Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:5186

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-05-2016
Datum publicatie
25-08-2016
Zaaknummer
C/02/283807/HA ZA 14-464
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad gemeente door aanvrager vergunningen voor exploitatie discotheek niet te informeren over strijdigheid met bestemmingsplan en vertrouwen te wekken dat exploitatie mogelijk was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/425
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/283807 / HA ZA 14-464

Vonnis van 18 mei 2016

in de zaak van

[eiser] h.o.d.n. discotheek “The Limit”,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. A.C.F. Berkhof,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE SLUIS,

zetelende te Oostburg,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Jacobse.

Partijen zullen hierna [eiser] en de gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de conclusie van repliek tevens houdende akte tot wijziging van eis met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek met producties;

  • -

    de akte van [eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert na wijziging van zijn eis - samengevat - veroordeling van de gemeente tot betaling van € 2.683.375,00, althans € 1.959.375,00, wegens geleden materiële schade en € 25.000,00 wegens geleden immateriële schade, dan wel schadevergoeding op te maken bij staat, vermeerderd met rente en kosten.

2.2.

De gemeente voert verweer.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

  1. Bij notariële akte van 15 mei 1987 is aan [eiser] geleverd een woonhuis met schuur, stallen, ondergrond, erf, zijkantdijk en weiland, kadastraal bekend gemeente [kadasternummer] . In het aan [eiser] geleverde pand werd voorheen een cafébedrijf uitgeoefend onder de naam ‘Café ’t Mollekot’.

  2. Op het moment van de levering van het pand was de vijfde herziening van ‘Bestemmingsplan Buitengebied 1978’ van kracht. Volgens dit bestemmingsplan had het perceel van [eiser] de bestemming ‘horecavestiging’. Wat daaronder moest worden verstaan, was niet nader gedefinieerd in het bestemmingsplan.

  3. [eiser] is in het pand, nadat hij dit had verbouwd en had opgeknapt, vanaf 2 september 1989 een café en, vanaf 23 februari 1991, een “danscafé” dan wel “discotheek” gaan exploiteren, de discotheek onder de naam ‘Discotheek ’t Mollekot’.

  4. Op 24 juni 1996 is de Algemene Plaatselijke Verordening Oostburg 1996 (APV 1996) in werking getreden. In de APV 1996 is voor zover hier van belang het volgende bepaald:
    Artikel 2.3.1.2 Exploitatie horecabedrijf
    1. Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
    2. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.
    3. Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf.
    (…)
    Artikel 6.5 Overgangsbepaling
    (…)
    5. Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing vereist is krachtens deze verordening (…) zijn niet van toepassing:
    (…)
    c voor wat betreft het bepaalde in artikel 2.3.1.2, eerste lid, zolang diegene die houder is van het horecabedrijf op het moment van inwerkingtreding van deze verordening, nog houder is.
    (…)”

  5. Op 3 september 1997 heeft [eiser] bij burgemeester en wethouders van de gemeente Oostburg, de rechtsvoorganger van de gemeente, (hierna: b en w) een vergunning op grond van de Wet Milieubeheer (hierna: de milieuvergunning) aangevraagd voor het oprichten en in werking hebben van een “disco/café”, genaamd ‘Disco La Mar’. In de vergunningaanvraag is vermeld dat een “café/dansgelegenheid” zal worden omgebouwd tot een “disco-café bedrijf”. Op dezelfde datum heeft [eiser] een bouwvergunning aangevraagd voor het verbouwen van het café/de dansgelegenheid tot “disco-café bedrijf”. B en w hebben de milieuvergunning en de bouwvergunning verleend op respectievelijk 17 februari 1998 en 1 april 1998.

