Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:5544

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1537
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft niet voldaan aan zijn informatieverplichting in de zin van artikel 47 AWR. Er is derhalve terecht een informatiebeschikking vastgesteld. Dit geldt echter niet met betrekking tot de vraag of belanghebbende toestemming verleent voor een inpandige opname van een pand. Het niet reageren op een dergelijk verzoek kan niet gelijkgesteld worden met het niet verstrekken van inlichtingen op grond van artikel 47. Artikel 50 van de AWR wordt in de wettelijke bepaling ter zake van de informatiebeschikking immers niet genoemd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2891
Belastingblad 2017/165 met annotatie van N. Djebali
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 15/1537

uitspraak van 21 juni 2016

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 10 februari 2015 op het bezwaar van belanghebbende tegen de voor het jaar 2010 genomen informatiebeschikking inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet.

Zitting

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2015. Nadat het wrakingsverzoek van belanghebbende ongegrond is verklaard, heeft het tweede onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 7 juni 2016. Bij het eerste onderzoek ter zitting zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, bijgestaan door [A], en namens de inspecteur,

[verweerder]. Bij het tweede onderzoek ter zitting waren aanwezig belanghebbende, bijgestaan door [A] en namens de inspecteur [verweerder]

.

1 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- wijzigt de informatiebeschikking in zoverre dat deze gehandhaafd blijft ter zake van de vraag om ten aanzien van het pand aan de [adres 2] kopieën te overleggen van het (de) huurcontract(en) die betrekking hebben op de periode 2010 tot en met heden;

- stelt belanghebbende in de gelegenheid om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog aan dit informatieverzoek te voldoen;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan hem vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) 2010 bij het inkomen uit sparen en beleggen (hierna: box 3) de onderstaande onroerende zaken voor een totale waarde per 1 januari 2010

van € 800.958 en per 31 december 2010 van € 811.368 als bezittingen aangegeven:

- [adres 1] te [plaats Z]

- [adres 2] en garages te [plaats Z]

- [adres 3] te [plaats Y]

- [adres 4] te [plaats Z]

- [adres 5] te [plaats Z]

2.2.

In verband met de beoordeling van de juistheid van de ingediende aangifte ib/pvv 2010 heeft de inspecteur bij brief van 11 februari 2013 belanghebbende (onder meer) verzocht om met betrekking tot de voormelde onroerende zaken kopieën van alle huurcontracten en achterliggende berekeningen van de aangegeven waarden te overleggen.

2.3.

Nadat de inspecteur niet alle informatie had ontvangen, heeft hij bij brief van 20 december 2013 belanghebbende wederom verzocht om de huurcontract(en) vanaf 2010 van de onroerende za(a)k(en) aan de [adres 2] te [plaats Z] te overleggen en is belanghebbende voorts verzocht om toestemming te verlenen voor een inpandige opname van het pand aan de [adres 2] te [plaats Z]. Bij brief van 3 februari 2014 is nogmaals aan belanghebbende verzocht om vóór 15 januari 2014 te reageren op de brief van 20 december 2013.

2.4.

Na het uitblijven van een reactie van belanghebbende, is met dagtekening 9 september 2014 de onderhavige informatiebeschikking genomen, aangezien belanghebbende volgens de inspecteur niet alle verzochte informatie in de zin van artikel 47 van de AWR heeft overgelegd. In de informatiebeschikking staat het volgende vermeld:

“ Op de volgende vragen is niet gereageerd:

- Ik verzoek u ten aanzien van het pand aan de [adres 2] kopieën te overleggen van het (de) huurcontract(en) die betrekking hebben op de periode 2010 tot en met heden;

- Ik verneem graag van u of u toestemming geeft aan de taxateur ook het pand inpandig te bezichtigen in het kader van deze taxatie.

Aangezien op 3 februari 2014 de gevraagde informatie niet was verstrekt is in de brief van 3 februari 2014, kenmerk [kenmerk], verzocht om te reageren vóór 28 februari 2014. Nu u niet adequaat op ons verzoek heeft gereageerd, ontvangt u hierbij deze informatiebeschikking. ”

2.5.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikking. Bij uitspaak op bezwaar is het bezwaar afgewezen. De rechtbank merkt hierbij op dat zij belanghebbende niet volgt in zijn stelling dat geen sprake is van een rechtsgeldige afwijzing van het bezwaar. Uit de bewoordingen van de uitspraak op bezwaar volgt voldoende duidelijk dat naar het oordeel van de bezwaarbehandelaar de informatiebeschikking terecht was opgelegd en daarmee dat sprake was van een afwijzing van het bezwaar. Ook de stelling van belanghebbende dat de termijn voor het doen van uitspraak reeds was verstreken, leidt niet tot een ander oordeel.

2.6.

