Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:5356

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-08-2016
Datum publicatie
07-09-2016
Zaaknummer
02-800131-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Meerderjarige verdachte. Gewapende woningoverval. Toepassing artikel 77c Wetboek van Strafrecht. Jeugddetentie langer dan voorarrest. Verweer verworpen tav verzuim artikel 359a Wetboek van Stravordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800131-16 + 03/659262-15 (Tul)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 augustus 2016

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1997 te [geboortedag] ( [geboorteland] )

gedetineerd in de Justitiële Jeugdinrichting De Hunnerberg te Nijmegen

raadsman mr. K.R. Verkaart, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 augustus 2016, waarbij de officier van justitie, mr. Simpelaar, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is ter zitting overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (SV)in overeenstemming gebracht met de in het eerste en tweede lid van artikel 261 SV gestelde eisen.

Met inachtneming hiervan staat verdachte terecht, terzake dat:

hij op of omstreeks 02 maart 2016 te Oosterhout tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening (uit een woning, gelegen aan de [adres slachtoffer] ) heeft weggenomen

- een of meer pinpas(sen) en/of een visa/creditcard en/of in totaal (circa)

1000 Euro, althans enig geldbedrag en/of

- een gouden ring (met een robijn) en/of een/twee gehoorappaten, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van

geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan

zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestond dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- met (een) bivakmuts(en) op zijn/hun hoofd(en) de woning van die [slachtoffer]

is/zijn binnengegaan en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met een vuurwapen/pistool) tegen

het hoofd en/of gezicht heeft/hebben geslagen/gestompt en/of

een vuurwapen/pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

zichtbaar voor die [slachtoffer] in zijn/hun hand(en) gehouden en/of

- ( hierbij) die [slachtoffer] opzettelijk dreigend, meermalen, althans eenmaal

-zakelijk weergegeven- de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Geld, geld, geld"

en/of "Kluis, kluis" en/of "Naar beneden" en/of "Open" en/of "Pincode,

pincode" en/of "Anders schiet(en) ik/we je dood", althans woorden van

soortgelijke dreigende aard en/of strekking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een overval op een woning. Zij baseert zich daarbij op de aangifte van de heer [slachtoffer] , het proces-verbaal van bevindingen inzake de camera-beelden die zijn veiliggesteld bij de ABN AMRO, het proces-verbaal van aanhouding van verdachte en de bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting en bij de politie heeft afgelegd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Aangezien verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd met betrekking tot het hem tenlastegelegde feit, heeft de verdediging zich wat de bewezenverklaring betreft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft geen geweld gebruikt tegen de heer [slachtoffer] en hij is niet degene die in het dossier wordt aangeduid als ‘de lange’. Deze omstandigheden staan een bewezenverklaring van medeplegen van diefstal met geweld echter niet in de weg, aldus de verdediging.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Aangezien verdachte ten aanzien van het onderhavige feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvor-dering.

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 8 augustus 2016;1

- de aangifte van [slachtoffer] .2

Hoewel de rechtbank grote vraagtekens plaatst bij de wijze waarop verdachte bij dit feit betrokken is geraakt, is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat de onderhavige stukken niet de conclusie rechtvaardigen dat verdachte degene is die in het dossier wordt aangeduid als ‘de lange’. De rechtbank gaat er vanuit dat verdachte, los van het eerste moment waarop hij tegen aangever aan is gelopen, zelf geen geweld heeft gebruikt en geen leidende rol heeft vervuld bij de overval.

