Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:5358

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-08-2016
Datum publicatie
31-08-2016
Zaaknummer
C/02/319512 / KG ZA 16-526
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Toegewezen contactverbod met dwangsom wegens het frequent intimiderend en beledigend bejegenen van personen die werkzaam zijn bij en voor het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

[plaatsnaam]

Vonnis in kort geding van 29 augustus 2016

zaaknummer / rolnummer: C/02/319512 / KG ZA 16-526

in de zaak van

DE STAAT DER NEDERLANDEN
(MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT)
(RIJKSINSTITUUT VOOR VOLKSGEZONDHEID EN MILIEU)

zetelend te Den Haag,

eiseres,

advocaat mr. R.S.I. Lawant te 's-Gravenhage,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als het RIVM en [gedaagde] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met de producties 1 tot en met 48,

  • -

    het faxbericht van het RIVM van 16 augustus 2016 met productie 49,

  • -

    het faxbericht van het RIVM van 17 augustus 2016 met productie 50,

  • -

    de mondelinge behandeling op 18 augustus 2016, waarbij namens het RIVM tevens het woord is gevoerd door mr. J.G.M. Fluttert,

- de pleitnota van het RIVM.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Het RIVM vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [gedaagde] veroordeelt zich te onthouden van het benaderen van medewerkers en opdrachtnemers van het RIVM, met uitzondering van communicatie eens per maand per post aan het RIVM [postadres] , zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor iedere overtreding van dit verbod;

  2. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, zulks met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;

  3. De nakosten conform het liquidatietarief begroot op € 131,00, dan wel in het geval van betekening, € 199,00.

2.2.

[gedaagde] voert verweer.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De feiten

3.1.

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

  1. Op 10 maart 2015 had [persoon x] een afspraak met [naam bedrijfsarts] , die op detacheringsbasis als bedrijfsarts werkzaam is voor het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). [persoon x] is op 10 maart 2015 op die afspraak verschenen in gezelschap van [gedaagde] , die zich tijdens die afspraak op luide toon agressief heeft uitgelaten jegens [naam bedrijfsarts] . Nadat [gedaagde] weigerde te voldoen aan het verzoek van [naam bedrijfsarts] om te vertrekken, heeft [naam bedrijfsarts] de beveiliging gebeld die [gedaagde] van het terrein heeft moeten escorteren. [gedaagde] heeft bij aankomst van de beveiliging tegen een (inmiddels door [persoon x] gebelde) contactpersoon bij de vakbond gezegd: “Ik zit hier bij een little-Hitler, wie denkt hij wel dat hij is. Hij kent de rechten van de mensen niet die hier moeten komen. Hij spant samen met de werkgever.”

  2. Naar aanleiding van dit incident heeft [gedaagde] met ingang van 11 maart 2015 een terreinontzegging gekregen voor de gebouwen en terreinen van het RIVM, voor de duur van vijf jaar.

  3. In februari 2016 heeft [gedaagde] opnieuw contact gezocht met [naam bedrijfsarts] . Hiertoe heeft [gedaagde] enkele weken daarvóór de ouders van [naam bedrijfsarts] gebeld en zich in dat gesprek voorgedaan als een oud klasgenoot van hun zoon en aldus het privé-telefoonnummer en privé-adres van [naam bedrijfsarts] verkregen. Vervolgens heeft [gedaagde] op 11 februari 2016 tussen 18:00 en 18:30 uur zeven keer gebeld op het privénummer van [naam bedrijfsarts] .
    Daarna heeft [gedaagde] [naam bedrijfsarts] nog vijf keer op zijn mobiele nummer gebeld.
    Op zaterdagochtend 13 februari 2016 heeft [gedaagde] [naam bedrijfsarts] drie keer gebeld.

