Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2016:5163

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-08-2016
Datum publicatie
22-08-2016
Zaaknummer
02/319559 / HA RK 16-164
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Breda

zaaknummer 02/319559 / HA RK 16-164

Beslissing van 19 augustus 2016

inzake

het wrakingsverzoek ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering van:

[verzoekster] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verzoekster,

advocaat mr. M.J. Crombach.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

- het proces-verbaal van de openbare zitting van de politierechter op 8 augustus 2016 te Breda, met daarin opgenomen het namens verzoekster mondeling gedane verzoek tot wraking;

- de behandeling van het wrakingsverzoek op 15 augustus 2016 ter zitting van de wrakingskamer, waarbij zijn verschenen: advocaat mr. M.J. Crombach, politierechter mr. Van Meer en officier van justitie mr. Fimerius;

- de pleitaantekeningen van mr. Crombach.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van mr. Van Meer (hierna te noemen: de rechter), die op 8 augustus 2016 als politierechter was belast met de behandeling van de tegen verzoekster dienende strafzaak met parketnummer 02-072418-16, gevoegd met de behandeling van een vordering tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijke straffen die aan verzoekster zijn opgelegd in de zaken met parketnummers 02-056732-14 en 02-800816-13.

2.2.

De rechter berust niet in de wraking.

3 De feiten

3.1.

In de strafzaak met parketnummer 02-072418-16 wordt verzoekster ervan verdacht dat zij in april 2016 in het bezit was van een hoeveelheid GHB, een middel dat voorkomt op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3.2.

In voornoemde strafzaak is verzoekster gedagvaard voor de politierechterzitting op dinsdag 8 augustus 2016. Daarnaast is verzoekster door de officier van justitie opgeroepen voor de behandeling van een vordering tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijke vrijheidsstraffen die aan verzoekster zijn opgelegd in de strafzaken met parketnummers 02-056732-14 en 02-800816-13.

3.3.

Op de politierechterzitting is tussen de rechter en de raadsman van verzoekster een discussie ontstaan over het verbod tot het opleggen van een taakstraf. Het van die zitting opgemaakte proces-verbaal vermeldt daarover het volgende:

Op de vraag van de politierechter of verdachte door haar raadsman op de hoogte is gebracht van de Wet beperking taakstraffen antwoordt zij bevestigend.

Dc politierechter merkt op dat dit een probleem kan gaan worden, aangezien verdachte al meerdere keren is veroordeeld tot het verrichten van taakstraffen. De raadsman van verdachte merkt vervolgens op dat het bij de werking van artikel 22b Wetboek van Strafrecht dient te gaan om een soortgelijk feit, en dat is niet het geval. De raadsman stelt dat artikel 22b Wetboek van Strafrecht niet van toepassing is. De politierechter beaamt dit en vraagt of verdachte zich realiseert dat ook het hebben van een strafblad er op een gegeven moment toe kan leiden dat er geen ruimte meer is voor een werkstraf. De raadsman van verdachte antwoord daarop: “Waarom hamert u daar zo op?” De politierechter antwoordt hierop dat zij dit doet om aan te geven dat er op een gegeven moment een einde komt aan de mogelijkheid tot het opleggen van taakstraffen.

De raadsman deelt naar aanleiding van het voorgaande mee:

“Dit is een wrakingswaardige opmerking”

Op vraag van de politierechter wat de raadsman hiermee wil zeggen, antwoordt hij :

“Ik wraak u als politierechter”.

De politierechter onderbreekt de behandeling ter terechtzitting en trekt zich terug in raadkamer.

Na terugkomst in de zittingszaal deelt de politierechter mee nog geen contact te kunnen krijgen met een vertegenwoordiger van de wrakingskamer, maar dat dit zo spoedig mogelijk zal gebeuren. De politierechter vraagt aan de raadsman of hij samengevat de reden van de wraking kan aangeven.

De raadsman deelt mee:

“In deze fase van het onderzoek ter terechtzitting heeft u zich uitgelaten over de strafmaat en de strafmodaliteit op een moment waarop dat nog niet aan de orde is. Artikel 22b Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing en u zei: “We zullen zien”. Waarom hamert u daar zo op? U heeft zich uitgelaten over de strafmaat en de strafmodaliteit, nog voordat de officier van justitie heeft gerekwireerd en voordat ik verweer heb gevoerd. Daarmee is sprake van ogenschijnlijke vooringenomenheid.”

Vervolgens is de behandeling ter zitting geschorst tot het moment waarop een uitspraak over het verzoek tot wraking wordt gedaan.

4 De gronden van het wrakingsverzoek en het standpunt van verzoekster

4.1.

Volgens het proces-verbaal van de zitting van 8 augustus 2016 stelt de raadsman van verzoekster zich op het standpunt dat de rechter de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt door tijdens het onderzoek naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte het standpunt in te nemen dat het opleggen van een taakstraf niet mogelijk is en zich aldus uit te laten over de strafmaat en strafmodaliteit.