De rechtbank overweegt aanvullend dat er nabij de vermoedelijke vluchtroute een tweetal (imitatie)-vuurwapens is aangetroffen. Deze wapens zijn veiliggesteld en blijkens de rapportage van het NFI d.d. 29 april 2016 matcht het biologisch materiaal dat aan de onderzijde van de kolf van beide wapens is veiliggesteld, met het DNA van aangever. De rechtbank concludeert op basis hiervan dat de aangetroffen wapens zijn gebruikt bij de onderhavige overval. Hoewel het, gelet op de plaats waar het biologisch materiaal van aangever is aangetroffen, heel wel mogelijk is dat aangever met de (imitatie)vuurwapens is geslagen, is de rechtbank hier niet volledig van overtuigd nu niemand hierover heeft verklaard. Aan de opmerking in het proces-verbaal van aangifte dat er ‘blijkbaar meerdere verwondingen op het hoofd van aangever zichtbaar zijn met de afdruk van een kolf van een wapen’ kan de rechtbank slechts weinig gewicht toekennen nu niet blijkt wie deze waarneming heeft gedaan en wat zijn of haar deskundigheid op dat gebied is. Het voorgaande maakt dat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat aangever met een (imitatie)vuurwapen op zijn hoofd is geslagen. Verdachte zal hier dan ook van worden vrijgesproken. Datzelfde geldt voor het wegnemen van de hoorapparaten. Aangever heeft verklaard dat hij na de overval een tweetal hoorapparaten miste. In een latere verklaring heeft aangever echter aangegeven dat hij beide hoorapparaten heeft teruggevonden in de tuin. Aangezien uit geen van de bewijsmiddelen volgt dat de hoorapparaten door een van de daders zijn weggenomen, sluit de rechtbank niet uit dat aangever de hoorapparaten tijdens de overval is verloren, waarna deze in de tuin zijn achtergebleven.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op of omstreeks 02 maart 2016 te Oosterhout tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening (uit een woning, gelegen aan de [adres slachtoffer] ) heeft weggenomen

- een of meer pinpas(sen) en/of een visa/creditcard en/of in totaal (circa)

1000 Euro, althans enig geldbedrag en/of

- een gouden ring (met een robijn) en/of een/twee hoorapparaten, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan, en vergezeld en/of gevolgd van

geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, en gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan

zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestonden dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- met (een) bivakmuts(en) of gezichtsbedekkende kleding op zijn/hun hoofd(en) de woning van die [slachtoffer] is/zijn binnengegaan en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met een vuurwapen/pistool) tegen

het hoofd en/of gezicht heeft/hebben geslagen/gestompt en/of

een vuurwapen/pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

zichtbaar voor die [slachtoffer] in zijn/hun de hand(en) hebben gehouden en/of

- (hierbij) die [slachtoffer] opzettelijk dreigend, meermalen, althans eenmaal

-zakelijk weergegeven- de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Geld, geld, geld"

en/of "Kluis, kluis" en/of "Naar beneden" en/of "Open" en/of "Pincode,

pincode" en/of "Anders schiet(en) ik/we je dood", althans woorden van

soortgelijke dreigende aard en/of strekking;.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Tengevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging is in de zestiende regel van het onder primair tenlastegelegde weggevallen de zinsnede ‘of gezichtsbedekkende kleding’. De rechtbank herstelt deze omissie en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is vermeld. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Als bijzondere voorwaarden wenst zij opgelegd te zien toezicht door Reclassering Nederland inclusief een meldplicht en een verplichting voor verdachte om zich te laten behandelen en om zich op te laten nemen in een instelling voor begeleid wonen. De officier van justitie is daarbij uitgegaan van de toepassing van de artikelen 77g tot en met 77hh van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat tijdens de aanhouding van verdachte geen disproportioneel geweld is toegepast door de politie. Daarbij dient te worden meegewogen dat verdachte, op het moment dat hij werd aangehouden, werd verdacht van een overval op een woning waarbij ook een vuurwapen gebruikt zou zijn. Ondanks diverse maningen door de verbalisanten weigerde verdachte mee te werken aan een fouillering.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vooraleerst betoogd dat het geweld dat tegen verdachte is gebruikt tijdens zijn aanhouding disproportioneel is geweest. Overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van de Politiewet dient geweld dat door de politie wordt ingezet te voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. In het onderhavige geval is verdachte, voordat hij naar de grond is gewerkt, in zijn gezicht geslagen. Daarmee is voor een te zwaar middel gekozen. Dit geldt te meer nu verdachte, nadat hij later wel naar de grond was gebracht, gewoon heeft meegewerkt. Het betreft een onrechtmatigheid in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering die moet leiden tot strafvermindering.