  6. Bij besluit van 18 juni 1998 heeft de gemeenteraad van de gemeente Oostburg het ‘Bestemmingsplan Landelijk gebied Oostburg’ vastgesteld. Op 27 januari 2005 heeft de gemeenteraad de tweede herziening van dit bestemmingsplan vastgesteld. In het bestemmingsplan behield het perceel van [eiser] de bestemming ‘horecavestiging’. Ingevolge artikel 18, eerste lid, onder a van de planregels van dit bestemmingsplan zijn gronden met die bestemming bestemd voor horecabedrijven. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 25, wordt onder horecabedrijf verstaan een bedrijf, gericht op één of meer van de navolgende activiteiten:
    a. het verstrekken van voedsel en/of dranken met het oogmerk dat deze ter plaatse worden genuttigd;
    b. het exploiteren van zaalaccommodatie;
    c. het verstrekken van nachtverblijf.

  7. Per 1 januari 2005 is de APV 2004 in werking getreden.

  8. Op enig moment daarna is de APV 2006 in werking getreden. Artikel 2.3.1.2. van de APV 2006 is ten opzichte van artikel 2.3.1.2. van de APV 1996 in die zin gewijzigd dat daaraan een tweede lid is toegevoegd, dat luidt als volgt:
    “(…)
    2. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid indien de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
    (…)”

  9. Op 18 juni 2008 heeft [eiser] een vergunning aangevraagd voor het exploiteren van een horecabedrijf ten behoeve van ‘Discotheek The Limit’.

  10. Bij besluit van 23 december 2009 heeft de burgemeester van de gemeente deze vergunning verleend.

  11. Derden hebben (na bezwaar bij de gemeente) beroep ingesteld bij de rechtbank Middelburg tegen (in de kern) het besluit van 23 december 2009 van de burgemeester.

  12. Tijdens de beroepsprocedure heeft de gemeenteraad van de gemeente bij besluit van 23 juni 2011 het ‘Bestemmingsplan Buitengebied’ vastgesteld. In het plan is aan het pand van [eiser] de aanduiding ‘horeca van categorie 3’ toegekend, op grond waarvan op het perceel van [eiser] de exploitatie van een discotheek was toegestaan. Derden hebben tegen dit besluit beroep ingesteld bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van State.

  13. Bij uitspraak van 22 december 2011 heeft de rechtbank Middelburg naar aanleiding van het hiervoor onder k genoemde beroep het besluit van 23 december 2009 van de burgemeester vernietigd. De rechtbank heeft voorts bepaald dat de vergunning alsnog wordt geweigerd en dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

  14. Bij brief van 19 januari 2012 heeft de waarnemend burgemeester van de gemeente [eiser] onder meer meegedeeld dat hij in beroep zal gaan van de uitspraak van de rechtbank, dat exploitatie van de discotheek op grond van de uitspraak van de rechtbank illegaal is en dat [eiser] , indien hij een legale exploitatie wenste, een nieuwe aanvraag kon indienen. Volgens de waarnemend burgemeester was zo’n nieuwe aanvraag mogelijk gelet op het nieuwe bestemmingsplan.

  15. Op 2 februari 2012 heeft [eiser] opnieuw een vergunning aangevraagd voor het exploiteren van de discotheek, welke vergunning op 14 november 2012 is verleend.

  16. Bij uitspraak van 19 december 2012 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de uitspraak van 22 december 2011 van de rechtbank Middelburg bevestigd onder verbetering van gronden. Daartoe heeft de Afdeling overwogen, kort gezegd, dat het ‘Bestemmingsplan Landelijk gebied’ geen discotheek toestaat op het perceel van [eiser] en dat de burgemeester de exploitatievergunning daarom op grond van artikel 2.3.1.2 lid 2 van de APV 1996 had behoren te weigeren.

