Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:5464

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
05-09-2016
Zaaknummer
4958642 CV EXL 16-2069
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

De bijzondere zorgplicht van een incassobureau als dienstverlener in de financiële sector

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2016, afl. 6, p. 317
AR 2016/2573
Prg. 2016/276
RF 2017/9

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 4958642 CV EXPL 16-2069

vonnis d.d. 24 augustus 2016

inzake

de besloten vennootschap [naam opposante] ,

gevestigd en kantoorhoudende te [adres opposante]
,
opposante,

gemachtigde: [naam gemachtigde]
,

tegen

[geopposeerde] ,
wonende te [adres] ,
geopposeerde,

gemachtigde: [naam gemachtigde geopposeerde]

.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als “ [naam opposante] ” en “ [geopposeerde] ”.

1 Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    de verzetdagvaarding van 22 maart 2016, tevens houdende eis in reconventie,
    met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 20 april 2016, waarbij een comparitie van partijen is
    gelast;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie (oppositie), tevens akte vermeerdering van eis in conventie.

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de terechtzitting van 17 mei 2016.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2 Het geschil

In verzet (in conventie)

2.1

Bij zijn op 15 februari 2016 uitgebrachte dagvaarding heeft [geopposeerde] , als eiser in de verstekzaak, in conventie gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [naam opposante] te veroordelen

tot betaling aan hem van een bedrag van € 1.752,79, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 19 augustus 2015 tot de dag der algehele voldoening, alsmede tot betaling van een bedrag van € 318,13 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, een en ander met veroordeling van [naam opposante] in de proceskosten.

2.2

Bij verstekvonnis van 24 februari 2016 (gewezen onder zaaksnummer 4840024 CV EXPL 16-110) heeft de kantonrechter de vordering van [geopposeerde] toegewezen. [naam opposante] is daarbij tevens veroordeeld in de kosten van de procedure, begroot op € 472,88, inclusief een bedrag van € 150,00 als salaris voor de gemachtigde van [geopposeerde] .

2.3

[naam opposante] komt in verzet van voornoemd vonnis. Zij vordert dat zij ontheven wordt van de veroordeling tegen haar uitgesproken in het verstekvonnis en dat [geopposeerde] alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vorderingen, dan wel dat deze worden afgewezen, met veroordeling van [geopposeerde] in de kosten van het verzet.

2.4

[geopposeerde] voert verweer. Hij concludeert tot bekrachtiging van het verstekvonnis, met veroordeling van [naam opposante] in de kosten van het verzet.

2.5

In reactie op de door [naam opposante] ingediende reconventionele vordering, vermeerdert
[geopposeerde] bij akte dd. 17 mei 2016 zijn vordering in hoofdsom met een bedrag van
€ 493,10 tot in totaal € 2.245,89.

In reconventie

2.6

[naam opposante] vordert in reconventie [geopposeerde] te veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van € 493,10, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 mei 2015 tot de dag der algehele voldoening, een en ander met veroordeling van [geopposeerde] in de kosten van deze procedure.

2.7

[geopposeerde] voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vordering van [naam opposante] .

3 De verdere beoordeling

3.1

Nu niet anders is gesteld of gebleken, moet worden aangenomen dat [naam opposante] tijdig in verzet is gekomen.

In conventie en in reconventie

3.2

De vorderingen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

3.3

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en mede op grond van de inhoud van niet weersproken producties het volgende vast.

- [naam opposante] is een onderneming die een incassobureau runt.

- In april 2014 verkreeg [geopposeerde] in het kader van een echtscheidings- en verdelings-

procedure een beschikking van de rechtbank Den Haag, waarin werd bepaald dat zijn ex-

vrouw een bedrag van € 10.150,37 diende te voldoen.

