Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:5388

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-08-2016
Datum publicatie
28-09-2016
Zaaknummer
4941346
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

effectenlease – verjaring vernietigingsbevoegdheid – kwade trouw ex art. 6:205BW – no cure no pay

Dexia legt zich niet neer bij de prejudiciële beslissing van HR 9 oktober 2015 ECLI:NL:HR:2015:3018. Maar de collectieve actie van Eegalease c.s. is niet ingetrokken. Daaromtrent is een schikking getroffen, waarna afstand van recht is gedaan i.v.m. wat meer of anders was gevorderd in de collectieve actie. Ten onrechte tracht Dexia aan dit onderdeel van de Hoofdovereenkomst een te ruime strekking te geven. Verworpen wordt dat de afstand van recht erga omnes zou werken. Ook dat past niet bij de effectieve en efficiënte rechtsbescherming die met een collectieve actie ex art. 3:305a BW is beoogd.

Kwade trouw van Dexia wordt niet aangenomen. Kwade trouw in de zin van art. 6:205 BW is zuiver subjectief van aard. Het contract was slechts vernietigbaar en er moest niet zonder meer van verlies worden uitgegaan.

Voor een “no cure no pay”-afspraak kan art. 6:96 lid 2 BW wellicht een basis bieden (HR 26 sept. 2014 ECLI:NL:HR:2014:2797). In dit geval biedt 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW aan Leaseproces geen basis, omdat de zaak niet gaat over het vaststellen van schade en aansprakelijkheid, maar over buitengerechtelijke vernietiging van het contract en terugbetaling. Voorts staan art. 241 Rv en art. 6:96 lid 3 BW aan de nevenvordering in de weg. Gelet op de specificatie van de werkzaamheden heeft Leaseproces geadviseerd en geïnformeerd, maar niets verricht tot verkrijging van voldoening buiten rechte, behalve de gewone sommatie. De primaire en subsidiair nevenvordering ter zake van buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2804

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/rolnr.: 4941346 / 16-1891

vonnis van de kantonrechter d.d. 31 augustus 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Meliskerke, gemeente Veere,

eisende partij in conventie,

gedaagde partij in reconventie,

verder te noemen: eiser,

gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces te Amsterdam,

t e g e n :

de besloten vennootschap

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

verder te noemen: Dexia,

gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel, USG Legal Professionals te Amsterdam.

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- dagvaarding van 18 maart 2016,

- conclusies van antwoord, repliek en dupliek in conventie, respectievelijk tevens van eis, antwoord en repliek in reconventie,

- conclusie van dupliek in reconventie.

de beoordeling van de zaak

in conventie en in reconventie:

1.1.

Eiser is sinds 1998 gehuwd met [echtgenote] (verder: de eega). Eiser is op 19 december 2000 met een rechtsvoorganger van Dexia, Bank Labouchere N.V., een effectenlease-overeenkomst, contract nr. 56182943, aangegaan met de naam Profit Effect Vooruitbetaling (verder: het contract). Het contract had een looptijd van 120 maanden. Eiser heeft een bedrag van omgerekend € 3.682,80 vooruitbetaald. Eiser heeft maandelijkse termijnen ad € 113,67 betaald tot augustus 2005, in totaal € 2.273,40. Dexia heeft per 16 maart 2006 een eindafrekening opgesteld met als resultaat een restschuld van eiser van € 10.382,14. Eiser heeft die restschuld niet voldaan. In totaal is wegens dividenden en claims € 368,56 aan eiser uitgekeerd.

1.2.

De collectieve actie van onder anderen de Stichting Eegalease en de Consumenten-bond is ingesteld bij dagvaarding van 13 maart 2003. De collectieve actie is in eerste aanleg geëindigd door een vonnis van de rechtbank Amsterdam d.d. 25 augustus 2004. Dexia heeft tegen dat vonnis tijdig hoger beroep ingesteld, waardoor dat vonnis niet na verloop van de appeltermijn in kracht van gewijsde is gegaan. Gedurende het hoger beroep is tussen Dexia en de betrokken belangenorganisaties een schikking tot stand gekomen, die is neergelegd in een “Hoofdovereenkomst” van 23 juni 2005. Bijlage 3 bij de Hoofdovereenkomst is de WCAM-Overeenkomst van dezelfde datum, beter bekend als de Duisenberg-regeling, die op 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard.

