schept.

Vooraf: ten aanzien van de naam van de tipgever

4.6.1.

De inspecteur heeft vermeld dat ook hij de naam van de tipgever niet kent; slechts enkelen kennen de naam teneinde het risico op uitlekken van de naam te voorkomen. Om die reden is ook aan de rechtbank de naam van de tipgever niet bekendgemaakt. Hoewel artikel 8:29 van de Awb niet met zoveel woorden voorziet in de mogelijkheid dat ook de geheimhoudingskamer niet in kennis wordt gesteld van onderdelen van stukken ter zake waarvan een beroep op geheimhouding wordt gedaan, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval dit laatste niet meebrengt dat het maken van de in 4.4 vermelde belangenafweging daardoor wordt verhinderd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat duidelijk is wat geschoond is, namelijk de naam van de tipgever en de directe personalia-gegevens.

4.6.2.

De inspecteur heeft aangevoerd dat de naam van de tipgever en de directe personalia-gegevens niet bekend kunnen worden gemaakt ter voorkoming van eventuele represailles. Bovendien zou bekendmaking potentiële tipgevers kunnen doen besluiten om geen gegevens meer aan de belastingdienst te doen toekomen. Belanghebbende heeft daartegenover in de kern aangevoerd dat hij de naam van de tipgever wenst te kennen, zodat hij hem eventueel kan horen als getuige en de betrouwbaarheid kan verifiëren. De rechtbank is van oordeel dat het belang van de privacy van de tipgever aanzienlijk zwaarder weegt dan dit belang van belanghebbende. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat de inspecteur heeft toegezegd dat – indien de rechtbank dit wenselijk acht – zal worden meegewerkt aan een verhoor van de tipgever door de rechtbank op een zodanige wijze dat diens identiteit niet behoeft te worden onthuld (vergelijk ook – zij het in het kader van artikel 8:31 van de Awb – Hoge Raad 18 december 2015, nr. 15/01348, ECLI:NL:HR:2015:3600, V-N 2015/66.4).

De rechtbank overweegt voor de duidelijkheid dat dit oordeel met betrekking tot de naam en de directe personalia-gegevens van de tipgever (in de geschoonde stukken met A1 aangeduid) geldt met betrekking tot alle stukken.

4.6.3.

Of met betrekking tot de passages die door de inspecteur met A2 zijn aangeduid (‘privacy tipgever indirect’), terecht een beroep op geheimhouding wordt gedaan, kan niet in algemene zin worden beantwoord. Dit vergt een afweging bij elk stuk afzonderlijk.

Nr. 5 verklaring tipgever

4.7.

Naar het oordeel van de rechtbank hoeft de verklaring van de tipgever, waarin slechts passages zijn geschoond die (rechtstreeks) naar de identiteit van de tipgever (kunnen) leiden niet verder openbaar te worden gemaakt. De rechtbank acht, gelet op hetgeen in 4.6.2 is overwogen, gerechtvaardigd dat deze passages geheim blijven.

Nr. 1 memo “Tipgever Luxemburg” en nr. 11 plan van aanpak

4.8.

De rechtbank onderkent de volgende belangen van de inspecteur bij geheimhouding:

  1. het belang bij een effectieve controle en controlestrategie, waaronder begrepen een effectieve en efficiënte interne werkwijze; en

  2. het belang van privacy van medewerkers van de belastingdienst.

4.9.