- Bij e-mail van 12 mei 2014 heeft [geopposeerde] zich tot [naam opposante] gewend. De tekst van dat
e-mailbericht luidde:
“Ik heb een beschikking van de rechtbank Den Haag. Kunt u dit voor mij incasseren?
Hopend u voldoende te hebben geïnformeerd”.
- In reactie daarop heeft [naam opposante] bij e-mail van dezelfde datum aan [geopposeerde] geantwoord:
“Hartelijk dank voor uw interesse in onze dienstverlening. Bij een succesvolle incasso berekenen we

7,5% provisie, die betaalt u dus alleen wanneer er ook daadwerkelijk geïncasseerd is. Indien er al

een vonnis is en hierin zijn geen incassokosten opgenomen dan bedraagt dit percentage 15%. Wij

kunnen uw openstaande facturen incasseren, een en ander geheel op basis van No Cure No Pay.

Wanneer er onverhoopt niets wordt geïncasseerd dan bent u ons ook niets verschuldigd.

Indien u mij het vonnis/beschikking mailt, gaan we er direct voor u mee aan de slag. Ook kunt u via

de website een account aanmaken en de vordering daarna online indienen.

Mocht u nog vragen hebben dan hoor ik het graag”.
- [naam opposante] heeft [geopposeerde] vervolgens een aanmeldformulier met algemene voorwaarden en

tarievenlijst gezonden. [geopposeerde] heeft het aanmeldformulier ondertekend en aan [naam opposante]

geretourneerd.
- [geopposeerde] heeft [naam opposante] een voorschot betaald van € 350,00.

- [naam opposante] heeft op 7 januari 2015 opdracht gegeven aan deurwaarderskantoor [naam deurwaarder]
om de beschikking te executeren. De ex-vrouw van [geopposeerde] heeft uiteindelijk de

gehele vordering ineens aan de deurwaarder voldaan.
- Op 8 mei 2015 heeft de deurwaarder € 9.657,27 gestort op de rekening van [naam opposante] . [naam opposante] heeft

daarvan een bedrag van € 8.070,30 aan [geopposeerde] overgemaakt.
- Op 19 mei 2015 heeft [geopposeerde] geïnformeerd bij [naam opposante] waar het door hem ontvangen

bedrag op was gebaseerd en wanneer het restant zou volgen. Hem werd daarop te verstaan

gegeven dat het dossier gesloten was omdat de gehele vordering was voldaan. De

eindafrekening zou reeds aan hem zijn gemaild.
- Na correspondentie tussen partijen heeft [naam opposante] , stellende dat zij uit coulance de gemaakte

deurwaarderskosten kwijt wenste te schelden, nog een bedrag van € 677,28 aan [geopposeerde]

overgemaakt. Voorts heeft zij [geopposeerde] een eindafrekening, gedateerd 8

mei 2015, gezonden, met daarbij gevoegd een afschrift van de factuur van de

deurwaarder.

3.4

Kort weergegeven heeft [geopposeerde] in de oorspronkelijke dagvaarding aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [naam opposante] op twee punten haar zorgplicht als redelijk en bekwaam handelend dienstverlener in de financiële sector heeft geschonden. [naam opposante] heeft hem, ten tijde van het eerste contact tussen partijen, namelijk onjuiste c.q. onvolledige informatie verschaft en voorts heeft [naam opposante] toen ook nagelaten om hem toe te lichten welke activiteiten zij zou gaan ondernemen en om daaromtrent concrete en duidelijke tariefafspraken met hem te maken. Geen van de in de Algemene Voorwaarden/Tarievenlijst van [naam opposante] genoemde standaardtrajecten was immers op zijn situatie van toepassing. [geopposeerde] meent dat [naam opposante] hem er ook op had moeten wijzen dat haar toegevoegde waarde in het invorderingstraject slechts zeer beperkt zou kunnen zijn nu zij voor de executie van de beschikking een deurwaarder diende in te schakelen. Hij wijst erop dat hij [naam opposante] nimmer heeft gevraagd om een minnelijke oplossing dan wel een betalingsregeling met zijn ex-vrouw na te streven.
[geopposeerde] is van mening dat [naam opposante] op grond van het vorenstaande tekort is geschoten en dat zij, nu die tekortkoming niet kan worden hersteld, direct is verzuim is komen te verkeren en schadeplichtig is geworden jegens hem. Hij stelt dat de op de geïncasseerde vordering ingehouden afwikkelingskosten moet worden gezien als zijn schade. Als hij immers juist was geïnformeerd door [naam opposante] dan had hij opdracht aan een deurwaarder verstrekt en die kosten hadden dan volledig op de debiteur verhaald kunnen worden. De incasso was in dat geval voor hem kosteloos geschied, aldus [geopposeerde] .