De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat verdachte zelf geen geweld heeft gebruikt richting het slachtoffer en ook geen leidende of coördinerende rol heeft gehad voorafgaand aan of tijdens de overval. Daarnaast heeft verdachte na zijn aanhouding vrijwel direct volledig meegewerkt aan de verschillende onderzoeken en heeft hij excuses proberen te maken richting het slachtoffer. Verdachte vindt het spijtig dat deze als niet oprecht zijn overgekomen.

Met de officier van justitie is de verdediging van mening dat, gelet op de verschillende rapportages die over verdachte zijn uitgebracht, het jeugdsanctierecht moet worden toegepast. Verdachte kent een zeer belast verleden en de psycholoog acht hem niet voor niets licht verminderd toerekeningsvatbaar. Er dient bij de strafoplegging dan ook een grote plek te worden ingeruimd voor hulpverlening.

Ten slotte heeft de raadsman gewezen op de oriëntatiepunten van de LOVS waarin als uitgangspunt voor een diefstal met geweld uit een woning 6 maanden jeugddetentie wordt geformuleerd.

Het voorgaande maakt dat de verdediging de rechtbank verzoekt om een straf op te leggen waarvan het vrijheidsbenemende deel gelijk is aan het voorarrest en waarbij de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals deze zijn geformuleerd door de reclassering.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Ernst van het feit:

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overval op een woning. Hij en twee mededa-ders zijn met gezichtsbedekkende kleding en gewapend met twee (imitatie)vuurwapens en een mes richting de woning gelopen. In de tuin is de heer [slachtoffer] (hierna: aangever), die op dat moment 81 jaar oud was, overmeesterd en zodanig geslagen dat hij het bewustzijn heeft verloren. Aangever is vervolgens mee de woning in genomen, is daar meerdere keren geslagen en bedreigd met een (imitatie)vuurwapen en heeft zijn portemonnee met daarin een aantal bankpassen en zijn pincode moeten afstaan. Daarnaast hebben verdachte en zijn mededaders diverse sieraden uit de woning meegenomen en hebben zij korte tijd later met de buitgemaakte pinpas een bedrag van in totaal € 1.000,- opgenomen van de rekening van aangever.

Het behoeft geen betoog dat de overval een enorme impact heeft gehad op aangever. Hij was op dat moment alleen thuis en zag zich als man op leeftijd geconfronteerd met drie personen waarvan er in ieder geval één zichtbaar een wapen had. Hij heeft vervolgens onder bedreiging moeten meewerken en moeten toezien hoe vreemden zijn huis doorzochten en overhoop haalden. Na de overval is in het ziekenhuis geconstateerd dat aangever als gevolg van het op hem toegepaste geweld een zwaar gekneusde linker bovenkaak had. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring volgt dat het gebeuren nog immer het leven van aangever beheerst. Hij durft moeilijk naar buiten te gaan en hij slaapt slecht. Ook heeft zijn vertrouwen in de mensheid een flinke deuk opgelopen.

De rechtbank is van oordeel dat het om een zeer ernstig feit gaat. Daarbij kent de rechtbank veel gewicht toe aan het gegeven dat het om een ouder en daarmee kwetsbaar slachtoffer gaat en dat de beroving in een woning heeft plaatsgevonden, een plek waar iemand zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. Ook rekent de rechtbank het verdachte extra aan dat hij, ondanks dat hij korte tijd eerder was veroordeeld voor een poging tot afpersing en in een proeftijd liep, bij dit feit betrokken is geweest.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat hij geweld heeft gebruikt tegen het slachtoffer en dat hij geen leidende of coördinerende rol heeft gehad voorafgaand aan of tijdens de overval.

Persoonlijke omstandigheden:

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met het feit dat verdachte blijkens het uittreksel justitiële documentatie eerder met justitie in aanraking is gekomen en recentelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

Voorts heeft de rechtbank meegewogen de rapporten van psycholoog drs. Van den Bosch van 26 november 2015 en 24 juli 2016. In laatstgenoemde rapportage wordt geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis, te weten een bipolaire stemmings-stoornis, die zich verder kan gaan ontwikkelen tot een persoonlijkheidsstoornis met cluster B kenmerken. Verdachte is een jongeman die impulsief kan reageren, zich overvallen kan voelen wanneer hij moet schakelen, hij is weinig flexibel en hij kan de effecten van zijn handelen niet goed inschatten. Er is sprake van antisociale trekken die ertoe leiden dat hij moeite kan hebben zich te richten naar de regels van de maatschappij. Daarnaast is sprake van een gebrekkige gewetensfunctie. De psycholoog adviseert om verdachte licht vermin-derd toerekeningsvatbaar te achten voor zijn gedragingen en acht het voorts raadzaam om verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde toezicht en begeleiding vanuit de reclassering. Tijdens die begeleiding zal aandacht moeten zijn voor het regelen van praktische zaken zoals wonen, werk, relatievorming en vrije tijd.

De rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog over en acht verdachte licht vermin-derd toerekeningsvatbaar.

Bij de bepaling van de strafmaat is daarnaast betrokken het reclasseringsadvies d.d. 4 augus-tus 2016. In lijn met de conclusies van de psycholoog adviseert de reclassering om verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde toezicht en begeleiding. Dit toezicht dient te worden uitgevoerd door Reclassering Nederland. Daarnaast acht de reclassering het raadzaam om als bijzondere voorwaarden op te nemen een meldplicht, opname in een instelling voor begeleid wonen en wel bij Stichting Moria of een soortgelijke instelling en een behandelverplichting bij Kairos Nijmegen of een soortgelijke ambulante instelling..

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de persoon van de verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is begaan aanleiding geven om waar het de op te leggen sanctie betreft recht te doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77hh van het Wetboek van Strafrecht.

Strafmaat:

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op het handelen van verdachte niet anders kan worden gereageerd dan door het opleggen van een vrijheidsbenemende straf die de duur van het voorarrest te boven gaat. Hoewel de raadsman terecht wijst op de oriëntatiepunten van het LOVS waarin voor een woningoverval als uitgangspunt zes maanden jeugddetentie wordt geformuleerd, stelt de rechtbank vast dat er in het onderhavige geval sprake is van diverse strafverzwarende omstandigheden die door de rechtbank reeds hiervoor zijn aangehaald.

Alles afwegende acht de rechtbank een straf, zoals die door de officier van justitie in haar eis is geformuleerd, passend en geboden. De rechtbank zal verdachte een jeugddetentie opleggen voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast zullen aan verdachte de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals die door de reclassering zijn geadviseerd.

Door de verdediging is ten slotte betoogd dat sprake is van een verzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen tot strafvermindering zou moeten leiden. De rechtbank deelt deze visie niet. Blijkens de processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten [vrebalisant 1] en [verbalisant 2] is kort na de aanhouding van verdachte getracht om een veiligheids- dan wel opsporingsfouillering uit te voeren. Verdachte stribbelde echter tegen en ging verbaal te keer. Ook na meermalen te zijn gemaand om rustig te doen en de mededeling dat anders geweld zou worden toegepast, bleef verdachte zich verzetten. Het onder die omstandigheden eenmalig met de vlakke hand geven van een klap in het gezicht van verdachte acht de rechtbank niet disproportioneel. Daarbij kent de rechtbank gewicht toe aan het feit dat beide verbalisanten net daarvoor de melding hadden gekregen dat bij de woningoverval een vuurwapen zou zijn gebruikt en dus rekening moesten houden met de mogelijkheid dat verdachte beschikte over een vuurwapen. Het verweer van de verdediging op dit punt wordt dan ook verworpen.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 7.783,43 voor het feit, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Voorts wordt verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De officier van justitie is van mening dat het gevorderde schadebedrag rechtstreeks voort-vloeit uit het feit zoals dat bewezen kan worden verklaard. Zij verzoekt de rechtbank dan ook om de verzochte schadevergoeding integraal toe te wijzen en te bepalen dat verdachte hiervoor hoofdelijk aansprakelijk is.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het rechtstreekse verband tussen de posten ‘tuinonderhoud’ en ‘weekje weg’ enerzijds en de bewezenverklaring anderzijds niet vaststaat. Dit moet nader onderzocht worden hetgeen zou leiden tot een onevenredige belasting van het strafproces. Met betrekking tot het immateriële deel van de gevorderde schadevergoeding heeft de verdediging verzocht om dit te matigen aangezien het bijgevoegde vonnis van de rechtbank Den Haag op essentiële punten verschilt van de onderhavige casus.