  4. Op 25 mei 2016 heeft [gedaagde] op het parkeerterrein van [bedrijfsnaam x] getracht [naam bedrijfsarts] de doorgang naar het kantoor te belemmeren en heeft hij tegen [naam bedrijfsarts] geschreeuwd, waarbij hij zo dicht bij hem kwam staan dat zijn speeksel in het gezicht van [naam bedrijfsarts] kwam. Binnen bleef [gedaagde] op intimiderende wijze tekeer gaan tegen [naam bedrijfsarts] .

  5. [naam bedrijfsarts] heeft op 29 juni 2016 aangifte gedaan tegen [gedaagde] , nadat hij op 17 juni 2016 viermaal door [gedaagde] op zijn privénummer was gebeld en in de nacht van 17 op 18 juni 2016 nog vijfmaal.

  6. [gedaagde] heeft het RIVM veelvuldig benaderd, aanvankelijk in verband met [persoon x] , maar later over zijn eigen onvrede over het RIVM.

  7. [gedaagde] heeft inmiddels in totaal 27 klachten ingediend:
    - twee klachten tegen [persoon y] en haar leidinggevende, inmiddels afgehandeld door het ministerie van BKZ;
    - twee klachten tegen [persoon z] en zijn secretaresse, voor behandeling waarvan het RIVM het [bedrijfsnaam y] heeft ingeschakeld;
    - 23 klachten over medewerkerkers van het RIVM, die ter beoordeling voorliggen bij [naam klachtencoördinator] (door het RIVM aangesteld als intern klachtencoördinator).

  8. [bedrijfsnaam y] heeft tevergeefs getracht een afspraak te maken met [gedaagde] . Wel heeft [gedaagde] [bedrijfsnaam y] veelvuldig gebeld en daarbij [persoon A] van [bedrijfsnaam y] onder meer voor leugenaar uitgemaakt. [gedaagde] heeft tegen een medewerker van [bedrijfsnaam y] over de telefoon gezegd: “ [persoon A] bedriegt de zaak. Hij zou als ex-politieman en –officier van justitie beter moeten weten. Hij is een bedrieger. Hij laat microfoons plaatsen. Hij heeft een dubbele agenda. Dit gaat klanten kosten. Vraag hem volgende week maar een of het hem al een klant gekost heeft. En dit is nog maar het begin. Hij is een tiran, hij is kleine Hitler.”

  9. [bedrijfsnaam y] achtte zich door de bejegening door [gedaagde] niet langer in staat om de klachten van [gedaagde] objectief te behandelen en heeft de opdracht aan het RIVM terug gegeven.

  10. Het RIVM heeft vervolgens [bedrijfsnaam z] ingeschakeld om de twee klachten tegen [persoon z] te behandelen.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering. Het RIVM heeft onbetwist gesteld dat [gedaagde] nog onlangs, op 16 augustus 2016, de heer [persoon z] privé heeft gebeld. Ter zitting heeft [gedaagde] aangekondigd door te gaan met het benaderen van (medewerkers van) het RIVM.

4.2.

Het RIVM grondt haar vordering op de stelling dat [gedaagde] stelselmatig zowel privé als tijdens kantooruren medewerkers van RIVM, evenals tussenpersonen die door RIVM zijn ingeschakeld in dit dossier, intimiderend en beledigend bejegent, zowel telefonisch als per e-mail. Met deze handelwijze maakt [gedaagde] inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van personen die werkzaam zijn bij of voor het RIVM. Door het veelvuldig telefoneren geraakt de bedrijfsvoering van het RIVM in de problemen en door de vele klachten geraakt het klachtenbehandelingsapparaat oververhit.

4.3.

[gedaagde] heeft de stellingen van het RIVM niet betwist. Ter zitting heeft hij medegedeeld dat hij nergens spijt van heeft. Op de vraag van de voorzieningenrechter wat hij van de door het RIVM ingestelde vordering vindt liet [gedaagde] weten dat het allemaal “bullshit” is.