3.5

Ter onderbouwing van haar standpunt dat het verstekvonnis dient te worden vernietigd stelt [naam opposante] dat zij zich heeft gedragen als van een redelijk bekwaam en redelijk handelend dienstverlener in de financiële sector mag worden verwacht. Zij meent dat zij de door [geopposeerde] gestelde vraag, of zij de beschikking van de rechtbank Den Haag voor hem kon incasseren, correct heeft beantwoord. Reeds voordat de opdracht aan haar is verstrekt moet het voor [geopposeerde] duidelijk zijn geweest dat zij incassowerkzaamheden verricht en dat zij geen deurwaarderskantoor is. [naam opposante] wijst erop [geopposeerde] informatie te hebben verschaft over haar dienstverlening en over de daarbij behorende kosten. Zij heeft hem haar Algemene Voorwaarden en Tarievenlijst toegezonden. Van schending van haar zorgplicht is dan ook geen sprake geweest, aldus [naam opposante] .


Wat betreft de prijsafspraken stelt [naam opposante] dat het, voorafgaand aan de opdrachtverstrekking, bekend was dat [geopposeerde] over een vonnis/beschikking beschikte. In haar e-mail van 12 mei 2014 heeft zij aan [geopposeerde] bericht dat haar provisie 15% van het geïncasseerde bedrag bedroeg. [naam opposante] wijst erop dat [geopposeerde] daarmee heeft ingestemd door haar de opdracht te verstrekken. [naam opposante] stelt dat haar een pre-incasso opdracht is verstrekt en dat zij heeft getracht de kosten van een deurwaarder te vermijden omdat die kosten niet op de debiteur te verhalen waren en derhalve voor rekening van [geopposeerde] zelf zouden komen. Omdat er sprake was van een vonnis zonder incassokosten, konden de gemaakte kosten niet op de ex-vrouw van [geopposeerde] worden verhaald. Indien de prijsafspraken niet duidelijk waren, had het op de weg van [geopposeerde] gelegen om vooraf om verduidelijking te vragen. Hij heeft echter pas achteraf aangevoerd dat een provisie van 15% niet correct was.

[naam opposante] stelt voorts dat zij in eerste instantie een verkeerde eindafrekening naar [geopposeerde] heeft gezonden. In die eindafrekening was namelijk ten onrechte een provisie van 7,5% opgenomen. Die vergissing is gecorrigeerd. [geopposeerde] was haar een bedrag van

€ 1.752,79 plus de deurwaarderskosten ad € 585,72 verschuldigd. Rekening houdend met het door hem betaalde voorschot van € 350,00, diende hij derhalve een bedrag van € 1.988,51 aan haar te voldoen. Door de deurwaarder is een bedrag van € 10.242,99 ontvangen. Na inhouding van haar provisie en de gemaakte deurwaarderskosten resteerde er derhalve nog een bedrag van € 8.254,48 voor [geopposeerde] . Na een discussie over de verschuldigdheid van de doorberekende kosten van de deurwaarder, heeft [naam opposante] nog uit coulance een bedrag van € 677,28 aan [geopposeerde] voldaan. Indien de visie van [geopposeerde] zou worden gevolgd, zou de conclusie luiden dat zij geen enkele betaling zou ontvangen voor de door haar verrichte werkzaamheden en dat zij er zelfs geld bij zou moeten leggen, aldus [naam opposante] .

3.6

[naam opposante] voert voorts aan dat, nu [geopposeerde] kennelijk van mening is dat tussen partijen geen minnelijke regeling tot stand is gekomen, zij recht heeft op betaling door [geopposeerde] van het volledige factuurbedrag, dat wil zeggen de volledige afwikkelingskosten ad 15% provisie, plus btw, vermeerderd met de kosten van deurwaarder. [geopposeerde] is haar daarom nog een bedrag verschuldigd van € 493,10, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2015, aldus [naam opposante] . Dat bedrag vordert zij in reconventie.