  17. Bij uitspraak van dezelfde datum heeft de Afdeling het besluit van de gemeenteraad van de gemeente tot vaststelling van het ‘Bestemmingsplan Buitengebied’ vernietigd voor zover dit betreft de aanduiding ‘horeca categorie 3’ die rust op het plandeel met bestemming ‘Horeca’ voor zover die betrekking heeft op het perceel van [eiser] aan de [adres] . De Afdeling overwoog daartoe als volgt:
    “6.2. (…) De activiteiten van een discotheek bestaan in hoofdzaak uit het bieden van gelegenheid tot dansen. Deze activiteit wordt niet genoemd in artikel 1, aanhef en onder 25 van de planregels. Het op het perceel Mollekot 5 gevestigde bedrijf is dan ook geen binnen de voormalige bestemming “Horecavestigingen” passend horecabedrijf. Gelet hierop stond het voorheen geldende bestemmingsplan “Landelijk gebied” geen discotheek toe op het perceel [adres] .
    6.3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient een beoordeling plaats te vinden van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen. De raad heeft toegelicht dat geen beoordeling heeft plaatsgevonden van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een discotheek op het perceel [adres] . Verder heeft de raad toegelicht dat de in de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” opgenomen richtafstanden ten aanzien van het perceel [adres] niet zijn betrokken bij de voorbereiding van het plan. Voorts heeft er geen afweging plaatsgevonden ten aanzien van het woon- en leefklimaat van de omwonenden van de op het perceel [adres] toegestane discotheek. Niet is gebleken van een eerdere afweging ten aanzien van deze aspecten van de aanvaardbaarheid van een discotheek op dit perceel. De Afdeling is gelet op het voorgaande van oordeel dat het bestreden besluit niet met de te betrachten zorgvuldigheid is voorbereid.”

  18. Bij brief van 8 februari 2013 heeft de waarnemend burgemeester van de gemeente [eiser] meegedeeld dat hij uit de uitspraken van de Afdeling afleidt dat discotheekactiviteiten op het perceel van [eiser] niet zijn toegestaan. Verder heeft hij medegedeeld dat hij voornemens is om het besluit van 14 november 2012 om de exploitatievergunning te verlenen te herroepen door het in te trekken en de aanvraag om een exploitatievergunning voor ‘Discotheek The Limit’ voor het gebruik als discotheek te weigeren.

  19. Op 28 februari 2013 heeft de burgemeester de op 14 november 2012 verleende exploitatievergunning ingetrokken.

3.2.

Naar de rechtbank begrijpt legt [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag dat de gemeente onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem reeds vanaf een moment voorafgaande aan de koop van de onroerende zaak aan de [adres] de onjuiste informatie te verstrekken dat hij in het pand een discotheek mocht exploiteren en door (vervolgens) ten onrechte vergunningen ten behoeve van die exploitatie te verlenen zonder deze (afdoende) te toetsen aan de voorschriften van de geldende bestemmingsplannen en aan “(het karakter van) de omgeving”. Volgens [eiser] gold reeds in 1991 dat een discotheek geen passend bedrijf was binnen de bestemming ‘horecavestigingen’ van het toen geldende bestemmingsplan en hadden alle aan hem verleende vergunningen van meet af aan moeten worden geweigerd. Meer in het bijzonder noemt [eiser] in dit verband de volgens hem ten onrechte verleende milieu- en bouwvergunning in 1998 en de aan hem verleende exploitatievergunningen. [eiser] legt voorts, na wijziging van de grondslag van zijn eis bij conclusie van repliek, aan zijn vorderingen ten grondslag dat de gemeente hem bij monde van de heer [naam jurist] , jurist bij de gemeente, en de waarnemend burgemeester, heeft medegedeeld dat hij een exploitatievergunning nodig had en diende aan te vragen, terwijl dit niet nodig was omdat hij al vanaf 1991 een discotheek exploiteerde.