1.3.

De eega van eiser heeft bij aangetekende brief aan Dexia van 18 augustus 2005 het contract ex art. 1:88 en art. 1:89 BW vernietigd op de grond zij geen toestemming heeft verleend voor het contract. Eiser heeft op dezelfde dag een offerte van Leaseproces ondertekend voor het voeren van een procedure tegen Dexia met een resultaatsafhankelijke beloning van Leaseproces (“no cure no pay”). Bij brief van diezelfde datum heeft Leaseproces aan Dexia diverse mededelingen gedaan en ook gesommeerd om binnen twee weken alles terug te betalen wat eiser heeft betaald en het BKR op de hoogte te stellen van het feit dat contract met terugwerkende kracht nietig is.

1.4.

Dexia heeft bij brief van 28 september 2005 aan eiser meegedeeld de vernietigings-verklaring niet te accepteren en daarin niet te berusten.

1.5.

Leaseproces heeft namens eiser in april 2007 tijdig en geldig verklaard dat eiser niet gebonden wenst te zijn aan de Duisenberg-regeling.

2.1.

Eiser heeft in conventie gevorderd:

a. te verklaren voor recht dat het contract rechtsgeldig is vernietigd,

b. Dexia te veroordelen tot terugbetaling van al wat eiser op grond van het contract aan Dexia heeft betaald,

c. en tot vergoeding van de wettelijke rente daarover, te berekenen telkens vanaf de dag van de betalingen van eiser,

d. en tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten op basis van de offerte van Leaseproces aan eiser,

e. en in de proceskosten, waarbij het salaris van de gemachtigde van eiser voorwaardelijk wordt gevorderd, namelijk voor zover de vordering onder d. niet volledig wordt toegewezen.

f. Voorts heeft eiser gevorderd dat Dexia de registratie van eiser bij het BKR te Tiel zal laten doorhalen op straffe van een dwangsom.

2.2.

Dexia heeft deze vorderingen alle bestreden. Eiser heeft zich bij dagvaarding het recht voorbehouden om door vermeerdering van eis vorderingen tegen Dexia in te stellen voortvloeiende uit het niet nakomen van de bijzondere zorgplichten van Dexia voor het aangaan van het contract. Dat is voor Dexia aanleiding geweest om in reconventie te vorderen dat voor recht wordt verklaard dat het contract rechtsgeldig tot stand is gekomen, niet is vernietigd en niet bloot staat aan vernietiging op enige grond.

vernietigingsbevoegdheid

3.1.

Dexia heeft gesteld dat de bevoegdheid daartoe reeds was verjaard, toen bij brief van 18 augustus 2005 aan Dexia de verklaring tot vernietiging werd uitgebracht. Eiser heeft zich erop beroepen dat de verjaring is gestuit door de collectieve actie van 13 maart 2003. Dexia heeft dat betwist op de grond dat de vernietigingsverklaring niet aansluit bij de vorderingen in de collectieve actie en op de grond dat de eisers in die procedure naderhand afstand hebben gedaan van alle rechten en vorderingen.

3.2.

Wat het niet aansluiten betreft heeft Dexia, samengevat, aangevoerd:

In de collectieve actie is de toepassing van artt. 1:88 en 1:89 BW gevorderd alleen voor contracten die zijn aangegaan met Dexia. Maar het contract in deze zaak is aangegaan met een rechtsvoorganger van Dexia. De collectieve actie betrof bovendien een lijst van 98 bij naam genoemde effectenleaseproducten. De productnaam “Profit Effect Vooruitbetaling” komt in die lijst niet voor.

3.3.