3.7

De kantonrechter stelt vast dat de tussen partijen gesloten overeenkomst een overeenkomst van opdracht betreft als bedoeld in artikel 7:400 BW. Bij dergelijke overeenkomsten heeft te gelden dat de opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen (7:401 BW). Voor een professionele dienstverlener in de financiële sector – zoals [naam opposante] – houdt deze norm in dat de (mate van) zorg die zij ten opzichte van haar wederpartij – in casu de als particulier optredende [geopposeerde] – dient te betrachten tenminste gelijk moet zijn aan de (mate van) zorg die een redelijk handelend, redelijk bekwaam vakgenoot in dezelfde situatie in acht zou nemen. De omvang van de op de schouders van de dienstverlener rustende zorgplicht wordt voorts bepaald door de omstandigheden van het geval, waartoe onder meer ook moet worden gerekend de aard van de overeengekomen dienstverlening en de redelijkerwijs te verwachten deskundigheid bij de wederpartij. De opdrachtnemer dient haar gedrag ook in voldoende mate af te stemmen op de gerechtvaardigde belangen van de opdrachtgever.

3.8

Naar het oordeel van de kantonrechter voldoet een incassobureau slechts dan aan haar zorgplicht ten opzichte van een particuliere opdrachtgever indien zij voorafgaand aan het aanvaarden van de opdracht:
a) op adequate wijze heeft onderzocht wat de precieze wensen en behoeften van de

opdrachtgever zijn en of de opdrachtgever wel in voldoende mate begrijpt waartoe hij

precies opdracht geeft en welke alternatieven hem eventueel ten dienste staan en
b) de opdrachtgever op een voldoende heldere en transparante wijze informeert over de aard

en het doel van haar dienstverlening en over de daaraan verbonden kosten.
Voor een zuivere wilsvorming is immers goede informatie-uitwisseling van essentieel belang en dat is wat de onderhavige zorgplicht beoogt te bevorderen. Onder omstandigheden kan een juiste invulling van de op de dienstverlener rustende zorgplicht zelfs met zich brengen dat deze de opdrachtgever dient te adviseren van de overeenkomst af te zien omdat het aanvaarden van de opdracht niet past bij het doel dat de opdrachtgever nastreeft.

3.9

Dat [naam opposante] , nadat [geopposeerde] zich bij e-mail van 12 mei 2014 tot haar had gewend, op enigerlei wijze heeft onderzocht wat precies zijn wensen en behoeften waren – anders dan het sec incasseren van zijn vordering – en wat zij in dat verband voor hem kon betekenen en/of dat zij [geopposeerde] heeft uiteengezet welke alternatieven hem ten dienste stonden, is niet gesteld of gebleken. Integendeel, [naam opposante] heeft – kennelijk zonder nader contact – de e-mail van [geopposeerde] beantwoord (op de wijze als onder 3.3 aangegeven) en hem medegedeeld dat hij de vordering online in kon dienen. Daags erop heeft zij hem een aanmeldformulier en haar voorwaarden en tarieven toegezonden. Zij is er, zoals blijkt uit haar uitlatingen ter zitting, zonder meer vanuit gegaan dat [geopposeerde] wel op de hoogte zou zijn van het verschil tussen een incassobureau en een deurwaarderskantoor. [naam opposante] heeft niet, althans onvoldoende, onderbouwd op grond waarvan zij erop mocht vertrouwen dat [geopposeerde] dat onderscheid kende en een bewuste keuze had gemaakt om zich tot haar, als incassobureau, te wenden. Met name waar [geopposeerde] reeds over een gerechtelijke uitspraak beschikte, lag het naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van [naam opposante] om goed na te gaan of [geopposeerde] er daadwerkelijk bewust voor had gekozen een incassobureau te benaderen en dat hij ook wist dat, in het geval zijn ex-vrouw niet tot vrijwillige betaling van de vordering over zou gaan, alsnog een deurwaarder ingeschakeld diende te worden. De enkele omstandigheid dat de website van [naam opposante] meldt dat [naam opposante] een incassobureau runt, vormde geen – althans onvoldoende – grond om dat onderzoek achterwege te laten. Naar het oordeel van de kantonrechter had [naam opposante] [geopposeerde] moeten uitleggen welke werkzaamheden zij voor hem zou verrichten en welke niet. [naam opposante] heeft ter zitting (overigens zonder nadere onderbouwing) gesteld dat zij wel degelijk van betekenis kon zijn voor [geopposeerde] , boven inschakeling van een deurwaarder. Als dat zo is, dan was er dus ook geen enkele reden om [geopposeerde] die uitleg te onthouden.