Materiële schade:

De rechtbank is van oordeel dat de post reiskosten naar het ziekenhuis ad € 67,20 voldoende aannemelijk is gemaakt en rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit.

Met de raadsman acht de rechtbank niet zonder meer duidelijk dat er een - rechtstreeks - causaal verband bestaat tussen de woningoverval en de gevorderde kosten tuinonderhoud en op doktersadvies weekje weg. Om daarover te kunnen oordelen, is aanvullend onderzoek noodzakelijk hetgeen een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.

Immateriële schade:

Een vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank zeker billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Op grond van de beschikbare gegevens en van beslissingen in de rechtspraak bij soortgelijke gevallen, zal de rechtbank het gevorderde bedrag matigen tot € 4.000,-. Nu daar expliciet om is verzocht, zal de rechtbank de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren en niet afwijzen.

Toewijzing:

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 4.067,20 een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit, waarvan € 67,20 ter zake van materiële schade en € 4.000,- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dit bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering dan ook tot dat bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. Voorts zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Dit deel van de vordering kan eventueel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8 Het beslag

8.1

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de in beslag genomen voorwerpen, te weten een Blackberry telefoon (KvI pagina 1 van het eindproces-verbaal), een joggingbroek, een handschoen, een trui, een jas en een paar schoenen (KvI pagina 3-4 van het eindproces-verbaal) aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

De officier van justitie heeft zich verzet tegen teruggave van het paar schoenen nu in haar visie de mogelijkheid moet blijven bestaan om deze bij een eventueel hoger beroep nader te kunnen onderzoeken. Gelet op de inhoud van het dossier en de proceshouding van verdachte ziet de rechtbank echter niet in welk belang justitie dan wel de verdediging heeft bij het nog langer bewaren van de schoenen in het belang van het onderzoek.

9 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 30 dagen jeugddetentie die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 15 december 2015 van de Meervoudige Kamer van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, ten uitvoer zal worden gelegd.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij begrijpt waarom de officier van justitie deze vordering heeft ingediend. Hij zal zich neerleggen bij de beslissing van de rechtbank op dit punt. Namens verdachte is erop gewezen dat de reclassering om onduidelijke redenen pas twee maanden na het veroordelend vonnis invulling heeft gegeven aan haar toezichthoudende taak. De verdediging heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met deze omstandigheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. De vordering ligt daarmee voor toewijzing gereed en de rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte onvoldoende aanleiding om anders te beslissen. Dit maakt dat de vordering tot tenuitvoerlegging zal worden toegewezen.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 27, 36f, 63, 77a, 77c, 77g, 77h, 77i, 77l, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77dd, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 18 maanden;

- bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie groot 6 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren na te melden vooraarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich uiterlijk drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te melden bij Reclassering Nederland en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden, zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

* dat verdachte gedurende de proeftijd zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang te weten Stichting Moria, of een soortgelijke instelling, en zich zal houden aan de regels en het (dag-) programma die deze instelling in overleg met de reclassering opstelt;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van Kairos Nijmegen of een soortgelijke ambulante zorginstelling op de tijden en plaatsen als door of namens Kairos of de reclassering aan te geven;

- geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

  1. telefoon, merk: Blackberry, kleur: zwart;

  2. joggingbroek, kleur: grijs;

  3. handschoen, kleur: zwart;

  4. trui, kleur: zwart;

  5. jas;

  6. één paar sportschoenen, kleur: grijs;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 15 december 2015 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 03/659262-15 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 30 dagen jeugddetentie;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 4.067,20 waarvan € 67,20 ter zake van materiële schade en € 4.000,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 2 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. (BP.20)

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; (BP.22)

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 4.067,20 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 30 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd. (BP.04A)

Dit vonnis is gewezen door mr. Prenger, voorzitter, mr. Meeuwisse en mr. De Graaf, rechters, in tegenwoordigheid van Boink, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 augustus 2016.

Mr. Meeuwisse is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer ZB3RO16027 van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, districtrecherche de Baronie opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 370. De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 8 augustus 2016.

2 Het proces-verbaal van aangifte, pagina 102 tot en met 106 van voornoemd eind-proces-verbaal.