In geschil is het antwoord op de vraag of de informatiebeschikking terecht is genomen.

2.7.

Artikel 52a, eerste lid, van de AWR bepaalt, voor zover te dezen van belang, het volgende:
“1. Indien met betrekking tot een op te leggen aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag of een te nemen beschikking niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 41, 47, 47a, 49, 52, (…), kan de inspecteur dit vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking).”

2.8.

Artikel 47, eerste lid, van de AWR luidt:
“Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur:
a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn;
b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan – zulks ter keuze van de inspecteur – waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.”

2.9.

Artikel 49, eerste lid, van de AWR luidt:
“De gegevens en inlichtingen dienen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere wijze — zulks ter keuze van de inspecteur — en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.”

2.11.

Op de inspecteur rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de informatie en gegevens die hij bij belanghebbende heeft opgevraagd van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende (artikel 47 AWR).

2.11.1.

De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

2.12.2.

De rechtbank stelt voorop dat vast staat dat de onroerende za(k)en aan de [adres 2] niet (een) woning(en) is/zijn.

2.11.3.

Nu geen sprake is van woning(en) is artikel 5.20 van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet van toepassing en dient de waarde van dit pand te worden bepaald op de waarde in het economische verkeer (artikel 5.19 van de Wet inkomstenbelasting 2001). Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het voor de belastingheffing van belanghebbende van belang kan zijn om inzicht te krijgen in het (de) huurcontact(en) van de onroerende za(a)k(en) aan de [adres 2] te [plaats Z], voor het vaststellen van de waarde in het economische verkeer van deze onroerende za(a)k(en) voor het bepalen van het inkomen uit werk en woning (box 3). Belanghebbende is op grond van artikel 47 en met inachtneming van artikel 49 van de AWR verplicht deze informatie te verstrekken aan de inspecteur.

2.11.4.

Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat eerst moet worden beoordeeld of de in het verleden met de inspecteur gemaakte afspraak ter zake van de waardering van onder meer de onroerende za(a)k(en) aan de [adres 2] ook voor het onderhavige jaar heeft te gelden, overweegt de rechtbank het volgende. Uit hetgeen belanghebbende heeft gesteld volgt niet dat voor het onderhavige jaar overeenstemming met de inspecteur bestaat over de waarde in het economische verkeer van meergenoemd pand. De vraag of belanghebbende een geslaagd beroep kan doen op opgewekt vertrouwen vanwege een in het verleden met de belastingdienst gesloten overeenkomst kan voorts pas aan de orde komen in een eventuele procedure tegen de nog op te leggen aanslag(en) over het jaar 2010 en niet in de onderhavige procedure.

2.11.5.

Ter zake van de vraag van de inspecteur naar de toestemming van belanghebbende voor een inpandige opname, overweegt de rechtbank het volgende. Het niet reageren op een verzoek tot inpandige opname kan naar het oordeel van de rechtbank niet gelijkgesteld worden met het niet verstrekken van inlichtingen en gegevens als bedoeld in artikel 47 van de AWR. De toegangsverlening tot gebouwen wordt geregeld in artikel 50 van de AWR. In dat artikel is bepaald dat degene die een gebouw of grond in gebruik heeft, verplicht is de inspecteur en de door deze aangewezen deskundigen desgevraagd toegang te verlenen tot alle gedeelten van dat gebouw en alle grond, voor zover dat voor een ingevolge de belastingwet te verrichten onderzoek nodig is. Nu artikel 50 van de AWR in de wettelijke bepaling ter zake van de informatiebeschikking (artikel 52a AWR) niet wordt genoemd, is de rechtbank van oordeel dat de vraag naar het al dan niet verlenen van toestemming tot een inpandige opname niet thuis hoort in de informatiebeschikking. De rechtbank zal die vraag dan ook uit de informatiebeschikking halen. Dit neemt uiteraard niet weg dat artikel 50 van de AWR op belanghebbende, als eigenaar van het pand, van toepassing is.

2.11.6.

Ter zake van de vraag naar de huurovereenkomst(en) stelt de rechtbank vast dat belanghebbende niet aan de op hem rustende informatieverplichting heeft voldaan. In zoverre is de informatiebeschikking terecht genomen. Nu belanghebbende nog steeds de gevraagde informatie kan geven en in aanmerking genomen dat geen sprake is van onredelijk gebruik van procesrecht, zal de rechtbank hem daartoe op de voet van artikel 27e, tweede lid, van de AWR een termijn stellen.

2.12.

Al hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel.

2.13.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.11.5 is het beroep gegrond verklaard en is de informatiebeschikking aangepast.

2.14.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, nu niet is gesteld dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Deze uitspraak is gedaan op 21 juni 2016 door mr.drs. M.H. van Schaik, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.H. van Heel, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.