Volgens [eiser] mocht hij er op grond van de door de gemeente verstrekte informatie en/of verleende vergunningen gerechtvaardigd op vertrouwen dat in het pand een discotheek mocht worden geëxploiteerd. In dat vertrouwen heeft hij het pand gekocht en heeft hij, mede door de gemeente Sluis opgelegde, ingrijpende en kostbare verbouwingen aan het pand uitgevoerd en maatregelen getroffen om geluidsoverlast te beperken. Als gevolg van de uitspraak van 19 december 2012 van de Afdeling heeft hij de discotheek definitief moeten sluiten en zijn de door hem gedane investeringen waardeloos geworden. Indien hij niet zou zijn afgegaan op de juistheid van de mededeling van [naam jurist] en geen exploitatievergunning zou hebben aangevraagd, zou hij de discotheek niet hebben behoeven te sluiten, zo stelt [eiser] . De sluiting van de discotheek betekende de beëindiging van zijn ‘levenswerk’. Als gevolg daarvan is hij psychisch volledig ingestort en derft hij inkomen, aldus steeds [eiser] . Met een beroep op een taxatierapport van 14 februari 2014 van NVM Business (hierna: het NVM-rapport) stelt [eiser] dat hij als gevolg van de onrechtmatige daad van de gemeente de volgende schade heeft geleden:

  1. waardevermindering pand wegens bestemmingswijziging € 367.000,00

  2. afwaardering inventaris discotheek € 153.000,00

  3. toekomstige exploitatieschade € 2.160.000,00

  4. immateriële schade € 25.000,00

  5. kosten taxatie € 3.375,00

€ 2.708.375,00

Indien de discotheek ergens anders kan worden geëxploiteerd, kan de schade worden beperkt tot een bedrag van € 1.959.375,00, zo stelt [eiser] .

3.3.

De gemeente heeft zich onder (veel) meer op het standpunt dat het gebruik als discotheek op grond van de bestemming horeca in het tot 1 januari 1999 geldende bestemmingsplan mogelijk was. De gemeente heeft zich beroepen op de formele rechtskracht van de besluiten die niet zijn vernietigd of herroepen. In dat verband betwist zij dat het verlenen van de milieu- en bouwvergunning op respectievelijk 25 februari 1998 en 1 april 1998 onrechtmatig is. Wat de op 23 december 2009 en 14 november 2012 verleende exploitatievergunningen betreft, is het verlenen daarvan volgens de gemeente weliswaar in beginsel onrechtmatig, maar ontbreekt het causaal verband tussen de vergunningverlening en de gestelde schade. De gemeente beroept zich voorts op eigen schuld. Tot slot doet de gemeente een beroep op voordeelstoerekening en betwist zij de gestelde schade.

3.4.

De rechtbank overweegt dat de schade waarvan [eiser] vergoeding vordert, volgens zijn stellingen is ontstaan doordat de exploitatie van een discotheek in het pand thans niet meer mogelijk is. Deze schade is, die stelling volgend, daarom niet ontstaan als gevolg van de niet aangetaste besluiten (milieuvergunning, bouwvergunning) die exploitatie van de discotheek in het verleden mogelijk hebben gemaakt. De schade is evenmin ontstaan als gevolg van mededelingen van de zijde van de gemeente dat die exploitatie mogelijk was, voor zover deze mededelingen betrekking hadden op de periode waarin de exploitatie niet in strijd was met het van kracht zijnde bestemmingsplan. Voor zover de vorderingen van [eiser] gebaseerd zijn op de onrechtmatigheid van deze besluiten of mededelingen, ontbreekt het vereiste causaal verband en behoeft de onrechtmatigheid reeds daarom geen beoordeling. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de gemeente terecht heeft aangevoerd dat de besluiten tot het verlenen van de milieu- en bouwvergunning op respectievelijk 25 februari 1998 en 1 april 1998 niet zijn vernietigd of herroepen, zodat deze besluiten geacht moeten worden naar hun inhoud en totstandkoming rechtmatig te zijn.

3.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat de exploitatie van de discotheek in strijd was met de bestemming van het perceel van [eiser] in het ‘Bestemmingsplan Landelijk gebied Oostburg’, door de gemeenteraad van de gemeente vastgesteld op 18 juni 1998, in werking getreden op 22 december 1998 en herzien op 27 januari 2006. Het besluit tot het verlenen aan [eiser] van een exploitatievergunning ten behoeve van de discotheek is, zoals hiervoor is vastgesteld, om die reden vernietigd. In deze procedure dient te worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het besluit van de gemeente tot het vaststellen van dit bestemmingsplan (en de herziening).