Dit argument wordt verworpen. Ingevolge art. 3:305a BW geldt als vereiste voor het instellen van een collectieve actie dat het moet gaan om bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen. Omdat die bescherming beoogd is, dient dit inhoudelijke criterium ook te worden gebruikt bij de beoordeling van de vraag of voor de stuitende werking op de voet van art. 3:316 lid 1 BW een individuele buitengerechtelijke vernietiging aansluit op de collectieve actie. In het kader van de “bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen” sluit het product “Profit Effect Vooruitbetaling” onmiskenbaar aan op de 98 producten uit de collectieve actie. Eiser heeft in dit verband terecht gewezen op r.o. 3.4.2. van het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018):

“De belangen van individuele gerechtigden bij de vernietiging van overeenkomsten als hier aan de orde lenen zich dan ook in beginsel voor bundeling in een daarbij aansluitende vordering op de voet van art. 3:305a BW. Indien een dergelijke vordering wordt ingesteld, past bij de met de collectieve actie beoogde effectieve en efficiënte rechtsbescherming dat een gerechtigde in afwachting van de uitkomst van die collectieve actie vooralsnog kan afzien van stuitingshandelingen of buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst.”

Aansluiting als door de Hoge Raad bedoeld is er wanneer het gaat om een vordering op de grondslag dat de effectenleaseovereenkomst is afgesloten zonder de toestemming van de eega ex art. 1:88 BW. Dat vloeit voort uit de effectieve en efficiënte rechtsbescherming, die met een collectieve actie ex art. 3:305a BW beoogd wordt.

3.4.

Afstand van recht vereist een overeenkomst. Inderdaad bevat de Hoofdovereenkomst in art. 21 een afstand van recht, maar deze afstand is geenszins om niet overeengekomen. Wanneer de Hoofdovereenkomst in zijn geheel wordt gelezen en daarbij rekening wordt gehouden met de samenhang van alle onderdelen, dan blijkt dat aan Contractanten diverse rechten zijn gegeven, zoals vastgelegd in de Hoofdovereenkomst met de bijbehorende WCAM-overeenkomst, waartegenover afstand is gedaan van wat in de collectieve actie was gevorderd. Dat stemde niet of niet volledig overeen met de rechten ten behoeve van Contractanten in de Hoofdovereenkomst. De afstand van recht is daarom te beschouwen als niet meer dan een sluitsteen van de Hoofdovereenkomst. Behoort die sluitsteen tevens de strekking te hebben dat Contractanten die, zoals eiser, hebben verklaard niet gebonden te willen zijn aan de Duisenberg-regeling, van hun eventuele rechten zijn beroofd door de afstand van recht die partijen bij de Hoofdovereenkomst zijn overeengekomen? Met andere woorden: óf de Duisenberg-regeling óf niets?

3.5.

Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. In zijn voormelde arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) heeft de Hoge Raad overwogen (r.o. 3.4.):

“In een geval als dit, waarin de collectieve actie heeft geleid tot een WCAM-overeenkomst, heeft het uitbrengen van een ‘opt-out’-verklaring […] niet tot gevolg dat de belanghebbende zich niet meer op de stuitende werking van die actie kan beroepen. De collectieve actie was immers mede ten behoeve van deze belanghebbende ingesteld en deze kan pas na het tot stand komen van een schikking beoordelen of hij daaraan gebonden wenste te zijn. Daarmee strookt niet om aan degenen die zich uiteindelijk niet aan de collectieve schikking willen binden achteraf de stuitende werking van de collectieve actie te ontzeggen.”

Zou de opvatting van Dexia juist zijn, dan zou dat betekenen dat iedere belanghebbende toch tijdig zelf de verjaring zou moeten stuiten, omdat hij of zij niet van te voren kan weten of hij of zij gebonden wenst te zijn aan het uiteindelijk te behalen onderhandelingsresultaat en de in dat kader door de belangenverenigingen aanvaarde compromissen en prijsgegeven rechten. Dit is het tegenovergestelde van hetgeen de Hoge Raad heeft beslist en kan daarom niet voor juist worden gehouden. (Hof Arnhem-Leeuwarden 19 april 2016 ECLI:NL:GHARL:2016:3085).

3.6.