4.2.

Ter zitting merkt de raadsman van verzoekster als eerste op dat het proces-verbaal van de politierechterzitting een genuanceerdere indruk van de sfeer van de zitting geeft dan die van de werkelijkheid. Aan de orde was de bespreking van de justitiële documentatie van zijn cliënte. De rechter stelde dat de Wet beperking taakstraffen van toepassing was omdat verzoekster in de afgelopen vijf jaren reeds tot taakstraffen was veroordeeld. De raadsman bestreed dat, stellende dat verzoekster nog nooit veroordeeld was voor overtreding van de Opiumwet, zodat er geen sprake was van soortgelijke misdrijven. Nadat de rechter in de wettekst had nagekeken dat artikel 22b Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) inderdaad alleen van toepassing is bij soortgelijke misdrijven, antwoordde de rechter met de woorden ‘OK, we zullen zien zo’, daarmee in het midden latend of artikel 22b Sr wel of niet van toepassing was in haar ogen. Vervolgens heeft de rechter gezegd dat ‘het op een gegeven moment wel klaar is met het opleggen van taakstraffen en dat op een gegeven moment mensen gevangenisstraffen krijgen’, hetgeen de raadsman heeft aangemerkt als een wrakingswaardige opmerking.

4.3.

Vervolgens licht de raadsman van verzoekster toe dat de schijn van partijdigheid zit in de uitlatingen van de rechter over de strafmodaliteit op een moment dat dit niet aan de orde kon zijn. Om te beginnen verkeerde de rechter in de onjuiste veronderstelling dat artikel 22b Sr van toepassing was. Vervolgens leek de rechter dit gegeven niet relevant te vinden. Daarmee is de indruk ontstaan dat het opleggen van een taakstraf aan verzoekster een gepasseerd station was en dat het opleggen van een gevangenisstraf in de rede lag, ongeacht of artikel 22b Sr van toepassing was of niet. Die uitlating is bezwaarlijk anders op te vatten dan als een voorschot op zowel een veroordeling als op de strafmodaliteit, ruimschoots voordat het onderzoek ter terechtzitting was beëindigd. Op basis van deze overwegingen mocht verzoekster objectief gerechtvaardigd vrezen dat haar bij einduitspraak geen andere straf dan een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf zou worden opgelegd.

5 Het standpunt van de rechter

5.1.

De rechter voert aan dat het proces-verbaal van de politierechterzitting zo accuraat als mogelijk is opgemaakt op basis van de aantekeningen van de griffier. Zij hoort niet betwisten dat zij heeft gezegd dat alleen het hebben van een strafblad al ertoe kan leiden dat er geen taakstraf meer kan worden opgelegd. Zij heeft zich uitgelaten over straffen in het algemeen en niet specifiek over de straffen in deze zaak.

5.2.

In haar tweede termijn licht de rechter toe dat zij bij het onderzoek ter terechtzitting alle modaliteiten open wilde houden. Zij wilde aan de verdachte voorhouden dat er op een gegeven moment andere straffen opgelegd kunnen worden dan taakstraffen. De rechter kan zich niet herinneren dat ze heeft gezegd ‘we zullen wel zien’. De raadsman zegt dat zij dat gezegd heeft, maar zelf kan zij zich dat niet heugen. De rechter concludeert dat het verzoek tot wraking moet worden afgewezen.

6 Het standpunt van de officier van justitie

6.1.

De officier van justitie vertelt dat zij de situatie ter zitting als volgt heeft meegekregen. De feiten waren behandeld en de rechter stelde vragen over de persoonlijke omstandigheden van verzoekster. Daarna begon de rechter over het taakstrafverbod van artikel 22b Sr. Volgens de raadsman was dat verbod alleen aan de orde bij soortgelijke feiten. De officier van justitie denkt daar ook zo over. De eerdere veroordelingen van verzoekster waren winkeldiefstallen. Omdat de officier van justitie op dat moment al nadacht over de inhoud van haar requisitoir, heeft zij de discussie niet heel goed gevolgd. Zij hoorde de rechter zeggen dat er na taakstraffen op een gegeven moment andere straffen aan de orde komen. Toen greep de advocaat in. De officier van justitie kan niet bevestigen of het proces-verbaal helemaal klopt want zij was met haar gedachten bij haar requisitoir.

6.2.

Over de grond tot wraking merkt de officier van justitie op dat zij de opmerking van de rechter over het einde van het opleggen van taakstraffen heeft opgevat als een pedagogische opmerking van de rechter naar de verdachte, als een waarschuwing dat er niet eeuwig taakstraffen worden opgelegd. Het gevoel van de raadsman over een vooringenomenheid van de rechter deelt de officier van justitie niet. De opmerking van de rechter was pedagogisch bedoeld. Daarom behoort de wraking niet toegewezen te worden.

7 De beoordeling

7.1.

Ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan een verdachte of het Openbaar Ministerie een rechter die een strafzaak behandelt wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

7.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter neemt de rechtbank als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

7.3.

Aanleiding voor het onderhavige wrakingsverzoek is hetgeen de rechter heeft gezegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Het verslag van die zitting is neergelegd in een proces-verbaal, dat volgens de rechter zo accuraat als mogelijk is opgemaakt op basis van de aantekeningen van de griffier. De rechtbank constateert dat er desondanks discussie bestaat omtrent hetgeen de rechter precies heeft gezegd. Volgens de raadsman heeft de rechter, na het wetboek te hebben geraadpleegd, niet alleen beaamd dat het taakstrafverbod alleen van toepassing is bij soortgelijke misdrijven, maar heeft de rechter ook gezegd ‘oh, we zullen wel zien zo’, welke opmerking in het proces-verbaal ontbreekt.

Aangezien het proces-verbaal van de zitting is opgemaakt buiten aanwezigheid van de raadsman, is dat voor de rechtbank aanleiding om na te gaan wat de andere ter zitting aanwezige partijen daarover verklaren. De officier van justitie kan niet bevestigen dat de rechter de betreffende opmerking heeft gemaakt. Zij heeft de discussie namelijk niet zo goed gevolgd omdat haar gedachten bij haar requisitoir waren. De rechter kan zich niet heugen dat zij de betreffende opmerking heeft gemaakt. Voor het standpunt van de raadsman kan derhalve geen steun bij de andere partijen worden gevonden. Daarom gaat de rechtbank hierna uit van de feiten zoals weergegeven in het proces-verbaal.

7.4.

De opmerking van de rechter over de Wet beperking taakstraffen is gemaakt in het kader van de bespreking van het strafblad van verzoekster. Daarover zijn partijen het eens. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het in de rede dat een strafrechter, in het kader van zijn onderzoek naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, informeert welke praktische gevolgen een bepaalde hoofdstraf kan meebrengen voor de verdachte. Dat de strafrechter in dat verband benoemt welke hoofdstraffen voor het tenlastegelegde feit kunnen worden opgelegd, betekent in dat stadium nog niet dat de rechter de intentie heeft om die genoemde straffen ook op te leggen of om de niet-genoemde straffen niet op te leggen. Dat de rechter in dit geval de Wet beperking taakstraffen aan de orde heeft gesteld, heeft de raadsman de kans gegeven om de rechter erop te wijzen dat artikel 22b Sr alleen van toepassing is bij eerdere veroordelingen voor soortgelijke delicten. Uit het proces-verbaal blijkt dat de rechter heeft beaamd dat zij die interpretatie van de raadsman volgt.

7.5.

De volgende opmerking van de rechter, dat het op enig moment wel klaar is met het opleggen van taakstraffen, is eveneens gedaan in het kader van de bespreking van het strafblad van verzoekster. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het om een opmerking van algemene strekking. Bij professionele procesdeelnemers zoals de raadsman en de officier van justitie is algemeen bekend dat het blijven plegen van strafbare feiten ertoe kan leiden dat er op enig moment geen taakstraf meer wordt opgelegd. Hier geldt wederom dat de strafrechter mag informeren welke praktische gevolgen een (voorwaardelijke) gevangenisstraf of een geldboete voor de verdachte zou hebben. Dat de rechter wil weten wat het voor verdachte betekent indien er geen taakstraf wordt opgelegd, betekent in dat stadium van het strafproces nog niet dat de rechter ook de intentie heeft om geen taakstraf op te leggen. Het betekent nog minder dat de verdachte moet vrezen dat een onvoorwaardelijk gevangenisstraf wordt opgelegd. Er bestaan immers meerdere hoofdstraffen, die voorwaardelijk of onvoorwaardelijk of onder bijzondere voorwaarden zijn op te leggen. Ook in het onderhavige geval ligt – buiten een taakstraf – nog een scala aan strafmodaliteiten open.

7.6.

Uit voorgaande overwegingen volgt dat een vrees voor vooringenomenheid van de rechter niet objectief gerechtvaardigd wordt door haar opmerkingen over taakstraffen noch door het stadium van het onderzoek ter terechtzitting waarin die opmerkingen zijn gemaakt. De subjectieve vrees bij verzoekster voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf acht de rechtbank prematuur en kan geen reden zijn om naar het middel van wraking te grijpen. Het wrakingsverzoek zal dan ook worden afgewezen.

8 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat de behandeling van de strafzaak met parketnummer 02-072418-16, gevoegd met de vordering tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijke straffen die zijn opgelegd in de zaken met parketnummers 02-056732-14 en 02-800816-13, zal worden voortgezet in de stand waarin het geding zich bevond ten tijde van de schorsing als gevolg van de indiening van dit verzoek.

Deze beslissing is gegeven op 19 augustus 2016 door mrs. Poerink, Van Oijen en

Brouwer, in aanwezigheid van mr. De Baar, griffier, en in het openbaar uitgesproken.