3.6.

Op grond van de vergunningaanvragen voor de in 1998 verleende milieu- en bouwvergunning wist de gemeente dat [eiser] zijn pand wilde verbouwen voor de exploitatie van een discotheek. Naar het oordeel van de rechtbank had de gemeente in ieder geval vanaf het moment van het verlenen van de bouwvergunning op 1 april 1998 aan [eiser] moeten meedelen dat zijn voornemen om zijn pand uit te bouwen voor de exploitatie van een discotheek in strijd was met het bestemmingsplan dat op 18 juni 1998 (ongeveer zes weken later) is vastgesteld. Dat geldt te meer nu, naar [eiser] onweersproken heeft gesteld, tussen [eiser] en de gemeente sprake was van een voortdurend en intensief contact in verband met de terugkerende klachten van omwonenden tegen de exploitatie van de discotheek en in verband met de naleving van de door de gemeente aan [eiser] opgelegde voorwaarden voor die exploitatie. Daarnaast heeft [eiser] onweersproken gesteld dat [eiser] in de periode waarin hij de discotheek exploiteerde (met het oog op de klachten van omwonenden) aan de gemeente heeft gevraagd of hij voldeed aan de eisen voor de exploitatie van de discotheek en de daartoe benodigde vergunningen. De gemeente heeft [eiser] er niet op gewezen dat de exploitatie van de discotheek in strijd was met het bestemmingsplan en heeft bij [eiser] door middel van het verlenen van de milieu-, bouw- en exploitatievergunningen en het overleg met [eiser] over de wijze waarop hij de discotheek gelet op de klachten van de omwonenden kon blijven exploiteren (bijvoorbeeld door het op verzoek van de gemeente treffen van maatregelen die geluidsoverlast beperken, het instellen van een alternatieve busroute) juist het vertrouwen gewekt dat die exploitatie mogelijk was.

3.7.

Door [eiser] niet te informeren over de strijdigheid van de exploitatie van de discotheek met het ‘Bestemmingsplan Landelijk gebied Oostburg’ (in wording) maar bij [eiser] juist het vertrouwen te wekken dat die exploitatie mogelijk was, heeft de gemeente [eiser] op het verkeerde been gezet en heeft de gemeente niet gehandeld zoals van een maatschappelijk zorgvuldig handelend overheidsorgaan als de gemeente mag worden verwacht. De gemeente heeft daardoor toerekenbaar onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld en is verplicht om de schade die [eiser] als gevolg daarvan lijdt te vergoeden.

3.8.

Indien de gemeente [eiser] ten tijde van het verlenen van de bouwvergunning in 1998 zou hebben meegedeeld dat de exploitatie van een discotheek in strijd was met de bestemming van het perceel in het bestemmingsplan dat ongeveer zes weken later is vastgesteld, zou [eiser] de ingrijpende investeringen ten behoeve van de exploitatie van de discotheek die hij vanaf dat moment heeft gedaan, waarschijnlijk achterwege hebben gelaten. Daarnaast had [eiser] op grond van de Wet Ruimtelijke Ordening (thans artikel 6.1) een aanvraag kunnen doen voor het vergoeden van de schade als gevolg van inkomensderving of vermindering van de waarde van zijn pand, welke aanvraag thans volgens de gemeente niet meer mogelijk is omdat de aanspraak op vergoeding van ‘planschade’ is verjaard.

3.9.

De rechtbank verwerpt het verweer van de gemeente dat inhoudt dat de schade ook zonder de onrechtmatige daad van de gemeente zou zijn ontstaan omdat [eiser] zelf op 31 december 2012 de beslissing heeft genomen om te stoppen met de discotheek, nog vóórdat de gemeente de op 14 november 2012 ten onrechte verleende exploitatievergunning had ingetrokken. [eiser] heeft naar voren gebracht dat hij de voornoemde beslissing heeft genomen omdat het op grond van de uitspraken van de Afdeling duidelijk was dat exploitatie van de discotheek in de toekomst niet meer mogelijk was en de gemeente daaraan niet langer zou meewerken. De stelling van [eiser] vindt bevestiging in de brief van 8 februari 2013 van de waarnemend burgemeester aan [eiser] . In het licht van die brief heeft de gemeente haar stellingen onvoldoende onderbouwd.