De conclusie uit het vorenstaande luidt dan ook dat [naam opposante] tekort is geschoten in haar bijzondere zorgplicht wat betreft het onderzoeken van de precieze wensen en behoeften van [geopposeerde] en wat betreft de vraag of hij wel in voldoende mate begreep waartoe hij opdracht gaf en welke alternatieven hem ten dienste stonden.

3.10

De kantonrechter is van oordeel dat zulks ook geldt wat betreft de op [naam opposante] rustende verplichting om [geopposeerde] , voorafgaand aan de aanvaarding van de opdracht, op een voldoende op zijn specifieke wensen toegespitste, transparante wijze te informeren omtrent de aard en het doel van haar verrichtingen en omtrent de daaraan verbonden kosten. Weliswaar heeft [naam opposante] in haar antwoordmail van 12 mei 2014 aangegeven wat haar tarieven waren, maar enerzijds lijkt die mail voor een belangrijk deel een standaardantwoord te zijn ( [naam opposante] spreekt daarin onder meer over het incasseren van facturen, wat in dit geval in het geheel niet aan de orde was), terwijl in die e-mail geen enkel inzicht wordt verschaft in de werkzaamheden die zij in het kader van het incasseren van de (panklare) vordering van [geopposeerde] zou gaan verrichten, laat staan welke kosten daarmee gemoeid zouden zijn. In het onderhavige geval was het geven van die toelichting temeer van belang nu, zoals [naam opposante] stelt, bij gebreke van een incassokosten- en een proceskostenveroordeling in de rechterlijke uitspraak, alle met de incasso van zijn vordering gemoeide kosten voor zijn rekening zouden komen. Dat maakte het temeer van belang om [geopposeerde] voldoende duidelijk op de aan het geven van een incasso-opdracht verbonden kosten te wijzen en ook alternatieven met hem te bespreken.

3.11

Samenvattend is de kantonrechter van oordeel dat [naam opposante] de opdracht van [geopposeerde] alleen had mogen accepteren wanneer zij na het stellen van duidelijke vragen omtrent zijn precieze bedoelingen en na een uitleg over de (beperkte) mogelijkheden die zij zou hebben om het gevorderde bedrag – zonder inschakeling van een deurwaarder – te incasseren, redelijkerwijs had mogen begrijpen dat [geopposeerde] haar de opdracht wenste te geven. Zij diende immers haar gedrag af te stemmen op de gerechtvaardigde belangen van [geopposeerde] . Aan voormelde voorwaarden is door [naam opposante] niet voldaan. In de omstandigheden van het geval acht de kantonrechter het alleszins aannemelijk dat [geopposeerde] [naam opposante] de opdracht niet zou hebben gegeven wanneer hem duidelijk was gemaakt dat de beschikking direct door een deurwaarder had kunnen worden geëxecuteerd en dat ook alle aan haar tussenkomst verbonden extra kosten (geheel) voor zijn rekening zouden blijven. [naam opposante] had de opdracht dan ook zo niet mogen accepteren.

3.12

Nu [naam opposante] haar bijzondere zorgplicht als dienstverlener heeft verzaakt, dient daaraan het gevolg te worden verbonden dat [naam opposante] slechts een vergoeding toekomt voor de kosten die zij aan een derde – meer bepaald: aan de deurwaarder – heeft betaald ter executie van de beschikking. Alle overige kosten die zij op het door de deurwaarder aan haar afgedragen bedrag heeft ingehouden, dient zij voor haar eigen rekening te nemen.