Dexia heeft erop gewezen dat intrekking van de vorderingen in de collectieve actie ex art. 3:316 BW zou hebben meegebracht dat de stuitende werking daarvan zonder meer verviel en dat de Stichting Eegalease daarom ontegenzeggelijk bevoegd was om afstand te doen van de stuitende werking van de collectieve actie. Maar dit argument baat Dexia niet. De vorderingen in de collectieve actie zijn nu juist niet ingetrokken. Daaromtrent is een schikking getroffen, waarna afstand van recht is gedaan in verband met wat meer of anders was gevorderd dan was overeengekomen. De afstand van recht moet men blijven zien in de samenhang van de diverse onderdelen van de Hoofdovereenkomst. Er is niet zonder meer (om niet) afstand van recht gedaan. Ten onrechte tracht Dexia dit onderdeel van de Hoofdovereenkomst een te ruime strekking te geven. Verworpen wordt dat de afstand van recht erga omnes zou werken. Ook dat past niet bij de effectieve en efficiënte rechtsbescherming die met een collectieve actie ex art. 3:305a BW is beoogd.

3.7.

De conclusie is dat de bevoegdheid tot vernietiging niet was verjaard toen de vernietigingsverklaring werd uitgebracht. Het contract is rechtsgeldig buiten rechten vernietigd. Daarom is niet toewijsbaar een verklaring voor recht dat het contract niet is vernietigd en niet aan vernietiging bloot staat. Wel is het contract rechtsgeldig tot stand gekomen. Eiser heeft betwist dat Dexia belang heeft bij een verklaring voor recht op dit punt. Dexia ziet als haar belang dat met een verklaring voor recht als door haar gevorderd, wordt voorkomen dat in een latere procedure alsnog gedebatteerd zou moeten worden over de rechtsgeldigheid van het contract.

3.8.

Maar dat ziet Dexia verkeerd. Eiser heeft zich bij dagvaarding het recht voorbehouden om vorderingen tegen Dexia in te stellen voortvloeiende uit het niet nakomen van de bijzondere zorgplichten van Dexia voorafgaande aan het aangaan van het contract. Indien eiser op die grond een vordering jegens Dexia zou instellen, dan staat een verklaring voor recht dat het contract rechtsgeldig tot stand is gekomen, daaraan niet in de weg. Onrechtmatig handelen van Dexia in de precontractuele fase kan leiden tot schadeplichtigheid van Dexia voor een rechtsgeldig met eiser afgesloten contract. Het belang dat Dexia heeft aangevoerd bestaat niet en andere belangen heeft Dexia niet aangevoerd. Daarom wordt de vordering in reconventie geheel afgewezen.

3.9.

Als een gevolg van de vernietiging van het contract zal Dexia terug moeten betalen, maar eiser ook. Eiser heeft € 3.682,80 vooruit betaald en gedurende de looptijd € 2.273,40, totaal € 5.956,20. Daarop komt in mindering € 368,56 ontvangen wegens dividend en claims. Per saldo dient Dexia aan eiser € 5.587,64 terug te betalen.

kwade trouw

4.1.

Voor haar nevenvordering van wettelijke rente telkens te berekenen vanaf de dag van de diverse betalingen, heeft eiser zich beroepen op kwade trouw van Dexia in de zin van art. 6:205 BW: heeft de ontvanger van een onverschuldigde prestatie het goed te kwader trouw aangenomen, dan is hij zonder ingebrekestelling in verzuim. Eiser heeft hierbij gewezen op het arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 februari 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:264). In dit standpunt wordt eiser niet gevolgd.

4.2.

De maatstaf van “kwade trouw” is zuiver subjectief van aard. De ontvanger moet bij de ontvangst weten of vermoeden dat de prestatie niet verschuldigd is. Een objectivering in de vorm van “behoren te weten” is onvoldoende om van kwade trouw van de ontvanger te mogen spreken. Dexia heeft met juistheid opgemerkt dat de passage uit de parlementaire geschiedenis die door het hof is genoemd (Parl. Gesch. 6, p. 812) geen aanknopingspunt biedt voor de opvatting dat het voor het aannemen van kwade trouw voldoende is dat de ontvanger zich bewust is dat een overeenkomst aan vernietiging bloot staat. Weliswaar zijn daar twee casusposities vermeld met mogelijke uitzonderingen, maar zulke uitzonderingen zijn hier niet aan de orde. In de passage van de parlementaire geschiedenis is benadrukt dat subjectieve kwade trouw vereist is voor het rechtsgevolg van verzuim zonder ingebrekestelling. De besproken uitzonderingen doen aan deze maatstaf niets af en geven geen aanleiding tot objectivering van het vereiste van kwade trouw.