3.10.

De gemeente heeft aangevoerd dat de schade die [eiser] lijdt doordat hij geen discotheek meer mag exploiteren, een gevolg is van een omstandigheid die voor zijn rekening komt. Volgens de gemeente had [eiser] in 1998 ten behoeve van de discotheek een exploitatievergunning moeten aanvragen omdat dit op grond van de APV 1996 verplicht was geworden. Deze vergunning zou zijn verleend omdat het gebruik als discotheek niet in strijd was met het ‘Bestemmingsplan Buitengebied 1978’. De inwerkingtreding van het ‘Bestemmingsplan Landelijk Gebied’ in 1999 zou niet in de weg hebben gestaan aan de exploitatie van de discotheek omdat op grond van het overgangsrecht (art. 33 van de planvoorschriften) gebruik van gronden en bouwwerken dat afweek van het plan op het tijdstip waarop het bestemmingsplan rechtskracht kreeg, mocht worden voortgezet. In het geval [eiser] in 1998 een exploitatievergunning had aangevraagd, zou de exploitatie van de discotheek op dit moment nog toegestaan zijn, aldus steeds de gemeente.

3.11.

De rechtbank verwerpt dit beroep op eigen schuld. In het geval [eiser] in 1998 een exploitatievergunning zou hebben aangevraagd, had de gemeente [eiser] er ook op moeten wijzen dat de exploitatie in strijd was met het ‘Bestemmingsplan Landelijk Gebied’. Indien al moet worden aangenomen dat [eiser] in 1998 verplicht was om een exploitatievergunning aan te vragen, ontbreekt mitsdien het causaal verband tussen die aanvraag en de schade die [eiser] als gevolg van de onrechtmatige daad van de gemeente heeft geleden.

3.12.

De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor conclusie na tussenvonnis teneinde [eiser] in de gelegenheid te stellen om met de door de rechtbank vastgestelde uitgangspunten zijn schade opnieuw te specificeren, zo mogelijk onderbouwd met stukken en voorzien van een zo concreet mogelijke toelichting. Bij de schadeberekening dient tevens rekening te worden gehouden met de feitelijke exploitatie van de discotheek vanaf 1998 (met de door [eiser] gepleegde investeringen) in de situatie met de door de gemeente gemaakte fout. De gemeente zal bij antwoordconclusie kunnen reageren.

3.13.

De rechtbank verwerpt de stelling van [eiser] dat de gemeente hem onjuist heeft geïnformeerd over de noodzaak van het aanvragen van de exploitatievergunning. De gemeente heeft onweersproken gesteld dat op 1 januari 2005 de APV 2004 in werking is getreden ter vervanging van de APV 1996 en dat in de APV 2004 niet langer, zoals in de APV 1996, een bepaling was opgenomen op grond waarvan bestaand gebruik zonder exploitatievergunning kon worden voortgezet. Vanaf 1 januari 2005 diende [eiser] derhalve te beschikken over een exploitatievergunning ten behoeve van de discotheek.

3.14.

Andere door [eiser] gestelde grondslagen voor aansprakelijkheid (onrechtmatigheid verlenen exploitatievergunningen) behoeven geen bespreking meer omdat die - wat daar verder ook van zij - niet leiden tot meer of andere schade dan die welke het gevolg is van de hiervoor door de rechtbank vastgestelde onrechtmatige daad van de gemeente. Verweren van de gemeente die op die grondslagen betrekking hebben, behoeven dus evenmin bespreking.

3.15.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

verwijst de zaak naar de rol van 15 juni 2016 voor conclusie na tussenvonnis aan de zijde van [eiser] ;

4.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2016.