Ten aanzien van de onder 4.8a genoemde reden overweegt de rechtbank dat passages uit het memo “Tipgever Luxemburg” en het plan van aanpak aan welke belanghebbende (en iedere belastingplichtige) inzichten kan ontlenen over de wijze waarop de belastingdienst de feiten achterhaalt en onderzoekt – dan wel mede in dit verband – haar werkprocessen inricht en logistiek organiseert, niet hoeven te worden geopenbaard (vergelijk inzake vergelijkbare documenten met betrekking tot een vergelijkbaar project Hof Amsterdam 19 april 2006, nr. 04/04923, ECLI:NL:GHAMS:2006:AW2127, V-N 2006/36.1.2). De daarin beschreven strategieën en werkwijzen met betrekking tot toezicht en controle zijn in beginsel ook toepasbaar buiten het Project Derde Categorie en overstijgen daarmee de omvang van dit project, terwijl voorts voor de hand liggend is te achten dat zij ook daadwerkelijk worden gebruikt in andere, al dan niet vergelijkbare projecten en/of individuele gevallen. In zoverre acht de rechtbank aannemelijk dat het risico van frustratie van (de uitvoering en handhaving van) de belastingwet manifest zou kunnen worden doordat belastingplichtigen op grond van deze informatie zouden kunnen anticiperen op de controlestrategieën en werkwijzen van de belastingdienst. De rechtbank acht te dezen het algemene publieke belang van een – ook op het terrein van het toezicht en de controle – adequaat functionerende belastingdienst (en andere opsporingsinstanties) van een aanzienlijk groter gewicht dan het individuele belang van belanghebbende.

4.10.

Voor de onder 4.8.b vermelde reden is de rechtbank van oordeel dat het belang van de privacy van de in onderhavige stukken genoemde en bij de belastingdienst werkzame personen om anoniem te blijven prevaleert boven dat van belanghebbende. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de medewerkers van de belastingdienst in de stukken op een zodanig individualiseerbare wijze zijn aangeduid (met de letters NN en een cijfer) dat zij met deze aanduiding kunnen worden aangewezen, bijvoorbeeld om als getuige te kunnen worden gehoord.

4.11.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de door de inspecteur aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van het plan van aanpak en het memo “Tipgever Luxemburg”.

Nr. 3 proces-verbaal FIOD-ECD

4.12.

Naar het oordeel van de rechtbank hoeft het proces-verbaal FIOD-ECD, waarin slechts passages zijn geschoond die (rechtstreeks) naar de identiteit van de tipgever en van een ambtenaar van de FIOD-ECD (kunnen) leiden niet verder openbaar te worden gemaakt. De rechtbank acht, gelet op hetgeen in 4.6.2 en 4.10 is overwogen, gerechtvaardigd dat deze passages geheim blijven.

Nr. 2 overeenkomst met de tipgever

4.13.

De inspecteur voert aan dat de naam van de ambtenaar van de FIOD-ECD die de overeenkomst namens de belastingdienst heeft getekend op grond van privacyoverwegingen geheim dient te blijven. Wat betreft de inhoud van de overeenkomst stelt hij zich op het standpunt dat het staatsbelang en de voorkoming van onevenredige benadeling dan wel bevoordeling zich tegen openbaarmaking verzet.

4.14.

Voor wat betreft de naam van de ambtenaar van de FIOD-ECD verwijst de rechtbank naar overweging 4.10 van deze uitspraak. Deze naam hoeft daarom niet te worden bekendgemaakt.

4.15.

Wat betreft de inhoud van de overeenkomst overweegt de rechtbank als volgt. De Staat der Nederlanden heeft welbewust en weloverwogen de beslissing genomen een overeenkomst aan te gaan met een tipgever en deze in ruil voor verstrekte informatie een financiële vergoeding in het vooruitzicht te stellen. De inspecteur heeft vervolgens de informatie die op deze wijze is verkregen gebruikt voor het opleggen van belastingaanslagen en vergrijpboeten aan (kennelijk onder meer) belanghebbende. De rechtbank is van oordeel dat de belangen die de inspecteur heeft aangevoerd niet van zodanig gewicht zijn dat de belangen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende om over ongeschoonde stukken te beschikken. Dat aan dat laatste belang niet een bijzonder groot gewicht toekomt, doet – in aanmerking genomen hetgeen in 4.4 is overwogen over het toetsingskader (eerste alinea) en over het belang van belanghebbende (tweede alinea) – niet af aan dit oordeel.

De rechtbank maakt – naast voor de naam van de tipgever (zie 4.6.2) – een uitzondering voor de passage die in artikel 4, tweede lid, van de overeenkomst is geschoond. In deze passage wordt inzicht gegeven in de jaren waarover de tipgever informatie aan de belastingdienst heeft verstrekt. Indien deze informatie bekend wordt dan kunnen vermeende rekeninghouders uit het Project Derde Categorie en uit vergelijkbare “rekeningenprojecten” anticiperen, bijvoorbeeld bij de bepaling welke informatie zij vrijwillig aan de belastingdienst en/of de rechter verstrekken. De rechtbank acht dan ook geheimhouding van de in artikel 4, tweede lid van de overeenkomst geschoonde passage gerechtvaardigd.