4.3.

Het contract was slechts vernietigbaar. Dexia heeft gesteld dat zij niet wist dat het contract zou worden vernietigd en dat zij dat evenmin vermoedde.

Het is bekend dat er effectenleaseovereenkomsten ondanks hoge risico’s voor de afnemer zijn geëindigd met een positief resultaat voor de afnemer. Dexia heeft onder meer opgemerkt:

Vanuit het perspectief van 2000 was het niet te voorspellen dat het contract verlieslatend zou blijken te zijn. De overeenkomsten van effectenlease die voordien waren afgelopen waren vrijwel zonder uitzondering profijtelijk geweest. Op basis van haar eigen ervaringen uit het verleden behoefde Dexia niet uit te gaan van een verlieslatende afloop.

Gelet op hetgeen bekend is van andere zaken betreffende effectenleaseovereenkomsten wordt deze argumentering aanvaard in die zin dat (ondanks de hoge risico’s voor de afnemer) niet zonder meer van verlies moest worden uitgegaan.

rente

5. De conclusie is dat Dexia niet wegens kwade trouw bij de ontvangst van de betalingen rente verschuldigd is telkens vanaf de dag van de betalingen. Dexia is na verloop van twee weken na de sommatie bij de brief van Leaseproces d.d. 18 augustus 2005 in verzuim gekomen met de terugbetaling. Dexia is daarom de wettelijke rente verschuldigd geworden vanaf 1 september 2005.

no cure no pay

6.1.

Eiser heeft vergoeding gevorderd van buitengerechtelijke kosten primair op basis van de offerte van haar gemachtigde, Leaseproces, met een resultaatsafhankelijke beloning van Leaseproces (“no cure no pay”). Eiser heeft voorgerekend dat hij op basis van een terug te betalen bedrag van € 5.587,64, een openstaande restschuld ad € 10.382,14 met aftrek van voordeel van de Duisenberg-regeling ad € 3.984,79 aan Leaseproces een loon van € 3.397,00 verschuldigd is. Daarbij heeft eiser opgemerkt dat hij over de rente over de hoofdsom nog 20 % aan Leaseproces verschuldigd zal zijn wegens loon. Dexia heeft deze nevenvordering bestreden.

6.2.

Eiser heeft voor deze nevenvordering gewezen op een arrest van Hoge Raad d.d. 26 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2797). Wegens onvoldoende motivering is vernietigd het oordeel van het hof dat art. 6:96 lid 2 aanhef en onder b en c BW geen grondslag biedt voor een hogere vergoeding dan in redelijke verhouding staat tot de werkelijke kosten van de buitengerechtelijke werkzaamheden. Het hof nam daarom niet de “no cure no pay”-afspraak tot uitgangspunt, maar het aantal gewerkte uren van de rechtshulpverlener. De Hoge Raad heeft vooropgesteld dat ook op het punt van de gemaakte kosten de benadeelde moet komen te verkeren in de vermogenspositie waarin hij zonder de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis zou hebben verkeerd. Voorts is overwogen dat de tekst en de strekking van art. 6:96 lid 2 BW geen eisen stellen aan de wijze van berekening van de kosten. Het hof had moeten ingaan op de omstandigheden die waren aangevoerd ter rechtvaardiging van een kostenberekening op basis van een “no cure no pay”-afspraak. Art. 6:96 lid 2 aanhef en onder b en c BW kan wel een basis bieden voor een kostenberekening op basis van zo’n afspraak.

6.3.