3.13

Bij de berekening van de hoogte van het door [naam opposante] aan [geopposeerde] te betalen bedrag zal de kantonrechter uitgaan van het door de deurwaarder aan [naam opposante] overgemaakte bedrag van
€ 9.657,27. Aannemelijk is dat [geopposeerde] , wanneer hij de beschikking van de rechtbank direct ter executie aan de deurwaarder ter hand had gesteld, na executie niet meer dan dat bedrag van de deurwaarder had ontvangen. [geopposeerde] heeft immers niet, althans onvoldoende, gemotiveerd onderbouwd dat de door de deurwaarder in rekening gebrachte kosten op zijn ex-vrouw hadden kunnen worden verhaald. Zoals [naam opposante] terecht heeft aangevoerd bevatte de uitspraak van de rechtbank in ieder geval geen veroordeling tot betaling van incasso- en/of proceskosten.

3.14

Door de deurwaarder is aan [naam opposante] afgedragen een bedrag van € 9.657,27. [geopposeerde] had [naam opposante] een voorschot betaald van € 350,00. In totaal ontving [naam opposante] derhalve van de deurwaarder en van [geopposeerde] een bedrag van € 10.007,27. Aan [geopposeerde] heeft zij

uitbetaald bedragen van € 8.070,30 en € 677,28, ofwel in totaal € 8.747,58. Dat betekent dat aan [geopposeerde] nog toekomt een bedrag van (€ 10.007,28 -/- € 8.747,58 =) € 1.259,69.
Het verstekvonnis, waarbij het gehele door [geopposeerde] gevorderde bedrag van € 1.752,79 is toegewezen, kan dan ook in zoverre niet worden bekrachtigd. Ook de in het kader van deze verzetprocedure ingediende vermeerdering van eis kan dus ook niet worden gehonoreerd.

Bij het verstekvonnis was tevens een bedrag van € 318,13 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. Die post zal ook thans worden toegewezen. Datzelfde geldt voor de toegewezen wettelijke rente vanaf 19 augustus 2015, met dien verstande dat dit bedrag slechts toewijsbaar is over het bedrag van de (thans) toe te wijzen hoofdsom. Tot slot blijft staan dat [naam opposante] als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij de kosten van de (verstek)procedure dient te dragen.

3.15

De beslissing in conventie heeft tot gevolg dat daarmee ook het lot met betrekking tot de reconventionele vordering van [naam opposante] is bezegeld. Die vordering zal worden afgewezen.

3.16

De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding de proceskosten van deze verzetzaak (in conventie) te compenseren als hierna te melden. In reconventie moet [naam opposante] als de in het ongelijk te stellen partij te worden aangemerkt. Zij zal derhalve de in de reconventie gevallen proceskosten dienen te dragen. Die kosten worden aan de zijde van [geopposeerde] tot deze uitspraak, op basis van 1 procespunt, begroot op € 60,00 voor salaris voor zijn gemachtigde.

4. De beslissing

De kantonrechter:


in conventie:

4.1

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Bergen op Zoom van 24 februari 2016, tussen partijen gewezen onder zaaknummer 4840024 CV EXPL 16-1101;

opnieuw rechtdoende:

4.2

veroordeelt [naam opposante] om tegen bewijs van kwijting aan [geopposeerde] te betalen een bedrag van € 1.259,69, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 19 augustus 2015 tot de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met een bedrag van
€ 318,13 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

4.3

veroordeelt [naam opposante] tot betaling van de proceskosten in de verstekzaak, welke kosten aan de zijde van [geopposeerde] op € 472,88 worden begroot, inclusief een bedrag van € 150,00 als salaris voor de gemachtigde van [geopposeerde] ;

4.4

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.5

compenseert de proceskosten van deze verzetprocedure en wel zo dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.6

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie:

4.7

wijst de vordering van [naam opposante] af;

4.8

veroordeelt [naam opposante] in de proceskosten aan de zijde van [geopposeerde] tot deze uitspraak begroot op € 60,00 als salaris voor de gemachtigde van [geopposeerde] ;

4.9

verklaart dit vonnis wat betreft voormelde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.J. van den Boom, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2016.