Nrs. 4, 8 en 9 de ambtsedige verklaringen

4.16.

In de ambtsedige verklaringen zijn passages geschoond die op ambtenaren van de FIOD-ECD betrekking hebben. De rechtbank overweegt dat deze passages niet verder openbaar hoeven te worden gemaakt. De rechtbank acht, gelet op hetgeen in 4.10 is overwogen, gerechtvaardigd dat deze passages geheim blijven.

4.17.

Voorts zijn in de (bijlagen bij de) ambtsedige verklaringen passages geschoond die (rechtstreeks) naar de identiteit van andere bankrekeninghouders (kunnen) leiden. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden vormt een gewichtige reden. Het publiek worden van de geschoonde gegevens door het verlenen van inzage aan belanghebbende, vormt een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van derden die niet gerechtvaardigd is, omdat deze gegevens voor de beslissing van de onderhavige zaak in het geheel niet van belang zijn. De door belanghebbende aangevoerde belangen zijn van onvoldoende gewicht om op te wegen tegen het belang van anderen bij geheimhouding. De rechtbank acht dan ook geheimhouding gerechtvaardigd.

4.18.

Met betrekking tot stuk nr. 4 is de rechtbank van oordeel dat met betrekking tot de overige geschoonde passages geheimhouding niet gerechtvaardigd is, op één onderdeel na. De rechtbank onderkent dat de aangevoerde redenen voor geheimhouding (A2: ‘privacy tipgever indirect’; D1: controle-strategische overwegingen) op zichzelf gezien gewichtig zijn, maar de rechtbank acht het belang dat belanghebbende heeft bij kennisname van de passages van zodanig gewicht dat niet gezegd kan worden dat de eerstbedoelde redenen aanzienlijk zwaarder wegen. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verklaringen van de tipgever (en de vragen die tijdens het verhoor zijn gesteld) betrekking hebben op, kort gezegd, de herkomst van de stukken. Belanghebbende heeft bij kennisname van die passages een zwaarwegend belang.

Een uitzondering maakt de rechtbank voor de op p. 1 van stuk nr. 4 opgenomen twee zinnen waarin jaartallen zijn vermeld. De rechtbank acht, onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in 4.15, tweede alinea, geheimhouding daarvan gerechtvaardigd.

4.19.

Met betrekking tot stuk nr. 8 is de rechtbank voor het overige van oordeel dat alleen de geschoonde delen op p. 2 (aangeduid met A2) en de eerste zin op p. 7 die geschoond is (met toevoeging van A2) openbaar dienen te worden gemaakt. Deze passages bevatten namelijk een toelichting op de overhandigde stukken. Om die reden overtreft het belang van de privacy van de tipgever niet het belang van belanghebbende bij kennisname van de passages.

4.20.

Met betrekking tot stuk nr. 9 is de rechtbank voor het overige van oordeel dat met betrekking tot de overige geschoonde passages geheimhouding gerechtvaardigd is. De privacy van de tipgever weegt hier – gelet op de aard van de informatie – aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij openbaarmaking.

Nrs. 6 en 7 de memo’s

4.21.

Deze memo’s dienen naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als intern advies ten aanzien waarvan de inspecteur een gerechtvaardigd belang tot geheimhouding heeft. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de inspecteur dat hij recht heeft op vrijheid en vertrouwelijkheid van juridisch beraad. Daarnaast bevatten de memo’s slechts algemene fiscaal juridische adviezen van een interne kennisgroep en gaan de adviezen niet in op de concrete situatie zoals deze zich bij belanghebbende voordoet.

Nr. 10 door de tipgever aangeleverde stukken

4.22.