Eiser heeft enkele omstandigheden gesteld ter rechtvaardiging van de “no cure no pay”-afspraak met Leaseproces, te weten:

Gedurende de looptijd van de verlenging werd het eiser duidelijk dat het niet goed ging met de overeenkomst en dat hij wellicht met een restschuld zou komen te zitten. Daarom wilde eiser juridische hulp in deze kwestie. Omdat hij al veel schade had geleden was het voor hem geen optie om zijn zaak te laten behandelen door een advocaat op basis van een uurtarief. Eiser kon zelf geen inschatting maken van zijn kansen in een procedure en evenmin tot welk bedrag de kosten van een advocaat zouden kunnen oplopen. Daar kwam nog bij dat de meeste advocaten niet in effectenlease gespecialiseerd waren, waardoor de advocaatkosten behoorlijk konden oplopen. De offerte van Leaseproces bood eiser een alternatief.

6.4.

Het arrest waarop eiser zich beroept betreft een individuele letselschadezaak. Dexia heeft met juistheid opgemerkt dat artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW in deze zaak niet van toepassing is. Deze zaak gaat niet over het vaststellen van schade en aansprakelijkheid, maar over de buitengerechtelijke vernietiging van een effectenleaseovereenkomst en de terugbetaling van wat als gevolg van die vernietiging onverschuldigd is betaald. De vordering van eiser is niet gebaseerd op (schade van) onrechtmatig handelen van Dexia. Leaseproces is in augustus 2005 ingeschakeld en aanstonds is gekozen voor de vernietiging van het contract.

6.5.

Wel van toepassing is art. 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW: eiser kan aanspraak maken op vergoeding van redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Die kosten zijn voor bepaalde gevallen wettelijk genormeerd bij en krachtens art. 6:96 leden 3 t/m 7 BW. Ex art. 241 Rv. en art. 6:96 lid 3 BW worden de regels betreffende de proceskosten exclusief toegepast: voor de vergoeding van verrichtingen die volgens die regels beloond worden, biedt art. 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW geen alternatieve grondslag.

6.6.

Eiser meent hieraan voorbij te kunnen gaan, maar hij wordt gehouden aan de wettelijke regeling van de proceskosten. Een uitgangspunt daarvan is dat procederen in beginsel rechtmatig is. Vooral om die reden worden sinds jaar en dag de proceskosten niet integraal vergoed, want het salaris van de advocaten/gemachtigden wordt begroot op basis van een puntensysteem, waarvan de uitkomst hun declaratie slechts (zeer) ten dele zal dekken. Nu de nevenvordering ten titel van buitengerechtelijke kosten primair tevens het salaris omvat voor de processuele verrichtingen van Leaseproces, staan art. 241 Rv. en art. 6:96 lid 3 BW aan de primaire nevenvordering in de weg.

6.7.

Eiser heeft onder 26 van het exploot van dagvaarding opgesomd welke werkzaam-heden Leaseproces ten behoeve van hem heeft verricht. Dexia heeft met juistheid opgemerkt dat deze werkzaamheden uitsluitend hebben bestaan in het informeren en adviseren van eiser naar aanleiding van de ontwikkelingen in effectenleasezaken sinds 2005. Daarbij heeft Leaseproces ook veel aandacht gegeven aan een mogelijke vordering op de grondslag van onrechtmatig handelen van Dexia. Zo heeft Leaseproces financiële gegevens van eiser opgevraagd teneinde te onderzoeken in welke categorie van het hofmodel de zaak van eiser valt. Maar waarom Dexia de verrichtingen van Leaseproces met het oog op een vordering op grondslag van onrechtmatige daad zou moeten vergoeden, valt niet in te zien, nu een vordering op die grondslag niet is ingesteld. Afgezien daarvan: het informeren en adviseren van eiser door Leaseproces zijn geen verrichtingen ter verkrijging van voldoening buiten rechte.

6.8.

Leaseproces heeft aan Dexia slechts één sommatie gestuurd voorafgaande aan deze procedure, te weten de brief van 18 augustus 2005. Deze brief vormt de vereiste voorbereiding van deze procedure, waarvoor de geliquideerde proceskosten een vergoeding plegen in te houden.

6.9.

Uit het voorgaande volgt dat de nevenvordering van buitengerechtelijke kosten, zowel primair (“no cure no pay”) als subsidiair (VoorWerk II), moet worden afgewezen.