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de wijze waarop [gedaagde] medewerkers van het RIVM bejegent onacceptabel is. Uit de onbetwiste stellingen van het RIVM blijkt dat [gedaagde] (medewerkers van) het RIVM zeer frequent heeft benaderd en op onfatsoenlijke wijze heeft bejegend. Begrijpelijk is dat medewerkers van het RIVM en personen die met het RIVM in dit dossier samenwerken zich in hun vrijheid en veiligheid aangetast voelen.

Als onbetwist staat vast dat [gedaagde] op slinkse wijze via de ouders van [naam bedrijfsarts] het privé telefoonnummer van [naam bedrijfsarts] heeft bemachtigd. [gedaagde] heeft zowel [naam bedrijfsarts] als [persoon A] uitgemaakt voor “kleine Hitler” en “little Hitler”. Verder heeft [gedaagde] [persoon z] herhaaldelijk gedreigd, exemplarisch daarvoor zijn de navolgende uitlatingen:

“de trap moet van boven schoon geveegd worden”

“zal ik u op een wijze aanpakken die u niet snel meer zult vergeten”

“ik heb beloofd u te laten aanpakken, ik houd me altijd aan mijn beloftes”

“u kunt er op rekenen dat ik niet zal rusten voordat deze incompetente leugenachtige regent van de troon is gestoten”

4.5.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft RIVM genoegzaam aangetoond dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de betreffende medewerkers van het RIVM en door het RIVM ingeschakelde personen.

De benaderingen door [gedaagde] kennen een zodanige inhoud en intensiteit dat deze moeten worden aangemerkt als onrechtmatig jegens de personen die werkzaam zijn bij of voor het RIVM. [gedaagde] heeft er geen blijk van gegeven te beseffen dat zijn bejegeningen de grens van het toelaatbare overschrijden en zelfs aangekondigd dat hij niet voornemens is te stoppen met het benaderen van (medewerkers van) het RIVM. Om die reden ligt de vordering met dwangsom dan ook voor toewijzing gereed en ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor matiging van de gevorderde dwangsom. Wel zal de dwangsom worden gemaximeerd als hierna te vermelden.

Het gevorderde verbod jegens “opdrachtnemers” is naar oordeel van de voorzieningenrechter te ruim gedefinieerd. Hij zal daarom dit deel van de vordering toewijzen voor met naam te noemen opdrachtnemers van het RIVM, zoals in het dictum te vermelden.

Ten slotte zal het verbod, in verband met de eisen van proportionaliteit, voor de hierna te noemen duur worden opgelegd.

4.6.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het RIVM worden begroot op:

- dagvaarding € 96,01

- griffierecht 619,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.531,01

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt [gedaagde] om op enigerlei wijze contact op te nemen met:

  1. medewerkers van het RIVM, onder wie in ieder geval begrepen:
    [persoon z]
    de bedrijfsarts [naam bedrijfsarts]
    de security officer [persoon B]

  2. medewerkers van [bedrijfsnaam y] , onder wie in ieder geval begrepen:
    [persoon A]

  3. medewerkers van het ministerie van BZK, onder wie in ieder geval begrepen:
    [persoon y]

  4. medewerkers van het [bedrijfsnaam z] , uitgezonderd die contacten die op verzoek van [bedrijfsnaam z] plaats vinden;

5.2.

bepaalt dat het [gedaagde] , in afwijking van voornoemd verbod, is toegestaan om éénmaal per maand per post te communiceren met het RIVM via het postadres: [postadres] ;

5.3.

bepaalt dat het onder 5.1 vermeld verbod van kracht zal zijn voor de duur van vier en twintig maanden, te rekenen vanaf de datum van betekening van dit vonnis;

5.4.

bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom van € 2.500,00 zal verbeuren voor iedere overtreding van het onder 5.1. vermeld verbod, met bepaling dat aan dwangsommen in totaal maximaal € 25.000,00 kan worden verbeurd;

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van het RIVM tot op heden begroot op € 1.531,01, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.6.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en in aanwezigheid van mr. Van de Kreeke-Schütz in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2016.