De door de tipgever aangeleverde stukken zijn door de FIOD-ECD genummerd als bijlagen D-28 tot en met D-88. Deze bijlagen bestaan (onder meer) uit overzichten van (mogelijke) overige (vermeende) rekeninghouders en overzichten waarop rekeningnummers en banksaldi voorkomen. De stukken met nummers D60 tot en met D88 zijn geen op de zaak betrekking hebbende stukken (zie 4.2.2), zodat de vraag of geheimhouding gerechtvaardigd is alleen betrekking heeft op de stukken met nummers D-28 tot en met D-59.

4.23.

De rechtbank overweegt dat in de door de tipgever aangeleverde stukken passages zijn geschoond die (rechtstreeks) naar de identiteit van (vermeende) bankrekeninghouders (kunnen) leiden. De rechtbank acht, onder verwijzing naar overweging 4.17, geheimhouding hiervan gerechtvaardigd. Het vrijgeven van de geschoonde passages waarin rekeningnummers zijn opgenomen, brengt bovendien met zich dat het risico van frustratie van (de uitvoering en handhaving van) de belastingwet onevenredig zou kunnen worden vergroot, nu geenszins is uit te sluiten dat nog niet geïdentificeerde of “ontkennende” (vermeende) rekeninghouders aldus achterhalen in hoeverre de inspecteur over informatie beschikt. De rechtbank acht derhalve het algemene publieke belang dat gediend wordt met geheimhouding van de passages van aanzienlijk zwaarder gewicht dan het individuele belang van belanghebbende bij kennisname ervan. Gelet hierop hoeven de geschoonde passages in de door de tipgever aangeleverde stukken met nummers D-28 tot en met D-59 niet openbaar gemaakt te worden.

4.24.

Gelet op het vorenstaande moet worden beslist als hierna vermeld.

5 Proceskosten

De beslissing over een eventuele proceskostenveroordeling is aangehouden, omdat hierover in de einduitspraak moet worden geoordeeld.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    bepaalt dat de stukken die zijn aangeduid met D60 tot en met D88 niet zijn aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb;

  • -

    wijst het verzoek van de inspecteur om beperkte kennisneming van de diverse stukken voor zover het de naam en de directe personalia-gegevens van de tipgever betreft toe;

  • -

    wijst het verzoek van de inspecteur om beperkte kennisneming van de verklaring van de tipgever (bijlage 4E) toe;

  • -

    wijst het verzoek van de inspecteur om beperkte kennisneming van het memo “Tipgever Luxemburg” (bijlage 4A) en het plan van aanpak toe;

  • -

    wijst het verzoek van de inspecteur om beperkte kennisneming van het proces-verbaal FIOD-ECD (bijlage 4C) toe;

  • -

    wijst het verzoek van de inspecteur om beperkte kennisneming van de overeenkomst met de tipgever (bijlage 4B) af, met uitzondering van de gegevens vermeld in 4.14 en 4.15, tweede alinea;

  • -

    wijst het verzoek van de inspecteur om beperkte kennisneming van de ambtsedige verklaring G1-01 (Bijlage 4D) toe, met uitzondering van de gegevens vermeld in 4.18, eerste alinea;

  • -

    wijst het verzoek van de inspecteur om beperkte kennisneming van de ambtsedige verklaring AH-3 (Bijlage 4H) toe, met uitzondering van de gegevens vermeld in 4.19;

  • -

    wijst het verzoek van de inspecteur om beperkte kennisneming van de ambtsedige verklaring van 16 maart 2012 met bijlagen (Bijlage 4I) toe;

  • -

    wijst het verzoek van de inspecteur om beperkte kennisneming van de memo’s (Bijlage 4F en 4G) toe;

  • -

    wijst het verzoek van de inspecteur om beperkte kennisneming van de door de tipgever aangeleverde stukken D-28 tot en met D-59 toe;

  • -

    stelt de inspecteur in de gelegenheid om binnen 4 weken na de verzenddatum van deze uitspraak de geschoonde stukken over te leggen met uitzondering van de passages in de stukken ter zake waarvan het verzoek om beperkte kennisneming is toegewezen.

Deze uitspraak is gedaan op 4 februari 2016 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Tegen de tussenbeslissing kan niet eerder beroep worden ingesteld dan tegelijk met het hoger beroep tegen de einduitspraak.