BKR

7.1.

Eiser heeft verondersteld dat hij door een mededeling van Dexia aan het BKR daar een A-codering heeft opgelopen. Dexia heeft tegengeworpen dat zij op grond van het Algemeen Reglement van het BKR verplicht is daar melding te maken van de financiële verplichtingen van cliënten, inclusief betalingsachterstanden. Aldus heeft Dexia de veronderstelling van eiser positief bevestigd, althans onvoldoende weersproken.

7.2.

In aanmerking genomen dat er bij de eindafrekening volgens Dexia een betalings-achterstand van € 6.677,13 bestond (zie prod. 1 bij CvA), moet er bij het BKR ten laste van eiser een registratie zijn. Omdat het contract rechtsgeldig is vernietigd moet de betalingen over en weer ongedaan gemaakt worden en kan achteraf niet worden gesproken van een betalingsachterstand. De daaruit voortvloeiende BKR-registratie dient eveneens ongedaan gemaakt te worden. Eiser heeft daar recht op en belang bij.

7.3.

Indien het al juist is dat Dexia het niet in haar macht heeft de gegevens van eiser in het register te doen doorhalen, dan nog is Dexia jegens eiser verplicht zich voor die doorhaling in te spannen door een goed onderbouwd verzoek daartoe te doen aan het BKR en eventuele vragen van het BKR dienaangaande correct en volledig te beantwoorden. In die zin zal de nevenvordering betreffende de BKR-registratie worden toegewezen. Omdat Dexia zich in dit opzicht niet welwillend jegens eiser opstelt, zal het bevel worden versterkt met een dwangsom, zoals gevorderd.

proceskosten

8. In conventie moet Dexia worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij. In reconventie wordt Dexia geheel in het ongelijk gesteld. Daarom zal Dexia in beide worden verwezen in de proceskosten. Voor het geval zijn nevenvordering van buitengerechtelijke kosten geheel wordt afgewezen, heeft eiser gevorderd dat Dexia zal worden veroordeeld in de werkelijke proceskosten, op de grond dat Dexia het onnodig op een procedure heeft laten aankomen. Die voorwaardelijke vordering wordt afgewezen. Aan eiser moet worden toegegeven dat Dexia met gezochte argumenten zich heeft verweerd tegen de rechtsgeldigheid van de buitengerechtelijke vernietiging van het contract. Anderzijds heeft Dexia valide verweren tegen de nevenvorderingen gepresenteerd, in het bijzonder wat de wettelijke rente betreft. Daarom kan niet worden gezegd dat Dexia in redelijkheid geen valide reden heeft kunnen hebben om het op een procedure te laten aankomen.

Voor het salaris van de gemachtigde van eiser worden 3 punten à € 250,- begroot.

de beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

verklaart voor recht dat het contract rechtsgeldig is vernietigd;

veroordeelt Dexia om tegen bewijs van kwijting aan eiser terug te betalen een bedrag van € 5.587,64, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit te berekenen vanaf 1 september 2005 tot de dag van voldoening;

beveelt Dexia om aan het Bureau Kredietregistratie te Tiel een goed onderbouwd verzoek te doen om de registratie van eiser betreffende het contract door te halen en de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan te maken en zich voor een en ander in te spannen, onder meer door eventuele vragen van het BKR dienaangaande correct en volledig te beantwoorden;

veroordeelt Dexia om aan eiser een dwangsom te voldoen van € 500,- voor iedere dag dat Dexia, na verloop van veertien dagen na de betekening van dit vonnis, niet of niet geheel aan dit bevel zal voldoen;

bepaalt dat boven € 20.000,- geen dwangsom meer zal worden verbeurd;

in reconventie:

wijst de vordering af;

in conventie en in reconventie:

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding, welke aan de zijde van eiser tot op heden worden begroot op € 923,08, waaronder begrepen een bedrag van € 750,- wegens salaris van de gemachtigde van eiser;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Klarenbeek, kantonrechter, en uitgesproken ter open-bare terechtzitting van 31 augustus 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.